“Het Iran-contra-schandaal was [president George Herbert Walker] Bush in juni [1992] gaan achtervolgen, toen Caspar Weinberger werd aangeklaagd wegens vijf misdrijven, waaronder tweemaal meineed. Een aanklacht werd verworpen, maar op 30 okt. 1992 sprak een federale onderzoeksjury een andere aanklacht uit tegen Weinberger. Deze verwees naar een nota van 7 januari 1986, die aantoonde dat George Bush wel degelijk het gesprek had bijgewoond en de wapens-voor-gijzelaars-overeenkomst had gesteund waartegen Weinberger en Shultz zich hadden verzet. Vijf jaar lang had Bush ontkend dat hij op de hoogte was van het plan en keer op keer had gezegd: “Ik stond erbuiten.” Nu was er bewijs dat hij vijf jaar lang had gelogen.” (Kitty Kelly, De Familie Bush [Amsterdam 2004], p. 560-561)
