Karl Eberhard Schöngarth, (1903-1946), vanaf 1944 bevelhebber van de Sicherheitspolizei en SD in bezet Nederland, na de Tweede Wereldoorlog door een Britse militaire rechtbank tot de doodstraf veroordeeld en op 15 mei 1946 terechtgesteld. Het Bureau Opsporing Oorlogmisdadigers (BOOM) kreeg in april 1946 de gelegenheid om Schöngarth, die toen in afwachting van zijn executie was en door de Britten aan Nederland werd uitgeleend, te verhoren. “Tegenover [mede-gedetineerde] Willy Lages beklaagde Schöngarth zich erover dat BOOM-ambtenaren hem al bij het eerste verhoor vragen hadden gesteld die hij op een bepaalde manier verwacht werd te beantwoorden. Ze wilden helemaal niet weten wat hij wist, maar van hem horen wat hun goed uitkwam. Schöngarth klaagde dat hem verklaringen in de mond werden gelegd. Hij snapte niet wat de “Nederlandsche politie eigenlijk van hem wilde en dat hij nimmer verklaringen kon afleggen, die in strijd waren met de waarheid.” Hij werd vooral ondervraagd over een zekere Pieter Menten uit Bloemendaal … De namen van zijn ondervragers had hij niet onthouden. Bij het tweede gesprek dat Schöngarth met Lages had, waren ook Leonie Brandt [die voor het Bureau Nationale Veiligheid zou hebben gewerkt, maar over wiens exacte relatie tot dat Bureau veel onduidelijkheid bestaat] en haar beide schaduwen, [rechercheurs] De Jong en Woud, aanwezig. Toen Schöngarth Lages daarna nog een keer sprak, deed hij opnieuw zijn beklag. Weer had hij verklaringen moeten afleggen over verschillende gevallen “die niet kloppen met de waarheid.” … Lages, was, met twee andere Duitse gedetineerden, bij dit verhoor dat Leonie Brandt en haar beide paladijnen Schöngarth hadden afgenomen, aanwezig geweest. Na afloop had Schöngarth de drie Duitsers in de houden laten springen en gezegd: “Mannen [,] voor ik hier voor goed weg ga wil ik jullie zeggen, dat ik niets heb verklaard, dat in strijd was met de waarheid. … De Nederlandsche Politie, die mij voorheen verhoorde, wilde van mij, dat ik in verschillende zaken een verklaring zou afleggen, die geheel in strijd was met de waarheid. Onder andere in de zaak Menten uit Bloemendaal. Mijn eer als Duitsche Officier verbiedt mij dit en met de dood voor oogen wil ik mijn geweten niet bezwaren. Mevrouw Brandt hier tegenwoordig is met deze zaken bekend en aan haar heb ik bijzonderheden over de zaak medegedeeld, welke ik heb onderschreven.” Aldus Lages. Behalve Menten was ook koning Leopold van België tijdens dit laatste verhoor ter sprake gekomen, maar hierover ontbreken nadere details. Wel staat vast dat Leonie belangstelling had voor de opstelling van het Belgische vorstenhuis tijdens de oorlog. Wat Schöngarth in werkelijkheid wel of niet heeft gezegd, valt niet meer te achterhalen, maar wél is zeker dat er op grote schaal met zijn verklaringen werd gesjoemeld. … Het meeste van wat hij heeft gezegd of zou hebben gezegd, valt niet te bewijzen binnen de criteria van wat gewoonlijk als acceptabel wordt gezien. … Lientje T. [voormalig medewerkster van de SD, aanvankelijk, in dec. 1945, tot de doodstraf, maar later tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan ze er 5 uitzat] werd op een nacht uit haar cel gehaald en naar een advocatenkamertje gebracht, [waar aanwezig waren Leonie Brandt, Lages, later ook De Jong, Woud en een derde rechercheur, Jan Wageman] … Er werden die nacht verklaringen afgenomen over Menten … Later had Leonie Schöngarth apart genomen en hem nogmaals verhoord. Alleen Lientje was daar als secretaresse (en getuige) bij aanwezig geweest. Hoe het verhoor precies is verlopen, laat zich uit de overgeleverde stukken andermaal niet destilleren. Volgens Lientje behelsde de verklaring van Schöngarth onder andere dat prins Bernhard in zijn vooroorlogse tijd in verbinding had gestaan met de SD. … [Leonie Brandt legde op 15 aug. 1946 een verklaring af ten behoeve van de raadslieden van Pieter Menten, tegen wie toen een onderzoek liep wegens vermeende collaboratie en vreemde krijgsdienst. Die verklaring] van Leonie had als grote verdienste dat ze de spanning er goed inhield. Er werd veel gesuggereerd, maar ze bood niets concreets. Schöngarth, zo bleek uit het document, had belangrijke verklaringen afgelegd, en van “verschillende kanten” was er geprobeerd hem valse verklaringen te ontlokken. “Verschillende kanten wil zeggen, dat er voor groot politiek spel gespeeld werd van de eene kant en kleine spelletjes met bepaalde personen aan de andere kant. Over het politieke spel wensch ik [Leonie Brandt] U in landsbelang geen mededelingen te doen. … In verband met de andere intriges noemde Schöngarth aan het einde de naam Menten. Schöngarth zou door de Politie Bloemendaal in de zaak Menten zijn gehoord. Inspecteurs van Politie uit Bloemendaal zouden een valsche verklaring in de zaak Menten hebben opgesteld. Schöngarth zou toen door de Politiemannen van Bloemendaal voor de tweede keer zijn gehoord en gezegd hebben: “Wat U daar geschreven hebt klopt niet”. De politiemannen zouden toen geantwoord hebben: “Onderteekent U maar dat komt wel in orde.” Schöngarth deed een lang verhaal inzake Menten en verzocht mij naar de Politie in Bloemendaal en naar Menten te gaan om de zaak in het reine te brengen. Overbelast met werkzaamheden, uitsluitend de groote politieke lijn in het oog hebbend, interesseerde de zaak Menten mij niet.” Tijdens het tweede verhoor vertelde Schöngarth dat hij Menten in Polen aan het begin van de oorlog had leren kennen. Menten was als tolk voor de Duitsers opgetreden en had voor zijn veiligheid een uniform moeten dragen. Toen hij ruzie kreeg met Hans Frank, de Duitse gouverneur van Polen, had Schöngarth de zijde van Menten gekozen. … Leonie [vertelde de advocaten van Menten] van Schöngarth te hebben begrepen dat Menten niets met de SS of de SD te maken had gehad. Ook had hij niet gecollaboreerd. Het was haar echter wel duidelijk geworden dat Menten in Polen een “uiterst handig zakenman” was geweest. … De commissie Schöffer heeft in haar eindrapport [1979] geconcludeerd dat Menten geen chantage heeft gepleegd. Wel waren er curieuze incidenten geweest. Menten zou ook zelf verhalen hebben rondgestrooid over geheimen die hij kende en in dat verband de naam van prins Bernhard hebben laten vallen. Maar eigenlijk had de commissie dat van horen zeggen. Concreet werd het niet. … [Lientje T. werd later (in 1947) door twee rijksrechercheurs verhoord tegenover wie ze verklaarde:] “Schöngarth’s verklaring [tegenover Brandt en Lientje T.] hield in, dat Pr. Bernhard, die in Brandt’s rapporten steeds genoemd wordt als persoon nummer 1, buiten het reeds bekende feit dat hij lid was geweest van de S.A., in de vooroorlogse tijd meerdere inlichtingen verstrekte aan de S.D. Hiervoor kreeg hij onkosten vergoedingen voor verteringen met vrouwen in bars. Er werd zelfs een bedrag genoemd van 100.000-RM; dit liep via het Sicherheits Hauptambt, hetgeen zo door is gegaan tot 1940. Daar, volgens L[ientje] alom bekend was dat de S.D. weinig voor tips uitgaf, moet dit dus wel een zeer belangrijke tip geweest zijn.””(G. Aalders, Leonie. Het intrigerende leven van een Nederlandse dubbelspionne [Amsterdam 2003])
