Rembrandt, Susanna en de ouderlingen
Susanna is een vrouw uit een deuterocanoniek (apocrief) gedeelte van het boek Daniël dat dan ook wordt gerekend tot de Toevoegingen bij Daniël. Haar kerkelijke feestdag is op 19 december.
Volgens het Bijbelverhaal nam Susanna, de dochter van Chelkia en getrouwd met Joakim (Joachim), een zeer rijk man, een bad in de beslotenheid van haar tuin. Zij realiseerde zich echter niet dat twee oude mannen (‘ouderlingen’) haar bespiedden. De mannen probeerden haar te verleiden, maar Susanna bood verzet. Uit wraak beschuldigden de mannen haar van overspel waarvoor ze de doodstraf kon krijgen.
De profeet Daniël vermoedde dat er iets niet klopte en besloot de twee getuigen apart van elkaar te ondervragen. Uit de verschillen in de getuigenissen werd het bewijs geleverd van Susanna’s onschuld. Haar belagers werden ter dood gebracht, de straf die ze Susanna hadden toebedacht, zoals voorgeschreven in Deuteronomium 19:18-19.
In de Pentateuch wordt meerdere keren beschreven dat er minstens twee getuigen van een misdrijf moeten zijn: Numeri 35:30, Deuteronomium 17:6, Deuteronomium 19:15. In Mattheus 26:60-61 zijn er dan ook twee getuigen. Ook in de hedendaagse rechtspraak geldt het principe dat een enkel getuigenis weinig betrouwbaar is. Het spreekt wel vanzelf dat de getuigen onafhankelijk van elkaar moeten worden gehoord.
2Zijn vrouw was Susanna, de dochter van Chelkia; zij was buitengewoon mooi en vroom.
3Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed.
4Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag; bij hem kwamen de joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was.
5Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld; van hen gold wat de Heer gezegd heeft: ‘De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten, die rechters waren en voorgaven het volk te besturen.’
6Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
7Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man.
8De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op.
9Zij smoorden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen.
10Hoewel beiden door hartstocht gepijnigd werden, zeiden ze elkaar toch niets van hun smart;
11ze schaamden zich ervoor te bekennen dat zij door hartstocht gegrepen waren en met haar samen wilden zijn.
12Dagelijks zochten ze ijverig naar een gelegenheid om haar te ontmoeten.
13Op een dag zei de een tot de ander: ‘Laten we maar naar huis gaan, want het is etenstijd.’ Ze namen afscheid en gingen uiteen.
14Maar langs een omweg troffen ze elkaar op dezelfde plaats. Toen ze elkaar naar de reden vroegen, bekenden ze dat ze door hartstocht gedreven werden. Ze bespraken samen de tijd, waarop ze haar alleen konden treffen.
15Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna, vergezeld van twee dienstmeisjes, volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen.
16Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden.
17Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: ‘Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.’
18Ze deden wat ze gevraagd had; ze sloten de poort van het park en gingen door een zijingang weg om het gevraagde te halen zonder de oudsten te zien, die zich verscholen hielden.
19Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe
20en zeiden: ‘Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet; we branden van begeerte naar je! Wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons,
21anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes had weggestuurd.’
22Susanna zuchtte diep en sprak: ‘Van alle kanten word ik bedreigd: want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen.
23Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.’
24Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in
25en een van hen liep naar de poort van het park en opende die.
26Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zijingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was.
27Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
28Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten ertoe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze:
29’Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.’ Men liet haar halen.
30Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten.
31Susanna was een buitengewoon bevallige en mooie vrouw.
32De booswichten gaven daarom bevel de sluier waarmee haar gelaat bedekt was af te nemen, om zich aan haar schoonheid te kunnen verlustigen.
33Maar haar verwanten en allen die haar zagen weenden.
34Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden,
35blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
36Toen verklaarden de oudsten: ‘Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg.
37Daarop kwam er een jongeman naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen.
38Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar haar toe
39en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden we niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte;
40maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was,
41maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.’ De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood.
42Toen riep Susanna met luide stem: ‘Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt,
43Gij weet dat ze een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.’
44De Heer verhoorde haar gebed.
45Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in.
46Deze jongeman riep met luider stem: ‘Ik ben onschuldig aan haar bloed!’
47Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: ‘Wat bedoel je daarmee?’
48Hij ging in hun midden staan en zei: ‘Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken?
49Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.’
50Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: ‘Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.’
51Toen zei Daniël tot hen: ‘Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.’
52Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: ‘Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor de zonden die je bedreven hebt,
53door onrechtvaardige vonnissen te vellen: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat niet ter dood.
54Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?’ Hij antwoordde: ‘Onder een mastiekboom.’
55Daniël hernam: ‘Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.’
56Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: ‘Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht.
57Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid.
58Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?’ Hij antwoordde: ‘Onder een steeneik.’
59Daniël hernam: ‘Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.’
60Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt.
61En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden toegedacht:
62ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.
63Chelkia en zijn vrouw prezen God om hun dochter Susanna tezamen met Joakim, haar man, en al haar verwanten, omdat zij onberispelijk gebleken was.
64En van die dag af stond Daniël in hoog aanzien bij het volk.
