John Waterhouse, Circe (1891): “Zij bracht hen [Odysseus’ metgezellen] binnen en gaf hun een plaats op tronen en zetels, Mengde in Pramnische wijn hun kaas en goudgele honing, Roerend er gerstemeel door en verderflijke kruiden, opdat zij ’t Vaderland helemaal zouden vergeten. Toen zij het gegeven en zij het hadden gedronken, toen raakte zij hen met haar staf … en Sloot hen op in de kotten der zwijnen … Zij hadden wel koppen, Borstels en stemmen van zwijnen en ook hun gedaante, maar toch bleef ’t Mensenverstand onveranderd, precies zoals vroeger.” (Homerus, Odyssee, Boek X, vert. Aegidius Timmerman)
