Willem Briedé (Amsterdam 1903-Ratingen in Duitsland 1962) was samen met W. Henneicke leider van de zgn. Colonne Henneicke, een groep van ongeveer 50 mannen, die tussen maart en oktober 1943 in Amsterdam jacht maakten op ondergedoken Joden. Het Bevolkingsregister van Amsterdam vermeldt aangaande Briedé de volgende gegevens: Willem Hendrik Benjamin Briedé, geboren Amsterdam 5 april 1903, vestigt zich [opnieuw] in Amsterdam op 23 jan. 1922, komende uit Noordwijk, beroep: kantoorbediende vethandel, kerkgenootschap: geen, trouwt Amsterdam 25 juli 1929 Maria Gertrud Johann, geboren Steele a/d Ruhr 17 mrt. 1901, kerkgenootschap: RK. Uit dit huwelijk een dochter, Karla Anna Johanna Briedé, geboren Amsterdam 27 mei 1931. Verder is nog het volgende aanvraagformulier bewaard gebleven: W. Briedé, boekhouder, wonende in de Zach. Jansestraat 35 III te Amsterdam, vraagt op 2 september 1944 voor zichzelf een paspoort aan “voor (vestiging) in Europa.” Het paspoort zou afgehaald worden op 5 september d.a.v. Naam van vrouw en kind worden op dit document niet vermeld.(Bron: Stadsarchief Amsterdam)
Briedé was administrateur van beroep, werkte in een dergelijke functie op het Amsterdamse abattoir, had op de ULO gezeten (geen diploma) en was vanaf 1934 lid van de NSB. In april 1942 ging hij werken bij de Hausraterfassung, waarvan hij acht maanden later chef werd met een voor die tijd redelijk hoog salaris van 390 gulden per maand. In maart 1943 kreeg de Hausraterfassung een taak erbij: het opsporen en arresteren van ondergedoken Joden. De Colonne Henneicke heeft tussen maart en oktober 1943 naar schatting 8000 a 9000 Joden aangehouden. Er zijn sterke aanwijzingen, dat zij voor die arrestaties, zo niet in alle gevallen, dan toch in een groot aantal daarvan, beloond zijn met een premie. Na Dolle Dinsdag (sept. 1944) vertrok Briedé met zijn Duitse vrouw en hun negenjarige dochter naar Velp. Vanuit Velp is hij blijkbaar naar Duitsland gevlucht. Op 13 mei 1949 werd hij door een Nederlands gerechtshof bij verstek ter dood veroordeeld. Het Hof achtte al het ten laste gelegde bewezen, “met als toevoeging dat Briedé op intensieve wijze medewerking heeft verleend aan de uitvoering van misdadige maatregelen tot deportering en uitroeiing van Joden”. (Bron: Ad van Liempt, Kopgeld. Nederlandse premiejagers op zoek naar joden, 1943 [Amsterdam 2002, p.46 e.v., p. 337-339) Uit onderzoek in Duitse archieven blijkt dat Briedé zich begin sept. 1945 in Lintorf (vroeger de hoofdplaats van het Amt Angerland, maar tegenwoordig een deel van de stad Ratingen) bij Düsseldorf vestigde, komende uit het Durchgangslager Augsburg. [Bron: Meldekartei Lintorf] Op Briedé’s kaart uit genoemde Meldekartei worden drie adressen in Lintorf vermeld (resp. 1945, 1946 en 1951). In april 1951 huurde hij een kamer in een huis aan de Angermunder Weg 24, “bei Wüst”, zoals op zijn kaart uit de Meldekartei staat. Daar was een “Männerasyl” gevestigd, waar “ausgeheilte Geisteskranke” werden opgenomen, waaronder ook een aantal alcoholici. Dit “Männerasyl” werd sedert 1937 geleid door “Hausvater” Otto Wüst (1908-1960), “von zwei Pflegern und einer landwirtschaftlich geschulten Hilfkraft unterstützt”. Omdat niet het hele gebouwencomlex voor het Asyl gebruikt werd, werd een deel ervan verhuurd. Het gebouw werd in 1960 afgebroken.(“Das Lintorfer Männerasyl.” in: Die Quecke. Angerländer Heimatblätter nr. 3/4 [april 1951; “Krieg und Kriegsende in Lintorfer Männerasyl un im Haus Bethesda. Lydia Wüst erinnert sich.” in: Die Quecke nr. 75 [2005]) Een inwoner van Lintorf herinnert zich nog “der lange Holländer”, die een kamer naast het Männerasyl huurde. In 1956 verhuisde Briedé naar zijn laatste adres in Lintorf, Am Speckamp 5 (dat alleen in zijn overlijdensakte wordt vermeld). Een andere inwoner van Lintorf herinnert hem zich als volgt: “Breede [hij zegt, dat zijn naam zo werd uitgesproken, dus zonder “i”] war ein ruhiger, sehr zurückhaltender Mann und hatte nie Besuch. Von einer Tochter oder Ehefrau war nichts bekannt. Er arbeitete in Düsseldorf und er liebte Pferderennen und wettete gerne. Er war leberkrank, daran erinnert [er] sich noch.” De vrouw des huizes maakte daarom vaak thee voor Briedé. Dat hij aan een leverziekte leed, wordt bevestigd door hetgeen als doodsoorzaak opgegeven wordt in zijn overlijdensakte: cirrose. (Zie hieronder).
De Meldekartei vermeldt verder nog, dat hij niet in het bezit was van een pas, noch van een “Aufenthaltserlaubnis” en dat hij van aug. 1952 tot en met juli 1953 een “Arbeitskarte” had om te werken bij Schloemann AG, een onderneming in Düsseldorf [“Konstruktionsbüro für Pressen und Walzwerke”]. De kaart maakt geen melding van zijn vrouw en/of hun kind. Briedé overleed op Nieuwjaarsdag 1962 in het Rooms-katholieke Ziekenhuis van Ratingen:
Burgerlijke Stand Ratingen, akte nr. 2:
“Ratingen, den 2. Januar 1962 Willem Hendrik Benjamin Briedé, kaufmännischer Angestellter, evangelisch, wohnhaft in Lintorf, Am Speckamp 5, ist am 1. Januar 1962 um 18 Uhr 30 Minuten in Ratingen Oberstraße 37 [d.i. het RK Ziekenhuis], verstorben. Der Verstorbene war geboren am 5. April 1903 in Amsterdam. Der Verstorbene war verheiratet mit Maria Gertrud Johann. [Eheschließung des Verstorbenen am 25.7.1929 in Amsterdam] Eingetragen auf mündliche Anzeige des Bestatters Josef Busch, wohnhaft in Düsseldorf, Oststraße 120, persönlich bekannt. Er erklärte von dem Sterbefalle aus eigener Wissenschaft unterrichtet zu sein.”
Hij werd enkele dagen later op het Evangelische Friedhof van Ratingen begraven.(Waarom niet in Lintorf zelf, blijft vooralsnog onverklaarbaar.) Het archief van de Evangelische Gemeinde van Lintorf bevat de volgende akte: “Willem Hendrik Benjamin Briedé. Kaufmännischer Angestellter, 1 verheiratete Tochter, geboren 5-4-1903, wohnhaft Am Speckamp 5, gestorben 1-1-1962, beerdigt am 4-1-1962 in Ratingen auf dem ev. Friedhof. Todesursache: Leberzirrhose.”
