1E900577-9F78-49F0-BA88-2CF0B068348B.jpeg

Jeroen Bosch, aanbidding der drie koningen. Vermoedelijk ca. 1495.
Op het middenpaneel is een traditionele aanbidding van de wijzen afgebeeld (zie Driekoningen) met aan de horizon daarboven de stad Jeruzalem. In en rondom de vervallen stal kijken omstanders nieuwsgierig toe op het schouwspel. Op de zijvleugels staan de stichters van dit altaarstuk afgebeeld met hun naamheiligen: de heilige Petrus, te herkennen aan zijn sleutels, en de heilige Agnes, met haar symbool het lam. De stichters zijn, aan de hand van hun voornamen en hun familiewapens, geïdentificeerd als Peter Scheyfve en zijn tweede vrouw Agnes de Gramme.
In de stal bevinden zich vijf figuren, waaronder een merkwaardige figuur – een soort vierde ‘wijze’ – die echter halfnaakt en met een brede grijns op zijn gezicht is afgebeeld. De man draagt een krans van takken vergelijkbaar met die van de vrouwelijke, witte geestverschijning op het middenpaneel van Bosch’ Antonius-drieluik. Hij is geketend met gouden boeien en heeft aan zijn vooruitgestoken been een wond, die gevat is in een glazen, cilindervormige reliekhouder. Over de precieze betekenis van deze figuur tast men in het duister.
De kunsthistorica Lotte Brand Philip [suggereert ] dat de mysterieuze man de tegenhanger van Jezus voorstelt, de antichrist. Volgens een legende zou de antichrist in de vorm van de Messias van het Joodse volk, als een in gouden boeien geketende lepralijder verschijnen.[5] De vervallen stal zou dan symbool staan voor het Oude Testament (of de Synagoge) en de aanbidding van het kind voor het Nieuwe Testament (of de Kerk).

De identificatie van de mysterieuze man als de antichrist vormt mogelijk de sleutel tot de diepere betekenis van het Driekoningen-drieluik. Door middel van de antichrist waarschuwt de schilder de toeschouwer, dat, hoewel het goede met de geboorte van Jezus zijn intrede in de wereld gedaan heeft, de antichrist nooit ver weg is. De Gregoriusmis aan de buitenzijde onderstreept deze boodschap. (Wikipedia)

Volgens Bosch-kenner Charles de Tolnay is de Maria met kind geïnspireerd op Van Eycks Maagd van kanselier Rolin en leunt de compositie als geheel op de Geboorte van Christus van Robert Campin. De voorstelling heeft iets weg van een liturgische dienst, waaraan niet alleen de drie koningen, maar ook de stichters met hun naamheiligen aan deelnemen. De geschenken en de gewaden van de koningen bevatten allerlei details, die de voorstelling ondersteunen. Op het stiksel van Melchiors mantel is de opoffering van Manoach afgebeeld met daarboven het bezoek van de koningin van Sheba aan Salomo, verwijzend naar het latere offer van Christus en het bezoek van de koningen zelf. Om aan te geven dat het hier om niet-christelijke koningen gaat, draagt Caspar een bol met daarop een heidens offer. Op deze bol bevindt zich evengoed een pelikaan als symbool van Christus’ offerdood. Naast Balthasar staat een geschenk, bestaande uit een gouden smeedhouwwerk van het offer van Isaak, opnieuw een prefiguratie van Jezus’ latere offerdood.

Opmerkelijk is ook de figuur van Jozef, die naar het linkerpaneel is verplaatst en daar boven een vuurtje de luiers van het Jezuskind droogt. Volgens De Tolnay gaat dit motief terug op de kunst van voor Van Eyck. Het landschap, dat zich over alle drie de panelen uitstrekt, bevat allerlei kleine tafereeltjes, zoals een doedelzakspeler en twee dansende boeren, een ruiterbende en een door wolven overvallen paar. Deze, en andere details, zoals het afgodsbeeld dat richting Jeruzalem wijst en meer dan één folterraden, verwijzen naar de slechtheid van de wereld en het ongeloof van de mens. (Wikipedia)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *