Jan. van Mieris, Odysseus en Circe, 1685
Homerus, Odyssee, boek 10, vers 320 e.v.: Dat voegde ze me toe, maar ik trok het scherpe zwaard uit de schede
en sprong op Kirke toe als om haar te doden,
maar zij dook weg onder luid geschreeuw en omvatte mijn knieën
en weeklagend kermde ze de gevleugelde woorden:
“Wie ben je toch, man, waar kom je vandaan? Waar is de stad van je ouders?
