Gabriël Metsu, de verstoting van Hagar en Ismaël door Abraham, ca. 1653
Hagar komt voor in het boek Genesis 16,[1] 21[2] en 25[3]. Zij was in Egypte geboren en de dienstmaagd (slavin) van Sara.
Tien jaren lang diende Hagar Sara trouw. Aangezien Sara al die tijd kinderloos bleef, besloot Sara Abraham met Hagar te laten slapen, zodat hij bij haar wel kinderen kon krijgen. Zo geschiedde en Hagar baarde een zoon die de naam Ismaël[4] kreeg.
Sara werd echter jaloers op Hagar en verjoeg haar, terwijl Hagar zwanger was. God kwam echter tot Hagar in haar verdriet, nabij een put (Lachai-Roi) en zond haar terug naar Sara en Abraham met de belofte dat haar zoon stamvader zou worden van een volk en Hij gebood het kind Ismaël te noemen.[4]
Later werd ook Sara zwanger en God besloot met dit kind (Isaak) zijn verbond te sluiten. Abraham vroeg God toch ook met Ismaël te zijn en God herhaalde zijn eerdere belofte aan Hagar.
Na de geboorte van Isaak drong Sara er bij Abraham weer op aan Hagar en Ismaël weg te zenden. Na een laatste garantie van God deed Abraham dit en Hagar trok met haar kind en een kruik water de woestijn in. God hield woord en Ismaël stierf op 137-jarige leeftijd, omringd door zijn nazaten, een volk dat een gebied bewoonde van Havila tot aan Sur. (Wikipedia)
