800px-Ahu_Tongariki.jpg

Moai op Paaseiland. “[5 april 1722:] Ontrent het 10de glas in de namiddag-wagt, stak d’Africaansche Galey, die voor seylde, onder de wind om ons in te wagten, zeyn doende van land te sien … by hem komende, vraegden wat hy gesien had: waarop geantwoort wiert, dat sy alle seer onderscheydentlijk vooruyt aan stuurboort een laeg en vlak Eyland hadden gesien …; gaeven … aen het land den naem van’t Paasch Eyland, omdat het van ons op Paaschdag ontdekt en gevonden is. Onder’t volk was groote blijdschap, alsoo een ygelijk hoopte, dat dit laage land de voorboode was van de streckende cust van’t onbekende Zuydland. … [10 april 1722:] Wat de godsdienst deser menschen betreft, daarvan heeft men geen volkomen kennis, wegens de kortheyd van ons verblijff, konnen bekomen, alleenlyck hebben wy opgemerckt, dat sy voor eenige bysondere hoog opgeregte steenenbeelden, vuuren aensteeken, en vervolgens op hunne hielen nedersittende met gebogen hoofde, brengen sy ’t platte der handen te saamen, beweegende die op en nederwaards. Dese steenen hebben in’t eerst veroorsaekt, dat wy met verwondering aengedaen wierden: want wy konden niet begrypen hoe ’t mogelyk was, dat die menschen, die ontbloot zijn van swaer en dik hout om eenige machine te maaken, mitsgaders van kloek touwerck, echter soodanige beelden, die wel 30 voeten hoog en nae proportie dik waaren, hadden konnen oprigten: dog dese verwondering cesseerde met te ondervinden door het aftrekken van een stuk steens, dat dese beelden van kley of vette aerde waeren geformeerd, en dat men daerin kleyne gladde keysteentjes hadde gestooken, die heel digt en net by den anderen geschikt sijnde, de vertooning van een mensch maekten; voorts sag men van de schouders nederwaerts strecken een flaauwe verheffing off uytsteeksel, dat de armen affschetsten, want alle de beelden scheenen te vertoonen, dat sy met een lang kleed van den hals tot aan de voetzoolen omhangen waaren; hebbende op het hooft een korf, daar opgestapelde wit geschilderde keysteenen inlagen.” (De Reis van Mr. Jacob Roggeveen ter ontdekking van het Zuidland (1721-1722), uitgegeven door F.E. Baron Mulert [‘s-Gravenhage 1911], p. 114 en 121-122)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *