Grafmonument van Witte de With in de St.Laurenskerk te Rotterdam (foto: A.B. den Haan)
In 1656 ging De With weer naar zee voor een kruistocht over de Noordzee. Die zomer deed De With mee aan het ontzet van Danzig, zij het op het nippertje want wegens zijn slechte reputatie lukte het hem niet om een bemanning bij elkaar te krijgen: er was geen dienstplicht en iedere kapitein moest zelf manschappen werven voor zijn schip. De With vertrok toen maar onderbezet op de Brederode en bereikte op 27 juli tien dagen te laat het rendez-vous bij Kopenhagen, wat niet veel uitmaakte omdat het beleg door de Zweden zonder strijd werd opgeheven. Op de terugweg kreeg De With van Frederik III van Denemarken vijftig Deense rijksdaalders. In 1657 en de zomer van 1658 had De With bewakingsdienst op de Noordzee, waarbij in het laatste jaar de Brederode op 1 september zwaar beschadigd raakte.
Laat in 1658 werd er een expeditievloot tegen Zweden uitgerust om Kopenhagen te ontzetten. Opnieuw had De With de grootste moeite met rekrutering. Hij eiste op hoge toon van de Admiraliteit van de Maze dat zij matrozen zouden leveren. Dat schoot de admiraliteitsraad in het verkeerde keelgat; men antwoordde hem dat het hún schuld niet was dat niemand onder hem wilde dienen en weigerde matrozen gedwongen naar zijn schip over te plaatsen, uit vrees dat geen man meer in Rotterdam zou aanmonsteren. Diep gekrenkt voer de 17e oktober De With op zijn Brederode, het beroemde oude vlaggenschip van Maarten Tromp, als laatste schip onderbemand uit om bij de Vlie te ontdekken dat de rest van de vloot al vertrokken was. Op 29 oktober voegde hij zich bij Van Wassenaer; na veertig man mariniers ter versterking gekregen te hebben, werd hem het bevel over de voorhoede van twaalf schepen opgedragen. In de hierop volgende Slag in de Sont vocht De With met zijn kenmerkende felheid. Hij viel eerst het vlaggenschip van de Zweedse admiraal, de Victoria, aan en toen dat aan de grond was gelopen, stortte hij zich op dat van de viceadmiraal. Hij blies diens seconde, de Wismar, de lucht in, maar liep toen zelf op de kust van Seeland bij Snekkersten.
Na urenlange strijd, terwijl het andere Nederlandse schepen niet lukte de Brederode te hulp te schieten, werd het door drie schepen omsingelde vaartuig door de vijand genomen; De With was toen dodelijk gewond door twee musketkogels: de eerste had hem in de linkerdij getroffen, de tweede van achter in de rug. Toen Zweedse musketiers hem mee wilden nemen, weigerde hij zijn degen over te geven. Op zijn knieën bleef hij het wapen vasthouden terwijl twee man het uit zijn handen probeerden te rukken, waarbij hij uitriep: Dewijle ick sovele jaeren mijn deeghen getrouwelijck voor Holland hebbe gevoert, soo en wille ick die aen geene geringe soldaten overgheven! Hij stortte ineen, werd naar zijn kajuit gebracht om bij te komen, liep op eigen kracht over de plank naar de Draak, het vlaggenschip van viceadmiraal Bjelkensterna, sijn hoofd nog geschut, sijn hand om niet te vallen aen een touwe geslagen, noyt overwonnen, en stortte opnieuw in en stierf.
Op de Eendragt, Van Wassenaers vlaggenschip dat door kapitein Egbert Bartolomeusz Kortenaers toedoen volop in de aanval meeging, had men sterk de indruk dat hun schepen onvoldoende ondersteund waren. De stuurman schreef over De With: Hadde oock niemandt die hem verlosten; in somma, sy hebben De With schelmachtig laten vermoorden. Een later onderzoek toonde echter aan dat er van opzet geen sprake was. Uit brieven, onder andere van Aert Jansse van Nes en Johan de Liefde, blijkt dat zijn dood oprecht werd betreurd. Iemand schreef: Hij is als een wacker Cavallier gestorven, soodat de dapperheyt ende heldenmoet oock naer syn doot hem int aegesicht te sien waeren, ghelijck de Sweeden selfs bekennen moesten.
Op bevel van Karel X van Zweden werd zijn lijk gebalsemd en tentoongesteld in het stadhuis van Helsingør; iets dergelijks was niet ongebruikelijk in die tijd. De Zweden leverden het in januari uit aan de Denen, met een erewacht van twaalf hellebaardiers in rouwdracht; het werd enkele dagen op de tolboot opgebaard in Kopenhagen en uiteindelijk op 12 september 1659 (tien maanden na zijn dood) naar Nederland getransporteerd, waar het op 23 september aankwam om daar op 7 oktober 1659 met grote pracht begraven te worden in de Grote of Laurenskerk te Rotterdam; in 1669 kwam het praalgraf af, een werk van de beeldhouwer Pieter Rijcx naar een ontwerp van Jacob Lois, dat na het bombardement van 1940 geheel gerestaureerd is. De weduwe van De With, zijn vierde vrouw, kreeg een eenmalige uitkering van 3000 guldens. (Wikipedia)
