martin-luther-king2.jpg

Martin Luther King: “Na maanden van verzet was Bobby [Kennedy, minister van Justitie] op 10 oktober [1963]onder de druk van het hoofd van de FBI [J. Edgar Hoover] bezweken en hij verleende toestemming om de telefoon van Martin Luther King jr. af te tappen. Het was Hoover er zogenaamd om te doen om te bewijzen dat de mensenrechtenactivist banden had met communisten, maar hij wilde vooral Kings buitenechtelijke verhoudingen onderzoeken. Gezien het mogelijke gevaar van de zaak-Rometsch [Ellen Rometsch, die seksuele betekkingen met president zou hebben gehad en verdacht werd van spionage] kon Bobby weinig anders doen dan Hoover tegemoetkomen, al wist hij dat het aftappen voor onrechtmatige doeleinden gebruikt zou worden.” (S. Bedell Smith, Stijl en macht: de Kennedy’s en een tijdperk. [Utrecht 2005], p. 417)
“In an unpublished version of his presidential memoirs [The Vantage Point], Johnson said, “After I became President, I discovered that [RFK’s] Justice Department had been and still was tapping wires. I had to spell out my orders very specifically so that there would be no wiretapping in the Johnson administation.” (Michael Beschloss, Reaching for Glory [New York 2001], p. 251)
“Het was [FBI directeur Hoover’s] obsessie Washington ervan te overtuigen dat de burgerrechtenbeweging werd gedomineerd door communisten – ongeacht of de bewijzen deze beschuldiging staafden. In oktober 1963, nadat hij de bewering van zijn eigen agenten dat die communistische overheersing niet bestond had genegeerd, had hij een massale surveillanceoperatie tegen King op gang gebracht – telefoontaps waarvoor hij Robert Kennedy onder druk toestemming had ontfutseld en verborgen microfoons die nooit formeel door iemand waren goedgekeurd. Eind 1963 hadden de opnamen nog niets opgeleverd om de zwarte leider als een communist te brandmerken, maar een heleboel om twijfel te wekken ten minste ten aanzien van zijn zedelijke gedrag. Dominee King hield van seks en liet zich niet weerhouden door het feit dat hij kerkdienaar was en getrouwd was. … Op zijn reizen door het land zocht King ontspanning in de armen van drie vaste minaressen en soms bij prostituées. Een groot deel van zijn gevolg, met inbegrip van zijn intieme vriend dominee Ralph Abernathy, deed hetzelfde. … In december 1963 … werd het brandpunt van de aandacht verlegd. De kwestie van de mogelijke banden met het communisme zou voortaan slechts de nominale reden voor [de FBI-]surveillance zijn, waarachter een volstrekt ander doel schuilging. Edgars medewerkers zwoeren nu samen om het ‘gewenste resultaat’, het ‘neutraliseren van King als effectief ‘negerleider, te bereiken. … Er moest een ‘contraspionage-operatie’ worden opgezet om King ‘in diskrediet te brengen’, met gebruikmaking van dominees, ’teleurgestelde kennissen’, ‘agressieve’ journalisten, ‘gekleurde’agenten, en zelfs de vrouw en de huishoudster van dr. King, en door ‘een goed-ogende vrouwelijke infiltrante in Kings kantoor te plaatsen’. De minister van Justitie werd onkundig gehouden. Veertien dagen later, toen ze hoorden dat King zou aankomen in het Willard Hotel in Washington, haastten agenten zich om microfoons en bandrecorders te installeren. Op de vijftien spoelen die dit opleverde … stond precies wat de FBI nodig had – de geluiden van een wat aangeschoten groep, onder wie King, zijn collega’s en twee vrouwen van de Naval Yard in Philadelphia. … Edgar belde persoonlijk president Johnsons medewerker Walter Jenkins op om het materiaal te beschrijven en stuurde [Assistant Director] Cartha Deloach vervolgens met een transcriptie naar het Witte Huis. … [In Washington hoorden FBI-agenten] hoe King zijn metgezellen schertsend dubbelzinnige namen gaf en schuine moppen over seks en religie vertelde, waaronder een grove seksuele grap over wijlen president Kennedy en zijn weduwe, Jaqueline. Tot nu toe had Edgar, blijkbaar uit angst dat ce minister van Justitie King zou waarschuwen, de resultaten voor Robert Kennedy achtergehouden. Nu zorgde hij ervoor dat de transcriptie van Kings ‘lasterpraat’ over de overleden president diens broer onder ogen kwam. Robert was ontzet. President Johnson luisterde naar enkele van de oorspronkelijke opnamen. … Maar wat Edgar ook deed of zei over King, niets kon Johnson afhouden van zijn groeiende betrokkendheid bij de burgerrechten.” (A. Summers, Het J. Edgar Hoover dossier. [Weert 1994)], p. 473 e.v.)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *