Het leger van Lodewijk XIV steekt de Rijn over. “Uit ‘ongenoegen’ over het gedrag van de Staten-Generaal dat onverenigbaar was met de vele gunsten die ze van hem en zijn voorgangers [Hendrik IV en Lodewijk XIII] hadden ontvangen, verklaarde Lodewijk XIV op 6 april 1672 de oorlog aan de Republiek. De grootste gunst had volgens de Franse monarch daarin bestaan, dat de Republiek haar onafhankelijkheid had weten te bemachtigen dankzij het Frans-Nederlandse verdrag van 1635. Al in 1648 hadden de Nederlanders echter voor het eerst hun onbetrouwbaarheid getoond door een afzonderlijke vrede met Spanje te sluiten. In 1662 had Lodewijk XIV opnieuw zijn sympathie ten opzichte van de Republiek getoond door een defensief verdrag met Johan de Witt te sluiten en had hij de raadpensionaris gesteund in de Tweede Engelse ZeeOorlog. Maar toen hij in de Devolutieoorlog van 1667 de Franse noordgrens naar het noorden wilde verschuiven ten koste van de Spaanse Nederlanden, had [Johan]de Witt een spaak in het wiel gestoken. Samen met Engeland en Zweden had de raadpensionaris de Triple Alliantie gesloten om een grote expansie van Frankrijk tegen te gaan. Dat nam Lodewijk XIV de Nederlander zo kwalijk, dat hij de Republiek wilde bestraffen. De oorlog was bedoeld om zijn eigen ‘gloire’ te vergroten. Lodewijk XIV verweet de Nederlanders met het sluiten van de Triple Alliantie hun plaats vergeten te zijn en ‘alle Europese zaken te willem regelen’. Lodewijk XIV eiste de rol van ‘arbiter’ in Europa voor zichzelf op. Hij wilde over oorlog en vrede beslissen. Alle Europese mogendheden dienden naar hem te luisteren. Zo laadde hij de verdenking op zich ‘een universele monarchie’ na te streven. Men heeft lang gedacht dat ook economische redenen aan de aanval op de Republiek ten grondslag lagen. … De meeste historici zijn het er nu over eens, dat het initiatief tot de oorlog van Lodewijk XIV zelf uitging. Sonnino heeft er voor het eerst op gewezen, dat in strijd met de heersende opvattingen over het Mercantilisme. Colbert tegen de oorlog was, omdat het zijn economisch-fiscaal beleid doorkruiste.” (W. Troost, Stadhouder-koning Willem III [Hilversum 2001], p. 80-81)
