In de oostmuur van de kapel van Guy van Avesnes [in de Domkerk van Utrecht] bevindt zich een spitsboognis, waarin een schildering is aangebracht, die de Kruisiging voorstelt
De schildering kwam in 1919 tevoorschijn na de verwijdering van een uit kloostermoppen gemetselde omuur) die haar eeuwenlang beschermd had, zodat zij op twee vierkante gaten van 10 cm zijde na, vrijwel gaaf gebleven is. Blijkens de twee toen gevonden draaipunten in het linkerprofiel van de boog en een afgewerkte aanslag in het overeenkomstig profiel aan de rechterkant was er oorspronkelijk een draaibaar luik voor de schildering bevestigd, zoals er ook nu weer een aanwezig is. De hoogte van de boognis is 1,60 m, de breedte 1,65 m. Onder de nis stond eens een altaar, gewijd aan Sint Margriet, dat het eerst in 1438 vermeld wordt. Op de schildering ziet men in het midden Christus aan het kruis, links Maria, die, ineenzijgend, door Johannes ondersteund wordt, rechts de H. Margaretha met haar attribuut, de draak. De achtergrond is dofrood, de Calvarieberg bruin, het gewaad van Maria, die een witte hoofddoek draagt, blauw met een vaalgroene voering, de mantel van Johannes violet, terwijl Margaretha gehuld is in een roomwitte tunica en een donkere mantel, het monster is vaalgroen van kleur. Uit het hele tafereel en de sterk expressieve gezichten en handen spreekt, ondanks de ingetogen gebaren en houdingen, een fel dramatische aandoening. Ook de dagkanten van de boog zijn beschilderd: men onderscheidt nog vaag de kazuifels en mijters van twee bisschoppen en men ziet St. Barbara, herkenbaar aan de toren, die zij in haar hand draagt. De voorstelling van de Kruisiging is aangebracht op een bruinachtige grondkleur, waaronder op beschadigde plekken geel en rose tevoorschijn komen en waarop men sporen van overschilderingen ziet, bij de Christusfiguur de brede omtrek van een andere figuur, links van Margriet resten van een ander, meer naar links gebogen hoofd.
De schildering is niet in temperaverven, maar volgens een voor die tijd nieuw procédé vervaardigd, namelijk met een ongewoon bindmiddel, dat uit caseïne of ei, olie en was bestaat en dat, in afwisselende hoeveelheden gebruikt, tot gevolg heeft gehad, dat er malse dikke partijen en heel dunne lagen naast en door elkaar voorkomen en het koloriet ongewoon vol en fors is.
Bijvanck acht het waarschijnlijk, dat de schildering van de hand van de ‘meester van bisschop Zweder van Culemborg’ is, werkzaam ca. 1425 toen hij ook de miniaturen van het missale van Zweder (Bissch. Seminarie te Brixen) vervaardigde. Hoogewerff ziet meer stijlverwantschap met miniaturen uit omstreeks 1430-’40, vooral met die van de ‘meester A.’, onder wiens leiding ca. 1430 te Utrecht twee grote bijbels (respectievelijk in de Koninklijke Bibliotheken van Den Haag en Brussel) verlucht werden en die een Nederlands getijdenboek Stockholm, Kungliga Bibliotek) illustreerde. Positief aan de schilder van de Kruisiging in de Avesneskapel schrijft hij een anoniem paneel toe met een Pietà (collectie Gruter van Linden, Antwerpen) in olieverf.
+ litteratuur. c.h. de jonge, De ontdekkingen in de Domkerk te Utrecht. Utr. Dagbl, 2 oct. 1919; d.f. slothouwer en c.h. de jonge, Enige vondsten in de Utrechtse Domkerk. bull. oudhk. b. 1929, blz. 150-153; j. por, Drie kruisingstaferelen uit de xve eeuw; oudholland 1937, blz. 26-37; g.j. hoogewerff, De Noordnederlandse schilderkunst (‘s-Gravenhage 1936 vlg) 1, blz. 349-358; a.w. bijvanck, De middeleeuwse boekillustratie in de noordelijke Nederlanden (Antwerpen 1943), blz. 29 en 33.
