pompadour_by_francois_boucher1757-26k.jpg

F. Boucher, Madame de Pompadour: “Na de vrede van Aken[1748]werd madame de Pompadour met de dag minder geliefd. Het publiek was niet ingenomen met het verdrag en inderdaad leek het weinig voordelig, gezien de vele overwinningen die het Franse leger in de laatste jaren behaald had. Lodewijk XV zei dat hij koning was, geen winkelier; hij weigerde sommige eisen te stellen die door zijn ministers waren voorgesteld. Het enige voordeel dat dit voor Frankrijk had was de niet zeer verheven plaats die [Lodewijks dochter] … kreeg, aangezien haar man hertog van Parma werd. ‘Even dom als de vrede,’ zeiden de Parijzenaars en gaven madame de Pompadour ook hiervan de schuld. … [D]e slechte pers van de achttiende eeuw was moeilijk te bestrijden, daar die de vorm aannam van kwaadaardige rijmen en epigrammen die van mond tot mond gingen, van aanplakbiljetten, pamfletten en anonieme blaadjes. Honderden werden er aan madame de Pompadour gezonden. Zij werden poissonades genoemd en waren dom en smerig. Zij zijn niet te vertalen, omdat het bijna allemaal woordspelingen op haar meisjesnaam zijn [zij werd geboren als Jeanne-Antoinette Poisson]… In 1749 werden er steeds meer hatelijke rijmen aan het hof gefluisterd tot eindelijk madame de Pompadour aan het souper het bekende kwatrijn in haar servet vond. ‘Par vos facons nobles et franches, Iris, vous enchantez nos coeurs, Sur nos pas vous semez des fleurs, Mais ce ne sont que des fleurs blanches.’ De misselijke toespeling (dat madame de Pompadour aan fluor albus zou lijden) was, waar of niet, voor iedereen volkomen duidelijk en de markiezin, die dergelijke dingen gewoonlijk filosofisch opnam, was volkomen van haar stuk gebracht.” (Nancy Mitford, Madame de Pompadour [Amsterdam 1990], p. 102-105)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *