“Ondertussen bespraken Stalin en zijn magnaten het lot van de Poolse officieren die in september 1939 gearresteerd of gevangengenomen werden en in drie verschillende kampen werden vastgehouden. Een ervan was in het bos van Katyn. … Koelik, de bevelhebber van het Poolse front, stelde voor om alle Polen vrij te laten. Vorosjilov was het hier mee eens, maar Mechlis dacht dat er zich vijanden onder hen bevonden. Stalin hield de vrijlating tegen, maar Koelik bleef volhouden. Stalin stelde een compromis voor. De Polen werden vrijgelaten – behalve 26.000 officieren over wie het Politbureau uiteindelijk op 5 maart 1940 zou beslissen. … [Beria rapporteerde] plichtsgetrouw … dat 14.700 officieren, landeigenaren en politiemannen en 11.000 ‘contra-revolutionaire’ landeigenaren, ‘spionnen en saboteurs … vijanden van de sovjet-macht’ berecht zouden moeten worden. … Stalin krabbelde er als eerste zijn handtekening onder … Het bloedbad was een flinke hoeveelheid ‘besmet werk’ voor de NKVD, die gewend was aan de doodstraf van enkele slachtoffers per keer, maar er was een man die deze taak aankon. [De tsjekist] Blochin reisde naar het kamp Ostatsjkov, waar hij en twee andere tsjekisten een barak in orde maakten, voorzagen van geluidsdichte muren en besloten om 250 executies per nacht uit te voeren. Hij bracht een slagersschort en -pet mee die hij opzette, terwijl hij begon aan een van de grootste massamoorden die ooit door een enkel individu gepleegd is: in precies 28 dagen doodde hij 7000 mensen, waarbij hij een Duits Waltherpistool gebruikte om toekomstige ontmaskering te voorkomen. De lijken werden op verschillende plekken begraven – maar de 4500 uit het kamp bij Kozelsk werden in het bos van Katyn begraven.” (S. Sebag Montefiore, Stalin. Het hof van de rode tsaar[Utrecht 2004], p. 316-317)
