Praalgraf van Piet Hein, Oude Kerk Delft.
“In de zomer van 1628 voerde Hein als generaal van de West-Indische Compagnie (WIC) het commando over de vloot van 31 schepen. Hij zette koers naar Havana op Cuba, in een poging om een Spaanse zilvervloot te veroveren. Op 8 september 1628 onderschepte de vlootvoogd in de Straat van Florida het eskader van de tweede Spaanse zilvervloot dat uit Nieuw-Spanje (Mexico) kwam. Hij veroverde negen van de rijkbeladen koopvaarders op volle zee en kort daarop nog enkele galjoenen die de Baai van Matanzas in waren gevlucht. De Spanjaarden gaven zich vrijwel meteen over en er vielen geen doden of gewonden. Begin januari 1629 bereikten Hein en de zijnen de thuishaven, waar hun een feestelijke ontvangst wachtte. De vlootvoogd werd alom geëerd en geprezen. Nooit eerder was zo’n kostbare buit behaald. De totale waarde [van het zilver, goud, parels, etc.] was 11,5 miljoen gulden.” Piet Hein zelf was niet onder de indruk. Hij merkte cynisch op: “Siet hoe het volck nu raest, omdat soo grooten schat t’huys brenge, daer weijnich voor hebbe gedaen; ende te voren als ick de voor hadde ghevochten, ende verre grooter daden ghedaen als dese, en heeft men sich naeuwelijcks aen mij ghekeert.” (R. Prud’homme van Reine, Admiraal Zilvervloot. Biografie van Piet Hein. [Amsterdam 2003], p. 9)
