“Het moet gezegd worden, dat men in de Republiek niet dan na lange godsdienstige woordenwisselingen over de juistheid van slavernij en slavenhandel en de overeenstemming met de protestants-christelijke leer tot het besluit was gekomen, aan deze handel deel te nemen. Maar zoals zo vaak gebeurt, werden ideële overwegingen vervormd om economische te dienen. Wilde men enig profijt uit Brazilië trekken, dan moest men volgens Johan Maurits [van Nassau-Siegen, gouverneur van Nederlands-Brazilië 1636-1644] minstens 15.000 slaven naar het land brengen. Eén der overwegingen der predikanten, zich dan maar bij het besluit tot massale slavenhandel over te gaan neer te leggen, was dat op die manier een groot aantal ‘onbedorven heidenen’, aan wie misschien nog wel iets van de ‘juiste religie’ kon worden meegedeeld, een tegenwicht zouden vormen tegen het grote aantal Portugese en Spaanse slaven, dat onder verderfelijke ‘paepsche’ invloed stond. Deze laatste theorie werd vooral verdedigd door dominee Godfried Udemans in zijn “’t Geestelyck Roer vant Coopmanschip”… Reeds in 1626 reedde de WIC een eerste schip uit, dat de slavenvaart als enig doel had. In dat jaar besloot de Kamer Zeeland een jacht “toe te maecken” naar Angola, om daar “eenighe swarten in te handelen” voor de Zeeuwse vestigingen in de Guyanas en de Amazone-delta. In 1629 werden reeds de eerste slaven in Nieuw-Amsterdam verkocht en die plaats werd spoedig de belangrijkste slavenmarkt van Noord-Amerika. Tot 1635 bleef de Nederlandse slavenhandel echter een ongeorganiseerde, niet officieel erkende handel op kleine schaal. In 1635 spoorden de Staten-Generaal echter voor het eerst in een officieel schrijven Van Yperen, gouveneur van Mori, de Nederlandse bezitting aan de Goudkust aan, de slavenhandel te bevorderen; in het volgend jaar werden reeds 1.000 slaven uit Mori vescheept. Johan Maurits redeneerde op dezelfde wijze als de Portugezen: als de Nederlanders er in zouden slagen hen uit Afrikaanse bezittingen te verdrijven en de slaventoevoer naar het zuidelijk deel van Brazilië stop te zetten, zou men de Portugezen daar wel klein krijgen. Met dat doel werd in 1637 weer een grootscheepse expeditie naar Elmina [op de Goudkust] uitgestuurd [Een eerdere poging, in 1625, was mislukt.]… Na drie dagen moesten de Portugezen zich overgeven en in een kleine plechtigheid … werden de sleutels aan Johan Maurits persoonlijk overhandigd. … nog het zelfde jaar bouwden de Hollanders het fort Coenraadsburg op de top van de St. Jacobsberg, waardoor Elmina onneembaar werd.” (A. van Dantzig, Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel, [Bussum 1968], p. 30 e.v.) “Indien men het aantal op Nederlandse schepen vervoerde slaven voor de zeventiende 275.000 schat en dat van de achttiende eeuw op 600.000 (inclusief het waarschijnlijk vrijwel te verwaarlozen aandeel dat de Nederlanders in de illegale Transatlantische slavenhandel hebben gehad in de negentiende eeuw) komt men dus tot een totaal van minder dan 1 miljoen, hetgeen relatief weinig lijkt op 20 miljoen [het geschatte totale aantal slaven, dat vanaf de 16e eeuw uit Afrika door Europeanen is verscheept]… Van deze 875.000 slaven is weer een groot deel verkocht aan buitenlanders. [Het totaal der in Suriname ingevoerde slaven wordt geschat op 350.000.]” In 1818 sloot Nederland een verdrag met Groot-Brittannië, waarin beide landen zich verbonden al het mogelijke te doen om de slavenhandel te onderdrukken. In het verdrag was onder meer bepaald dat Nederland het Britse vlooteskader, dat jacht maakte op illegale slavenschepen, zou ondersteunen. Zonder veel succes evenwel, want door de opkomst van de katoenteelt vanaf het einde der 18e eeuw in de zuidelijke staten van de VS nam de vraag naar zwarte slaven daar geweldig toe. In sommige jaren van de eerste helft van de negentiende werden er meer dan 100.000 slaven in die zuidelijke statan ingevoerd. Ook Nederlanders namen aan die smokkelhandel deel. Hoeveel dat er zijn geweest is moelijk te bepalen. Vast staat wel dat er minstens 25 Nederlandse schepen zijn opgebracht naar Sierre Leone om daar berecht te worden, maar daarbij moet aangetekend worden dat het niet onwaarschijnlijk is, dat een aantal daarvan in werkelijkheid buitenlanders waren, die misbruik maakten van de Nederlandse vlag. (idem, p. 108-110 en 122-126)
