Blussé

I. Pieter Antonissen (Blussee), jongman uit Waals Vlaanderen wonende in de Nieuwstraat (1641), tingieter, stadsbidder (tot 1672), bode op Haarlem, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 25 nov. 1672 (een baar tegenover de Augustijnenkerk voor Pieter Blusse, bode van Dordrecht op Haarlem, in een pondgraf, nr. 6 op het Hoogkoor), trouwde NG Dordrecht 14 april 1641 (ondertrouw) Maeijken van Botlant Ariensdr., gedoopt NG Dordrecht 1616, van Dordrecht wonende bij de Wijnbrug (1641), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 3 aug. 1675 (een baar voor Maeicken van Bothlant, weduwe van Pieter Blusse, bode op Haarlem, een pondgraf)

– 26 nov. 1635: testament van Marijken Adriaensdr. van Botlandt, jonge dochter, wonende te Dordrecht, over de 18 jaar oud. Zij legateert aan de Armen van Dordrecht 12 gl. en aan Sara Damius, weduwe van Gerrit Woutersz. van Botlant, haar tante, of bij vooroverlijden haar kinderen, een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar nicht van moederszijde, Lijsbetgen Claesdr., die in Den Bosch woont, voor de ene helft, en haar naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van vaderszijde voor de andere helft. De testatrice wenst, dat de goederen, die Lijsbetgen van haar zal erven, niet eerder aan haar overgedragen worden dan wanneer zij de mondigheid bereikt of gaat trouwen. Tot die tijde zullen die goederen op interest uitgezet moeten worden op het “comptoir” van de gemene middelen te Dordrecht. Als Lijsbetgen voordien komt te overlijden, zullen de goederen vererven op de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van de testatrice. (ONA Dordrecht inv. 74, f. 107v e.v.)

– 12 juni 1672: “Het Stadts Bidderschap van Pieter Blusse den ouden geconfereert op sijnen soone Pieter Bluse den jonge. Mijn Ed. heeren vanden Gerechte gehoort de verclaringe gedaen bij ofte van wegen Pieter Bluse den ouden waer bij den selven … desisteert ende affstaet van het Stads Bidderschap … ende mits dien het voors. Stadts Bidderschap wederomme te stellen in handen ende ter dispositie van den selven Gerechte. Waer op gedelibereert wesende, is den voors. Bluse van sijne voorn. bedieninge ontslagen ende de voorn. plaetse geconfereert … op desselfs soon mede genaemt Pieter Bluse”. (ORA Dordrecht inv. 12, f. 111v e.v.)

– 25 juni 1675: testament van Maijken van Botlant, weduwe van Pieter Blusé, inwonende burgeres van Dordrecht. Zij legateert aan haar zoon Adriaen Blusé een bedrag van 6 gl., aan haar zoon Abraham Blusé de beste zwarte lakense kleren en mantel van haar overleden man enaan haar dochter Berber Blusé, al haar huisraad, lijnwaad en kleren. Zij wenst, dat haar zoon Pieter Blusé op zijn erfdeel zal aannemen het huis, waarin zij woont, enlegateertaan haar kinderen Jan, Pieter, Abraham en Berber Blusé alle opbrengsten van dat huis. Tot voogden over haar minderjarige kinderenen executeurs van haar testament benoemt zij Gijsbert van Botlant, haar neef,en Jacob Blom, haar buurman. (ONA Dordrecht inv. 124, f. 332)

Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 265: op 17 sept. 1675 extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Maijken van Botland, weduwe van Pieter Blusé, gepasseerd voor notaris G. de Jager te Dordrecht op 25 april 1675. Zij heeft daarin tot voogden over haar minderarige kinderen benoemt kapitein Gijsbert van Botlandt, haar neef, en Jacob Blom, haar buurman.

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Berbera, 20 dec. 1643

b. Berber Blussé, 1 april 1645, jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1689), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 22 sept. 1732 (Berbera Blussé, de vrouw van Willem Terkuijs, in het Steegoversloot, laat geen kinderen na, met de gewone koetsen), trouwde NG Dordrecht 20 sept./16 okt. 1689 Willem Terkuijs, jongman van Goes wonende in het Steegoversloot (1689)

Weeskamer Dordrecht inv. 34, f. 120: extract ingeschreven van het testament van Willem ter Kuijs en zijn vrouw Berbera Blussé, gepasseerd voor notaris J. de Jongh te Dordrecht op 12 april 1697. Zij hebben daarin de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam benoemd.

ORA Dordrecht inv. 1653, f. 71v: op 23 okt. 1732 verkoopt Willem Terkuijs, burger van Dordrecht, voor 1050 gl. aan Anthonij Voskamp, mr. schoenmaker en burger van Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, het tweede huis ten zuiden van de ingang van het Hof, staande tussen het huis van de kinderen en erfgenamen van Ruth Onderdewijngaart en dat van Jan de Witt, de koper is schuldig aan de verkoper een somma van 600 gl.

c. Adriaen Blussé, 27 juli 1646

d. Pieter Blussee, geboren naar schatting ca. 1650, trouwde 25 sept. 1678 Jannetje van Saan, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 6 mei 1739 (Johanna van Sane, weduwe van Pieter Blusse, in de Kolfstraat, laat kinderen na, met de gewone koetsen)

ORA Dordrecht inv. 1635, f. 55: op 5 juli 1695 verkoopt Bartholomeus Targier, koopman te Dordrecht, als procuratie hebbende van Adriaantje Jansdr. van de Nadorst, laatst weduwe van Pieter Gonne, burgeres van Dordrecht, voor 2050 gl. aan Pieter Bluse, ordinaris koopmansbode van Dordrecht op Haarlem en Leiden, een huis tegenover de Munt van Holland [in de Voorstraat], staande tussen het huis van de weduwe van Paulus Marcel en dat van Dirck Alsem.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

d-1. Maria, 3 april 1680

d-2. Christijna, 7 okt. 1681

d-3. Pieter Blussee, 3 nov. 1683

d-4. Johanna, 15 juli 1686

e. Abraham Blusse, 21 juni 1656, volgt II

f. Jan Blussé

II. Abraham Blusse, gedoopt NG Dordrecht 21 juni 1656, jongman van Dordrecht wonende in de Weeshuisstraat (1682), weduwnaar wonende in de Vriesestraat (1691), twijnder, trouwde 1e NG Dordrecht 3 mei/25 juli 1682 Hester Francken, jonge dochter van Amsterdam wonende in de Vriesestraat (1682), trouwde 2e NG Dordrecht 25 febr./11 mrt. 1691 Rebecca Perring, jonge dochter van Gorinchem wonende in de Voorstraat (1691), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 juni 1712 (Rebecka Perrin, de vrouw van Abraham Blusee, tegenover de Vriesestraat op de Voorstraat, met één koets boven het getal)

ONA Dordrecht inv. 286, akte 5: op 23 jan. 1696 verlenen Jacob Francken, uitdrager, en Jan Francken, bakker, beiden van Dordrecht, voor zichzelf en als voogden over de minderjarige kinderen van wijlen Hester Francken, bij haar verwekt door Abraham Blusé, samen mede-erfgenamen van Jan Reijnders, hun oom resp. oudoom, die is overleden in Amsterdam, procuratie aan hun behuwd broeder Jan Koelerven, wonende te Amsterdam, om voor burgemeesters of andere heren aldaar te compareren en “aldaer te doleren over haer contingent inde tax vande personeele 200e pen. daer op … Jan Reijnders int quohier van de 200e [penning] te Amsterdam … aengeslagen is”.

Kind:

a. Pieter Blussé, gedoopt NG Dordrecht 30 mei 1683, volgt III

III. Pieter Blussé, gedoopt NG Dordrecht 30 mei 1683, jongman van Dordrecht wonende bij de Nieuwkerkstraat (1703), bakker, later boekbinder te Dordrecht, begraven Dordrecht 18 juni 1746, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 7/21 okt. 1703 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader, de bruid met haar moeder) Elisabeth van Hattum, gedoopt NG Dordrecht 15 juli 1681, jonge dochter van Dordrecht wonende omtrent de Munt (1703), dochter van Ludolf van Hattum en Griete Ariensdr. Borstel

– 15 sept. 1704 (testateuren staan niet in de 200e penning): voor notaris J. van Bijwaert testeren Pieter Blussé, bakker en burger van Dordrecht en zijn vrouw Elisabeth van Hattum, hij gezond, zij ziek. Zij benoemen de langstlevende van beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen op te voeden en te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan “onder hen allen” een bedrag van 12 gl. uit te keren. Akte door beiden ondertekend.(ONA Dordrecht inv. 407, f. 254 e.v.)

14 dec. 1723: Pieter Blusee, burger van Dordrecht, als man van Elisabeth van Hattum, dochter en erfgename van Rudolph [Ludolf] van Hattum, loodgieter te Dordrecht, verkoopt voor 450 gl. aan Jacob van Ratingen, winkelier en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat, staande tussen het huis van de koper en dat van Cristoffel van der Heijden. (ORA Dordrecht inv. 1650, f. 75)

– 1742: in de hoofdelijke belastingheffing (van welke inkomstenbelasting 80 % van de Nederlandse bevolking was vrijgesteld)betaaltPieter Blussé6 gl. (ter vergelijking: burgemeester Johan Gevaerts betaalt 250 gl.)(Arianne Baggerman, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823 (Den Haag 2000), p. 16)]

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Adolph Blussé, 30 okt. 1705, jongman van Dordrecht wonende bij de Wijnbrug (1735), trouwde Gerecht/NG 28 mei/12 juni 1735 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Pieter Blussé, de bruid met haar vader Jan Roels) Cornelia Adriana Roels, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Wijnbrug (1735)

ORA Dordrecht inv. 1656, f. 33: op 16 mei 1741 verkoopt Catharina van Hattem, weduwe van Cornelis Bercx, voor 1900 gl. aan Adolff Blussé, mr. loodgieter en burger van Dordrecht, een huis op de Voorstraat tegenover de Augustijnenkerk, staande tussen het huis van de koper en dat van Jan van Heusden, De koper is schuldig aan verkoopster een bedrag van 800 gl.

ORA Dordrecht inv. 1663, f. 145v: op 16 febr. 1762 verkopen Abraham Blussé, boekhandelaar, en Roeloff Arends, mr. chirurgijn, beiden wonende te Dordrecht, als executeurs-testamentair van Cornelia Roels, weduwe van Adolff Blussé, die gewoond heeft en overleden is in Dordrecht, voor 4475 gl. aan Leendert van den Camp, koopman te Dordrecht, een huisop de Voorstraat aan de waterzijde tegenover de Berckepoort, staande tussen het huis van Abram van Nispen en dat van Jan Heij, met een vrije uitgang op de steiger.

b. Hester, 4 april 1707

c. Abraham, 14 aug. 1723

d. Abraham Blussé,19 febr. 1726, volgt IV

IV. Abraham Blussé, gedoopt NG Dordrecht 19 febr. 1726, weduwnaar geboren te Dordrecht wonende in de Voorstraat bij de Spuistraat (1776), overleden Dordrecht 4 febr. 1808, trouwde 1e Dirksland/Dordrecht 29 mrt./16 april 1747 Cornelia Vallare, 2e Gerecht/NG Dordrecht 26 jan./11 febr. 1776 (de bruidegom heeft bewijs gedaan aan zijn kinderen volgens onderhandse akte en kwitantie dd 9 sept. 1775, de bruid geassisteerd met haar vader Gijsbert Pot), Cornelia Pot, jonge dochter geboren te Dordrecht wonende in het Steegoverloot (1776)

Abraham Blussé (foto: RA Dordrecht)

Hij vestigde in 1745 te Dordrecht een boekverkopers- en uitgeverszaak. Vanaf april 1797 gaf zijn firma (de sedert dec. 1789 verschijnende) Dordrechtsche Courant uit. [NNBW (internet); Arianne Baggerman, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823 (Den Haag 2000)]

Abraham Blussé, boekhandelaar, kocht op 20 juli 1745 voor 2210 gl. van Pieter Hordijk, banketbakker, een bedrijfspand aan de Voorstraattegenover de Beurs, staande tussen het huis van Adriaan Borgers en dat van Jan van der Rijk. (ORA Dordrecht inv. 821, f. 88) Het kapitaal hiervoor leende hij van zijn oudere broer Adolph, die meester loodgieter was. “In dit vroegere banketbakkerspand werd de boekbinderszaak van zijn vader, waar incidenteel ook wel boeken werden verkocht, voortgezet en uitgebreid tot een boekhandel en boekbinderij met de naam Laurens Koster.” (Baggerman, o.c., p. 16)

ORA Dordrecht inv. 1657, f. 88 ev.: op 20 juli 1745 verkoopt Pieter Hordijk, banketbakker en burger van Dordrecht, voor 2210 gl. aan Abraham Blussé, boekverkoper en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat tegenover de Beurs, staande tussen het huis van Adriaan Borgers en dat van Jan van der Rijk. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 1100 gl.

ORA Dordrecht inv. 1665, f. 180 e.v.: op 20 sept 1768 verkoopt Pieter van Dijck, broodbakker te Dordrecht, voor 600 gl. aan Abraham Blussé, boekverkoper te Dordrecht, een huis, genaamd “de Olijpijp”, staande in de Vriesestraat op de hoek van de dwarsgang naast het huis van Andries Vermasen, met nog een huis erachter, staande in de dwarsgang, “aan’t gemelde huis getrokken en tezamen tot een huis gemaakt”.

ORA Dordrecht inv. 1666, f. 210v e.v.: op 28 mrt. 1771 verkoopt Cornelia van Nispen, voor zichzelf en nog als procuratie hebbende van Jan van der Swet, als man van Margareta van Nispen en Margareta van Nispen zelf, wonende te Amsterdam, volgens procuratie gepasseerd voor notaris A. Coijmans te Amsterdam op 16 mrt. 1771, voor 4000 gl. aan Abraham Blussé, boekverkoper te Dordrecht, een huis in de Voorstraat tussen de Kleine Spuistraat en het huis van Hendrik Florijn, welk huis afkomstig is van hun oom, wijlen Cornelis van Nispen.

ORA Dordrecht inv. 1670, f. 122v: op 24 dec. 1778 verkoopt Carel Borchart Voet, inspecteur van de comptoiren van ’s landsmiddelen en rechten bij collecte in het Zuiderkwartier van Holland, wonende te Dordrecht, voor 7000 gl. aan Abraham Blussé, boekhandelaar wonende te Dordrecht, een huis met koetshuis erachter, vanouds genaamd Mijnsherenherberg, staande op de Voorstraat tussen de Nieuwstraat en Kolfstraat, belend door het huis van Willem Kloens aan de ene zijde en dat van Pieter Smits aan de andere.

ORA Dordrecht inv. 1670, f. 157: op 1 april 1779 verkoopt Abraham Blussé, boekhandelaar te Dordrecht, voor 4200 gl. aan Anthonij van Meurs, koopman wonende te Rotterdam, een huis op de Voorstraat, staande tussen de Kleine Spuistraat en het huis van Hendrik Florijn.

ORA Dordrecht inv. 1671, f. 109v: op 2 nov. 1780 verkoopt Abraham Blussé, burger van Dordrecht, voor 1575 gl. aan Margarita Sara Bouwman, weduwe van Gillis van Overbeek, wonende even buiten de stad Dordrecht, een huis, vanouds genaamd “de Olijpijp”, staande in de Vriesestraat tussen de dwarsgang en het huis van de weduwe Van der Klift.

ORA Dordrecht inv. 1672, f. 77v: op 7 mei 1782 verkoopt Jacobus Johannes Schrijver, als procuratie hebbende van Jacob van Maarsseveen, Hendrik van Maarsseveen, Willem Logger, als man van Catharina van Maarsseveen, Catharina van Maarsseveen zelf, wonende te Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende hun broer Cornelis van Maarsseveen, wonende te Amsterdam, enige kinderen en erfgenamen ex testamento van Metje van Duijnen, weduwe van Willem van Maarsseveen, die gewoond heeft en is overleden te Dordrecht, voor 1220 gl. aan Cornelia Pot, echtgenote van Abraham Blussé, wonende te Dordrecht, een huis in de Grote Spuistraat met een open plaats, uitkomende in het Haringstraatje, staande tussen het huis van Pieter Valstar en het huis van de weduwe van Pieter Visser.

ORA Dordrecht inv. 1673, f. 67: op 8 mei 1783 verkoopt Abraham Blussé, wonende te Dordrecht, als bij volmacht, verleden voor notaris J. van der Star op 18 febr. 1783, gemachtigde van Adriaan Pot, wonende te Sprang, en zijn, comparants, vrouw Cornelia Pot, enige kinderen en erfgenamen van Gijsbert Pot, die gewoond heeft en is overleden te Dordrecht op 26 jan. 1783, voor 2700 gl. aan Pieter Willem van den Berg, stadsbode te Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, uitkomende aan het Stek en staande tussen het huis van Paulus Jan Klos en dat van Pieter van der Swits.

ORA Dordrecht inv. 1673, f. 98v: op 24 juli 1783 verkoopt Jan van der Star, notaris te Dordrecht, als door Cornelis van Buuren bij akte, gepasseerd voor notaris J.H. Schultz van Haegen te Dordrecht op 20 dec. 1777, aangesteld, samen met Evert Everwijn, wonende te Amsterdam, aangesteld tot executeur van zijn boedel, voor 4150 gl. aan Cornelia Pot, vrouw van Abraham Blussé, wonende te Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Jan van de Werken en het huis van Jeremias Schoenmakers, strekkende voor van de straat tot achter aan de stadsgracht.

ORA Dordrecht inv. 1673, f. 163v: op 20 jan. 1784 verkoopt Abraham Blussé, burger van Dordrecht, als enige erfgenaam van Adolph van Hattem, voor 2900 gl. aan Johannis van Eijk, loodgietersbaas te Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij de Grote Vismarkt, staande tussen het huis van Jacob Immerzeel en het Viskopersgildehuis.

ORA Dordrecht inv. 1673, f. 235: op 29 juni 1784 verkoopt mr. Johannes Verthoolen, advocaat wonende te Breda, voor 1100 gl. aan Abraham Blussé, burger van Dordrecht, de helft in een blok huizen, bestaande uit negen woningen, staande in de Suikerstraat tegenover het Slikveld tussen het Molenstraatje en het pakhuis van Hendrik Walpot.

ORA Dordrecht inv. 1677, f. 138v: op 10 april 1794 verkoopt Abraham Blussé, burger van Dordrecht, voor 2100 gl. aan Gerard Schepers, raffinadeursknecht te Dordrecht, een blok huizen, bestaande uit negen woningen, staande in de Suikerstraat tegenover het Slikveld tussen het Molenstraatje en het pakhuis van Vernimmen, Walpot en co.

ORA Dordrecht inv. 1677, f. 226: op 30 april 1795 verkoopt Adriaan Pot, als procuratie hebbende van Cornelia Pot, vrouw van Abraham Blussé, voor 1375 gl. aan Belia van der Elst, weduwe van Pieter Visser, en haar behuwd zoon Frans Smits, een huis met open plaats en loods, staande in de Grote Spuistraat en uitkomende in het Haringstraatje,belend doorhet huis van de weduwe van Pieter Valstar aan de ene en dat van de weduwe van Pieter Visser aan de andere zijde.

ORA Dordrecht inv. 1678, f. 78v: op 24 nov. 1796 verkoopt Abraham Blussé, wonende te Dordrecht, voor 3500 gl. aan Justus de Bruijn Ouboter, wonende te Dordrecht, een huis in de Voorstraat tegenover de Beurs, staande tussen het huis van J. de Bruijn en Co. en dat van juffrouw Havermaat.

ORA Dordrecht inv. 1679, f. 404v: op 17 nov. 1803 verkoopt Abraham Blussé de oude, weduwnaar en erfgenaam van Cornelia Pot, wonende te Dordrecht, voor 5250 gl. aan Willem Hordijk, suikerraffinadeur te Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof, getekend D:923, staande tussen het huis van Hendrik de Koningh en dat van Jacob Otterdijk.

Kinderen (ex 1; allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Pieter, 7 juli 1748, volgt V.

b. Francois, 6 aug. 1751

c. Adolph, 26 aug. 1753

d. Geertruijda, 4 juli 1755

V. Pieter Blussé van Oud-Alblas, gedoopt NG Dordrecht 7 juli 1748, overleden Leiden 15 juni 1823, trouwde Dordrecht/Rotterdam 25 juli/14 aug. 1771 Sophia Arnolda Christina Vermeer, geboren Zevenaar 18 mrt. 1753, overleden Dordrecht 1 okt. 1819, dochter van Hendrik Vermeer, schepen en secretaris van Zevenaar, en Elisabeth Margaretha Geertruida van Hecking

Pieter Blussé (foto: RA Dordrecht)

ORA Dordrecht inv. 1671, f. 50v: op 8 juni 1780 verkoopt David van Altena, metselaarsbaas te Dordrecht, voor 275 gl. aan Pieter Blussé, boekhandelaar te Dordrecht, een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van de weduwe van mr. Pieter Cornelis Pompe van Meerdervoort en het achterste deel van de grutterij van Simon Schoenmakers.

ORA Dordrecht inv. 1675, f. 218: op 11 sept. 1788 verkopen mr. Thomas Johannes Pigeaud, raad in de vroedschap en burgemeester van Schiedam, Anthonij Balthazar Stoop en Abraham Pompe van Meerdervoort, beiden wonende te Dordrecht, als bij akte, op 31 mrt. 1787 gepasseerd voor notaris A.A. van den Oever te Dordrecht, aangesteld tot executeurs-testamentair door Emmerentia Johanna van den Brandeler, weduwe van mr. Pieter Cornelis Pompe van Meerdervoort, lid van deOudraad en baljuw van de Beijerlanden, die gewoond heeft en is overleden te Dordrecht op 25 febr. 1788, voor 7200 gl. aan Pieter Blussé, wonende te Dordrecht, een huis op de Voorstraat tegenover de Beurs, staande tussen het huis van Anthonij Balthazar Stoop en dat van Abraham Pompe van Meerdervoort.

ORA Dordrecht inv. 1677, f. 122: op 13 febr. 1794 verkoopt Cornelis Donker, koopman wonende te Krimpen aan de Lek, voor 4100 gl. aan Pieter Blussé, boekverkoper te Dordrecht, een huis in de Gravenstraat, staande tussen het huis van Bernardus van Tienen en dat van Pieter Rijke.

ORA Dordrecht inv. 1678, f. 287v: op 25 april 1799 verkoopt Pieter van Beest, koopman in wijnen te Dordrecht, voor 5500 gl. aan Pieter Blussé, boekhandelaar te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat tegenover de Nieuwbrug, staande tussen het huis van Nicolaas van Meeteren en dat van Anthonij Kisselius.

ORA Dordrecht inv. 1679, f. 251v: op 24 juni 1802 verkoopt Pieter Blussé, wonende te Dordrecht, voor 7500 gl. aan Rosier Udemans, wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, getekend B:182, staande tussen het huis van N. van Meeteren en dat van A. Kisselius.

ORA Dordrecht inv. 1680, f. 260v: op 20 mei 1806 verkoopt Adriana Cornelia Gregoor, ongehuwd, die veniam aetatis verkregen heeft, wonende te Dordrecht, voor 5150 gl. aan Pieter Blussé, wonende te Dordrecht, een huis met kelder of pakhuis daaronder, staande in de Wijnstraat aan de havenzijde tussen de Nieuwbrug en Schrijversstraat, getekend B:52, staande tussen de raffinaderij van Anthonij Kisselius en het huis van Willem Albertus van Steenbergen.

ORA Dordrecht inv. 1682, f. 540: op 26 juni 1809 verkopen mr. Gerrardus Johannes Jantzon en Jacob Cornelis Jantzon van Erffrenten van Capelle, wonende te Dordrecht als executeuren van de boedel van Lambert Bernard Noortberg, die gewoond heeft en is overleden te Dordrecht, voor 3720 gl. aan Pieter Blussé, wonende te Dordrecht, een huis op het Maartensgat, getekend A:89 en 85, staande tussen het huis van Abraham van Hamelenberg en het pakhuis van J. van Lelievelt.

Pieter Blussé, zijn vrouw en twee van hun kinderen. (foto: RA Dordrecht)

“Pieter Blussé was een gedreven patriot en droeg die denkbeelden ook uit. Hij vervulde in de patriottentijd diverse bestuurlijke functies. Pieter nam al op jonge leeftijd de onderneming van zijn vader over, wat vooral een concessie was aan de voogden van zijn toekomstige echtgenote. Pieter volgde in A. Blussé en zoon een behoudende uitgeverspolitiek: geen politieke publicaties en beslist geen radicale patriottische geschriften. Veilig waren woordenboeken, schoolboeken, kinderboeken en vooral religieuze geschriften. Hij vertoonde als uitgever en als politicus een risicomijdend gedrag. Met de zorg voor een goede bestemming van zijn zeven zonen bouwde hij de onderneming in een politiek-economisch woelige tijd uit tot een familie-imperium.

Een klassieke studie was noodzakelijk, evenals kennis van de levende talen, handelskennis, handelscorrespondentie en boekhouden, zo meende Abraham Blussé. Zijn kinderen zouden daarom zowel een Franse als een Latijnse school moeten bezoeken, maar die beslist niet voltooien. Een korte studie was voldoende. Pieter meldde zich, elf jaar oud, in Woudrichem bij de kostschool van Egidius Timmerman. Die bood onderwijs in gereformeerde godsdienstleer, Nederlands en Frans, lezen, schrijven, cijferen en boekhouden. De jaarlijkse kosten waren 150 gulden en 25 gulden voor het boekhouden, en eenmalig een zilveren bestek, twee borden en zes servetten! Na op deze kostschool twee jaar te hebben doorgebracht, werd Pieter in 1761 als leerling van de Dordtse Latijnse school ingeschreven in de tweede klas. Na twee jaar, in september 1763, noteerde rector Van Dam in het leerlingenboek achter Pieters naam: ‘valedixit musis’ (‘heeft de muzen vaarwel gezegd’). Naast de studie in de klassieke letteren volgde Pieter elders godsdienstleer, tekenen, Engelse en Duitse les. De tijd die hem dan nog restte, werd hij door vader ingezet voor allerlei bezigheden in de boekhandel.

Pieters verdere opleiding moest het vak van boekverkoper betreffen. Abraham vond voor hem in Amsterdam een stageplek bij de uitgeverij en boekhandel van de ziekelijke Jacobus Loveringh. Pieter kon later aan het bedrijf leiding gaan geven, waardoor Abraham een dependance in Amsterdam zou hebben. Toen Loveringh half verlamd was geraakt, werd Pieter, amper 17 jaar oud ‘tot hoofd des handels en des huizes verheven’. Naast zijn activiteiten bij Loveringh volgde hij ‘geografische en physische collegien’, nam Engelse les en kreeg Latijnse les van de Franse jezuïet Hubert.

In Dordrecht was de jongste zoon Adolph voorbestemd vader in de onderneming op te volgen. Adolph (geboren 1753) overleed echter 20 mei 1767 aan tuberculose. Pieter voelde zich toch meer thuis in Dordrecht en na het overlijden van zijn broer mocht hij bij Abraham komen werken. In 1769 nam Pieter afscheid van Amsterdam; de zaken van Loveringh werden overgenomen door assistent Johannes Allart (1754-1816), banketbakkersgezel en predikantenzoon, die er een bloeiende uitgeverij van zou maken.

Toen Pieter in Dordrecht terug was, werd hij in augustus 1769 als vaandrig ingelijfd bij een van de elf burgervendels: het IX vendel met als standplaats de Vismarkt. Na een jaar wist hij zich aan deze dienstplicht te onttrekken. Pieter ontmoette in Rotterdam in 1770 de 17-jarige Sophia Arnolda Christina Vermeer. Zij was wees en afkomstig uit een geslacht van schepenen en belastingontvangers. De genegenheid die er tussen Pieter en Sophia ontstond, werd niet gedeeld door de voogden van het meisje. Die voerden bezwaren aan, zoals het feit dat Pieter geen eigen onderneming bezat; volgens hen zou het meisje beneden haar stand trouwen. Daarop reageerde Abraham door zijn onderneming te splitsen: Pieter kreeg de boekhandel, de uitgeverij en de binderij. Zelf behield hij de zaken rond de loterij en het postkantoor, twee in 1764 door hem geërfde ambten. De voogden onderzochten toen de sociale status van een boekhandelaar en diens financiële achtergrond. Een jaar later, in februari 1771, kwamen de huwelijkse voorwaarden aan bod. Uiteindelijk besliste Sophia en stemde in met een huwelijk met Pieter.

Pieter was ook in kerkelijke kringen actief. In 1772 werd hij gevraagd als diaken, in 1787 volgde de aanstelling tot ouderling en wijkmeester. Deze contacten betekenden ook een basis voor de leverantie van religieuze publicaties en schoolboeken voor de hervormde diaconieschool met haar vele honderden leerlingen.

Pieter en zijn vader maakten geen geheim van hun patriottische gevoelens. Die van Pieter blijken in 1781 als hij met een aantal belangrijke Dordtenaren deVaderlandsche maatschappij ter aanmoediging en belooning der Nederlandsche heldendeugd’ opricht. Deze instelling verleende gesneuvelde of verminkte soldaten een medaille en een jaarlijkse uitkering aan vrouw en kinderen. De Republiek bevond zich in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Stadhouder Willem V werd verweten de Republiek te gronde te hebben gericht en er zou een uitgebreid democratiseringsproces moeten volgen. Ook moesten er goed bewapende burgermilities worden gevormd. Dordrecht reageerde door in juli 1783 het exercitiegezelschap ‘De vrijheid’ op te richten. Pieter Blussé behoorde tot de initiatiefnemers en trad tevens op als gecommitteerde tegenover andere exercitiegenootschappen. De eis tot democratisering leidde er in 1786 toe dat de gilden en de schutters een vrije verkiezing van het College van Veertigen eisten. De Veertigen nomineerden schepenen en oudraden, maar keken in de praktijk daarvoor voornamelijk in eigen kring. In de vrije verkiezing werden Pieter en Abraham beiden gekozen. Na de Oranjerestauratie in 1787 als gevolg van de Pruisische interventie werd Pieter uit al zijn bestuurlijke functies gezet. Hij bleef op de achtergrond tot 1795 toen hij in de voorlopige stadsregering werd benoemd en zette ook het bureau inkwartiering op. Aan het eind januari democratisch gekozen stadsbestuur nam hij maar even deel; in april nam hij vanwege diverse conflicten definitief afscheid.

Pieters oudste zoon Abraham die na zijn studie aan de Leidse universiteit Waals-Hervormd proponent was (de familie Blussé kwam uit Waals-Vlaanderen), keerde in 1795 in Dordrecht terug. Op zijn verzoek kocht Pieter in 1797 de Dordrechtsche Courant van uitgever Jan de Leeuw. Abraham jr. werd uitgever en redacteur, maar kon een jaar later hoofdredacteur van de prestigieuze Gazette de Leyde worden tegen een salaris van 2000 gulden plus winstdeling. Zoon Adolph nam daarop het hoofdredacteurschap in Dordrecht op zich met de leiding over de krant en drukkerij. Hij werd hiervan in 1804 eigenaar toen hij meerderjarig werd (in die tijd bij 25 jaar).

Een bekende serie die de uitgeverij uitbracht, was de 24-delige ‘Volledige beschrijving van alle konsten, ambachten, handwerken, fabrieken trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen enz’. Pieter bood die bij intekening aan in de periode 1789-1820: ‘ten deel overgenomen uit de beroemdste buitenlandsche werken en vermeerderd met de theorie en praktijk der beste inlandsche konstenaaren en handwerkslieden’. Het betrof boeken over de suikerraffinage, het bierbrouwen, de zijdeteelt, de plateelbakkerij, het leerlooien et cetera. Sommige auteurs/vertalers waren bij vele delen betrokken, zoals P.J. Kasteleijn (1746-1794) en Gerrit Paape (1752-1803). Bij ongeveer de helft van de delen valt daardoor wellicht op de praktische kennis van de auteurs wel iets af te dingen.

Een standaardwerk was van de hand van Dordtenaar Hendrik de Haas (1732-1809), collega boekhandelaar/uitgever, maar vooral binder. Hij schreef het 22ste deel over het boekbinden dat in 1806 verscheen. De Haas was een uitgesproken patriot zoals het merendeel van de door Pieter gekozen auteurs. De Haas was als uitgever verantwoordelijk voor het revolutionaire ‘De rechten van den mensch en van den burger’ dat zo klein was dat het in de handpalm paste. Hij was ook de uitgever van de patriottische geschriften van Albert Jan Verbeek (1758-1829) en van ‘Mengelwerk van het Dordts gedenkboek’ in de jaren 1785-1787, een tijdschrift waarin volop ruimte was voor patriottische denkbeelden. Sommige auteurs gebruikten ter bescherming aanvankelijk een pseudoniem.

In 1805 kwam ¼ deel van de heerlijkheid Oud-Alblas te koop. Pieter Blussé kocht dit voor 5125 gulden en 16 stuivers, ongeveer de helft van de waarde in 1781 toen de heerlijkheid 44.000 gulden opbracht. De lage prijs werd veroorzaakt doordat in 1798 de heerlijke rechten waren afgeschaft. Toen koning Lodewijk Napoleon in 1809 de afschaffing van de adel ongedaan maakte, steeg de heerlijkheid in waarde. Misschien zag Pieter kans op een adellijke titel, want hij kocht in 1810 het resterende gedeelte voor 7025 gulden, ook ver onder de prijs. Een maand later werd dit herstel door Napoleon teruggedraaid. Onder koning Willem I werd de verheffing in de adelstand weer ingevoerd ten einde een draagvlak voor het door hemzelf uitgeroepen soevereine koningschap te creëren. Pieter Blussé schreef vele brieven aan de Hoge Raad van Adel waarbij hij trachtte het belang van zijn heerlijkheid aan te tonen en memoreerde dat hij al tien jaar ambachtsheer was. Het geslacht Blussé zou echter geen deel uitmaken van de 280 Nederlandse families die in de adelstand werden verheven.

Pieter jr. was uitverkoren voor de boekhandel. Hij nam die in 1807 van de firma A. Blussé en zoon over. Dat jaar trouwde hij tot genoegen van Pieter sr. bovendien met Clara Maria van Braam, het enige overgebleven kind van de grootste Dordtse concurrent. Vader Van Braam was er minder gelukkig mee: ‘Ach! Wat vermag ik meer dan bidden, peinzen, zwijgen!’ Na het overlijden van Van Braam in 1818 werden de twee ondernemingen samengevoegd tot het succesvolle uitgevers- en boekhandelsbedrijf Blussé en Van Braam.

Na al zijn zoons onderdak te hebben gebracht: Adolph (drukker), Pieter (boekhandelaar), Abraham (predikant en uitgever), Jan Jacob (notaris), François Frederik (collecteur van de Koninklijke Nederlandsche loterij), Hendrik (firmant in een wijnhandel) en Adriaan Gijsbert (graanhandelaar), overleed Pieter Blussé 15 juni 1823 terwijl hij op bezoek was in Leiden. Zijn lichaam werd 19 juni bijgezet in het familiegraf in de Dordtse Augustijnenkerk.” (Regionaal Archief Dordrecht)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Abraham Blussé, geboren naar schatting ca. 1771

b. Hendrik Johannes, 9 aug. 1774

c. Hendrik Blussé, 31 mrt. 1776

d. Adolf Blussé, 21 mrt. 1779

e. Kornelia Elizabeth, 2 mei 1781

f. Elizabeth Sophia, 30 jan. 1784

g. Pieter Blussé, 5 mei 1786

h. Jan Jacob Blussé, 18 sept. 1788

i. Adriaan Gijsbert Blussé, 10 april 1791

j. Sophia Frederica, 11 dec. 1793

k. Francois Frederik Blussé, 24 dec. 1797