I. Jan van Someren, van Roermond (1587), trouwde NG Dordrecht 14/30 juni 1587 Lidewij van Beveren Cornelisdr.
Kinderen:
a. Johannes, gedoopt NG Dordrecht aug. 1588
b. Maria, gedoopt NG Dordrecht juni 1590
c. Cornelis van Someren, geboren naar schatting ca. 1590, volgt II
d. Jan, gedoopt NG Dordrecht jan. 1598
II. Cornelis van Someren, geboren naar schatting ca. 1590, doctor in de medicijnen, overleden 11 dec. 1649, trouwde NG Dordrecht 1 okt. 1617 (ondertrouw) Anna Blocken Adriaensdr., geboren ca. 1598 vermoedelijk in Westmaas, overleden 9 of 11 nov. 1671, dochter van Adriaen Bastiaensz. Block en Margareta Anthonisdr.

dr. Cornelis van Someren, portret door Albert Cuijp
NG trouwboek 1 okt. 1617: Cornelis van Someren ordinaris doctor in de medicijnen der stad Dordrecht en Anna Blocken Adriaensdr. van de Westmaas, per schrijven van Westmaas, getrouwd 28 okt. 1618 [sic]
Anna Blocken, geboren naar schatting ca. 1598 vermoedelijk te Westmaas, dochter van Adriaen Bastiaensz. Block en Margrieta Anthonisdr., dochter van Anthonis Cleijsz. Spruijt en Hilleken Jacobsdr. (welke laatstgenoemde eerder gehuwd was met Jacob Dirksz.)

Aelbert Cuyp, portret van Anna Blocken
ORA Westmaas inv. 1: op 23 juni 1616 de 30e penning ontvangen over de landerijen, die zijn geërfd door het laatste overlevende kind (van de drie nagelaten kinderen) van wijlen Adriaen Bastiaensz. Block en diens eveneens overleden vrouw Margareta Anthonisdr., t.w. 2 1/2 morgen in het Oudeland van Strijen, getaxeerd te Strijen op 15 juni 1615 op 350 gl. de morgen, 5 morgen land in de 9e kavel van Nieuw-Beijerland, getaxeerd aldaar op 12 juli 1616 op 2000 gl. in totaal, en 4 1/2 morgen in het Oude Moenickelant, getaxeerd te Westmaas op 23 juni 1616 op 1125 gl. in totaal.
ONA Dordrecht inv. 22, f. 316: op 5 okt. 1617 compareren Jacob Claesz. Lem, wonende in Mijnsheerenland van Moerkerken en Dirck Lenertsz. [Cappendijck], wonende op Dubbeldam. Zij verklaren op verzoek van Job van Beaumont Jansz., burger en inwoner van Dordrecht, dat zij op maandag laatstleden geweest zijn in Westmaas ten huize van Hilleken Jacobsdr., hun grootmoeder, en haar toen hebben horen zeggen, dat zij graag zou willen, dat de nicht van de comparanten, Anneken Blocken, zou trouwen met Job van Beaumont Jansz. “ende dat sij tselve liever soude sien van den requirant als met den persoon van Cornelis van Someren”. De deposanten verklaren voorts, dat zij elk een zusters zoon zijn van de moeder van Annecken Blocken. Zij stemmen toe in het huwelijk van Annecken met Job van Beaumont, maar zijn tegen een huwelijk met Van Someren.
ONA Dordrecht inv. 22, f. 318: op 5 okt. 1617 compareren Arien Claesz. en Claes Claesz. Lem, wonende in Strijen, Cornelis Lenertsz. [Cappendijck], wonende op Dubbeldam, allen “moeijen kinderen” van moederszijde van Anneken Blocken, Pieter Tomisz. Hoogewerff, wonende in Beijerland, als behuwd neef van moederszijde van Anneken Blocken en Arien Jansz. [Spruijt], als man van Anneken Jacobsdr., wonende in de Group, als behuwd oom van Anneken Blocken, zijnde zijn echtgenote een zuster van de moeder van Anneken Blocken. De comparanten verklaren op verzoek van Job van Beaumont Jansz. goed te weten, dat de rekwirant “grooten toeganck tot dvoorsz. Anneken Blocken heeft gehadt, mitsgaders dat sijluijden oock int huwelijck van de voorsz. Anneken Blocken met den requirant bewilligen ende volcomelijck consenteren bij desen, sonder eenigsints te advoijeren den voortganck vande geboden, veel min het huwelijck met den persoon van dr. Cornelis van Someren, als sulcx sijnde tegen haren wille ende vuijterste begeerte.”
1000e penning Dordrecht anno 1626: dr. Cornelis van Someren aangeslagen voor een vermogen van 18.000 gl.
ONA Dordrecht inv. 89, f. 347: op 19 sept. 1650 stelt Anna Blocken, weduwe van Cornelis van Someren, zich borg voor haar zoon Cornelis van Someren, waarsman van het Oudeland van Strijen, “ende dat voor alsulcken administratie van ontfangh ende uijtgeeff als … haeren soon voorden … Oudenlande van Strijen gehadt heeft ende noch is hebbende”.
ONA Dordrecht inv. 90, f. 779: op 14 okt. 1652 verleent Anna Blocken, weduwe van Cornelis van Someren, procuratie aan haar zoon mr. Johan van Someren om voor het gerecht van Mijnsheerenland te transporteren aan de stad Dordrecht een stuk land van 24 morgen 206 roeden liggende in het Maasse Nieuwland.
ONA Dordrecht inv. 47, f. 109: op 11 okt. 1654 verklaart Bastiaen Jacobsz., wonende op de hofstede van de advocaat mr. Johan van Someren onder de jurisdictie van De Group, dat hij voor zeven achtereenvolgende jaren van Anna Blocke, weduwe van Cornelis van Someren, thesaurier van Dordrecht, heeft overgenomen de bruikweer van 16 morgen 4 hont land, zowel wei- als zaailand, waarvan eigenaars zijn de kinderen van de heer Brusellis zaliger. Bastiaen Jacobsz. zal Anna Blocke daarvoor 750 gl. betalen. Jacob Jacobsz., wonende te Dubbeldam, stelt zich borg voor de comparant.
ORA Dordrecht inv. 68, f. 29, rekest dd 20 sept. 1670: “Geeft … te kennen Anna Blocke weduwe van de heer Cornelis van Someren in sijn leven uijtten Outraet ende Thesaurier deser Stede, hoe dat U Ed. Achtb. [burgemeester en regeerders van de stad Dordrecht] naer het overlijden van … haeren man goetgevonden hebben hebben haer suppliante te begunstigen met de Concherge vanden Stadthuijse alhier, waermede deselve nu soo verre gecomen is, dat sij alle haere kinderen gealimenteert ende tot hunnen meerderjaricheijt gebracht heeft ende sulcx dat sij supplte. als nu alleen wesende ende tot hoogen ouderdom gecomen is, naer overleggen van haere saecken goetgevonden heeft met permissie van U Ed. Agtb. de bedieninge vande voors. Concherge te verlaten … Stond voor apostille: fiat ut petitum.”
De nakomelingen van Cornelis van Someren en Anna Blocke worden vermeld in een attestatie dd 14 nov. 1673 (ONA Dordrecht inv. 124 f. 126 e.v.): ten overstaan van notaris Gijsbert de Jager leggen Jan Jansz. Hutten molenmaker en Henrijck Jacobsz. Schuijt meester-kleermaker, beiden burgers van Dordrecht, een verklaring af op verzoek van de kinderen en kleinkinderen van Cornelis van Someren, in zijn leven doctor in de medicijnen en thesaurier te Dordrecht en Anna Blocke, beiden overleden. Zij verklaren dat zij beiden van hun jeugd af goed gekend hebben en dat Anna Blocke, overleden op 11 [sic] november 1671 de volgende kinderen en kindskinderen heeft nagelaten: Johan van Someren, Cornelis van Someren, minderjarige zoon van Adriaen van Someren, Cornelis van Someren, Anthonij van Someren, die naar de comparanten is bericht in Oost-Indië is overleden, Willem van Someren, de kinderen van wijlen Margarita van Someren, de vrouw van Johan van Hal, Lidia van Someren , de weduwe van luitenant Johan Boon, Jacob van Someren en Pieter van Someren.
Kinderen van dr. Cornelis van Someren en Anna Blocken (allen NG gedoopt te Dordrecht):
a. Margaretha, febr. 1619
b. Margareta, okt. 1620
c. mr. Johan van Soomeren, geboren 3 juli 1622, gedoopt juli 1622, weduwnaar van Dordrecht (1648), advocaat voor het Hof van Holland, griffier van de Chambre de mi partie [een in Dordrecht vergaderende commissie van Nederlandse en Spaanse diplomaten, die onderhandelden over kwesties, die voortvloeiden uit het Verdrag van Munster van 1648], o.a. waterschepen te Dordrecht (1647), hoogdijkheemraad van Oud-Beijerland “wegens de Group” (1650), raadpensionaris van de stad Nijmegen (1655), griffier van de Chambre mi partie (1666) (Balen, o.c., deel II, p. 1241)], trouwde 1e NN, 2e NG Dordrecht 3 mei 1648 (ondertrouw) Elisabeth Vervooren Jacobsdr., jonge dochter van Gorinchem en daar wonende (1648), dochter van Jacob Vervoorn en Clara van den Heden
ONA Dordrecht inv. 88, f. 103: op 2 mei 1649 testeren mr. Johan van Someren Cornelisz. advocaat voor het Hof van Holland en zijn vrouw Elisaveth Vervooren, hij gezond, zij ziek in een stoel zittende. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam. Als hij de eerststervende is en zonder kinderen na te laten komt te overlijden, legateert hij aan zijn ouders, Cornelis van Someren en Anna Blocken, uit de goederen, die zij hem bij zijn huwelijk gegeven hebben, een stuk land van 3 morgen, gelegen in het Oudeland van Strijen aan de Molenweg. Als de testatrice de eerstoverlijdende is en zonder kinderen na te laten komt te overlijden, legateert zij aan haar ouders, Jacob Vervooren en Clara van den Heden, uit de goederen, die zij bij haar huwelijk aan haar gegeven hebben, haar juwelen, potgeld, een orgel met de kast, de “nachtbancket” geborduurde juweelkoffers, geborduurd nachtgoed, en al dat tot het nachtbanket behoort, een zilveren “bennecke kamdoos”, poederdoos, haar kabinetje met haar boeken, en bovendien nog een somma van 8000 gl. Als zij zonder kinderen na te laten komt en na haar moeder komt te overlijden en haar moeder vóór haar vader, legateert zij aan haar vader alle voornoemde goederen, alsmede een somma van 4000 gl. Indien haar vader in dat geval vóór haar komt te overlijden, zullen alle voornoemde goederen, met uitzondering van de 4000 gl., aan haar erfgenamen ab intestato moet worden uitgereikt. Maar indien de eerstoverlijdende van hen beiden komt te overlijden, nalatende een kind of kinderen, bij elkaar verwekt, en indien de testateur de eerstoverlijdende zal zijn, zal de testatrice gehouden zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan een bedrag van 6000 gl. uit te keren. Indien de testatrice in dat geval de eerstoverlijdende zal zijn, wenst zij, dat de testateur hun kinderen de helft van haar na te laten goederen zal uitreiken, op voorwaarde, dat hij hun kinderen dan zal onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk. Indien hun kinderen komen te overlijden vóór hun mondigheid of huwelijk en haar ouders dan nog in leven zijn, wenst zij, dat haar ouders de goederen, die hiervoor bepaald zijn, zullen houden en in plaats van de 8000 gl., maar 6000 gl. zullen krijgen. Indien dan echter één van haar ouders overleden zal zijn, wil zij, dat alle goederen, die zij aan haar kinderen heeft gelegateerd, komen voor de helft aan haar man en de wederhelft aan haar vader of diens erfgenamen. Indien de naaste verwanten van haar moeder enige pretentie zullen hebben op de goederen van haar kinderen, legateert zij aan hen de legitieme portie. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij de langstlevende van hen beiden en hun resp. vaders Cornelis van Someren en Jacob Vervooren.

Nachtbanket, door Joost van Winghe, naar een prent van Jan Sadeler, ca. 1580
d. dr. Adriaen van Someren Cornelisz., geboren 16 nov. 1624, gedoopt nov. 1624, van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1652), doctor ordinaris in de medicijnen van de stad Dordrecht (1652), overleden 19 mei 1663, trouwde NG Dordrecht 12/28 mei 1652 met Klara Mispelshoeff Kornelisdr., jonge dochter van Dordrecht wonende aan de Nieuwe Haven (1652), dochter van Cornelis Pietersz. Mispelshoeff, houtkoper te Dordrecht, en NN.
Kind:
d-1. Kornelis van Someren Adriaensz., geboren 2 juni 1654 (Balen, o.c., deel II, p. 1240).]
ORA Dordrecht inv. 1629, f. 53v e.v.: op 23 nov. 1683 verkoopt Cornelis van Someren, burger van Dordrecht, voor 1000 gl. aan Mattheus Rees, koopman en burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwe Haven in de Houttuinen, staande tussen het huis van de koper en dat van Jan van Cappel, als man van de weduwe van Jan Dircxsz. Claer.
e. Cornelis van Someren, geboren 23 febr. 1627, gedoopt mrt. 1627, notaris en procureur te Dordrecht, waarsman van den Lande van Strijen, overleden 19 febr. 1673 (Balen, o.c., deel II, p. 1240)]
f. Antonij van Someren, geboren 1 febr. 1629, gedoopt febr. 1629, schepen van Hulst en Hulsterambacht (1657), ongehuwd overleden in 1672 (Balen, o.c., deel II, p. 1240), overleden in Oost-Indië op het eiland Dingdingh.
ONA Dordrecht inv. 176, f. 291 e.v.: op 3 maart 1661 testeert voor notaris E. Vinck Anthonij van Someren, jongman, op zijn vertrek staande om met het schip “de Beurs van Amsterdam” naar Oost-Indië te varen. Hij vermaakt aan zijn moeder Anna Blocke het vruchtgebruik van de helft van zijn na te laten goederen. De wederhelft daarvan legateert hij aan o.a. de kinderen van Johan van der Hal, verwekt bij Margriet van Someren.
ONA Dordrecht inv. 413, akte dd 4 dec. 1673: de erfgenamen van Anthonij van Someren, overleden op het eiland Dingdingh in Oost-Indië, verlenen procuratie aan P. van Leeuwen, notaris te Batavia, om te vorderen alle goederen, die Anthonij heeft nagelaten, van degenen onder wie die goederen berusten.
g. Willem van Someren, geboren 22 jan. 1631, gedoopt febr. 1631, kapitein-luitenant van een compagnie Guardes van de Keurvorst van Brandenburg (1657) (Balen, o.c., deel II, p. 1240-1241).
h. Margrieta van Someren,geboren 6 jan. 1633, gedoopt febr. 1633, trouwde Johan van Hal (Balen, o.c., deel II, p. 1241 vermeldt alleen: “Joffr. Margareta van Someren, Heeren Kornelisdochter, geboren den 6. Februarij 1633, overleden [zonder datum].”
Acta van de NG kerkenraad van Dordrecht inv. 6, f 209v en 210, 5 febr. 1654:”Sijn gelesen voorgaende acten, ende aengemerckt, dat de dochter vande Heere van Someren ende die Van Hall, ontboden sijnde, niet sijn gecompareert, is goedgevonden voor de twede reijse hier te ontbieden.”
Acta NG kerkenraad Dordrecht inv. 6, f. 210r en v: 19 febr. 1654: “Johan van Hall die met de dochter van de Heer [Cornelis] Van Someren had wechgevoert tegen wil ende buijten weten vande moeder [Anna Blocke], ende buijten ordre ’t Oosterhout getrout, is hier verschenen nadat hij eenige reijse [namelijk twee maal] was ontboden geweest, en bestraft over sijn weijgering van comparitie en over het subreptite [heimelijke] trouwen tot Oosterhout en is hem aengeseijt dat sijn kinderen niet connen wettig geacht werden, so sij niet hier trouwen navolgens d’ ordinantie vande Heeren Staten, die voor onwettig ende Basterden verklaren al die in sulcke houwelijcken geboren werden. Daer op hij sich niet qualijck aenstelde, maar thoonde sich gewillich om te herdoen tgene onordentelijk was gedaen in het trouwen, maer vreesde dat de moeder dit als onnodich soude verwerpen, versoekende dat ijemant geliefde de moeder daertoe te disponeren. De vergaderinge vindt goedt de moeder te besenden om te onderstaen hoe de sake bij haer leijt en so sij eenichsins consenteert, alsdan onderricht, datse noodsakelijk hier moeten trouwen.”
Johan van Hal had de dochter van Van Someren dus geschaakt. Volgens D. Haks (Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw, Utrecht 1985, p. 126-127) kwam schaking – indien de ouders van de vrouw geen toestemming voor het huwelijk gaven – vaak voor, niettegenstaande de zware straf- nl. de doodstraf – die de schaker op grond van de Politieke Ordonnantie uit 1580 toekwam. Die straf werd overigens nooit toegepast. Er zijn wel voorbeelden van overtreders, die met eeuwige verbanning en confiscatie van hun goederen werden bestraft. Na een eventuele verzoening met de familie volgde meestal een pardon.
Margareta van Someren werd op 6 febr. 1633 in Dordrecht geboren. In de genealogie Van Someren, die stadshistoricus Matthijs Balen in zijn Beschrijvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677 [!], deel II, p. 1241) opnam, wordt niets over het huwelijk van Margareta met Johan van Hall vermeld, alleen dat zij inmiddels was overleden, zodat het lijkt of zij ongehuwd is gestorven. Ik ben geneigd om Balen het voordeel van de twijfel te geven en aan te nemen, dat de familie Van Someren hem verkeerde inlichtingen heeft verstrekt, die hij te goeder trouw in zijn boek heeft opgenomen. Anderzijds kan ik moeilijk geloven, dat hem helemaal niets bekend was van het “onordentelijke huwelijk” van een vrouw, die tot een vooraanstaande familie behoorde. Zulke zaken plegen nu eenmaal als een lopend vuurtje rond te gaan, vooral in een betrekkelijk kleine gemeenschap (Dordrecht had in die tijd ongeveer 18.000 inwoners). Balen helemaal vrijpleiten van geschiedvervalsing kan ik dus helaas niet.
NG trouwboek Dordrecht 15 nov. 1654 Johannes Aernoutsz. van Hal soldaat onder kolonel Allard in garnizoen te Breda met Margaretha van Someren wonende in de Schrijversstraat, beiden van Dordrecht, proclamatie te Breda. In de marge staat: “Wert ten versoecke van de Bruijdegom also genoemt de derde proclamatie gehouden als niet gegeven ende dienvolgende midts desen geroyeerd. Den 1 Maij @ 1654.” [sic: bedoeld is natuurlijk 1655]
NG trouwboek Dordrecht 11 juli 1655 Johan van Hal soldaat onder de compagnie van de Heer Hallard en juffr. Margrieta van Someren heeren Cornelisdr., beiden wonende in de Schrijversstraat, getrouwd in de Lindt 11 juli 1655.
Margareta’s vader, dr. Cornelis van Someren Johansz., was doctor in de medicijnen en behalve medicijn-ordinaris van de stad Dordrecht in 1647 en 1648 ook thesaurier “op’t groot Comptoir”. Hij overleed op 11 dec. 1649. Haar moeder heette Anna Blocke Adriaensdr. (overleden 9 nov. 1671, 73 jaar oud). Door zijn verwantschap met de Van Beverens (zijn moeder was Lijdewij van Beveren, dochter van burgemeester Cornelis van Beveren Pietersz.) behoorde Cornelis van Someren tot de aanzienlijke burgers. Zijn weduwe was evenwel niet bijzonder rijk: in 1652 werd zij in de 200e penning aangeslagen voor 10 ponden, d.w.z. dat haar vermogen werd geraamd op 2000 gl.(Stadsarchief Dordrecht nr. 3inv. 3979 f. 37v). Waarschijnlijk had zij te zorgen voor studerende zoons, wat haar veel geld gekost zal hebben. Haar bezwaar tegen het huwelijk van Johan van Hall met haar dochter zal wel zijn geweest, dat hij niet “van hun stand” was. (Zie ook M. Balen, Beschryvinge derStadt Dordrecht (Dordrecht 1677), deel II, p. 1240 e.v. (Dr. Johan van Someren was een broer van de in de acta [zie hieronder bij 16 nov. 1656] eveneens vermelde Jacob van Someren (Balen, o.c., deel II, p. 1239.)
Johan van Hal en Margareta van Soomeren lieten op 14 aug. 1654 een zoon Cornelis dopen, waaruit blijkt, dat zij al in de laatste maanden van 1653 zwanger was geworden. Tussen 1661 en 1669 werden er nog vijf kinderen van dit echtpaar gedoopt (NG doopboek Dordrecht). Na Margareta’s overlijden hertrouwde Jan van Hall (winkelier wonende op de Lindengracht) met Marijke Koermans, weduwe van Abram van der Lemp (NG trouwboek Dordrecht 21 okt. 1674).
1 aug. 1657: Johannes van der Hal, als getrouwd hebbende Margareta van Someren, verklaart voor een bedrag van 725 gl. verkocht te hebben aan Willem Hendricksz. van Kluck, burger van Dordrecht, 1/4 part van een stuk land, zijnde fideï-commissionair gekocht van Sijmon Cornelisz. de Vries, liggende in het Oude Land van Strijen aan de Meulenweg, welk land volgens testamentaire dispositie van de heer thesaurier Cornelis van Someren en zijn vrouw Anna Blocke, gepasseerd voor notaris J. Schoormans te Dordrecht op 13 april 1644, door de vader van verkopers vrouw is geprelegateerd aan zijn vier jongste kinderen. Van Hal tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 175, f. 169)
15 nov. 1663: “Geven … te kennen Jan van der Hal ende Margareta van Someren sijnne huijsvrouwe, hoe dat hij … Jan van der Hal, omme hem, sijnne huijsvrouwe ende kinderen te sustenteren genootsaeckt is geweest (als anders geene gelegentheijt ofte winste hebbende) een reijse naer Oostindien aen te gaen, de welcke soo ongeluckich is uijtgevallen, dat int wederkeeren het schip daer hij op was neffens andere is gebleven, waerdoor alle sijnne goederen heeft verloren, ende alleenlijk sijn persoon met groot pericul miraculeuselijk heeft gesalveert, sulx dat hij nu weijnich gelegentheijd heeft, om hem ende sijnne familie te sustenteren, ende naerdien haerlieder moeder Anna Blocke … ontrent ses jaren geleden bij UEd. Agtb. is gestelt tot concherge vant Stadt ofte raethuijs deser Stede … ende gemerckt d’selve alsnu tot hoogen ouderdom gecomen is, ende impotent begint te worden, ende dienvolgende naer alle apparentie niet lange leven sal, alswanneer een ander bequaem persoon in desselfs plaetse sal moeten succederen, waertoe sij supplianten haer seer gaerne soude laten emploijeren”, verzoeken zij bij overlijden van Anna Blocke tot conciërge van het stadhuis benoemd te mogen worden. Besluit van het stadsbestuur: verzoek wordt toegestaan. In de marge van deze akte staat echter: Deze acte is op 20 sept. 1670 door Gerechte, Thesauriers en Achten gemortificeerd en de bediening van de conciërgerie bij afstand door Anna Blocke vergund aan Hendrick van der Merck. (ORA Dordrecht inv. 65, f. 104 e.v.)
“Op 7 januari 1661 vertrok Van Hal als boekhouder op het VOC-schip Erasmus naar Oost-Indië. … Op 14 juli kwam hij in Batavia aan en op 14 december vertrok hij met met schip Arnhem weer naar Holland. … De Arnhem voer in een vloot van zeven schepen terug naar Nederland. … Op 11 februari 1662 werd de vloot ten oosten van Mauritius door een zware storm uiteengedreven. … Over de ramp zijn uitvoerige reisverslagen (waaronder dat van Jan van Hal) geschreven, die al snel na thuiskomst in boekvorm werden uitgegeven. … Op 12 februari liep de Arnhem vast op de Saint Brandon Rock, ook bekend als de Cargados Carajos, een groep atollen en riffen ten zuidoosten van Mauritius. … Op het dek stond de werkboot [waarmee de lading aan boord werd gebracht]. … Van de aanwezigen op het dek gingen er 108 man aan boord van de werkboot. … Alle officieren, ook Jan van Hal, verlieten het vastgelopen en gehavende schip. … Na een tocht van acht dagen bereikte de boot met 86 overlevenden aan boord het eiland Mauritius. Van de oorspronkelijke 108 man waren er negen overleden en dertien levende overboord gezet. “
(Dordrecht Monumenteel nr. 85, p. 24-26)
2 mrt. 1680: Jan van Hall, burger van Dordrecht, geeft te kennen, “dat hij suppliant voor Sijne eerste huijsvrouwe ten echte gehadt hebbende Juffre. Margareta van Someren dselve nu ontrent vijff jaren geleden deser werelt is comen te overlijden, blijvende den supplt. alsdoen met ses cleijne kindren belast, sonder eenige ofte immers gansch weijnige middelen tot onderhout, welcken onaengesien hij supplt. echter tot nu toe, sich mette selve kindren heeft beholpen, en buijten last van andren gealimenteert, daerbij nu alles opgeseth en mede verteert wesende tgeene eenichsins voor handen was, ende oock de tapneeringe daer mede hij supplt. hem geneert heeft, in dese seer schaersse en nerinchloose conjucturen van tijden teenemael verloopen sijnde, soo vindt hij supplt. hem met de voorsch. sijne kindren inde uijtterste extremiteijt en ongelegentheijt, opt poinct staende om bij manquement van prompte remedie, dselve sijne kindren ten laste van andren te sullen moeten laten vervallen, te meer omdat met eenige vande selve die seer ongesont en gebreckelijck sijn, geduerich medicineren moet. Tis nu sulcx dat Sr. Jacob van Someren Broeder vande voorn. sijns supplts. eerste huijsvrouwe zaliger overleden tot Leijden aen gemelte sijns supplts. kindren gelegateert heeft de Somme van [375 gl.] die ten laste van dese Stadt [Dordrecht] beleijt sijn, welcke somme van penningen indien hij supplt. in handen hadde, hij vermeijnt in oude cleercooperije andersgenaemt uijtdraegerije soodanig te sullen connen aenleggen … dat hij daerdoor den cost, voorde voors. sijne arme kinderkens te sullen connen gewinnen … [en verzoekt derhalve het stadsbestuur van Dordrecht hem] tot lichtinge [van genoemde 375 gl.] te admitteren”. Besluit op dit rekest: eerst te vernemen of het legaat niet “fideïcommis subject” is. (ORA Dordrecht inv. 72, f. 112 e.v.)
i. Lidia van Someren, geboren 15 juni 1635, gedoopt juni 1635, trouwde in 1655 met Johan Boon (Boonen), luitenant van een compagnie infanterie ten dienste van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hij stierf op 15 mrt. 1671, “nalatende kinderen”. (Balen, o.c., deel II, p. 1241) Lidia van Someren, weduwe wonende bij de Grote Kerk, trouwde 2e NG Dordrecht/Bleskensgraaf 20 juli/2 aug. 1681 Johan van Bijwaart, jongman van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk(1681), notaris te Dordrecht
NG trouwboek Dordrecht 26 sept. 1655: Joannes Boonen jongman wonende omtrent de Vuilpoort en Lijdia van Someren heer Cornelisdr. wonende op de Nieuwe Haven, beiden van Dordrecht, getrouwd 17 okt. 1655 (Cf. Acta van de NG Kerkenraad van Dordrecht van 4 aug. 1656 [SA Dordrecht, archief 27 inv. 7, f. 2v]: “Ds. Dibbetius heeft gerapporteert, dat Sijne Edelheid met mijnheer Coopman hadde geweest bij Boone, de man vande dochter van d’Heer Someren, ende dat deselve klagende over het onlijdelick tractement ten huijse van zijn schoonmoeder, hadde henselven verclaert, bereijdt te sijn tot een behoorlijcke bijwooninghe, bij sijn huijsvrouw voornoemt, bij aldien die door goede tusschenspraeck conde te wege gebracht werden.”)
j. Jacob van Someren, geboren 18 aug. 1636, gedoopt aug. 1636, trouwde 22 sept. 1669 Katharina Taghoen, weduwe eerst van Johan van Valkenburg, professor in de medicijnen te Leiden en ten tweede van Salomon van Delmanhorst (Balen, o.c., deel II, p. 1241).]
k.Pieter (Petrus) van Someren, geboren 13 jan. 1642, gedoopt 22 jan. 1642, trouwde Anna de Rouw (Balen, o.c., deel II, p. 1241).]