Van Meeuwen

Geciteerde literatuur:

L.J. Boon, ‘Dien godlosen hoop van menschen’. Vervolging van homoseksuelen in de Repubiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw, bezorgd door I. Schöffer e.a. (Amsterdam 1997)

I. Jacob van Meeuwen Jansz., geboren ca. 1580, van Dordrecht (1601), houtkoper te Dordrecht, trouwde NG Dordrecht 18 mrt. 1601/6 mei 1601 Machtelt van Schaerlaecken Cornelisdr., geboren naar schatting ca. 1580, van Dordrecht (1601), dochter van Cornelis Gijsbrechtsz. van Schaerlaecken en Lucretia Ooms

ONA Dordrecht inv. 10, f. 831: verklaring dd 19 jan. 1612 door o.a. Jacob van Meuwen, ongeveer 32 jaar oud, houtkoper wonende te Dordrecht.

2 febr. 1612: Lucretia Ooms, weduwe van Cornelis Gijsbrechtsz. van Schaerlaecken, voor de helft en 1/6 deel in de wederhelft, Cornelis van Gesel, predikant, als echtgenoot van Jannegen van Schaerlaecken, voor 1/12 deel, Gijsbrecht van Schaerlaecken voor 1/12 deel, Pieter van Schaerlaecken voor 1/12 deel, samen vervangende Johan van Schaerlaecken, voor 1/12 deel, verkopen aan Jacob van Meuwen, houtkoper te Dordrecht, als echtgenoot van Machtelt van Schaerlaecken,hun aandeel in een huis en erf, genaamd “den Vergulden Osch”, staande en gelegen tegenover de Visbrug aan de Poortzijde, strekkende van voren van de straat “tott achter vande nieuwe strate opte Nieuhaven toe”, belend door het huis van Emer Jansz. beenhakker aan de ene zijde en dat van Evert Hermansz. kousenmaker aan de andere, met alles wat daarin aard -en nagelvast is, en met toebehoren, als”houtwerck raempten sethenbancken thresoren cleercasten ende bedsteden”, zoals het huis hun, comparanten, aangekomen is “bij opdrachte” van wijlen Adriana van Slingelant.(ORA Dordrecht inv. 753, f. 8v e.v.)

ORA Dordrecht inv. 1589, f. 75 e.v.: op 19 juni 1612 verkopen Jacob van Meuwen houtkoper en mr. Pieter van Meuwen, licentiaat in de rechten, ontvanger van de Grafelijkheidstol van Holland, voor zichzelf en als voogden van Margareta, Maria en Cornelia van Meeuwen, hun onmondige zusters, aan Pouwels Claesz. de Haen, schrijnwerker en burger van Dordrecht, een huis, genaamd “de Schrijvende Handt”, staande aan de Landzijde bij de Nieuwbrug tussen het huis van Jacob Jaspersz. en dat van Balthen Claesz. van Cronenburch alias van Sevender. Waarborg: Gijsbrecht van Schaerlaecken Cornelisz., burger van Dordrecht. De koper is schuldig aan de verkopers een somma van 2850 gl. Borg: Abraham Nicolaesz. de Haen, schrijnwerker en burger van Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 11, f. 71: op 4 mei 1613 verkoopt Mattheus Rees, koopman te Dordrecht, voor 1400 gl. aan Jacob van Meeuwen en Ghijsbert van Scharlaken, kooplieden en burgers van Dordrecht, de erven van twee afgebrande zoutpannen, een zesde part van de haven en havenhoofden van die zoutpannen, alsmede het erf van een afgebrande papiermolen, liggende in Zwijndrecht.

1626: de weduwe van Jacob van Meeuwen wordt in de 1000e penning aangeslagen voor een vermogen van 30.000 gl., enhaar moeder, Lucretia Ooms, voor een vermogen van 25.000 gl. (zie 1000 penning Dordrecht anno 1626 op deze website)

1633: de weduwe van Jacob van Meeuwen betaalt in de verponding 32 ponden voor haar huis. Belenders: Claes Aertsz. schrijnwerker en Adriaen Joosten tingieter, die huurt van de de weduwe van Emer Jansz. Snouck. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3 inv. 3971, f. 6)

Uit dit huwelijk (o.a.):

II. Johan van Meeuwen Jacobsz., gedoopt NG Dordrecht febr. 1610, jongman van Dordrecht, wonende omtrent de Visbrug (1635), burgemeester van Dordrecht 1657 en 1658, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 22 sept. 1666 (een zwarte baar voor oud-burgemeester Johan van Meeuwe, 16 maal luiden, het blazoen 60 gl., de boete van 12 uren),trouwde NG Dordrecht 9 sept./2 okt. 1635 Catharina van Beverwijck Philipsdr., van Dordrecht, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1613, wonende op de Nieuwe Haven (1635), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 7 sept. 1691 (een zwarte baar voor Catharina van Beverwijck, weduwe van Johan van Meeuwen, oud-burgemeester en kerkmeester, [tegenover de Visbrug]18 maal luiden, het blazoen met de kast, in die kwaliteit [nl. als weduwe van de kerkmeester] alles vrij), dochter van Philips Apersz. van Beverwijck, brouwer te Dordrecht, en Engeltje van der Burch

– ORA Dordrecht inv. 793, f. 114 e.v.: op 31 okt. 1684 verkoopt Sijmon de Vries, veertigraad van Dordrecht en brouwer in “het Roode Hardt”, aan kapitein Thomas Rijckers, brouwer in “het Witte Hart”, en diens vrouw Beatrix van Eijssel, die eerder weduwe was van Cornelis de Vries, de broer van verkoper, ieder de helft in de helft van brouwerij “het Witte Hart”, staande [aan de Groenmarkt] tegenover de Visbrug en strekkende van voren uit de straat tot achter op de Varkenmarkt, belend aan de ene zijde door het huis van Catharina van Beverwijck, weduwe van burgemeester Johan van Mewen en aan de andere zijde door het huis van Reijnier Duijser loodgieter, voorts de helft in de helft van een huis, staande als voren, tussen het huis van Reijnier Duijser en dat van de kinderen en erfgenamen van Pieter Dircxz. Codees.

– 13 jan. 1693: mr. Pieter van Brantwijck van Blocklant verkoopt voor 1300 gl. aan de kinderen en erfgenamen van kapitein Johan van Meeuwen de helft van een huis in de Wijnstraat tegenover de Nieuwbrug, staande tussen het huis van De Coninck en dat van Jan Appels. (ORA Dordrecht inv. 1634, f.2 e.v.)

Uit dit huwelijk(o.a.):

a. Jacob van Meeuwen van Heijnsberg, gedoopt NG Dordrecht 18 juni 1643, burgemeester van Dordrecht 1679 en 1680, overlijden aangegeven bij de gaarder te Dordrecht op 27 nov. 1702 (impost 30 gl.), trouwde 1e NG Dordrecht 16 okt./5 nov. 1678 Maria Stoop Nicolaasdr., begraven Dordrecht (Grote Kerk) 26 jan. 1690 (een zwarte baar op de Vogelmarkt [Groenmarkt] voor Maria Stoop, de vrouw van Jacob van Meeuwen, oud-burgemeester en kerkmeester van Dordrecht, en in die kwaliteit alles vrij, 18 maal luiden, het blazoen met de kast, de late boete van 12 uren), 2e Maria van Berckel

– ca. 1693: Jacob van Meeuwen betaalt lantarengeld voor zijn twee huizen aan de Groenmarkt. (zie kohier van het lantarengeld op deze website)

– 30 dec. 1696: Jacob Johansz. van Meeuwen van Heijnsbergh testeert te Kleef. Hij benoemt tot voogden over zijn minderjarige broers- en zusterskinderen en executeurs van zijn testament Abraham Stoop, zijn zwager, Johan de Roovere, achtraad van Dordrecht en Pompejus de Roovere, raad in het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland. Hij stelt Ammerante Elisabet Droste, weduwe van Johan van Meeuwen [zijn broer], aan tot voogdes over haar vier kinderen. Extract van dit testament ingeschreven in het weesboek op 19 febr. 1703. (Weeskamer Dordrecht inv. 29, f. 151v e.v.)

– 22 mei 1698: Abraham Taarling als man van Cornelia Roscam, voor zichzelf en tevens vervangende Elisabeth en Agneta Roscam, Jacobus Roscam, wonende te Amsterdam, als erfgenamen van Agneta Paus, hun moeder resp. schoonmoeder, verkopen voor 3000 gl. aan Jacob van Mewen van Hijnsberg, oud-burgemeester van Dordrecht, de Mewenspoort met een huis, korenzolders en andere toebehoren, hun, verkopers aangekomen bij overlijden van de weduwe van Jan Hendricxsz. Westerhout, die de panden op 7 mrt. 1696 heeft gekocht van de stad Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 1636, f. 185v e.v.)

ONA Dordrecht inv. 731, f. 3: op 30 jan. 1713 verklaren Amaranta Elisabeth, Catharina Charlotta en Jan van Mewen van Heijnsberge, als mede-erfgenamen van Jacob van Mewen van Heijnsberge, burgemeester van Dordrecht, enerzijds en Abraham Stoop, oud-burgemeester van Dordrecht, als man van Jacoba van Mewen van Heijnsberge, mr. Jan de Roovere en mr. Pieter Everwijn, leden van de Oudraad van Dordrecht, laatstgenoemde als weduwnaar van Anna Catharina de Roovere, voor zichzelf en tevens vervangende mr. Pompejus de Roovere, raads in de Hoge Raad van Holland, en mr. Johan van den Brandeler, lid van de Oudraad van Dordrecht, als man van Margareta Johanna van Mewen van Heijnsberge, Philippina van Mewen van Heijnsberge, Gerard van Leeuwen, voor zichzelf en vervangende Theodorus Broccum en Catharina en Geertruijd van Leeuwen, zijn zusters, allen mede-erfgenamen van voornoemde Jacob van Mewen, en Abraham Stoop en Johan de Roovere nog als executeurs-testamentair van Jacob van Mewen en tevens vervangende hun mede-executeur Pompejus de Roovere, anderzijds, dat tussen hen diverse geschillen waren ontstaan omtrent de nalatenschap van Jacob van Mewen. Om processen dienaangaande te vermijden leggen zij hun geschillen nu voor aan de arbitrale uitspraak van mr. Mattheus van den Brouck, hoofdofficier van Dordrecht, en Johan Hoijnck van Papendrecht, advocaat voor het Hof van Holland.

b. Jacoba van Meeuwen, trouwde Abraham Stoop Jacobsz.

c. Machlina van Meeuwen, trouwde Francois de Rovere

ORA Dordrecht inv. 802, f. 43v e.v.: op 12 mei 1700 verkoopt Ingetje Clootwijck, weduwe van Franchois Boucquet, aan de erfgenamen van wijlen Machlina van Mewen, weduwe van Franchois de Roovere, voor 1500 gl. een huis in de Wijnstraat [Groenmarkt], staande tegenover het stadhuis tussen het huis van voornoemde erfgenamen en het huis van Pieter van Dorsten

d. Johan van Meeuwen, volgt III.

III. Johan van Meeuwen, gedoopt NG Dordrecht 11 mrt. 1654, jongman wonende te Dordrecht (1681),kapitein onder het regimentvan graaf Johan van Hoorn in garnizoen te Deventer (1681), kapitein van een compagnie voetknechten (1684), trouwde NG Dordrecht 8/24 juli 1681 Emmerentia Droste, geboren naar schatting ca. 1650, wonende te Dordrecht (1681), “weduwe van Meeuwen” wonende te Dordrecht (1702), begraven Dordrecht(Grote Kerk) 21 febr. 1727 (Emerentia Droste douairiere van Mewen van Keverbergh, aan de Nieuwbrug in de Wijnstraat, laat kinderen na, met 11 koetsen boven het getal, een wapenbord en 5 slepen, de grote boete verbeurd), zijtrouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 28 mei 1702 (ondertrouw, volgens attestatie van ondertrouw te Wijck) Godert Derick van Meeuwen baron van Keversbergh, jongmanwonende te Dordrecht (1702), overleden in 1715, zij was een dochter van Matthijs Droste en Emerentia Ruijsch

– 26 febr. 1684: testeren voor notaris J. Melanen te Dordrecht Johan van Meeuwen, kapitein van een compagnie voetknechten, in garnizoen liggende te Breda, en zijn vrouw Emmerentia Droste. Zij benoemen elkaar tot erfgenaam. De testateur verklaart, dat indien hij de eerstoverlijdende is, hij aan zijn vrouw legateert al het zilverwerk, dat hij vóór hun huwelijk in bezit heeft gehad, en daarenboven nog uit de goederen, die hij van zijn oom zaliger, Cornelis van Meeuwen, heeft geërfd, een bedrag van 5000 gl.Tot voogden over hun minderjarige kinderen benoemende testateurenJacob van Meeuwen, regerende burgemeester van Dordrecht, zijn broer, en kapitein Coenraet Droste, haar broer.(ONA Dordrecht inv. 190, f. 16 e.v.)

– 9 mrt. 1715: Emmerentia Drost, weduwe van Godert Derck van Meeuwen, baron van Keversberg, verklaart, dat haar man overleden is en zij niet genegen iszijn nalatenschap te aanvaarden, maar daar afstand van doet ten behoeve van zijn erfgenamen ab intestato. Aangezien niemand van hen zich schijnt te bekommeren om zijn begrafenis, neemt zij op zich de kosten daarvan voor te schieten, “behoudens dienaengaende haeren actie tot lasten vanden voorsz. boedel”. (ONA Dordrecht inv. 745)

– 20 juli 1726: testament van Emmerentia Droste, douairière Van Mewen van Keversbergh, wonende te Dordrecht, ziekelijk zijnde. Zij herroept haar eerdere testamenten van 26 mei 1718 en 15 mrt. 1721. Zij legateert aan haar zoon jonkheer Jan van Mewen van Hinsbrigh en haar dochter Ammaranta Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh, aan beiden, of bij vooroverlijden hun kinderen, of bij ontbreken van kinderen aan de langstlevende van beiden, haar huis in de Wijnstraat, staande tegenover de Hengstesteiger, al haar huisraad, kleren, juwelen, goud- en zilverwerk, haar buitenhuis, genaamd “Wijckestijn”, met alle landerijen daartoe behorende, staande en gelegen in het Land van Heusden, met alle zich daarin bevindende huisraad, juwelen, goud- en zilverwerk, contant geld en gouden en zilveren potpenningen, haar koets en andere rijtuigen, paarden en andere beesten. Aan Jacoba Rendels, wonende te Dordrecht, legateert zij “tot een gedachtenis” een bedrag van 200 gl., aan de diaconie-armen te Heusden een bedrag van 500 gl. en aan de diaconie-armen te Wijk een gelijk bedrag, beide te voldoen met obligaties ten laste van het gemeneland. Aan Pieter Hugetan moet na haar overlijden worden uitgereikt een bedrag van 4750 gl., welke haar zoon Jan van Mewen van Hinsbrigh aan hem schuldig is, tenzij die schuldtijdens haar leven reeds is voldaan. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar genoemde zoon Jan van Mewen en dochter Ammaranta Elisabeth van Mewen, elk voor een derde part, en de dochter van haar overleden dochter Johanna Jacoba van Mewen van Hinsbrigh, bij haar verwekt door Zeger Frans van Mewen van Hinsbrigh, genaamd Columbina Catharina van Mewen van Keversbergh, voor een derde part. Die laatstgenoemde goederen zullen pas onder testatrices erfgenamen mogen worden verdeeld wanneer haar kleindochter mondig is geworden of gaat trouwen. Tot executeurs van haar testament benoemt zij haar zoon en dochter en haar zoon tevens tot voogd over haar minderjarige erfgenamen.(ONA Dordrecht inv. 759, f. 157 e.v.)

Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Johan van Meeuwen van Heijnsberg, 14 okt. 1682, volgt IV

b. Ammarante Elisabeth van Mewen van Hinsbrig, 28 juli 1684, trouwde NG Wijk en Aalburg 29 juli/16 aug. 1728 Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders in dienst van de Verenigde Nederlanden, gouverneur van Heusden, trouwde 1e Cornelia Elisabeth van der Does [zie ook genealogie Palm op deze website].

ONA Dordrecht inv. 764, f. 773: voorwaarden dd 9 en 16 nov. 1731, waarop Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders in Nederlandse dienst, en diens echtgenote Ammaranta Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh, beiden wonende te Dordrecht, tevens als procuratie hebbende van hun broer resp. zwager Jan van Meeuwen van Hinsbrigh, volgens procuratie gepasseerd voor schout en schepenen van Mook op 28 mei 1730, willen verkopen een partij wei- en zaailand, groot 6 mrg. en 293 en een halve roede in de Bovenpolder van Dubbeldam buiten Dordrecht, een stuk wei- of boezemland, groot 1 mrg. en 30 roeden, gelegen in de boezem van de watermolen van het Oudeland van Dubbeldam, even buiten Dordrecht, en een huis met verscheidene grote vertrekken, een wijnkelder en een tuin, met een vrije uitgang in het Seboriestraatje, staande in de Wijnstraat tegenover de Hengstensteiger tussen het huis van de weduwe van Jacob Stoop en dat van Christiaan van Westen. De verkopers behouden de stal achter voornoemde tuin en de behangsels, die in het huis aanwezig zijn.

ORA Dordrecht inv. 816, f. 209v: op 13 dec. 1731 verkopen Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders in Nederlandse dienst, als procuratie hebbende van zijn vrouw Amaranta Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh, die samen met haar man procuratie heeft van haar broer, Johan van Mewen van Hensbrigh, welke laatste procuratie is gepasseerd voor schout en schepenen van Mook op 28 mei 1730, voor 1280 gl. aan Susanna Terwen, weduwe van Jacob Braats, wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat [Groenmarkt] omtrent de Visbrug tussen het huis van de koopster en de brouwerij “’t Witt Hart”.

ORA Dordrecht inv. 1663, f. 40 e.v.: op 15 juli 1760 comp. voor schepenen van Dordrecht, Jan van der Star, notaris te Dordrecht, als bij procuratie op 7 juli 1760 gepasseerd voor notaris P. Well te Dordrecht, gesubstitueerd door Willem Hendrik Ravens, auditeur-militair van de krijgsraad van het garnizoen te Maastricht, als door die krijgsraad aangesteld tot curator van de boedel van wijlen Christiaan Abram Palm, majoor in het regiment dragonders van generaal-majoor Van Massauw, overleden te Maastricht. Notaris van der Star is krachtens genoemde procuratie gemachtigd tot het verkopen van de goederen, die aan majoor Palm bij akte van donatie gepasseerd voor notaris Waalwijk te Breda op 8 jan. 1751 zijn geschonken door wijlen Amaranta Elisabeth van Mewen van Hijnsbrig, weduwe van Jacob Hardemee Palm, kolonel in Nederlandse dienst. Hij verkoopt voor 830 gl. aan Balthazar van den Broek, suikerraffinadeur te Dordrecht, een huis met koetshuis, wijnkelder en tuin, staande en gelegen in de Wijnstraat omtrent de Nieuwbrug tussen het huis van Gijsbert Beudt en dat van Jan Baltz.

c. Elisabeth, 28 juli 1684

d. Catrina, 22 mrt. 1686

e. Charlotte, 22 mrt. 1686

f. Johanna Jacoba van Mewen van Hinsbrigh, 11 aug. 1688, trouwde Zeger Frans van Mewen, baron van Keversbergh (Kevelberg), luitenant van de dragonders in Nederlandse dienst in garnizoen te Iperen (1726), trouwde 2e Breda (schepenen, ondertrouw, ten huize van de bruid in de Veemarktstraat) 3 dec. 1726 Catarina Aldegonda Fullenius, weduwe van Johan Theodorus Wiers, wonende te Breda (1726)

Dochter:

f-1. Columbina Catharina van Mewen van Keversbergh

ONA Dordrecht inv. 762, f. 18: op 5 febr. 1729 verklaart jonkheer Jan van Mewen van Hinsbrigh, dat hij door zijn moeder, Emmerentia Droste, douairiere van Mewen van Keversbergh, in haar testament van 20 juli 1726 is benoemd tot voogd over haar minderjarige erfgenamen en dat hij nu a mede-voogd over de enige nalagelaten dochter van zijn overleden zuster, welk kind is genaamd Columbina Catharina van Mewen van Keversbergh, wil aanstellen Jacob Hardemee Palm, luitenant-kolonel van een regiment dragonders.

IV. Johan van Meeuwen van Heijnsberg, gedoopt NG Dordrecht 14 okt. 1682, overleden te Kleef in 1750

– 7 mei 1716: Johan van Meuwen van Hinsberge, meerderjarig jongman wonende te Den Haag, is schuldig aan Katarina van Esch, weduwe van Henricus Francken, predikant te Dordrecht, een somma van 2500 gl. wegens geleende penningen. Compareert mede Emmerentia van Mewen van Keversbergh, geboren Droste, weduwe van kapitein Johan van Mewen, wonende te Dordrecht, die zich verklaart borg te stellen voor haar voornoemde zoon. (ONA Dordrecht inv. 747, f. 245 e.v.)

– 16 dec. 1721: Jan van Meeuwen van Heijnsberg, op dat moment verblijvende te Dordrecht, verkoopt voor 11.500 gl., te weten 8500 gl. onmiddellijk en 3000 gl. binnentwee maanden, in gevolge het vonnis van de Kamer Judicieel te Dordrecht dd 15 nov. 1721, aan Adriaan Braats Jacobsz., als man van Catarina Johanna van den Santheuvel, beiden wonende te Dordrecht, een huis op de Groenmarkt, staande tegenover de Visbrug, aan de achterzijde uitkomende op de Varkenmarkt, vanouds genaamd “den Grooten Os”, met het koetshuis en de woningen daarboven,staande op de Varkenmarkt naast het pakhuisje van Jan de Roovre, met alle vrijdommen, servituten en gerechtigheden, zoals het huis en koetshuis verkocht zijn aan mr. Pieter van der Dussen, schepen in wette van Dordrecht, volgens de koopcedul, die is gepasseerd voor notaris H. van Wetten op 3 mrt. 1721. (ORA Dordrecht inv. 813, f. 131 e.v.)

– 5 jan. 1729: jonkheer Jan van Mewen van Hinsbrigh verklaart, dat hij in het testament van zijn moeder, wijlen Emmerentia Droste, weduwe Van Mewen van Keversbergh, op 20 juli 1726 gepasseerd voor notaris H. van Wetten te Dordrecht, is aangesteld tot voogd over haar minderjarige erfgenamen met macht van assumptie en surrogatie. Krachtens die bepaling benoemt hij nu tot medevoogd overColumbina Catharina van Mewen van Keversbergh,enige nagelaten minderjarigedochter van zijn overleden zuster, zijn zwager Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders, echtgenoot van zijn zuster Ammarante Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh. (ONA Dordrecht inv. 762, f. 18 e.v.)

– 3 dec. 1729: jonkheer Jan van Mewen van Hinsbrugh [sic] verhuurt voor 100 gl. per jaar en voor negen achtereenvolgende jaren aan Cornelia van de Camp, weduwe van Abraham Diepenbeeck, wonende te Dordrecht, een huis op de Groenmarkt, staande naast het huis, dat bewoond wordt door [Susanna Terwen,] de weduwe van Jacob Braets. De huur is ingegaan op 1 nov. 1729. (ONA Dordrecht inv. 762, f. 506 e.v.)

ORA Dordrecht inv. 1655, f. 183 e.v.: op 3 mei 1740 verkoopt Willem van Nispen, kanunnik van St. Jan te Utrecht, als procuratie hebbende van Jan van Mewen van Hensberg, wonende te Kleef, en Amaranta Elisabeth van Mewen van Hensberg, weduwe van Jacob Hardeme Palm, gouverneur van Heusden en kolonel in het Nederlandse leger, wonende te Dordrecht, doch verblijvende te Kleef, volgens procuratie gepasseerd voor notaris H. W, van Renesse te Kleef op 29 dec. 1739, voor 1100 gl. aan ds. Samuel Masson, predikant in de Engelse kerk te Dordrecht, een huis met wijnkelder en tuin, staande en gelegen in de Wijnstraat schuin tegenover de Hengstensteiger, belend door het huis van Gerret Thijsse aan de ene zijde en dat van Christiaan van Wisten aan de andere.

– 25 okt. 1740: Ammarantia Elisabeth van Mewen van Hinsbrig, weduwe van Jacob Hardemee Palm, gouverneur van Heusden en kolonel commandant van een regiment dragonders in dienst van de Verenigde Nederlanden, wonende te Dordrecht, als procuratie hebbende van haar broer, jonkheer Jan van Mewen van Hinsbrig, volgens procuratie gepasseerd op 5 okt. 1740 voor notaris H.W. van Renesse te Kleef, verkoopt aan Hendrik van Delwijnen enAbraham Bosselaar, diakenen van de Doopsgezinde Armen te Dordrecht, een obligatie ten laste van de provincie Holland, inhoudende 1500 gl., staande op naam van Theunis Jansz. Suerman en gedateerd 5 febr. 1645. Deze obligatie is Jan van Mewen van Hinsbrig aanbedeeld bij de scheiding van de nalatenschap van zijn moeder, volgens akte gepasseerd voor notaris H. vanWetten op 24 april 1729.(ONA Dordrecht inv. 771, f. 325 e.v.)

In het begin van de sodomietenprocessen in 1730 werd in Utrecht Zacharias Wilsma [geboren in Leeuwarden, 23 jaar oud] gearresteerd. Hij was niet de eerste, die alles onthulde. De oorspronkelijke aangevers waren anderen: de custos Wils en zijn kinderen. “Van Baden was daarop de eerste sodomiet die echt ging doorslaan, terwijl Corver ook veel namen noemde en gegevens verschafte. Maar Wilsma was in ieder geval wel degene die men zag als de ‘hoofd-sodomyt’ en voor het gerecht de ‘ideale’ getuige a charge werd.” Tot zijn Haagse connecties behoorden o.a. de besteder Jacob Backer uit Den Haag. Jacob Backer, de drost van Buren, Jacob van Wouw, schout van Delft, Nicolaas Okkerse, heer van Schonewal uit Zeeland, Cornelis de la Faille, oud-schepen van Delft, en een zekere baron van Meeuwen uit Dordrecht. (Boon, o.c., p. 44-45, 63)

Eerstgenoemde Jacob Backer was “besteder van knechts en dienstmeiden” in Den Haagen bemiddelde tussen heren die een bediende nodig hadden en knechten die op zoek waren een betrekking. Met dat doel wendde Wilsma zich in het najaar van 1726 tot Backer. Die kon hem niet onmiddellijk een betrekking bezorgen, maar bood hem aan bij hem in te trekken. Wilsma hoefde daarvoor niets te betalen, tenzij in nature, want het was tussen Backer en Wilsma herhaaldelijk tot sodomie (anale seks) gekomen, waarbij Wilsma steeds de passieve partij zou zijn geweest. Backer ontving dikwijls bezoekers. Daarbij was het toen nog niet duidelijk of hij optrad als besteder voorheren die een knecht zochten of als kontaktpersoon voor sodomieten. Eén van die bezoekers echter “was baron van Meeuwen tot Hynsburg geweest, die Wilsma op een fles wijn had onthaald maar daarna een poging tot sodomie zag mislukken, omdat de meid was binnengekomen met thee. Het was toen bij een wederzijdse masturbatie gebleven. Ook had Wilsma zo kennis gemaakt met een Dirck van Royen … , die hij eens bij de baron op schoot had aangetroffen. Van Royen … en de baron waren de gehele winter onafscheidelijk gebleven en de baron had zijn vriend als beloning voor wederzijdse masturbatieeen ring cadeau gegeven. Intussen was Van Meeuwen ook op Wilsma gevallen en had tot twee maal toe met hem in Backers huis sodomie gepleegd.” (idem, p. 99 en 115)

Backer werd in 1730 door procureur-generaal voor het Hof van Holland te Den Haag verhoord. Hij vertelde onder meer dat baron Van Meeuwen en Nicolaas Ockerse gewend waren geweest de knechten al “kruisend” op het Voorhout aan te spreken. Nadat zo contact was gelegd, konden zij dan in Backers huis hun gang gaan. Ook werden de afspraken wel in Backers huis gemaakt, waarna het tweetal dan met een knecht naar elders vertrok. (idem, p. 113)

Op 31 mei 1730 werd Jan Schut gehoord, 30 jaar oud en verkoper van koffie, thee, turf en hout. Op het moment van zijn aanhouding woonde hij te Den Haag in een kamer, waarvoor Van Meeuwen de huur betaald. Vóór zijn verhuizing naar die kamer was de baron klant bij Schut geweest, toen deze nog in snuiftabak handelde. De besteder Backer had eens geconstateerd dat Van Meeuwen en Schut elkaar hadden gemasturbeerd, terwijl hij en Belgrado [een Portugese jood, genaamd Samuel Cohen de Valenzo enbijgenaamd Belgrado, die bij Van Meeuwen in dienst was]toekeken. Een andere verdachte, Pieter van Steyn, verklaarde dat Van Meeuwen Schut eens gevraagd had om “een mooj jongh karel” te laten komen. Schut had de vraag doorgespeeld aan Belgrado, die met een knecht, Christoffel, genoemd was gekomen, die echter zei van hetgeen van hem gevraagd had niet gediend te zijn en zich verzet had, waardoor enig tumult was ontstaan. Dat was voor de kostjuffrouw aanleiding geweest Schut de huur van zijn kamerop te zeggen. In eerste instantie ontkende Schut de beschuldigingen van Wilsma, Backer en Van Steyn, maar in een later verhoor bekende hij dat hij met Van Meeuwen had afgesproken de kamer in de Molenstraat te huren “om die te gebruycken tot dat werck [homoseksuele contacten], en dat daeromme den baron van Meeuwen de huer van die kamer heeft betaaldt”. (idem, 115-118)

Johan van Meeuwen van Heynsberg werd op 2 sept. 1730 bij verstek gedagvaard. “Van hem is bekend dat hij nog drie keer werd geciteerd alvorens op 3 februari 1731 het vonnis van levenslange verbanning viel.” (idem, p. 186) Hij woonde ca. 1740 blijkbaar in Kleef, waar hij in 1750 is overleden.

ONA Breda inv. 708, akte 111: op 5 okt. 1751 verleent Ameranta Elisabeth van Meeuwen van Heijnsbergh, weduwe van Jacob Hardemee Palm, procuratie aan mr. Herman Franciscus Ketelanus, burgemeester van de Achten en secretaris van de Weeskamer van Dordrecht, om te voldoen het recht van het collateraal van de goederen, die zijn nagelaten door Jan van Meeuwen, overleden te Kleef in 1750.