Koning Willem II (1792-1849), Anna Paulowna en hun kinderen (Willem, Alexander, Sophie en Hendrik)
C.F. van Maanen, minister van justitie: “Vandaag, vrijdag 4 november 1819, heb ik … een order van kabinetssecretaris Van de Poll gekregen om … bij de koning [Willem I] te komen. …[Om kwart vóór twee] werd ik bij Zijne Majesteit geroepen, die mij met de grootste opwinidng meedeelde dat ZKH de Prins van Oranje [de kroonprins, later koning Willem II] hem had verteld over zeer ernstige bedreigingen tot afpersing van 63.000 gulden. Het komt hierop neer, als mijn geheugen me niet in de steek laat: de prins kreeg enige dagen geleden bij de post een brief, getekend door A. Vermeulen, die ZM mij ter lezing gaf. De brief hield in dat de schrijver bij toeval ontdekt had, dat één of meer personen van plan waren om bepaalde schandelijke en onnatuurlijke lusten van ZKH, waarvan zij bewijzen hadden, openbaar te maken. Dit om ZKH van de opvolging uit te sluiten, en het eerstgeboorterecht over te brengen op prins Frederik [tweede zoon van Willem I, 1797-1882]. De briefschrijver, daarover geïnformeerd, had voor het Koninklijk Huis en voor het vaderland een poging gedaan om dit te voorkomen, en was daarin op het nippertje geslaagd, door de verzekering dat alles geheim zou blijven als ZKH 63.000 gulden wilde geven. ZKH had nog een andere brief gekregen, die ZM mij ook overhandigde. Daarin drong de briefschrijver erop aan te voldoen aan de eis, met de verzekering dat daarop niets viel af te dingen. Als niet werd voldaan aan de vordering, zou een gedrukte circulaire, met daarbij gevoegde details van wat men wist, en de bewijzen daarvan, verzonden worden aan alle leden van het koningshuis, aan de keizer van Rusland [Alexander I, de zwager van de prins], de koning van Pruisen, aan al de leden der Staten-Generaal, aan al de ministers, hoge ambtenaren, leden van de Raad van State en aan al de leden van de stedelijke besturen, terwijl de stukken in de voornaamste steden zelfs als aanplakbiljet zouden verschijnen. ZKH zou hetzelfde lot treffen als president Reuvius te Brussel, die ooit geweigerd had aan een soortgelijke eis te voldoen en wiens zoon zelfs nu nog een ellendig leven leidde. Men bezwoer de prins zijn ongeluk te voorkomen, dat onvermijdelijk was, als hij niet zorgde dat de gevorderde som op 3 november … in Logement “De Stad Hamburg” te Amsterdam, als ik het goed heb, aan A. Vermeulen werd gegeven in een verzegeld pakket … Aan het eind van de brief stond als naschrift, dat men een exemplaar van de reeds gedrukte circulaire had kunnen bemachtigen, en een fragment van het verhaal. Een en ander werd ingesloten bij de brief. Ook deze stukken werden me toen door ZM getoond.” (D. Hermans en D. Hooghiemstra, “Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren.” [Amsterdam 2008], p. 119-120]
