Van der Hulk

I. Jan Gillisz. van der Hulck, houtkoper,overleden 16 okt. 1612, trouwde NN

Zerk van Jan Gillisz. van der Hulck

II. Gillis Jansz. van der Hulck, houtkoper, overleden 17 aug. 1648,trouwde 1e NN, 2e NG Dordrecht 28 juli/11 aug. 1624 Geertruijd Leendert Sijbertsdr. van de Hatert, geboren naar schatting ca. 1595, van Dordrecht (1616), overleden 9 sept. 1669, dochter van Leenaert van den Hatert Sijbrechtsz. en Toenten (Anthonetta) Adriaen Cornelisdr., trouwde 1e NG Dordrecht 22 mei/19 juni 1616 Wouter Martensz. de Boefkens, weduwnaar van Dordrecht (1616), zeilmaker

NG trouwboek Dordrecht 28 juli 1624: Gillis Jansz. [van der Hulck] weduwnaar houtkoper en Geertruijd Lenaerd Sibertsdr. weduwe van Wouter Martensz. de Boefkens beiden wonende op het Nieuwe Werck bij de Blauwpoort beiden van Dordrecht, getrouwd op 11 aug. 1624

Zerk van Gillis van der Hulck, Geertruijt van den Hatert, Johan van der Hulck en Leonard van der Hulck

ONA Dordrecht inv. 67, f. 183: op 21 sept. 1637 testeren Gillis van der Hulck houtkoper en Geertruijt van de Hatert Lenaertsdr., echtelieden en burgers van Dordrecht, hij ziek in bed liggende, zij gezond. Als hij vóór zijn vrouw komt te overlijden, benoemt hij haar tot erfgename van de door hem na te laten goederen. Als zij gaat hertrouwen, moet zij de helft van hun gemeenschappelijke boedel aan hun kinderen afstaan. Zij verklaart, dat zij haar voordochter Clara Woutersdr., bij haar verwekt door Wouter Maetensz. de Boefkens, volledig voldaan te hebben van haar vaderlijke goederen, haar uitgezet te hebben aan feesten, kleding etc. en haar daarenboven een somma van 5000 gl. te legateren. In al haar overige goederen benoemt zij tot erfgenaam naar man. Na haar overlijden zullen haar kinderen samen een bedrag van 35.000 gl. krijgen. Tot voogden benoemen zij naast de langstlevende van hen beiden haar broer Sijbert van de Hatert en Matheus Cornelisz. van der Hoop. Arent van Sonnemaen wordt later als voogd dor de testateuren uit hun testametn verwijderd.

ONA Dordrecht inv. 62, f. 750: op 30 mrt. 1649 testeert Anthonetta Adriaensdr., weduwe van Leonaert Sijbertsz. van de Hatert, magistraat en thesaurier van Dordrecht. Zij prelegateert aan haar dochter Geertruijt Lenertsz. van de Hatert, weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck, al haar kleren, juwelen en zilverwerk. Zij legateert aan haar dochter of bij vooroverlijden haar nakomelingen alleen haar legitieme portie. Tot erfgenaam van al haar overige goederen benoemt zij haar zoon Sijbert Lenaertsz. van de Hatert, koopman en burger van Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 62, f. 1008: op 3 nov. 1649 verleent Geertruijt van de Hatert, weduwe van Gillis van der Hulck, procuratie aan haar broer Sijbert van de Hatert, koopman en burger van Dordrecht, om voor schepenen van Dordrecht te passeren een schuldbrief van 9000 gl. ten behoeve de onmondige kinderen van wijlen Herman Adriaensz. Coninck, door hem verwekt bij Josijna van der Veen, op voorwaarde, dat die schuldbrief niet zal worden gelost voor de kinderen mondig zijn geworden of gaan trouwen, endat de interest a 5 % aan Josina van der Veen zal worden betaald. De comparante verbindt hiervoor een huis, staande bij de Pelserbrug en genaamd “het Rijpland”, door haar en haar schoonzoon Cornelis Block onlangs gekocht van Francois van Balen en diens vrouw Josijna van der Veen.

ONA Dordrecht inv. 117, f. 275: op 15 okt. 1651 verkoopt Geertruijt van de Hater, weduwe van Gillis van der Hulck, geassisteerd met haar zoon Leendert van der Hulck, voor 13.500 gl. aan Cornelis Block, brouwer te Dordrecht, de helft van brouwerij “het Rijplant” met alle toebehoren, staande tegenover de Pelserbrug. Onder de koopprijs is begrepen een bedrag van 4500 gl., zijnde de helft van een somma van 9000 gl., welke de kinderen en erfgenamen van Herman Adriaensz. Coninck op de brouwerij sprekende hebben.

ONA Dordrecht inv. 64, f. 96: op 30 mrt. 1652 testeert Geertruijt van de Hatert, weduwe van Gillis van der Hulck. Zij legateert aan de drie kinderen van haar voordochter Clara de Boefkens samen een somma van 6000 gl. Als erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij de acht kinderen, bij haar verwekt door Gillis van der Hulck. Haar minderjarige kinderen zullen vergoed worden met hetgeen haar overige kinderen bij hun huwelijk van haar gekregen hebben en daarenboven nog gedurende hun minderjarigheid of tot het moment, waarop zij gaan trouwen, elk een somma van 150 gl. per jaar. Als haar onmondige kinderen gaan trouwen, mits met toestemming van hun voogden, legateert zij aan hen hun leven lang het vruchtgebruik van de goederen, die zij van haar zullen erven. Zij wenst, dat haar huis bij de Blauwpoort niet zonder toestemming van hun voogden door haar erfgenamen verkocht zal worden, maar door één van haar kinderen, aan te wijzen bij blinde loting, bewoond zal worden, waarvoor hij of zij jaarlijks aan huur een bedrag van 200 gl. moet betalen. Tot executeurs van haar testament en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zoons Joannes en Leendert van der Hulck en haar broer Sijbert Lenaertsz. van de Hatert. Haar schoonzoon Cornelis Block mag niet bemoeien met de scheiding van haar nalatenschap of met het beheer van de door zijn kinderen van haar te erven goederen.

ONA Dordrecht inv. 100, f. 281: op 18 jan. 1653 testeert Geertruijt van de Hatert, weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck, Zij prelegateert aan haar drie jongste kinderen Cornelis, Adriana en Geertruijt van der Hulck elk een jaarlijks bedrag van 150 gl., uit te keren tot zij 25 jaar zijn geworden. Zij legateert aan de drie kinderen van haar overleden voordochter Clara de Boefkens, bij haar verwekt door Cornelis Block, brouwer, een bedrag van 6000 gl., met het beheer waarvan Block zich niet mag bemoeien. Zij benoemt tot haar erfgenamen haar acht nakinderen t.w. Johan, Leonardt, Adriaen, Catharina, Margareta, Cornelis, Adriana en Geertruijt van der Hulck, op voorwaarde, dat de goederen die Catharina zal erven zullen blijven subject fideï-commis en dat Catharina daarvan, zo lang haar man Johannes de Moor in leven is, alleen het vruchtgebruik zal hebben. Als Catharina evenwel komt te overlijden vóór haar man, zullen die goederen toekomen aan haar kinderen. Maar als Johannes de Moor zal overlijden vóór zijn vrouw, dan zal zij het gehele erfdeel mogen behouden. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt de testatrice haar broer Leonardt van der Hulck en haar zoons Johan en Leonardt van der Hulck.

ONA Dordrecht inv. 115, f. 65 e.v.: op 2 maart 1654 compareren voor notaris J. Reijns Geertruij van den Hatert, weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck en Maerten Gillisz. van der Pijpen, beiden wonende te Dordrecht. Zij verkopen aan Neeltgen Jansdr., weduwe van Jacob Pietersz., wonende buiten de stad Dordrecht in het Wilgenbos, een windwipvolmolen [genaamd “het Varken”], staande buiten de stad aan de Noordendijk, met een huis en toebehoren, zowel gereedschap, hout- en ijzerwerk, als alle “volaerdeturff” en het schuitje, dat bij de molen hoort, voor 4000 gl., waarvan 1000 gl. contant en de rest af te lossen met jaarlijkse termijnen van 1000 gl. Borgen: Vechter Jacobsz., Cornelis Jacobsz. en Jan Jacobsz.

ONA Dordrecht inv. 115, f. 93: op 30 sept. 1654 verkoopt Geertruijt van de Hatert, weduwe van Gillis van der Hulck, voor 950 gl. aan Dammis Adrianesz. huisman, wonende in Bergschenhoek bij Rotterdam, een huis, loods en scheepshelling, staande en gelegen in het oosteinde van het ambacht Hillegersberg.

ONA Dordrecht inv. 60, f. 360: op 24 juli 1656 testeert Geertruijt van den Hatert Lenaertsdr., laatst weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck, houtkoper te Dordrecht. Zij prelegateert aan haar zoons Leendert en Adriaen van der Hulck elk een somma van 3000 gl., en aan haar dochters Adriana en Geertruijt van de Hulck al haar kleren en huiken “als tot haar lijf en dat van haar overleden moeder behoord hebben”. Zij verklaart, dat zij haar dochters Catharijna van der Hulck, de vrouw van Johannes de Moor, en Marguarieta van der Hulck, de vrouw van Francois van de Graeff, ten tijde van het aangaan van hun huwelijk “eerlijck” heeft uitgezet in feesten, kleding etc. ten bedrage van 3000 gl. en hun nog ten huwelijk gegeven heeft elk een somma van 5000 gl., zodat zij zich gehouden acht haar ongetrouwde kinderen hetzelfde bedrag van 8000 gl. uit te reiken. Tot erfgenamen van haar overige goederen benoemt zij haar nakinderen, bij haar verwekt door Gillis Jansz. van der Hulck, en de drie kinderen van haar overleden voordochter Clara de Boufkens, op voorwaarde, dat haar dochters Catharina en Marguarieta van der Hulck, van de door hun kinderen te erven goederen hun leven lang het vruchtgebruik zullen hebben. Haar ongetrouwde onmondige kinderen zullen uit haar boedel elk een jaarlijks bedrag van 150 gl. ontvangen tot het moment, waarop zijn mondig worden of gaan trouwen. Zij wenst, dat één van haar ongetrouwde meerderjarige kinderen na haar overlijden in haar huis bij de Blauwpoort zal blijven wonen, zolang het huis onverkocht is, waarbij degene, die het huis zal gaan bewonen bij blinde loting zal worden aangewezen, op voorwaarde, dat diegene jaarlijkse in de gemeenschappelijke boedel een bedrag van 100 gl. aan huur zal inbrengen. Tot executeurs-testamentair en voogden stelt zij aan haar zoons Joannes en Lenaert van de Hulck, haar broer Sijbert Lenaertsz. van den Hatert, Anthonij van Valckenburgh en Jan Ghemansz. van Capelle. Zij wenst, dat Catharina en Marguarieta, hun echtgenoten en Cornelis Block, weduwnaar van haar voordochter Clara de Boefkens, zich niet met de afhandeling van haar nalatenschap zullen bemoeien.

ONA Dordrecht inv. 65, f. 159: testament van Geertruijt van de Hatert Lenaertsdr., weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck dd 6 juni 1657. Het komt in grote lijnen overeen met het voorgaande testament, behalve dat zij aan haar zoon Lenaert van der Hulck een bedrag van 6000 gl. [?, slecht leesbaar] prelegateert en tot executeurs-testamentair en voogden alleen benoemt haar zoons Joannes en Lenaert van der Hulck en haar broer Sijbert Lenaertsz. van de Hatert.

29 mrt. 1659: overeenkomst tussen Maria van Bercheijck, weduwe van Aert Michielsz. de Hulter, als eigenares van het huis “den Haes”, staande in de Kannenkopersbuurt, en Johannes van der Hulck, als gemachtigde van zijn moeder Geertruijt [Leendertsdr.] van den Hatert, weduwe van [Gillis Jansz.] van der Hulck, als eigenares van het huis, dat staat naast het huis “den Haes”. De overeenkomst betreft de zijmuur tussen beide huizen. (Dordrecht Monumenteel nr. 58, jan. 2016, p. 33 [internet])

ONA Dordrecht inv. 115, f. 303: op 26 april 1659 verleent Geertruijt van de Hatert, weduwe van Gillis van der Hulck, procuratie aan Johan van der Hulck, koopman te Dordrecht, om voor schepenen van Dordrecht aan Wijnandt Rutgers te transporteren zeker huis in de Kannenkopersbuurt [Voorstraat]m, staande tussen het huis van Jan Denijs en het his, genaamd “het Haesie”.

ONA Dordrecht inv. 66, f. 16: op 2 febr. 1660 testeert Geertruijt van de Hatert Lenertsdr,, weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck. Zij verklaart, dat zij haar drie dochters Catharina, Marguarieta en Adriana bij het aangaan van hun huwelijk “eerlijck” heeft uitgezet met elk in totaal een bedrag van 8000 gl. en dat zij haar zoon Leonardt, hoewel hij ongehuwd is, tot bevordering van zijn “coopmanschap” een gelijke som heeft gegeven ter voldoening van zijn vaderlijke goederen. Zij heeft haar kinderen een somma van 1200 gl. uitgekeerd als hun aandeel in de erfenis van haar nazoon Adriaen, die ongehuwd is overleden. Zij wenst, dat na haar overlijden aan haar ongetrouwde kinderen een gelijke somma van 8000 plus 1200 gl. uitgekeerd wordt. Zij legateert aan de drie kinderen van haar voordochter Clara de Boefkens samen een somma van 12.000 gl. en dat boven op de somma van 600 gl., die zij geërfd hebben van hun halfbroer Adriaen van der Hulck. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij haar kinderen Joannes, Leonardt, Cornelis, Catharijna, Marguarieta, Adriana en Geertruijdt van der Hulck, op voorwaarde, dat Catharijna en Marguarieta alleen hun legitieme portie zullen krijgen, zijnde de helft vandien aan hun beiden en de wederhelft aan hun nakomelingen, waarvan zij het vruchtgebruik zullen krijgen. Als enige van haar kinderen bij haar overlijden nog ongehuwd of onmondig zijn, krijgen zij elk een jaarlijkse uitkering van 150 gl. tot zij 25 jaar zijn geworden of tot het moment, wanneer zij gaan trouwen. Zij wenst, dat haar huis, staande bij de Blauwpoort, na haar overlijden zal verkocht worden en door haar twee oudste zoons met uitsluiting van alle andere kinderen, en dat intussen het huis bewoond zal worden door haar twee oudste zoons en, met hun goedvinden, haar overige ongehuwde kinderen, mits zij in haar boedel als huur zullen inbrengen ieder jaar een bedrag van 150 gl. Tot exeuteurs-testamentair en voogden benoemt zij haar zoons Joannes en Leonardt van der Hulck. Zij wil niet, dat haar dochters Catharina en Marguarieta, noch hun beider echtgenoten, of haar schoonzoon Cornelis Block zich met de afhandeling van haar nalatenschap zullen bemoeien.

ONA Dordrecht inv. 66, f. 39: op 14 april 1660 bevestigt Geertruijt van de Hatert Lenertsdr., weduwe van Gillis van der Hulck, haar testament van 2 febr. 1660, voor zover niet strijdig met het hiernavolgende. Zij legateert aan haar jongste zoon Cornelis van der Hulck slechts zijn legitieme portie, zijnde de helft van hetgeen hij na haar dood van haar zal komen te erven en waarvan de wederhelft zal toekomen aan zijn nakomelingen., op voorwaarde, dat zijn broer Joannes ervan zijn leven lang het vruchtgebruik zal krijgen. Zijn broers Joannes en Leonardt zullen het beheer van de goederen van Cornelis hebben, of, indien haar zoons dat raadzaam zullen vinden, zullen zijn goederen beheerd worden door de Weeskamer.

ONA Dordrecht inv. 115, f. 347: op 1 mei 1660 verleent Geertruijt van de Hatert, weduwe van Gillis van der Hulck, procuratie aan Johan van der Hulck, achtraad te Dordrecht, om voor schout en schepenen van Zevenhuizen te transporteren aan Claes Cornelisz. Sijdenbos, scheepmaker te Bleiswijk, een huis en scheepmakershelling, staande bij de zijde [sic] van Zevenhuizen.

ONA Dordrecht inv. 66, f. 330: op 23 jan. 1664 bevestigt Geertruijt van de Hatert Lenertsdr., weduwe van Gillis van der Hulck en herroept het codicil , dat zij heeft gepasseerd ten overstaan van notaris A. Muijs van Holij op 6 juli 1663. Zij wenst, dat de kinderen van haar voordochter Clara de Boefkens beschouwd zullen worden als haar mede-erfgenamen “met de halve handt, dat is te weten als haer … naekinderen … voor eerst afgetrocken zullen hebben d’eene helft van den geheelen boedel wegens haer vaderlijcke goederen, dat alsdan de voorn. kinderen van … Clara de Boufkens za. met haere oomen ende moijen ofte bij vooraflijvicheijt der selver kinderen … gelijckelijck comen ende erven sullen inde wederhelfte, als moederlijcke goederen en dat sonder prejuditie van het besterff van haeren gewesen oem van halve bedde sr. Adriaen van der Hulck zijnde een somma van ses hondert car. gul.”. Zij verklaart, dat zij wenst, dat de somma van 14.739 gl. 4 st. 4 penn., die zij heeft opgenomen tot 6 juli 1663 en verstrekt heeft aan Marguarieta van der Hulck en diens man Francois van de Graeff, met nog een somma van 2000 gl., die zij beiden hebben ontvangen van Jacob van de Graeff “ter loone”, waarvoor zij, comparante, haar obligatie ten behoeve van Jacob van de Graeff heeft gemaakt, en ook de genoemde somma naderhand heeft betaald, dat beide bedragen aan de legitieme portie van haar dochters en haar man zal worden gekort. Zij verklaart voorts, dat haar zoon Cornelis van der Hulck alleen van haar zal erven zijn legitieme portie en dat zijn overige goederen subject fideï-commis zullen zijn, zoals ook het geval zal zijn met de goederen van Catharijna en Marguarieta van der Hulck. Haar huis en landerijen moeten bij de eerste gelegenheid na haar overlijden verkocht worden. Zij benoemt tot mede-executeur en voogd naast haar oudste zoon haar schoonzoon Gerrart Francken.

ORA Dordrecht inv. 1747, f. 76v: op 16 okt. 1664 verkoopt Johan van der Hulck, thesaurier van Dordrecht, als procuratie hebbende van Geertruij van den Hatert, weduwe van Gillis Jansz. van der Hulck, voor 1800 gl. aan Jan Matthijsz. Bacx, koopman en burger van Dordrecht, een woonhuis, pakhuis, tuin en verder opstal, staande en gelegen buiten de Sluispoort op stadsgrond,met eenuitgang tussen het erf van de vrouwe van Rijsoort en het huis van Jacob Lambertsz. van Radt.

ONA Dordrecht inv. 115, f. 347: op 1 mei 1666 verleent Geertrijt van de Hatert, weduwe van Gillis van der Hulck, procuratie aan Johan van der Hulck, achtraad van Dordrecht, om te transporteren voor schout en schepenen van Zevenhuizen aan Claes Cornelisz. Sijdenbos, scheepmaker te Bleijswijk een huis en scheepshelling, staande bij de zijde [sic] van Zevenhuijzen.

ORA Dordrecht inv. 1622, f. 96v: op 30 april 1669 “Johan vander Hulck, Out Thesaurier deser Stede, soo voor hem selven ende als last en procuratie hebbende van Leonart vander Hulck ende Geerit francken Coopluijden binnen deser Stede sijnnen broeder ende dwager respective te samen Executeurs van(de) Testamente van Jouffr. Geertruijt van(de) Hatert wed. was van Gillis Janssen vander Hulck, haer luijder moeder ende behout moeder resp.e was”, verkopen voor 3400 gl. aan Catharina van Bijlert, weduwe van ds. Alexander Gortsenius, predikant te Loosduinen, een huis op de Hoge Nieuwstraat, van achteren uitkomende op de Nieuwe Haven en staande tussen het huis van Hendrick van Sittert en dat van Lens Paradijs.

Kinderen (o.a.: allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Johannes van der Hulck, geboren naar schatting ca. 1625, houtkoper, thesaurier,burgemeester en schutmeester van Dordrecht, ongehuwd overleden, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 1 aug. 1676 (een zwarte baar voor Johan van der Hulck, regerende burgermeester van Dordrecht, 16 maal luiden, een blazoen en de kast, de kerkmeesters zijn vrij, dus memorie)

ONA Dordrecht inv. 133, f. 416: op 14 sept. 1654 verklaart Cornelis Jansz. Muijs, burger van Dordrecht, op verzoek van Pieter van der Werff, kruidenier en burger van Dordrecht, dat hij op 3 sept. als schutter aanwezig is geweest in de Kloveniersdoelen, zijnde de dag van de gemeenschappelijke maaltijd van de schutterij en dat toen hij, de rekwirant en verscheidene andere schutters van de tafel op gestaan zijn en beneden in de keuken van de Doelen zijn gegaan, daar “drinckende metten anderen een pijp toeback met een glaesken soet bier”. Terzelfdertijd is daar gekomen Joannes van der Hulck , ook schutter van de Kloveniers, die, toen hij de rekwirant daar zag zitten, zei “Wel cap. … bent gij daer. Ick hebbe noch een obligatie ofte actie op u, die ikc nu wel mocht afdoen”, waarop de rekwirant vroeg om wat voor actie het ging en zei, dat hij er niets van af wist. Van der Hulck zei daarop, dat het niet te pas kwam om daar er over te praten, maar dat de rekwirant beter naar buiten kon komen of naar een kamer apart, en dat hij het daar wel zou zeggen. De rekwirant reageerde daarop met te zeggen, dat hij “voor alsdoen geen lust hadde daer te comen.” Van der Hulck zei toen “ghij moocht mijn gadt kussen” of andere ongerijmde woorden meer.

ONA Dordrecht inv. 47, f. 100: op 21 sept. 1654 verklaart Lambert Lambinon, ongeveer 56 jaar oud, op verzoek van Johannes van der Hulck houtkoper, dat hij 12 of 13 dagen tevoren tijdens de begrafenis van Steven Fransz. Roos, “bij de persoon van Jacob Rens ondersocht heeft in wat manijere dattet kraeckeel ende gevecht ontstaen was tusschen [Van der Hulck] … ende Pieter Ariense vander Werff, daerop … Jacob Rens seijde dat sij beijde ende oock hij getuijge tsamen inde camer of keuken om laeg inde doelen taback hadden sitten drincken ende dat sij beijde vuijt gingen nae boven in de ganck, aldaer hij getuijge volgde ende daer sach ende bevondt dat sij aen malcanderen handt gemeen waren sonder daer ijet meer van te weten”.

ONA Dordrecht inv. 65, f. 434: op 27 juni 1658 testeert Joannes van der Hulck, ongetrouwde persoon, koopman en burger van Dordrecht. Hij legateert aan de kinderen van zijn overleden halfzuster Clara de Boufkens, bij haar verwekt door Cornelis Block, samen een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige goederen benoemt hij zijn broers Leonart en Cornelis van der Hulck, en zijn zusters Catharina, Marguarieta, Adriana en Geertruijdt van der Hulck, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, op voorwaarde, dat Cornelis, Catharina en Marguarieta van de door hen te erven goederen alleen het vruchtgebruik zullen hebben. Hij benoemt tot voogden zijn broer Leonaert van der Hulck en zijn oom Sijbert Lenertsz. van de Hatert.

ONA Dordrecht inv. 215, f. 76: op 2 mrt. 1675 verhuren mr. Jacob van Mewen Johansz., Johan van der Hulck, beiden schutmeesters, Gerard Francken, Paulus van Helmont, Mattijs van Cappel en Anthonij Repelaer, dekens van de Kloveniersdoelen, “bij continuatie” voor 13 jaar voor 250 gl. per jaar aan Dionijs van der Dack, de Kloveniersdoelen, zoals die worden gebruikt en bewoond door Johannes Rens, concierge van de Kloveniersdoelen.

b. Adriaen van der Hulck, okt. 1628, ongehuwd overleden

c. Catharina van der Hulck, sept. 1629, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Blauwpoort (1652), overleden 3 dec. 1688, trouwde NG Dordrecht 29 sept./15 okt. 1652 Johannes de Moor, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1652), koopman, burgemeester van Hoorn

ONA Dordrecht inv. 112, f. 294: op 20 juni 1667 verklaren Willem Langleij, lid van de Oudraad te Dordrecht, Johan de Jonge, doctor in de medicijnen, en Henrijck Buijtendijck, chirurgijn te Dordrecht, op verzoek van Catharina van der Hulck, de vrouw van Johannes de Moor, koopman te Hoorn, dat zij enige dagen tevoren en ook diezelfde dag gevisiteerd hebben Johannes de Moor, ziek in bed liggende, en dat zij hem diezelfde dag “hebben bevonden in soodanigen staat dat hij sonder mercklijcke prejudicie van sijn gesontheijt sich nijet sou connen bemoeijen mette bestieringe van sijn dagelijkcxe of andere affaires”.

ONA Dordrecht inv. 259, f. 7: op 10 febr. 1682 verlenen Catharijna van der Hulck, weduwe van burgemeester Johan de Moor, en Geertruijt Block, weduwe van Francois van den Brandeler, beiden wonende te Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende burgemeester Willem Dortmont en Beatrix Block, erfgenamen van Leonard van der Hulck, eigenaars van 33 morgen 77 en een derde roeden land, met het huis erop staande, gelegen in de Eendrachtspolder op grond van de Hitzert, procuratie aan [NN] om zich te vervoegen in Delft bij de vergadering van de ingelanden van de Eendrachtspolder en met hen te delibereren over het herdijken en weer droogmaken van genoemde polder, die door een hoogwatervloed en zware storm is ondergelopen.

ONA Dordrecht inv. 259, f. 17: op 5 mrt. 1682 testeert Catharijna van der Hulck, weduwe van Johan de Moor, burgemeester van Hoorn, wonende te Dordrecht. Zij herroept o.a. het testament en codicil, dat zij en haar man hebben gepasseerd voor notaris A. van Neten te Dordrecht op resp. 19 en 25 mrt. 1680, mede verzoekende, dat niet voldaan zal worden het legaat van 800 gl., dat zij hebben gemaakt aan het weeshuis te Hoorn. De testatrice legateert aan har zuster Margrieta van der Hulck, weduwe van Franchois van de Graeff, al haar kleren en het portret van haar en haar man. Zij legateert aan de dienstmaagd, die bij haar overlijden het langst bij haar heeft ingewoond 150 gl. en aan de twee dienstmaagden, die het kortst bij haar hebben ingewoond 50 gl., alsmede aan elk van hen een zondags en doordeweeks rouwkleed. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar zusters van “helen bedde” en de kinderen van haar halfzuster Clara de Boeffies, bij haar verwekt door Cornelis Block, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Tot executeur-testamentair en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zwager Gerardt Francken en haar neef Gillis van de Graeff, koopman te Amsterdam.

ONA Dordrecht inv. 259, f. 93: op 17 sept. 1682 verhuren Catharijna van der Hulck, weduwe van Johan de Moor, burgemeester van Hoorn, Hendrick van Dortmont, burgemeester van Vianen, nomine uxoris, voor zichzelf en tevens vervangende Geertruijt Block en Beatrix Block, de zusters van zijn echtgenote, aan Cornelis van de Polder een hofstede, bestaande uit 33 morgen 98 roeden en 8 voeten land met huis, schuur en verdere toebehoren, gelegen in de Eendrachtspolder, voor 36 gl. jaarlijks per morgen.

ONA Dordrecht inv. 261, f. 255: op 13 dec. 1688 compareren Margrieta van der Hulck, weduwe van Francois van de Graeff, vroedschap, Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, burgemeester, Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, veertigraad van Dordrecht, Hendrick van Dortmont, burgemeester van Vianen, als man van Digna Block, voor zichzelf en tevens vervangende zijn schoonzuster Beatris Block, allen erfgenamen van Catharijna van der Hulck, weduwe van Johan de Moor, burgemeester van Hoorn, enerzijds en Frederick van den Brouck, notaris te Leiden, als man van Catharina de Moor, voor zichzelf en tevens vervangende Adriaen Bel, wonende in Den Haag, als voogden over Servaes Schilders, minderjarige zoon van Bastiana de Moor, bij haar verwekt door Adriaen Schilders, gewoonde hebbende in Leiden, als erfgenaam van burgemeester Johan de Moor, anderzijds. De comparanten verklaren, dat Johan de Moor zijn vrouw en de tweede comparanten heeft “gesubstitueerd” tot zijn erfgenamen van zijn na te laten goederen. Nu Catharijna van der Hulck op 3 dec. 1688 is overleden en van haar na te laten goederen behoorlijke inventaris heeft laten maken, zijn de comparanten overeengekomen, dat de eerstgenoemde comparanten zullen behouden alle door haar nagelaten goederen en dat zij de legaten, die door Johan de Moor zijn gemaakt in zijn testament, zullen voldoen en daarenboven nog aan de tweede comparanten zullen betalen een somma van 4000 gl., t.w. aan Frederick van de Brouck nomine uxoris een bedrag van 2000 gl. en aan Servaes Schilders een somma van 2000 gl., met voor elk nog drie gouden ducatons.

ONA Dordrecht inv. 261, f. 257: op 16 dec. 1688 comp. Margrieta van der Hulck, weduwe van Francois van de Graeff, Adriana van der Hulck, weduwe van burgemeester Gerard Francken, Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, en Hendrick van Dortmont, burgemeester van Vianen, zowel nomine uxoris als vervangende Beatris Block, de zuster van zijn vrouw, allen erfgenamen van Catharina van der Hulck, weduwe van Johan de Moor, burgemeester van Hoorn. Zij verklaren, dat zij heel wel weten, dat Catharina van der Hulck, als mede-erfgename van haar broer Leonard van der Hulck uit diens nagelaten goederen heeft ontvangen een somma van 65.000 gl., waarvan zij, comparanten, te allen tijde beloven opening te doen en bewijzen te geven.

d. Adriana van der Hulck Gillisdr., geboren naar schatting ca. 1630,volgt IIIa

e. Leonard van der Hulck, geboren naar schatting ca. 1635, achtraad van Dordrecht, overleden 27 aug. 1679, ongehuwd overleden, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 27 aug. 1679 (een zwarte baar bij de Blauwpoort voor Leendert van de Hulck, achtraad, twee maal luide, “wapen en bort”.)

ONA Dordrecht inv. 65, f. 436: op 27 juni 1658 testeert Leonart van der Hulck, ongehuwde persoon, koopman en burger van Dordrecht. Hij legateert aan de kinderen van zijn overleden halfzuster Clara de Boefkens samen een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van zijn overige goederen benoemt hij Joannes en Cornelis van der Hulck en Ctahraijna, Marguarieta, Adriana en Geertruijdt van der Hulck, zijn broers en zusters., op voorwaarde, dat Cornelis, Catharijna en Marguarieta van de door hen erven goederen alleen het vruchtgebruik zullen hebben. Tot executeurs-testamentair van voogden benoemt hij Johannes van der Hulck, zijn broer, en Sijbert Lenertsz. van de Hatert, zijn oom.

ONA Dordrecht inv. 211, f. 97: op 14 mrt. 1671 heeft notaris Hans Smits zich vervoegd bij Goosse van de Grient, tuinman wonende buiten de Spuipoort, en hem namens Leonardt van der Hulck, oud-thesaurier en koopman te Dordrecht, aangezegd, dat hij, nadat hij acht a tien dagen na Dordtse Beestenmarkt 1670 van Van der Hulck heeft aangenomen, dat hij na behoren zou snoeien de bomen, die staan op en om de hofstede van Van der Hulck in de Wieldrechtse polder, maar hij tot nog toe in gebreke gebleven is dat werk te verrichten, hij verantwoordelijk is voor de kosten, die de insinuant heeft gehad en nog zal hebben. Van de Grient heeft daarop geantwoord, dat hij het werk op aanstaande maandag zal gaan doen.

ORA Dordrecht inv. 1748, f. 26: op 1 mei 1675 verkoopt Dirck Leendertsz. van de Lindt huistimmerman en burger van Dordrecht, voor 500 gl. aan Gerard Francken en Leonard van der Hulck de helft van een zaagmolen met het daarbij horende woonhuis, staande op de Noordendijk op stadsgrond tussen de timmerwerf van Aert Mutsert en de moutmolen van Joost Gerritsz.

ONA Dordrecht inv. 259, f. 7: op 10 febr. 1682 verlenen Catharijna van der Hulck, weduwe van Johan de Moor, en Geertruijt Block, weduwe Francois van den Brandeler, beiden wonende te Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende burgemeester Willem Dortmont en Beatricx Block, erfgenamen van Leonard van der Hulck, eigenaars van 33 morgen 77 en een derde roeden land met het huis erop staande, gelegen in de Eendrachtspolder op grond van de Hitzert, procuratie aan [NN] om zich te vervoegen in Delft bij de vergadering van de ingelanden van de Eendrachtspolder, “alsnu door den hoogwatervloet ende swaren storm geïnundeert sijnde ende aldaer te helpen delibereren ende resolveren over het herdijcken ende weder droochmaecken van den selven polder”.

f. Margreta van der Hulck, febr. 1631, volgt IIIb

g. Cornelis van der Hulck, okt. 1633

ONA Dordrecht inv. 69, f. 381: op 16 mei 1657 testeert Cornelis van der Hulck, ongetrouwde persoon, koopman en burger van Dordrecht. Hij benoemt tot zijn erfgenamen zijn broers Joannes en Leendert van der Hulck, zijn zusters Adriana en Geertruijt van der Hulck, en de kinderen van zijn getrouwde zusters Marguareta en Catharina van der Hulck. Tot erfgenamen “met de halve hand” benoemt hij de drie kinderen van zijn halfzuster Clara de Boefkens, d.w.z. zijn volle broers en zusters en de kinderen van zijn voornoemde zusters voor de ene helft en dezelfden samen met de kinderen van zijn halfzuster voor de wederhelft. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt hij zijn broers Joannes en Leendert van der Hulck en zijn oom Sijbert van de Hatert.

h.Jilis, juli 1635

i. Geertruij van der Hulck,juni 1642,jonge dochterwonende bij de Blauwpoort (1667), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 14 aug. 1732 (Geertruij van der Hulck, weduwe van Hendrik Franke, met 9 koetsen extra, laat geen kinderen na, de hoogste boete), trouwde NG Dordrecht 25 dec. 1667/8 jan. 1668 Hendrick Francken, weduwnaar wonende in het Steegoversloot (1667), koopman, trouwde 1e Maria Aeldertsdr. de Veer

ONA Dordrecht inv. 69, f. 377: op 16 mei 1657 testeert Geertruijt van der Hulck, ongehuwde persoon, 15 jaar oud en wonende in Dordrecht. Als zij ongetrouwd komt te overlijden prelegateert zij aan haar zuster Adriana van der Hulck, al haar kleren en het zilverwerk “tot haar lijf behorende”, alsmede “alle fraijicheden ende properheden van haer cabinet”. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij haar broers en zuster, m.n. Joannis, Leendert, Cornelis en Adriana van der Hulck, de kinderen van haar getrouwde zusters Marguarieta en Catharina van der Hulck en “met een halve handt” de drie kinderen van haar overleden halfzuster Clara de Boefkens [getrouwd met Cornelis Block], nl. de haar broers en zuster en de kinderen van haar zusters voor ene helft en “dezelve” en de kinderen van haar halfzuster voor de andere helft. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt zij haar broers Johannes en Leendert van der Hulck en haar oom Sijbert Leendertsz. van de Hatert.

ONA Dordrecht inv. 65, f. 423: op 12 juni 1658 testeert Geertruijt van der Hulck, ongehuwde persoon, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan de kinderen van haar overleden halfzuster Clara de Boefkens samen een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij haar broers Joannes, Leendert en Cornelis van der Hulck, en haar zusters Catharijna, Marguarieta en Adriana van der Hulck, op voorwaarde, dat Cornelis, Catharijna en Marguarieta van de door hen te erven goederen alleen het vruchtgebruik zullen hebben. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt zij haar broers Johannes en Leonart van der Hulck en haar oom Sijbert Lenertsz. van de Hatert.

ORA Dordrecht inv. 1631, f. 124v: op 21 okt. 1688 verkoopt Maeijken Stoop, weduwe van Jacob Ouzeel, wijnkoper en burger van Dordrecht, voor 6000 gl. aan Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, voor drie vijfde parten, en aan Jan en Jacob van Slingelant voor twee derde parten een huis in de Wijnstraat tegenover de Nieuwbrug, genaamd “de Vogelsanck”, staande tussen het huis van de erfgenamen van Pieter de Carpentier en dat van Catharina van Beverwijck, weduwe van burgemeester Johan van Meeuwen.

ORA Dordrecht inv. 1749, f. 93v: op 15 jan. 1692 verkopen “Vrouwe Adriana van Hulck weduwe wijlen dhr. Gerard Francken in sijn Leven Borgemr. deser Stadt voor d’eene helfte, ende Vrouwe Geertruijdt van(de) Hulck weduwe wijlen dhr. heer Hendrick Francken int sijn Leven int Collegie der Mannen van Veertigen binnen deser Stede mitsgaders Do. Hendricus Francke, bedienaer des Goddelijcken woorts alhier als Executeurs vanden testamente van(de) voorsz. heere Hendrick Francken en(de) voocht vande minderjarige inde voors. boedel gerechticht voorde andere helfte” voor 630 gl. aan Barent van der Neth, koopman te Dordrecht, een tuin in het Kromhout buiten de St. Jorispoort, liggende tussen de tuin van Hendrick van den Santheuvel en het gemeeenschappelijke pad en de achtertuinen.

ORA Dordrecht inv. 1633, f. 142: op 26 nov. 1692 verkoopt Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, veertigraad van Dordrecht, voor 5000 gl.aan Jan Appels, koopman te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat recht tegenover de Nieuwbrug, genaamd “de Vogelsanck”, staande tussen het huis van de kinderen en erfgenamen van de heer Carpentier en dat van de kinderen en erfgenamen van burgemeester Johan van Meeuwen.

ONA Dordrecht inv. 263, f 56: op 19 nov. 1693 comp. Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, veertigraad van Dordrecht, die eerder getrouwd was met Maria Aldertsdr. de Veer, Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, burgemeester van Dordrecht, ds. Hendrick Francken, predikant te Dordrecht, als executeur-testamentair en voogd over de minderjarige erfgenamen van Hendrick Francken, elk voor zichzelf en tevens vervangende de kinderen van Jan Francken, de kinderen van Jerefaes Francken en die van Belia Francken, bij haar verwekt door Jacob Sam, allen erfgenamen van Hendrick Francken. De comparanten verlenen procuratie aan George Rosenboom, procureur voor de Hoge Raad en het Hof Provinciaal van Holland, om voor hen waar te nemen het proces, dat zij hebben contra Dirck Aeldertsz. de Veer, 40raad van Dordrecht, en Francois Francken c.s., erfgenamen van Jan Aeldertsz. de Veer en Maria Laurensdr. van Elsloo, die mede-erfgenamen waren van Maria Aeldertsdr. de Veer, hun dochter.

ONA Dordrecht inv. 263, f. 143: op 15 mrt. 1695 verlenen Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, broer en mede-erfgenaam van Hendrick Francken, en ds. Henricus Francken, predikant, als executeur-testamentair van Hendrick Francken, allen wonende te Dordrecht, procuratie aan George Rosenboom, procureur voor het Hof van Holland, om ten overstaan van de commissarissen van het Hof van Holland te zweren, dat zij alle boeken, charters en papieren, betreffende de koophandel door Gerard Francken en Hendrick Francken in compagnie gedaan, hebben gebracht onder de secretaris van het Hof van Holland, “sonder naer ondersoeck eenige verdere boecken chartres off papieren de voorsz. compagnie ofte den boedel van den voorn. Hendrick Francken concernerende te hebben, te weten, ofte ter quader trouwen weerloos geworden te sijn, directelijck of indirectelijck ende voorts dat sij … alles nauwkeurich hebben ondersocht … alles in gevolge, ende tot voldoeninge van den verbaele voor … commissarissen [van het Hof van Holland] gehouden” tussen hen, comparanten, enerzijds en Dirck Aeldertsz. de Veer en Francois Francken, anderzijds en het vonnis van het Hof van Holland, dat daarop is gevolgd.

ONA Dordrecht inv. 263, f. 263: op 20 okt. 1696 testeert Geertruijt van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, veertigraad en koopman te Dordrecht, ziekelijk zijnde. Zij legateert aan de NG huisarmen te Dordrecht een obligatie van 2000 gl., op voorwaarde dat die obligatie niet verkocht of verpand. Zij legateert aan Aletta van der Hulck, de vrouw van Jacobus van der Wiel een lijfrente van 100 gl. per jaar, aan Ariaentgen van de Grient, de vrouw van Lowijs van Oldenborgh, haar gewezen dienstmaagd, een lijfrente van 50 gl. per jaar, aan Rebecca Barents, haar huidige dienstmeid, als die bij haar overlijden nog bij haar inwoont, een somma van 500 gl. en een lijfente van 100 gl. per jaar, aan Gillis Francken, de oudste zoon van haar zuster Adriana van der Hulck, een bedrag van 4000 gl., aan Johanna Junius, weduwe van Gillis van der Graeff, al haar kleren, aan de drie kinderen van Gillis van de Graeff onder hen allen een bedrag van 3000 gl., op voorwaarde, dat Johanna Junius, hun moeder daarvan het vruchtgebruik zal hebben tot haar kinderen mondig zijn geworden of gaan trouwen. De testatrice legateert aan de kinderen van Geertruijt van Dortmont en Baldina van Dortmont, nakomelingen “in het derde lith” van haar halfzuster, een bedrag van 20.000 gl., op voorwaarde, dat Geertruijt en Baldina ervan hun leven lang het vruchtgebruik zullen hebben. Zij legateert aan Angnieta van de Graeff, weduwe van Cornelis van Helmont, haar beste grote kast, die is ingelegd met schildpad, vier grote porseleinen lampetschotels, de twee grootste beste porseleinen flessen en de grootste porseleinen doofpot met zilveren kapje, aan Geertruijt Francken, de vrouw van Pieter Brandwijk van Blokland, haar bijbel met gouden sloten en gouden hoeken, waar haar naam opstaat, aan haar keukenmeiden, die bij haar overlijden nog bij haar inwonen, een bedrag van 100 gl. en aan de dienstmeiden, die bij haar overlijden bij haar inwonen, een rouwkleed “na fatsoen”, zowel voor de zondag als voor werkdagen. Tot haar erfgenamen benoemt zij de kleinkinderen van haar zusters Margarieta en Adriana van der Hulck, elke staak voor de helft, op voorwaarde, dat het vruchtgebruik van de door hen te erven goederen zal komen aan Margareta en Adriana hun leven lang. Voorts wenst de testatrice, dat haar twee huizen in het Steegoversloot, waarin zij woont, met alle kamerbehangels, zoals tapijten, goudleer en andere stoffen, alsmede haar derde part in de zoutketen, zoutpannen, de daarbij horende huisjes, het waterschip, zout en turf, dat nog in gemeenschappelijk bezit is met Adriana van der Hulck, na haar overlijden aangenomen zullen worden door haar vijf kinderen Gillis, Gerard, Elisabeth, Geertruijt en Adriana Francken. Tot voogden in de staak van Margarieta van der Hulck benoemt zijn Simon de Vries Anthonisz. en Sebastiaen van de Graeff en in de staak van Adriana van der Hulck Gillis Francken en na zijn overlijden mr. Pieter Brandwijk van Blokland.

ONA Dordrecht inv. 24, f. 68: op 19 juni 1697 comp. Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Jerefaes Francken, wonende te Grave, voor zichzelf en als procuratie hebbende van zijn zuster Hendrina Francken, weduwe van Gerard Sam, wonende te Amsterdam, beiden vervangende Jan Francken, hun broer, samen kinderen van wijlen Jerefaes Francken, Anthonij van Lith, koopman te Rotterdam, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Gerrit Francken, wonende te Zevenbergen, en Helena Monseurs, wonende te Oosterhout, weduwe van Jan Francken Jansz., voor zichzelf en als voogdes over de twee minderjarige kinderen, bij haar verwekt door Jan Francken Jansz, en van Aletta Francken, gescheiden echtgenote van Hendrick van Reijnen, wonende te Dordrecht, en van Theodorus van den Bos, predikant te Heinenoord, als man van Elisabet Francken, mede vervangende zijn zwager Hendrick Francken, zich sterk makende voor de kinderen van Jan Francken, Arent Schuller, koopman op de Rijn, als man van Belia Sam, Goossen Tips, koopman van Keulen, voogd van Elisabet Sam, Samuel Goris, mr. chirurgijn te Dordrecht, als man van HelenaLeendertsdr. enige dochter van Alida Sam, Rochus van de Crab, exploitier voor het Hof van Holland, als procuratie hebbende van Christina Smis, weduwe van Jacob Sam, wonende te Keulen, wonende te Keulen, voor zichzelf en als voogdes van haar kinderen, door haar man bij haar verwekt, Anna van Abeel, weduwe van Jerefaes Sam, wonende te Rotterdam, als voogdes over Gerrit Sam, haar minderjarige zoon en Abraham Sam, die is getrouwd en bijgevolg mondig kind, beiden kinderen van Jerefaes Sam, vervangende deze comparanten Jan Sam, die lange tijd “sonder tijding sigh geabsenteert heeft”, allen kinderen en kleinkinderen en samen met voornoemde wijlen Gerrit Sam erfgenamen van Belia Francken, bij haar verwekt door Jacob Sam, allen fideï-commisionaire erfgenamen van Jerefaes Francken en diens vrouw Elsabeth Schul, overleden in Dordrecht, enerzijds en anderzijds Geertruijd van der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, zoon en erfgenaam van Jerefaes Sam en Elisabet Schul. De comparanten verklaren, dat tussen hen geschil was ontstaan over het feit, dat Hendrick Francken met Geertruijt van der Hulck is getrouwd in 1668 zonder huwelijks voorwaarden te maken, maar bij het aangaan van hun huwelijk een somma van 44.000 gl. ingebracht hebben, die Hendrick bij het overlijden van zijn ouders geërfd heeft en na zijn overlijden in 1681 zonder kinderen na te laten door zijn erfgenamen onderling is verdeeld. De eerste comparanten beweren, dat hun in 1695 ter kennis is gekomen, dat Jerefaes Francken en Elisabet Schul in hun codicil van 7 sept. 1657, gepasseerd voor notaris D. Eelbo te Dordrecht, hun na te laten goederen bezwaard hebben met fideï-commis ten opzichte van die kinderen, die zonder nakomelingen zouden komen te overlijden. Zij menen nu dat na het overlijden van Hendrick, zonder kinderen na te laten, zijn na te laten goederen door zijn vrouw en zijn erfgenamen ten onrechte onderling zijn verdeeld en dat zij, eerste comparanten, recht hebben op de helft van de door Hendrick nagelaten goederen. De twee comparante beweert., dat de goederen van haar man zijn verdeeld zonder dat er iets bekend was van fideï-commis. Beide partijen komen overeen, dat de tweede comparante aan de eerste comparanten een bedrag van 22.000 gl. zal uitkeren.

ONA Dordrecht inv. 264, f. 201: op 4 okt. 1698 comp. Geertruijd van der der Hulck, weduwe van Hendrick Francken, enerzijds en ds. Henricus Francken, predikant te Dordrecht, anderzijds. Zij verklaren, dat de tweede comparant door de man van de eerste comparante is aangesteld tot executeur-testamentair en voogd over zijn minderjarige erfgenamen, in welke hoedanigheid hij zowel voor de erfgenamen van haar man, als voor haarzelf heeft “gebesoigneerdt” in de boedel van Leonard van der Hulck, zowel in het “examineren” van diens boeken, rekeningen daaruit te formeren als anderszins en mede in het doen van de scheiding tussen Gerard Francken en de boedel van haar man, in verband met verscheidene negoties, die zij samen in compagnie hebben gedaan, en de scheiding tussen haar en de erfgenamen van haar man, of hetgeen hij voor haar heeft waargenomen en hij ook diverse zaken voor haar heeft afgehandeld, zoals het beleggen en in ontvangst nemen van verscheidene geldsommen, het kopen van obligaties, en het beheren van zaken, in het bijzonder het beleggen van 1000 pond sterling. De tweede comparant verklaart van zijn factoor in Londen, William Tatual. vooralsnog geen verdere interest van het voornoemde kapitaal ontvangen te hebben. Hij verklaart van haar aan gemaakt zilverwerk en contant geld ontvangen te hebben een bedrag van 4300 gl., waarmee hij verklaart voor de door hem ten behoeve van haar verrichte diensten volkomen vergoed te zijn. Aangezien zij in het vervolg haar eigen zaken zal beheren, ontslaat zij hem van al het verdere beheren van haar zaken en affaires.

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 23: op 2 mei 1720 verkoopt Jan Kock, meester-timmerman, voor 450 gl. aan Geertruij van der Hulck, een stal met koetshuis staande in het Stek op grond van de Kloveniersdoelen, strekkende aan de ene zijde aan de stadsgracht langs het Armhuis en aan de andere zijde aan het erf van de koopster.

– 16 mei 1732: testeert voor notaris P. de Ruijter te Dordrecht Geertruijd van der Hulck, weduwe van Hendrik Franken, in zijn leven lid van het College van Mannen van Veertigenen koopman te Dordrecht. Zij legateert aan
de huisarmen van de NG diaconie te Dordrecht 4000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland,
aan de nakomelingen van haar zuster wijlen Margarita van der Hulck, weduwe van Francois van de Graaff, 112.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, te weten
aan haar nichtClara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, 27.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland,
aan Margarita van de Graaff, dochter van haar neef Gillis van de Graaff, 13.500 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, op voorwaarde, dat Margarita daarvan alleen het vruchtgebruik zal hebben en de eigendom ervan zal overgaan op haar wettige nakomelingen of bij ontbreken daarvan op Gillis Francoijs van de Graaff, nagelaten zoon van mr. Louis van der Graaff, die broer was van Margarita van de Graaff, op voorwaarde dat Gillis Francoijs daarvan alleen het vruchtgebruik zal hebben tot zijn 25e jaar en daarna de volledige beschikking over genoemd legaat zal krijgen. Indien hij voordien komt te overlijden, zal het legaat vererven op zijn wettige nakomelingen of bij ontbreken daarvan voor een derde part op testatrices nicht Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, envoor een derde part op de kinderen van haar nicht Agnita van de Graaff, weduwe van Cornelis van Helmond, daarbij inbegrepen het kind van Elisabeth van Helmond, op voorwaarde, dat Gillis van Helmond van zijn aandeel alleen de opbrengsten zal genieten en dat de eigendom ervan zal overgaan na zijn overlijden op zijn wettige nakomelingen. Tot administrateurs van het legaat van Margarita van de Graaff stelt de testatrice aan Gillis Rees, achtraad te Dordrecht, en Anthonij Repelaer, oud-burgemeester van Dordrecht. Het laatste derde part van dit legaat zal toekomen aan de kinderen van testatrices nicht wijlen Anthonia van de Graaff, echtgenote van Simon de Vries, genaamd Margarita, Simon Adriaan en Francoijs de Vries, alsmede de nagelaten kinderen van Anthonij de Vries, over welke zij aanstelt als voogden Francoijs de Vries, schepen te Rotterdam, en Simon Adriaan de Vries, drossaard van de vrijheid Oosterhout.
Zij legateert voorts aan Gillis van de Graaff, zoon van mr. Louis van de Graaff, 13.500 gl., te voldoen met obligaties op de provincie Holland, op voorwaarde, dat hij van zijn aandeel in het legaat alleen het vruchtgebruik zal hebben tot zijn 25e jaar en daarna de volledige beschikking erover. Indien daarvoor komt te overlijden zal zijn legaat vererven op zijn wettige nakomelingen of bij ontbreken daarvan op zijn tante Margarita van de Graaff. Margarita zal evenwel daarvan alleen het vruchtgebruik genieten en de eigendom zal na haar overlijden toekomen aan haar wettige nakomelingen of indien zij zonder nakomelingen komt te overlijden voor een derde part aan testatrices nicht Clara van de Graaff, weduwe van Govert van Wesel, en voor een derde part aan de kinderen van haar nicht Agneta van de Graaff, weduwe van Cornelis van Helmond. Tot administrateurs van dit deel van hetlegaat stelt zij aan Gillis Rees en Anthonij Repelaer. Het laatste derde part zal in bovengenoemd geval vererven op de kinderen van haar nicht Anthonia van de Graaff, in haar leven vrouw van Simon de Vries en de kinderen van wijlen Anthonij de Vries. Tot voogden over de kinderen van Anthonij de Vries stelt zij aan Francoijs de Vries, schepen van Rotterdam, en Simon Adriaan de Vries, drossaard van de vrijheid Oosterhout.
Zij legateert voorts aan haar haar nicht Anthonia van Wesel, echtgenote van mr. Caspar Balthazar Doll van Ourijk, nagelaten dochter van Johanna de Vries, dochter van Anthonia van de Graaff, 4000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, en
aan de “staak” van haar “susters dogter van halven bedde” Digna Blok, in haar leven vrouw van Hendrik van Dortmont, 24.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, namelijk aan de kinderen van haar nicht Geertruijd Justina van Dortmont, bij haar verwekt door Albertus Alberthoma, in zijn levenpredikant te Leiden, daarbij inbegrepen de kinderen van Hendrietta Geertruijd Alberthoma, 12.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, en aan de kinderen van Baldina Cornelia van Dortmont, weduwe van Johannes Keuchenius, predikant te Ferwert in Friesland, 12.000 gl., te voldoen met obligaties ten laste van de provincie Holland, waarvan Baldina alleen het vruchtgebruik zal hebben en de eigendom zal toekomen aan de kinderen vantestatrice’snicht Geertruijd Justina van Dortmont, daarbij inbegrepen de kinderen van Hendrietta Geertruijd Alberthoma. Tot voogden over Maria en Digna Alberthoma stelt zij aan de drie schoonzoons van Albertus Alberthoma, namelijk Petrus Sandra, arts te Leiden, Sicco Alberthoma, predikant te Lettelbert, en Robbertus Alberthoma, predikant te Groningen.
Tenslotte legateert zij nog aan Agnita van Oldenburch, indien zij bij het overlijden van testatrice nog in haar dienst zal zijn, een geconverteerde lijfrente in een obligatie van 1000 gl. ten laste van de provincie Holland en een dito obligatie van 1000 gl. ten laste van Francoijs van den Brandeler,
Tot erfgenamen van haar overigena te laten goederen, na aftrek van de legaten,stelt zij aan de kinderen en kindskinderen van haar overleden zuster Adriana van der Hulck, weduwe van burgemeester Gerard Franken, nl. Geertruijd Franken, vrouw van mr. Pieter Brandwijk van Blokland, Adriana Franken, vrouw van mr. Cornelis Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht, en de kinderen van wijlen Elisabeth Franken, bij haar verwekt door haar eerste en tweede man, resp. Matthijs van der Burch, heer van Niemandsvriend en lid van de Oudraad te Dordrecht, en mr. Mattheus van den Broucke, burgemeester van Dordrecht. Voogden: haar neven mr. Pieter Brandwijk van Blokland, Cornelis Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht, en Johan van der Burch, heer van Niemandsvriend. (ONA Dordrecht inv. 1005, akte 57)

IIIa. Adriana van der Hulck Gillisdr., geboren naar schatting ca. 1630, trouwde NG Dordrecht 14 sept. 1659 Gerard Francken

ONA Dordrecht inv. 69, f. 379: op 16 mei 1657 testeert Adriana van der Hulck, ongetrouwde persoon, wonende in Dordrecht. Als zij ongehuwd komt te overlijden, legateert zij aan haar zuster Geertruijt van der Hulck haar kleren, juwelen en zilverwerk en “haer andere fraijicheden en properheden van haer cabinet”. Zijbenoemt tot zijn erfgenamen van haar overige goederen haar broers Joannes en Leendert van der Hulck, haar zuster Geertruijt van der Hulck, en de kinderen van haar getrouwde zusters Marguareta en Catharina van der Hulck. Tot erfgenamen “met de halve hand” benoemt zij de drie kinderen van zijn halfzuster Clara de Boefkens, d.w.z. haar volle broers en zusters en de kinderen van haar voornoemde zusters voor de ene helft en dezelfden samen met de kinderen van haar halfzuster voor de wederhelft. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt zij haar broers Joannes en Leendert van der Hulck en haar oom Sijbert van de Hatert.

ONA Dordrecht inv. 65, f. 421: op 12 juni 1658 testeert Adriana van der Hulck, ongehuwde persoon. Zij legateert aan de kinderen van haar overleden halfzuster Clara de Boefkens samen een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zijn haar broers Joannes, Leendert en Cornelis van der Hulck en haar zusters Catharijna, Marguarieta en Geertruijt van der Hulck, op voorwaarde, dat Cornelis, Marguarieta en Catharijna van de door hen te erven goederen alleen het vruchtgebruik zal hebben. Zij benoemt haar broers Joannes en Leendert van der Hulck en haar oom Sibert Leendertsz. van de Hatert tot executeurs-testamentair en voogden.

ORA Dordrecht inv. 1626, f 7v: op 16 mrt. 1677 verkoopt Aletta Aeldertsdr. de Veer, weduwe van Johan Francken, koopman en burger van Dordrecht, voor 2700 gl. aan Gerard Francken, lid van de Oudraad te Dordrecht, een huis op de Riedijk, genaamd “den Toelast”, met een klein huisje erachter in het Mattenstraatje [exacteligging van dit straatjeonbekend], alsmede een huisje buiten de St. Jorispoort, staande op stadsgrond tussen de loods van Leonart van der Hulck en het huis van Pieter Jacobsz. plankdrager.

ONA Dordrecht inv. 263, f. 57: op 5 nov. 1693 testeert Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, burgemeester van Dordrecht, enigszins ziekelijk van lichaam, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan de NG Armen te Dordrecht een bedrag van 1500 gl., aan Aletta de Veer, weduwe van Jan Francken, een jaarlijkse uitkering van 200 gl. haar leven lang gedurende, aan kapitein Jan Francken Jansz. een jaarlijkse uitkering van 200 gl. zijn leven lang gedurende en na zijn overlijden aan zijn weduwe een jaarlijkse uitkering van 100 gl. haar leven lang gedurende, aan Francoise Groenedijck, de vrouw van Gerard Jansz. een bedrag van 300 gl. voor het onderhoud van haar kinderen, aan Elisabet Francken, de vrouw van ds. Theodorus van den Bos, predikant te Heinenoord, een bedrag van 1600 gl., op voorwaarde, dat zij daarvan alleen haar leven lang het vruchtgebruik zal ontvangen en dat de eigendom ervan na haar overlijden zal komen aan haar nakomelingen, of, indien zij geen kinderen nalaten zal aan de erfgenamen van de testatrice, en op voorwaarde, dat, als Elisabet weduwe zal worden, zij de helft van die 1600 gl. ma g gebruiken voor het oprichten van een winkel. De testatrice legateert aan de kinderen van wijlen Gillis van de Graeff, koopman te Amsterdam, alle “actiën”, die haar toekomen uit de nalatenschap van haar vader. Zij prelegateert aan haar oudste zoon Gillis Francken een somma van 4000 gl., alsmede de loods, die naast haar tuin staat, en de tuin en het huisje met het lakenraam daarnaast, tevoren verkregen van Thielman Josephsz., en haar jacht met alle toebehoren, en prelegateert aan haar jongste dochter Adriana Francken al haar kleren. Zij wenst, dat haar kinderen, die bij haar overlijden nog ongehuwd zijn, ieder een somma van 15.000 gl. zullen ontvangen, zoals haar getrouwde kinderen bij het aangaan van hun huwelijk reeds hebben gekregen. Zij wenst voorts, dat Elisabet Francken, weduwe van Matthijs van der Burch, noch haar overige getrouwde kinderen niet gehouden zullen zijn “in collatie” te brengen hetgeen zij ten tijde van het overlijden van de testatrice boven het huwelijks goed tot “sustentatie ende huijshoudinge” van haar gekregen hebben. Zij wil wel, dat haar dochter Elisabeth Francken “in collatie” zal brengen een somma van 5000 gl., die zij aan haar moeder schuldig is, maar zonder de interesten, die zijn verschenen sedert 9 aug. 1686. De testatrice wenst nog, dat haar dochter Elisabeth Francken in het huis van haar, testatrice, blijft wonen, staande omtrent de Blauwpoort, mits zij daarvoor aan huur zal betalen zoveel als het naar redelijkheid zal geoordeeld worden te behoren, en dat tot het moment, waarop haar oudste zoon gaat trouwen, waarna het huis door de meestbiedende van haar kinderen zal moeten worden aangenomen. Haar ongetrouwde kinderen zullen bij haar dochter Elisabeth mogen blijven inwonen en in de kost blijven, zolang als Elisabeth in het huis zal blijven wonen. Zij moeten daarvoor een bedrag betalen, welke door de hierna te noemen voogden goedgevonden zal worden. Zoon Gillis zal mogen overnemen al het hout, dat bij haar overlijden in de boedel bevonden zal worden, maar indien hij het hout niet wenst aan te nemen, moet het door haar erfgenamen 3 of 4 maanden na haar overlijden verkocht worden. Gillis zal ook haar zaagmolen mogen overnemen. Betreffende haar zes zoutpannen, gelegen bij Zwijndrecht, wenst zij, dat twee daarvan door Gillis, één ervan door Elisabet, één ervan door Geertruijt Francken, de vrouw van mr. Pieter Brandwijk van Blokland, één ervan door mr. Gerard Francken en één pan door Adriana Francken, haar resp. kinderen, overgenomen zullen worden. Haar zoon Gillis zal van alle pannen het beheer hebben en voor iedere pan jaarlijks 100 gl. ontvangen. De testatrice wenst, dat haar meubelen, huisraad, juwelen etc. onder haar zes kinderen zal worden verdeeld, t.w. Elisabet, Gillis, Jan, Gerard, Geertruijt en Adriana Francken, of bij vooroverlijden hun kinderen. Zij benoemt haar zoon Jan Francken tot erfgenaam van de “blote”legitieme portie of anders in het vruchtgebruik van de gehele erfportie, die hij zonder onderhavig testament van haar zou hebben geërfd. Indien hij zich voortaan weet te gedragen en zal gaan trouwen en uit dat huwelijk kinderen zal krijgen, zal de eigendom van alle goederen, die hij zonder dit testament van haar zou hebben geërfd, komen op zijn nakomelingen, of bij ontbreken daarvan, op de overige kinderen of nakomelingen van de testatrice. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij Elisabet Francken, de vrouw van Matthijs van der Burch, Gillis Francken, Gerard Francken, advocaat voro het Hof van Holland, Geertruijt Francken, de vrouw van Pieter Brandwijk van Blokland, en Adriana Francken, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, op voorwaarde, dat van de erfporties van Elisabet, Gerard, Geertruijt en Adriana, zal zijn subject fideïcommis een somma van 20.000 gl. van ieder van hen, waarvan de eigendom zal toekomen aan hun kinderen, of, indien zij geen kinderen zullen nalaten, aan de overige kinderen van de testatrice, inclusief Gillis, maar exclusief Jan Francken. Deze fideïcommissionaire goederen zullen beheerd worden door Gillis Francken. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zoon Gillis Francken en haar schoonzoon Pieter Brandwijk van Blokland.

ONA Dordrecht inv. 263, f. 229: op 2 juni 1696 testeert Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, burgemeester van Dordrecht. Zij prelegateert aan haar oudste zoon Gillis Francken een somma van 4000 gl., alsmede haar loods en tuin buiten de St. Jorispoort, “daer het comptoir gehouden werdt”, het huis met “den raempt” erachter, gekomen van Tielman Josefsz., en haar grote nieuwe jacht, gebouwd in 1695. Zij prelegateert aan haar dochters Elisabeth, Geertruijdt en Adriana Francken, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, elk een bedrag van 4000 gl. Aan haar dochter Elisabeth prelegateert zij al haar kleren en aan haar zoon mr. Gerard Francken al de boeken “tot sijne studie, ende practijcke dienende”. Zij legateert aan de NG Armen van Dordrecht een bedrag van 1500 gl., aan Aletta de Veer, weduwe van Jan Francken, haar leven lang een jaarlijkse uitkering van 200 gl., aan Helena Monseur, weduwe van Jan Francken Jansz., haar leven lang een jaarlijkse uitkering van 100 gl., aan Francoise Groenendijck, de vrouw van Gerardt Francken, een bedrag van 300 gl., om gebruikt te worden voor het opzetten van een winkel, en aan Elisabeth Francken, de vrouw van ds. Theodorus van den Bos, predikant te Heinenoord, haar leven lang het jaarlijkse inkomen van een kapitaal van 1600 gl., waarvan de eigendom moet komen aan Elisabeths kinderen. Als Elisabeth weduwe wordt mag zij de helft van die 1600 gl. gebruiken voor het opzetten van een winkel. De testatrice wenst, dat haar kinderen na haar overlijden elk een somma van 15.000 gl. uit haar boedel zullen krijgen en daarenboven nog voor een uitzet een bedrag van 2400 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar kinderen Elisabeth, Gillis, Johannes, Gerard, Geertruijdt en Adriana Francken of bij vooroverlijden hun nakomelingen, op voorwaarde, dat van ieders erfportie subject fideï-commis zal blijven een bedrag van 20.000 gl., daarbij inbegrepen o.a. het huis, waarin zij woont, alsmede het koetshuis en de stal daarbij staande. Zij wenst, dat één van haar kinderen zal aannemen tegen een door hen onderling te bepalen prijs het genoemde huis, koetshuis en stal, de hofstede in Oud-Beijerland, genaamd “het Paradijs” met de daarbij behorende landerijen. Haar zoon Gillis zal op zijn erfportie mogen aannemen haar zaagmolen en zij wenst voorts, dat haar kinderen Gillis, Gerard, Elisabeth, Geertruijdt en Adriana zullen aannemen haar zes zoutpannen in Zwijndrecht en haar aandeel in een waterschip. De administratie van deze goederen zal moeten worden waargenomen door haar zoon Gillis, als boekhouder, tegen een jaarlijks salaris van 250 gl, en door de man van haar dochter Geertruijd Francken, mr. Pieter Brandwijk van Blokland, als toezichthouder op de arbeiders, tegen een salaris van 150 gl. per jaar. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt zij Gillis Francken, mr. Gerard Francken en mr. Pieter Brandwijk van Blokland.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt in Dordrecht):

a. Elisabeth Francken, 11 febr. 1661, trouwde 1e Matthijs van der Burch, 2e Mattheus van den Broucke

b. Gillis Francken, 21 juli 1662

c. Jerwis, 1 okt. 1664, jong overleden

d. Johannes Francken, 7 mei 1666

e. Geridt Francken, 27 aug. 1670

f. Geertruijt Francken, 19 sept 1672, jonge dochter van Dordrecht en daar wonende (1693), trouwde Gerecht/NG Dordrecht/Overschie 19 april 1693 (de bruidegom geassisteerd met mr. Willem Brandwijk vrijheer van Blokland, oud-burgemeester van Dordrecht en dijkgraaf van de Alblasserwaard,zijn oom, ende bruid, met Adriana van der Hulck, weduwe van Gerard Francken, burgemeester van Dordrecht, haar moeder)mr. Pieter Brandwijk van Blokland, gedoopt NG Dordrecht 2 aug. 1665,jongman vanDordrecht en daar wonende (1693), dijkgraaf van Oud-Beijerland, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 1 juli 1751 (mr. Pieter Brandwijk van Blokland, in de Wijnstraat, laat kinderen na, dijkgraaf van Oud-Beijerland, met een wapenbord, grote boete, 9 koetsen extra), zoon van mr. Pieter Brandwijk van Blokland, burgemeester van Dordrecht, en Maria Stricken van Scharlaken (zie genealogie Brandwijk van Blokland op deze website).

g. Adriana Franken, 21 febr. 1676, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 5/21 aug. 1696 (de bruidegom geassisteerd Nicolaas van der Dussen, mr. Willem Stoop, hoofdofficier van Dordrecht, mr. Jacob Pompe, heer van de Oostendam en mr. Mighiel Pompe, heer van Meerdervoort, resp. zijn oom, zwager en broers, de bruid met Adriana van der Hulck, weduwe van Gerrard Francken, mr. Pieter Brandwijk van Blokland en mr. Gerrard Francken , resp. haar moeder, zwager en broer) mr. Cornelis Pompe van Meerdervoort, heer van Zwijndrecht, raadsheer in de Raad van Vlaanderen, jongman (1696)

IIIb. Margreta van der Hulck, gedoopt NG Dordrecht febr. 1631, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Blauwpoort (1650),trouwde 19 juni/5 juli1650 Francois van de Graef, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1627, jongman van Dordrecht wonende in de Wijnstraat (1650), koopman,zoon van Sebastiaen van de Graef en Agneta Bacx.

ONA Dordrecht inv. 260, f. 86: op 22 juli 1684 testeert Margrieta van der Hulck, weduwe van Francois van de Graeff, wonende te Dordrecht, ziekelijk zijnde. Zij benoemt de kinderen van haar zoon Gillis van de Graeff tot haar erfgenamen in de blote legitieme portie, op voorwaarde, dat hun moeder Johanna Junius haar leven lang het vruchtgebruik ervan zal hebben. Aan haar ongetrouwde kinderen legateert zijn hun vaderlijk erfdeel en daarenboven de “somme van penningen ende effecten tot uijtsettinge”, die haar getrouwde kinderen van haar of haar man gekregen hebben. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij postmeester Sebastiaen van de Graeff, Agnieta van de Graeff, de vrouw van Cornelis van Helmont, Antonia van de Graeff, echtgenote van Simon de Vries Anthonisz.,Clara van de Graeff en Jacob van de Graeff, allen haar kinderen, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, op voorwaarde, dat Sebastiaen van de Graeff niets zal mogen eisen van de winsten van zijn “posterie”, die zij, testatrice, reeds genoten heeft of nog genieten zal tot aan haar overlijden toe. Sebastiaen van de Graeff en haar jongste zoon Jacob van de Graeff zullen hetgeen zij voor hen betaald heeft in haar na te laten boedel moeten inbrengen,. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij Sebastiaen van de Graeff, Cornelis van Helmont en Simon de Vries Anthonisz.

ORA Dordrecht inv. 1630, f. 34v: op 31 juli 1685 verkoopt Samuel Centen Boeijer, schipper en burger van Dordrecht, voor 300 gl. aan Margarita van der Hulck, weduwe van Francois van de Graeff, lid van de Oudraad te Dordrecht, de helft van een erf en een deel van het erf achter zijn huis, komende achter op de Hoge Nieuwstraat.

ONA Dordrecht inv. 264, f. 23: op 9 april 1697 testeert Margrieta van der Hulck, weduwe van Franchois van de Graeff. Zij prelegateert aan haar dochter Agnieta van de Graeff, weduwe van Cornelis van Helmont, of bij vooroverlijden haar nakomelingen, een somma van 1600 gl., een gelijke somma van 1600 gl. aan de kinderen van haar overleden dochter Antonia van de Graeff, de vrouw van Simon de Vries Antonisz., waarvan hun vader het vruchtgebruik zal hebben, totdat de kinderen mondig zijn geworden of gaan trouwen, aan de kinderen van haar jongste dochter Clara van de Graeff, de vrouw van Govert van Wesel equipagemeester een gelijk bedrag van 1600 gl., waarvan hun moeder haar leven lang het vruchtgebruik zal hebben, en aan haar jongste zoon Jacobus van de Graeff een bedrag van 1000 gl. Voorts prelegateert zij aan haar kinderen en kleinkinderen al haar huisraad, inboedel, kleren en juwelen, op voorwaarde, dat die niet in het openbaar verkocht zullen worden. Zij benoemt haar dochter Clara van de Graeff tot erfgename van haar “blote” legitieme portie of, als zij daarvoor kiest, het vruchtgebruik haar leven lang van de goederen, die zij geërfd zou hebben zonder dit testament. Zij benoemt de kinderen van haar overleden zoon Gillis van de Graeff, door hem verwekt bij Johanna Junius, slechts tot erfgenamen van de “blote” legitieme portie, waarvan Johanna Junius het vruchtgebruik zal hebben tot haar kinderen mondig zijn geworden of gaan trouwen. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij Sebastiaen en Jacobus van de Graeff, haar zoons, en Agnieta van de Graeff, weduwe van Cornelis van Helmont, haar dochter, en de kinderen van wijlen Antonia van de Graeff, de vrouw van Simon de Vries Antonisz., of bij vooroverlijden hun nakomelingen, op voorwaarde dat Simon de Vries het vruchtgebruik zal hebben van hetgeen zijn kinderen van de testatrice zullen erven tot hun mondigheid of huwelijk. Verder is voorwaarde, dat Jacobus van de Graeff bij het scheiden van haar boedel vooraf zal krijgen, zo hij dat al niet heeft gekregen, een somma van 6000 gl., zoals de testarice die reeds aan haar overige kinderen heeft gegeven, evenwel zonder de interest, die sinds haar overlijden zal zijn verschenen. Jacobus moet daarentegen wel in “collatie” brengen een somma van 3400 gl., die hij aan schuldig is. Tot voogden benoemt zij Sebastiaen van de Graeff, Simon de Vries Anthonisz. en Govert van Wesel.

ONA Dordrecht inv. 264, f. 205: op 10 okt. 1698 testeert Margrieta van der Hulck, weduwe van Francois van de Graeff, redelijk gezond. Zij prelegateert aan haar kinderen en kleinkinderen al haar huisraad, inboedel en juwelen. Zij benoemt haar jongste dochter Clara van de Graeff, de vrouw van Govert van Wesel, tot erfgename van alleen haar legitieme portie of, naar haar keuze, het vruchtgebruik van haar erfportie, zoals ze die geërfd zou hebben zonder dit testament. Zij benoemt de kinderen van haar zoon, door hem verwekt bij Johanna Junius, tot erfgenamen in alleen in de legitieme portie, waarvan Johanna Junius haar leven lang het vruchtgebruik zal hebben. Tot erfgenamen van haar overige goederen benoemt zij postmeester Sebastiaen van de Graeff, haar zoon, haar oudste dochter Agnieta van de Graeff, weduwe van Cornelis van van Helmont, en de kinderen van haar overleden dochter Anthonia van de Graef, bij haar verwekt door Simon de Vries Anthonisz., of bij vooroverlijden hun nakomelingen, op voorwaarde, dat Simon de Vries het vruchtgebruik zal hebben van hetgeen zijn kinderen van de testatrice zullen erven. De testatrice benoemt tot voogd over de kinderen van Gillis van de Graeff en die van Clara van de Graeff postmeester Sebastiaen van de Graeff en over haar overige onmondige erfgenamen haar schoonzoon Simon de Vries.

Weeskamer Dordrecht inv. 30, f. 154: op 17 nov. 1708 extract in het weesboek ingeschreven van het testament, dat Margarita van der Hulck, weduwe van Francois van de Graeff heeft verleden ten overstaan van notaris J. van Dijck in Dordrecht op 23 mei 1708. Zij heeft daarin tot voogd over de kinderen van haar overleden zoon Gillis van de Graeff aangesteld haar zoon Sebastiaen van de Graeff en over haar overige minderjarige erfgenamen Anthonij de Vries.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Agneta van de Graeff, 24 jan. 1652, trouwde NG Dordrecht 8 juli 1674 Cornelis van Helmondt

Kinderen (o.a.: allen NG gedoopt in Dordrecht):

a-1. Gillis, 22 mrt. 1676

a-2. Margarita, 12 nov. 1683

a-3. Francois, 23 mei 1686

b. Gillis van de Graeff, 7 mrt. 1653, koopman te Amsterdam, trouwde Johanna Junius

Kinderen (allen NG gedoopt in Amsterdam):

b-1. Francoiss, 12 juni 1678

b-2. Elisabet, 19 mei 1681

c. Theuntjen (Antonia) van de Graeff, 4 mei 1654, trouwde 20 juni 1677 Simon de Vries Anthonisz.

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

c-1. Johanna, 21 sept. 1678

c-2. Margrieta, 1 mei 1680

c-3. Anthoni de Vries, 8 febr. 1682

c-4. Simon Adriaan, 25 mrt. 1686

c-5. Franssoijs, 25 juni 1688

d. (Se)Bastiaen van de Graeff, 9 juni 1655, postmeester te Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 5 juli 1731 (postmeester Sebastiaen van de Graef, op de Hoge Nieuwstraat, ongehuwd, acht koetsen extra)

e. Clara van de Graeff, 4 dec. 1656, trouwde Govert van Wesel Rochusz.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

e-1. Rochus, 26 aug. 1689

e-2. Clara Margrieta, 23 mei 1691

e-3. Anthonia, 21 febr. 1693

e-4. Geertruij, 29 okt. 1695

e-5. Maria, 26 dec. 1696

f. Adriaen, 13 juli 1659

g. Jacob van de Graeff, 5 aug. 1661