Van Schellebeek

I. Hartlof Schellebeeck, leefde in of nabijElberfeld (tegenwoordig een deel van de stad Wuppertal in Noordrijn-Westfalen),trouwde naar schatting ca. 1600Mette Jansdr. (halfzuster van Seliken Jansdr., de vrouw van Coenraet Damisz. van der Linden, harnasmaker en later ijzerkoopman te Dordrecht)

Kinderen:
a. AnnaSchellenbeck, gedoopt (ref.) 20.02.1600 in Elberfeld (Taufpaten: Anna Pete Sibels Frau zur Fordt, Mettel Hausfrau im Grundt im Kirchspiel Lüttringhausen, Hermann Scharcht auf de Auen)

b.Johann Schellenbeck, gedoopt (ref.) 04.06.1601 in Elberfeld (Taufpaten: Johann von Kamt und Windand vom Erbstloe wohnet an der …, ein Hammerschmied, Trintgen Joanns Tochter in der Schellenbeck.)

c.Ursel Schellenbeck, gedoopt (ref.) 15.12.1604 in Elberfeld (Taufpaten: Ursel, Johanns Dochter in der Schellenbeck, Trintgen Johann Kampts Frau und Peter, Henns Sohn im Grund im Kirchspiel Lüttringhausen.)

d.Conrad(Coenraed) Hartloffsz. Schellenbeck, gedoopt (ref.) 28.02.1607 in Elberfeld (Taufpaten: Cordt in der Schellenbeck, Peter Sibels der Alte von der Fordt und Fengen, Johanns Frau Auf Erbloeh im Kirchspiel Lüttringhausen), volgt II

e.Ann Schellenbeck,gedoopt (ref.) 24.02.1610 in Elberfeld (Taufpaten: Ann Johanns.. aus der Schellenbeck nu an der Mugenburgs, im Kirchspiel Schwelm, Grietgen, Heins Tochter im Grund im Kirchspiel Lüttrringhausen und Hermann Essenbeck im Wardshoff.)

[Vriendelijke mededeling van mevr. B. Luedecke te Ratingen.]

II. Coenraet Hartlofsz. van Schellebeeck, gedoopt Elberfeld 28 febr. 1607 harnasmaker, later ijzerkoopmante Dordrecht, overleden Dordrecht 4 dec. 1675 (69 jaar oud, zerk in de Grote Kerk [W. Nijman, Hier leyt begraven. Grafzerken in de Grote Kerk te Dordrecht [Dordrecht z.j.], p. 66), trouwde 22 febr. 1637 Berbera Schiff Pietersdr., geboren ca. 1605, overleden 10 okt. 1677 (72 jaar oud, zerk in de Grote Kerk [Nijman, o.c., p.66]

De grafzerk van Coenraet van Schellebeeck, zijn vrouw Barbera Schiff, hun zoon Hartloff van Schellebeeck en diens vrouw Adamina Dibbets in de Grote Kerk van Dordrecht.

– 17 juni 1624: testeren voor notaris P. Eelbo Coenraet Damesz., harnasmaker en burger van Dordrecht en zijn vrouw Selijken Jansdr., beiden gezond. Zij herroepen hun huwelijkse voorwaarden, legateren aan de diaconie-huisarmen te Dordrecht een bedrag van 25 gl. en benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam van hun na te laten goederen. De langstlevende zal verplicht zijn hun kinderen te alimenteren, onderhouden, naar school te laten gaan en een beroep te laten leren “ende oock soo eenige van henlieden kinderen lust ende genegentheijt soude mogen hebben, omme te studeren ende daertoe bequaem zijnde, ’t selve te laten continueren ende studeren inde H. theologie”. De genoemde alimentatie zal duren tot de kinderen mondig zijn geworden of totdat zij gaan trouwen. De langstlevende zal hun dan tot onderstand van dat huwelijk, “onder hen allen ende gesamentlijken” een somma van 5000 gl. uitkeren. Hun oudste zoon Johannes zal van genoemd bedrag 200 gl. vooruit krijgen. Als de testateur eerder dan zijn vrouw komt te overlijden en al zijn kinderen vóór hun mondigheid of huwelijk zijn overleden, is zijn vrouw gehouden aan zijn naaste verwanten en erfgenamen ab intestato een bedrag van 475 daalders van 26 stuivers het stuk uit te reiken, “als den voorsz. testateur berustende heeft en hem noch competerende zijn, in zijn vaderlant int Lindtdorp in Berchslant, wegen zijn patremonije goet”. Van die 475 daalders zal zijn broer Alff, of bij vooroverlijden diens kinderen, 250 daalders krijgen, op voorwaarde dat Alffs zoon Coenraet daarvan “tot een gedachtenisse” vooruit een bedrag 25 daalders zal ontvangen. Testateurs andere broer Hendrick, of bij vooroverlijden zijn kinderen, zal dan van die 475 daalders een bedrag van 100 daalders krijgen en de nakinderen van testateurs vader zaliger, door hem verwekt bij Hilleken, zijn tweede vrouw, een bedrag van 125 daalders. Als echter die nakinderen komen te overlijden vóór de testateur en zonder wettige nakomelingen na te laten, zullen die 125 daalders vererven op testateurs broer Alff. Als de testatrice vóór haar man komt te overlijden en al hun kinderen vóór hun mondigheid of huwelijk zijn gestorven, moet de testateur aan haar broer Pieter Jansz. of zijn wettige nakomelingen een bedrag van 375 gl. Hollands geld uitkeren, van welk bedrag Pieters dochter Zelijken dan “tot een gedachtenisse” een somma van 75 gl. zal ontvangen. In dat zelfde geval zal de testateur aan Coenraet Schellebeeck, die bij de testateuren inwoont, een bedrag van 100 gl. geven, aan Coenraets twee zusters, die in Haarlem wonen, elk een bedrag van 50 gl. en aan Frederick Jansz., Arnoult Jansz. en Margriet Jansz., resp. de halfbroers en halfzuster van de testatrice, elk een bedrag van 6 gl. De testateuren benoemen elkaar tot voogd over hun minderjarige erfgenamen. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 14, f. 153 e.v.)

– 29 juni 1625: Coenraet Damesz. harnasmaker en zijn vrouw Selijken Jansdr. testeren. Dit testament is vrijwel gelijk aan het testament van 17 juni 1624. Het bedrag, dat aan de kinderen uitgekeerd zal worden wanneer zij gaan trouwen, wordt verhoogd naar 8000 gl. en het legaat voor de huisarmen naar 50 gl. Naast de langstlevende worden tot medevoogden benoemd Jan van Esch ladenmaker en Aelbert Jansz. [Redervelt] bakker. Getuigen: Sacharias Godel busmaker, inwoner van Dordrecht en Coenraet Schellenbeeck, neef van Selijken Jansdr., die bij de testateuren inwoont. (ONA Dordrecht inv. 16, f. 99 e.v.)

NG trouwboek Dordrecht 22 febr. 1637: Coenraet Hartlofs [van Schellebeeck] harnasmaker jongman van Ervervelt [= Elberfeld bij Wuppertal] wonende in ‘s-Hertogenbosch en Berbera Schif Pietersdr., van Aken wonende in ‘s-Hertogenbosch (proclamatie ald.)

ORA Dordrecht inv. 61, 19 mei 1649: ontvangen als inheems poorter Coenraet van Schellebeeck, geboortig in Berchslant, mits betalende 13 stuivers.

ORA Dordrecht inv. 777, f. 55v: op 29 sept. 1649 verkoopt Gerrit Thins aan Coenraet van Schellebeeq, burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, staande op de hoek van de Arijen Joppensteiger [Hoppenbiersteiger] tussen die steiger en het huis van juffrouw Sandelingh. Waarborg: Diederick Hoeuft, oudraad van Dordrecht. Koper kent schuldig aan verkoper een somma van 2000 gl.

ONA Dordrecht inv. 179, f. 347 e.v.: overeenkomst dd 1 juni 1660 tussen mr. Johannes Hadenbroch, staalsmid wonende te “Cherspelremsidt” in het Bergsland, en Coenraet Schellebeeck, ijzerkoper en burger van Dordrecht, betreffende de koop van zekere partijen bijl- en messtaal.

ONA Dordrecht inv. 184, f. 47 e.v.: overeenkomst dd 25 febr. 1672 tussen Coenraet van Schellebeeck, koopman te Dordrecht, en zijn zoon Pieter van Schellebeeck, koopman te Dordrecht, aangaande de eigendom van zeker erf liggende “bij ende waerop de gewesene Blaeuwe poort [de Blauwpoort op het Nieuwe Werck] gestaen heeft”, tussen het “innecomen” van de Nieuwe Haven en het huis en het erf van de erfgenamen van Gillis Jansz. van der Hulck. Het stadsbestuur van Dordrecht heeft op 25 sept. 1670 aan Pieter van Schellebeeck toegestaan om op dat erf een huis of huizen te bouwen. Het is voor tegen de stad 76 voeten lang, aan de zijde van Van der Hulck 61 voeten, aan de andere zijde van de haven 91 voeten en achter tegen de rivier 77 voeten. De overeenkomst betreft ook de opbouw en de verdeling van de twee huizen of woningen, die de twee contractanten op het erf laten bouwen.

Rechts op de foto de Blauwpoort (gebouwd in 1672 en afgebroken in 1910). Op de achtergrond de Engelenburgerbrug en de Grote Kerk.

16 febr. 1675: Hartloff van Schellebeeck, als procuratie hebbende van Coenraet van Schellebeeck, zijn vader, verhuurt voor 120 gl. per jaar aan Robbert Claesz., houtkramer en burger van Dordrecht, een huis in de Wijnstraat tegenover brouwerij “de Swaen”, staande tussen het huis van Adriaen van Blijenborch, heer van Naaldwijk en oud-burgemeester van Dordrecht, en het huis van verhuurder, dat wordt bewoond door Pieter Jansz. Hervendonck kleermaker. (ONA Dordrecht inv. 185, f. 207 e.v.)

24 juni 1676: overeenkomst tussen ds. Christianus van den Hatert, geassisteerd met ds. Johannes van den Hatert, predikant te Papendrecht, zijn zoon, enerzijds en Berbera Schiff, weduwe van Coenraet van Schellebeeck, geassisteerd met Hartloff van Schellebeeck, haar zoon, anderzijds, betreffende diverse borgtochten, die door hen en Coenraet van Schellebeeck zijn gepresteerd ten behoeve van Pieter van Schellebeeck, resp. hun zoon en schoonzoon. (ONA Dordrecht inv. 186, akte 60)

26 juni 1676: Berbera Schiff, weduwe van Coenraet van Schellebeeck, burgeres van Dordrecht, verklaart, dat zij bij wijze van donatie inter vivos (schenking onder de levenden) afstand doet aan haar zoons, Pieter en Hartloff van Schellebeeck, van alle goederen, die zij op dat moment bezit. Aan Hartloff worden toebedeeld: een huis aan de Blauwpoort naast de ingang van die poort en staande tussen het huis van zijn broer Pieter van Schellebeeck en het huis van Leonart van der Hulck, “werdende ’t selve, als mede ’t huijs vande voorn. Pieter van Schellebeecq van nu af aen voor volmaeckt gehouden”, zodanig dat elk van beide broerszijn eigen reparaties en alle ander onkosten zal moeten betalen. Hartloff krijgt verderalle nog uitstaande inschulden, zoals vermeld in hde schuldboeken van zijn overleden vader, een obligatie van 200 gl. kapitaal, enige platen ijzer, gewichten en andere winkelwaren en gereeedschappen. Hartloff heeft zich verplicht om zijn moeder bij zich in huis te nemen en haar tot aan haar overlijden te onderhouden. Hij zal haar ieder jaar een bedrag van 25 gl. uitkeren. Hartloffs vrouw, Adamina Dibbets, verklaart hierin toe te stemmen en bij vooroverlijden van haar man de door hem aangegane verplichtingen te continueren. Adamina zal bovendien nog een aantal schulden aflossen, waarvoor haar schoonvader t.b.v. zijn zoon Pieter borg heeft gestaan, en de daarop verlopen interesten betalen, nl. aan Cornelis van Aelst te Zwijndrecht 4000 gl., aan Adriaen Meijnaert 1500 gl. en aan Johannes Melanen ongeveer 600 gl. Aan Pieter van Schellebeeck zijn toebedeeld, ten eerste: een huis in de Wijnstraat, staande op de hoek van de Arijen Joppensteiger [Hoppenbiersteiger], tussen die steiger enhet huis van burgemeester Adriaen vanBleijenburgh, heer van Naaldwijk, of de kooppenningen, diede verkoop van dat huis zal opbrengen, op voorwaarde, dat die penningen uitgekeerd zullen worden aan Cornelis Belljaerts, in mindering van zekere somma van 4000 gl., waarvoor Coenraet van Schellebeeck en ds. Christianus van de Hatert t.b.v Pieter van Schellebeeck borg zijn gewordenen waarvan Berbera Schiff is gehouden te voldoen een somma van 3000 gl. Ten tweede: een huis op de Engelenburgerkade, staande tussen het huis van Wessel de Ruijter en dat van Jan Adriaensz. Verveer, op voorwaarde dat Pieter aan ds. Christianus van de Hatert, zijn schoonvader, zal betalen een somma van 1100 gl., waarvoor zijn moeder t.b.v. hem borg is geworden. Voorts is Pieter nog toebedeeld al het contante geld, dat hij van zijn ouders genoten heeft, boven op de 2/5 parten in de “timmeragie” en verdere onkosten van het huis aan de Blauwpoort, welke zijn ouders hebben moeten betalen. Pieter zal aan zijn broer Hartloff, behalve zijn eigen particuliere schulden, nog moeten voldoen een bedrag van 4000 gl. Hartloff zal al de kleren van zijn moeder krijgen,waarvoor hij gehouden zal zijn haar “een eerlijcke begraeffenisse aen te doen”. Beide broers zullen elk voor de helft de betaling van de 200e penning, waarin hun moeder is aangeslagen, op zich nemen.(ORA Dordrecht inv. 789, f. 110 e.v.)

23 juni 1678: voorwaarden, waarop Hartloff van Schellebeeck, daartoe gemachtigd door het Gerecht van Dordrecht, wil laten veilen een huis op de Engelenburger kade, staande tussen het huis van Wessel de Ruijter, veertigraad en koopman van Dordrecht, en dat van Jan Adriaensz. van der Veer, welk huis laatst eigendom is geweest van Barbara Schift, weduwe van Coenraet van Schellebeeck. Op 25 juni 1678in koop aangenomen voor 1675 gl. door Elias van den Brouck. (ONA Dordrecht inv. 369)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Pieter van Schellebeeck, geboren naar schatting ca. 1640 te ‘s-Hertogenbosch, koopman te Dordrecht,trouwde 1666 Magdalena van de Hatert, dochter van Christiaen van de Hatert en NN

NG trouwboek Dordrecht 23 mrt. 1666 (otr.) Pieter van Schellebeeck koopman jongman van ‘s-Hertogenbosch en Magdalena van de Hatert jonge dochter van Papendrecht wonende in de Wijnstraat.

10 dec. 1667: Pieter van Schellebeeck en zijn vrouw Magdalena van den Hatert, burgers van Dordrecht, benoemen de langslevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen. Als hun kinderen komen te overlijden voor hun mondigheid of huwelijk en als de langstlevende gaat hertrouwen, zal de langstlevende gehouden zijn aan de ouders van de eerststervende of anders aandiens broeders en zusters of hun nakomelingen een bedrag van 1000 gl. uit te keren. Wanneer de langstlevende echter niet gaat hertrouwen, zal hij of zij alle goederen, die de eerststervende zal nalaten,ineigendom ontvangen. (ONA Dordrecht inv. 181, f. 767)

5 juli 1669: Pieter van Schellebeeck, koopman te Dordrecht, verklaart,voor zichzelf en voor NN van Woensel koopman, gehuurd te hebben van Henrick van Lith de jonge, koopman te Dordrecht, het fregatschip “Sint Nicolaes”, tegenwoordig liggende aan de Lange Houten Brug te Dordrecht, om daarmee te varen naar Bergen in Noorwegen, het schip te Dordrecht te bevrachten met zodanige goederen, als zij, huurders, goedvinden zullen, en het te Bergen te laten bevrachten met stokvis en andere goederen. (ONA Dordrecht inv. 300, f. 124)

1671: “Alsoo questie ende geschil ontstaen was tusschen Pieter van Schellebeecq, coopman binnen … Dordrecht, ter eenre ende de Deeckens mitsgaders gemeene gildebroeders vant Maselaers Gilde alhier ter andere zijde, aengaende het arbeijtsloon int opsetten van Mopsteenen tot de aengeleijde Timmeragie vanden voors. Schellebeecq ontrent de Blaeuwe poorte”, waarvoor de dekens vroegen zes of ten minste 5 stuivers per 1000 stenen, en Schellebeeck maar bereid was te betalen 4 st. per 1000 stenen, heeft het Gerecht van Dordrecht besloten, dat Van Schellebeeck als werkloon 4 st. 8 pen. per 1000 stenen moet betalen, “waer mede dese questie doot aff ende te niette wesen sal”. (ORA Dordrecht inv. 12, f. 97, zonder datum, maar uit het jaar 1671)

2 febr. 1671: Willemijna van Mal, de vrouw van Henrick van Lith de jonge, koopman en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van haar man , enerzijds en Pieter van Schellebeeck, koopman en burger van Dordrecht, anderzijds, verklaren, dat tussen hen geschil is ontstaan, omdat, zoals Van Lith beweerde, hij door Van Schellebeeck “[voor] een merckelijcke somme beschadicht te sijn, door het stranden van het schip genaamt St. Nicolaes op de Jutse cust, bij … van Schellebeeck van hem van Lithgehuijrt, omme te bevragten van Dordregt opBergen in Noorwegen ende van daer wederom naer Dordregt … in sulcken voegen dat het stranden van het geseijde schip door versuijmenis ende retardiciteijt van … van Schellebeeck soude wesen gecauseert, ende alsulcx dat het … contract van huijre bij hem aen sijne zijde niet en soude sijn volbragt … waertegens van Schellebeeck ter contrarie sustinerende, pretendeerde van … van Lith reparatie ende vergoedinge van sijne geledene schaden ende interesten, [die] door … van Lith ontrent het stranden van het voorn. schip souden wesen veroirsaeckt”. Om verdere procedures en de daarmee gepaard gaande kosten te vermijden, besluiten de comparanten om de kwestie voor te leggen aan de arbitrage van Jacob Mirreboom, Adriaen van Sterrevelt en NN Kemels, procureur van de Hoge Raad in Holland. (ONA Dordrecht inv. 302, f. 279)

13 april 1675: Maerten van Leeuwen, gezworen makelaar te Dordrecht, verklaart op verzoek van Abraham van de Water, koopman in wijnen te Rotterdam, dat hij op 5 april 1675 op verzoek van Van de Water in het pakhuis van Pieter van Schellebeeck, koopman te Dordrecht, is geweest en hem toen heeft horen zeggen, dat hij alle wijnen, “droest ende moeren”, die hij in zijn pakhuis had liggen, uitgezonderd een hoeveelheid van 20 voeders, aan Van de Water had verkocht. (ONA Dordrecht inv. 306, f. 123)

24 febr. 1676: Pieter van Schellebeeck, koopman en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Magdalena van de Hatert verklaren op verzoek van Jan Adriaensz. van der Veer, koopman te Dordrecht,dat enige jaren geleden in hun huis is geweest Anneken van Haften, die toen nog niet getrouwd was en voeren handelde op de Maas, tegenwoordig getrouwd met Pieter Gerritsz. van Eijsden, wonende te Dordrecht, en dat zijhen, getuigen, toen verzocht heeft aan haar een zekere hoeveelheid stokvis te verkopen te betalen “mette reijs”. Toen zij dat haar geweigerd hebben, heeft Anneken gezegd, dat hun buurman, Jan Adriaensz. van der Veer, haar welazijn verkocht te betalen “mettereijs”. (ONA Dordrecht inv. 307, f. 57)

22 mei 1677: Johannes Melanen en Johan van der Hoop, beiden notaris te Dordrecht, als door het Gerecht van Dordrecht aangesteld tot curatoren van de goederen van Pieter van Schellebeeck, verkopen voor 9200 gl. aan Pieter de Wacker, koopman en burger van Dordrecht, een huis “neffens, ende over” de Blauwpoort, staande tussen het “inkomen” van de Nieuwe Haven en het huis van Hartloff van Schellebeeck. De koper neemt te zijnen laste een schuldbrief van 6000 gl., gepasseerd voor schepenen van Dordrecht op 11 okt. 1672, die Cornelis Beljaerts, oudraad van Dordrecht, op het huis sprekende heeft. (ORA Dordrecht inv. 790, f. 5v)

28 juni 1678: Hartloff van Schellebeeck, koopman te Dordrecht, gemachtigd door het Gerecht van Dordrecht, verkoopt voor 1675 gl. aan Catharina Codees [Codeus], burgeres van Dordrecht, een huis op de Engelenburgerkade, staande tussen het huis van Jan Adriaensz. Verveer en dat van Wessel de Ruijter. Compareert mede Franchois de Vroede, koopman wonende te Bordeaux, die verklaart het huis te ontslaan van het verband, dat hij erop heeft gehad, aangezien de kooppenningen ervan volledig aan hem zijn voldaan, en datin mindering van hetgeen Pieter van Schellebeeck aan hem schuldig is. (ORA Dordrecht inv. 790, f. 102)

1 juli 1678: compareren voor notaris J. van der Hoop te Dordrecht Francoijs de Vroudes, koopman in Bordeaux, en Hartloff van Schellebeeck, koopman te Dordrecht, en geven te kennen, dat Pieter van Schellebeeck op 26 mei 1676 ten overstaan van schepenen van Dordrecht verklaard heeft, dat hij ter voldoening van zekere wisselbrieven, die op hem getrokken zijn, zoals vermeld in zekere akte van borgtocht, op 27 mrt. 1676 door zijn moeder, Barbara Schift, en zijn schoonvader, dominee Christianus van den Hatert, ondertekend, alsmede van alle kosten, die daardoor gevallen zijn, en “tot meerder securiteijt” van Adriaen Braets, ten behoeve van diens “principalen”, namelijk Francoijs de Vroudes, verbonden heeft een huis in Dordrecht, op de plaats waar vroeger de Blauwpoort gestaan heeft. Comparanten verklaren voorts, dat Barbara Schift, voor het geval dathaar zoon Pieter niet binnennegen maanden de voornoemde wissels zou voldoen en uit de voornoemde hypotheek de wissels met alle daardoor geleden kosten niet zouden kunnen worden betaald,verbonden heeft haar huis op de Engelenburger kade, staande tussen het huis van Wessel de Ruijteren dat van Jan Adriaensz. van der Veer, evenwel voor niet meer dan 6000 gl., waarvoor zij en ds. Van den Hatert elk voor helft borg zouden staan. Comparanten verklaren vervolgens, dat het huis van Pieter van Schellebeeck verkocht is, maar dat dat “soo veel niet heeft mogen gelden” als de heer Beljaerts op het huis sprekende had, dat de borgen niet van hun borgtocht ontheven zijn en het huis op de Engelenburger kade verkocht is op 25 juni 1678 en na aftrek van de kosten een somma van 1664 gl. heeft opgebracht, welke door de eerstgenoemde comparant in mindering van het voornoemde bedrag van 6000 gl. ontvangen zijn. Derhalve resteert nog een bedrag van 4336 gl., welke voor rekening van de moedervan de tweede comparant, Barbara Schift, zou moeten komen. De comparanten zijn nu overeengekomen, dat de tweede comparant aan De Vroudes zal betalen een bedrag van 1500 gl., waarmee hem kwijtgescholden zal zijn al hetgeen De Vroudes nog op hem te pretenderen heeft. (ONA Dordrecht inv. 369)

18 jan. 1685: Johannes van den Hatert, predikant te Papendrecht enCornelia van den Hatert, bejaarde ongehuwde persoon, samen vervangende Pieter van Schellebeeck, wonende in Noorwegen, als man van hun zuster Magdelena van den Hatert, samen erfgenamen van Christiaen van den Hatert, predikant te Papendrecht, verlenen procuratie aan Willem Provoost, mr. chirurgijn en burger van Dordrecht, om te vorderen van de boedel van Cornelis Jacobsz. van der Heijden, in zijn leven wonende te Zevenbergen, een somma van 1000 gl., die de boedelhun schuldig is. (ONA Dordrecht inv. 244, f. 3)

Kinderen:

a-1. Barbara van Schellebeeck, gedoopt NG Dordrecht 2 febr. 1668

a-2. Christianus (Corstiaen) van Schellebeeck, gedoopt NG Dordrecht 30 mrt. 1670

a-3. Anna van Schellebeeck, gedoopt NG Dordrecht 17 dec. 1671, jonge dochter wonende te Amsterdam (1698),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 16 febr./2 mrt.1698 (volgens attestatie van ondertrouw te Amsterdam) Henrij Gras Walraven, gedoopt NG Dordrecht 17 april 1671, jongman van Dordrecht (1698), koopman te Dordrecht,zoon van Aernoudt Walraven en Catharina Gras

ONA Dordrecht inv. 194, f. 432: op 21 juli 1698 testeren Hendrick Gras Walraven , koopman en zijn vrouw Anna van Schellebeeck, wonende te Dordrecht. Zij herroepen eerdere wilsbeschikkingen, in het bijzonder het testament, dat de testatrice heeft gepasseerd ten overstaan van notaris G.de Groe in Amsterdam op 16 dec. 1697. De testateur benoemt tot zijn erfgenaam zijn vrouw, die gehouden zal zij aan hun kinderen de legitieme portie uit te keren. Indien hij kinderloos komt te overlijden, benoemt hij zijn vrouw eveneens tot erfgenaam zonder dat zij gehouden zal zijn iets aan zijn ouders of erfgenamen ab intestato uit te keren. Indien de testatrice de eerstoverlijdende is, legateert zij aan haar man een bedrag van 50.000 gl. en al haar huisraad en inboedel. Als hun kinderen mondig worden of gaan trouwen of indien haar man gaat hetrouwen, moet hij aan hun kinderen een bedrag van 10.000 gl. uitreiken. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij hun kinderen. Zij legateert aan haarnicht Anna Magdalena Lond al haar kleren. Indien zij zonder kinderen na te laten komt te overlijden, of indien die kinderen komen te overlijden voor hun mondigheid of huwelijk, benoemt zij tot haar erfgenamen haar broer Corstiaen van Schellebeeck en haar zuster Berbera van Schellebeeck of bij bij vooroverlijden hun kinderen, voor de ene helft en haar nicht Anna Magdalena Lond, dochter van haar overleden zuster Cornelia van Schellebeeck, voor de andere helft, op voorwaarde, dat haar ouders Pieter van Schellebeeck en Magdalena van den Hatert en haar oom ds. Johannes van den Hatert hun leven lang het vruchtgebruik van de door haar erfgenamen te erven goederen zullen hebben. Tot voogden benoemen de testateur en testatricede langstlevende van hen beiden, alsmede haar broer Christiaen van Schelelbeeck en haar oom ds. Johannes van den Hatert. Zij legateren aan de huisarmen van de NG diaconie te Dordrecht een bedrag van 150 gl.

ORA Dordrecht inv. 1638, f. 62v: op 7 juli 1700 verkoopt mr. Adriaan van Nooij, mansman van het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, voor 3333 gl. 6 st. 5 penn. aan Hendrick Gras Walraven, koopman te Dordrecht, een derde part in twee pakhuizen, staande op de Nieuwe Haven met twee woninkjes, staande achter de pakhuizen en uitkomende op de Hoge Nieuwstraat, belend door het huis van Johannes Ooberg, koopman te Dordrecht, en dat van de erfgenamen van Hovorst aan de andere zijde. De resterende twee parten zijn eigendom van de koper.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 7v e.v.: op 24 jan. 1701 verkoopt Johannes Oobergh, koopman te Dordrecht, voor 5500 gl. aan Hendrick Gras Walraven, koopman te Dordrecht, een huis met wijnkelder op de Nieuwe Haven, staande tussen de raffinaderij van de koper en het huis van de weduwe van Barent Backers. De koper neemt te zijnen laste een somma van 2500 gl., die resteert van een somma van 4000 gl., welke Cornelis Knollaert te Breda, als erfgenaam van notaris Arent van Neten op het huis sprekende had volgens een schepenenschuldbrief van 13 jan. 1676.

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 83v e.v.: op 12 febr. 1704 verkopen Adriaan Hagoort en Samuel de Moraaz, notarissen te Dordrecht, tevens vervangende notaris Albertus van Nievelt, als curators van de insolvente boedel van Henrij Gras Walraven, gewezen koopman en suikerraffinadeur te Dordrecht, voor 8000 gl. aan Antonij en Pieter de Bruijn. kooplieden te Dordrecht, twee naast elkaar staande pakhuizen, geschikt gemaakt tot een raffinaderij, met een fraai “wel door timmert” woonhuis errachter, staande op de Nieuwe Haventussen het woonhuis, dat tot voornoemde boedel behoort, en de pakhuizen van [naam niet vermeld],welke pakhuizen en woning beginnen van de Nieuwe Haven en van achteren uitkomen op de Hoge Nieuwstraat.

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 96v e.v.: op 23 april 1704 verkopen Adriaan Hagoort de oude, Albertus van Nievelt en Samuel de Moraaz, allen notarissen te Dordrecht, als curators van de insolvente boedel van Henrij Gras Walraven, gewezen koopman en suikerraffinadeur te Dordrecht, voor 5000 gl. aan Anna van Schellebeecq, echtgenote van Henrij Gras Walraven, een nieuw huis met paardenstal daarachter, uitkomende tot achter op de Hoge Nieuwstraat en staande op de Nieuwe Haven naast de raffinaderij, die is gekomen uit de boedel van voornoemde Gras Walraven.

Kinderen:

a-3-1. Anna Catrijna Walraven,gedoopt NG Dordrecht 18 sept. 1698, trouwde 1723 Bartholomeus van Schellebeeck

Trouwboek Gerecht Dordrecht 14 okt. 1723: ondertrouwd Bartholomeus van Schellebeek medicinae doctor weduwnaar van Dordrecht woont bij het Groothoofd en Anna Catharina Walraven jonge dochter van Dordrecht woont op de Nieuwe Haven geassisteerd met Anna van Schellebeek vrouw van Henry Gras Walraven haar moeder. “Alvorens het gaen der geboden is dese aenteekening geïnsinueert aen Henry Gras Walraven als vader vande voorsz. Anna Catrina Walraven sijnde hij wonende tot Vianen. Den 4 November 1723 hebben mijn Ed. heeren vanden Geregten geresolveert dat dese geboden voortgangh souden hebben en is dienvolgende het eerste gebodt geproclameert den 7 [nov. 1723].” Op 21 nov. 1723 getrouwd in de Waalsekerkte Dordrecht.

ORA Dordrecht inv. 1653, f. 19v e.v.: op 11 april 1760 verkopen mr. Paulus Bosveld, advocaat voor de Hoven van Justitie in DenHaag, en Bartholomeus van Schellebeeck, arts en veertigraad van Dordrecht, als executeurs-testamentair vanAnna Catharina Walraven, weduwe van Bartholomeus van Schellebeeck, arts en achtraad van Dordrecht, voor 1600 gl. aan mr. Johan Beudt, advocaat te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van de koper en dat van Jan Hoogwinkel, idem voor 2845 gl. aan Adriaan van Loon, koopman te Dordrecht, een huis op de Nieuwe Haven tussen de Roobrug en de Lange Houten Brug,met een vrije uitgang ernaast, staande tussen de pakhuizen van dr. Cornelis van Braam nomine uxoris en het pakhuis, dat op diezelfde dag werd getransporteerd aan Jan Ranck, idem voor298 gl. aan Jan Ranck, mr. zeilmaker en burger van Dordrecht, een pakhuis op de Nieuwe Haven, staande tussen de gang en huis, dat op diezelfde dag werd getransporteerd aan Adriaan van Loon, en het huis van Hendrik Adams, idem voor 675 gl. aan Denijs van Dongen, schipper en burger van Dordrecht, een huis op de Hoge Nieuwstraat, staande tussen het erf van het huis, dat op diezelfde dag werd getransporteerd aan Adriaan van Loon, en het huis, dat op diezelfde dag werd getransporteerd aan Jan Engels, en idem voor 266 gl. aan Jan Engels, burger van Dordrecht, een huis op de Hoge Nieuwstraat, staande tussen het huis, dat op diezelfde dag werd getransporteerd aan Denijs van Dongen, en het pakhuis van Hendrik Adams.

a-3-2. Pieter, gedoopt NG Dordrecht 27 mei 1700

a-4. Cornelia van Schellebeeck, gedoopt NG Dordrecht 8 febr. 1674,trouwde Gerecht/NG Dordrecht 10 aug. 1692 (ondertrouw, de bruid geassisteerd met haar moeder) Evert Lond, geboren Christiania (Noorwegen) (1692), luitenant onder overste Housman

Kind:

a-4-1. Anna Magdalena Lond, geboren Christiania (Noorwegen) ca. 1693, wonende te Amsterdam bij de Westerpoort (1711), trouwde Amsterdam 12 juni 1711 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Hartlof van Schellebeeck, de ouders van de bruid zijn overleden, zijn wordt geassisteerd door haar oom Christiaan van Schellebeeck) Coenraet van Schellebeeck, van Dordrecht wonende te ‘s-Gravenhage (1711)

b. Hartloff van Schellebeeck, volgt III

III. Hartloff van Schellebeeck, geboren ca. 1645 te ‘s-Hertogenbosch, koopman te Dordrecht, overleden Dordrecht 5 nov. 1718 (zerk in de Grote Kerk [Nijman, o.c., p. 66]), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 12 nov. 1718 (Hartlof van Schellebeek, naast de Blauwpoort),trouwde 1673 Adamina Dibbets, geboren ca. 1649, overleden Dordrecht 12 juni 1708 (zerk in de Grote Kerk [Nijman, o.c., p. 66])

NG trouwboek Dordrecht 23 juli 1673: Hartloff van Schellebeeck koopman jongman van ‘s-Hertogenbosch wonende in de Wijnstraat en Adamina Dibbets jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Munt [in de Voorstraat], getrouwd in Papendrecht op 6 aug. 1673)

16 juli 1673: huwelijks voorwaarden tussen Hartloff van Schellebeeck, geassisteerd met Coenraet van Schellebeeck, zijn vader, en Pieter van Schellebeeck, zijn broer, enerzijds en Adamina Dibbets, geassisteerd met dr. Johannes Besius en Michiel van der Kesel, haar zwagers, anderzijds. De bruidegom zal inbrengen alle goederen, die zijn ouders hem ten huwelijk zullen geven, en de bruid alle goederen, waartoe zij gerechtigd is, volgens de rekening daarvan gedaan door de kinderen en erfgenamen van ds. Henricus Dibbetius, haar oom zaliger. Als de bruidegom de eerststervende is, zal zij uit zijn goederen een bedrag van 2000 gl. ontvangen, alsmede de juwelen en ongemunt goud en zilver, die hij hierbij aan hem legateert. Als de bruid de eerststervende is, zal hij uit haar goederen een bedrag van 1200 gl. ontvangen, alsmede de juwelen en goud en zilveren, die zij hierbij aan hem legateert. (ONA Dordrecht inv. 184, f. 257a)

14 aug. 1677: Hartloff van Schellebeeck, gemachtigd door het Gerecht van Dordrecht, verkoopt aan Adriaen Meijnaert voor 3000 gl. een huis in de Wijnstraat aan de havenzijde, staande tussen het huis van Adriaen van Bleijenburg, heer van Naaldwijk, oud-burgemeester van Dordrecht, en de Hoppenbiersteiger. (ORA Dordrecht inv. 790, f. 47v)

28 aug. 1677: Hartloff van Schellebeeck, koopman en burger van Dordrecht, is schuldig aan Cornelis Beljaerts, oudraad van Dordrecht, een bedrag van 3000 gl., verbindende het huis, waarin hij woont, staande naast de Blauwpoort tussen het huis, gekocht door Pieter de Wacker en de stal en het koetshuis van Leonart van der Hulck. (ORA Dordrecht inv. 790, f. 50v)

Kinderen (o.a):

a. Coenraet, volgt IV

b. Bartholomeus van Schellebeeck, gedoopt NG Dordrecht 15 okt. 1693, arts te Dordrecht, begraven ald. 16 dec. 1757 (Barthlomeus van Schellebeeck, medicinae doctor, lid van de Achtraad, met 7 koetsen extra), trouwde 2e 1723 Anna Catharina Walraven

Trouwboek Gerecht Dordrecht 14 okt. 1723: ondertrouwd Bartholomeus van Schellebeek medicinae doctor weduwnaar van Dordrecht woont bij het Groothoofd en Anna Catharina Walraven jonge dochter van Dordrecht woont op de Nieuwe Haven geassisteerd met Anna van Schellebeek vrouw van Henry Gras Walraven haar moeder. “Alvorens het gaen der geboden is dese aenteekening geïnsinueert aen Henry Gras Walraven als vader vande voorsz. Anna Catrina Walraven sijnde hij wonende tot Vianen. Den 4 November 1723 hebben mijn Ed. heeren vanden Geregten geresolveert dat dese geboden voortgangh souden hebben en is dienvolgende het eerste gebodt geproclameert den 7 [nov. 1723].” Op 21 nov. 1723 getrouwd in de Waalsekerkte Dordrecht.

2 juni 1722: Jan van Bockum, koopman te Dordrecht, zoon en mede-erfgenaam van Gerrit van Bockum, zijn vader, en mr. Pieter van Wingerden en Huijbert Kuijpers, als voogden over de nagelaten dochtersdochter en mede-erfgename van Gerrit van Bockum, verkopen voor 3000 gl. aan Bartholomeus van Schellebeecq, medicinae doctor te Dordrecht, een huis met wijnkelder in de Wijnstraat, staande tussen het huis, dat wordt bewoond door Elisabeth de Vries, en dat van Franchois van Wageningen. (ORA Dordrecht inv. 813, 165v e.v.)

Erfgoedcentrum DiEP, archief 27 inv. 12, f. 265v, Acta van de NG Kerkenraad te Dordrecht dd 1 mei 1721: “Rapporteerd D. de la Coste uijt naam van Dr. Schellebeek, dat de liefdegaaven van dese E. Vergaderinge reedts aan sijn broeder te Rochelle overhandigt waaren, en tot soulaas der verdrukte broederen aldaar waaren uijtgedeeld, betuijgende voor deselve haare dankbaarheid: ’t geene met te grooter genoegen is aangehoord, omdat meteen berigt wierd, dat de verlossinge van die ellendigen nu kort op handen was.”

ORA Dordrecht inv. 823, f. 15 e.v.: op 5 mrt. 1750 verkopen Jan Batenburg en Adriaan van der Blijck, burgers van Dordrecht, als executeurs-testamentair en voogden over de minderjarige erfgenamen van Catharina Regel, die te Dordrecht overleden is, aan Bartholomeus van Schellebeek, achtraad en arts te Dordrecht, voor 650 gl. een huis op de Hoge Nieuwstraat, staande tussen het huis van de koper en dat van Hendrik Adams, komende achter tegen het huis van de koper.

Uithet tweedehuwelijk o.a.:

b-1. dr. Bartholomeus van Schellebeeck jr.,gedoopt NG Dordrecht 27 juni 1726, jongman van Dordrecht wonende in de Wijnstraat bij het Groothoofd (1756),arts te Dordrecht, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 21 april 1756 (aan huis, de geboden gaan in de Waalse kerk, de bruidegom geassisteerd met zijn vader dr. Bartholomeus van Schellebeek, de bruid met haar oom ds. Cornelius van Braam)Johanna Maria Lentfrinck, jonge dochter van Vianen wonende in de Wijnstraat bij de Beurs (1756)

NG trouwboek Vianen 9 mei 1756: dr. Bartholomeus van Schellebeek jongman geboren en wonende te Dordrecht en Johanna Maria Lentfrinck jonge dochter geboren te Vianen en wonende te Dordrecht zijn in de kerk van Vianen “ten tijde der catechisatie na de predicatie den 9 Maij 1756 (na vertoning, dat de drie houwelijkse Proclamatiën te Dordrecht zonder verhindering gegaan waren)” getrouwd.

ORA Dordrecht inv. 1664, f. 36v e.v.: op 5 juli 1763 verkoopt mr. Ocker Gevaerts, lid van de Oudraad, als procuratie hebbende van Jacoba van Bochoven, weduwe van Adriaan Braats, burgemeester en lid van de Oudraad van Dordrecht, en van Henrietta Franchoisa Braats, zijn, comparants, echtgenote, voor 7000 gl. aan Bartholomeus van Schellebeek, arts en achtraad van Dordrecht, een huis, genaamd “den Gulden Os’, staande op de Groenmarkt, met een stal, koetshuis en woninkjes erachter,uitkomende op de Varkenmarkt, alsmede een huis, genaamd “den Klijnen Os”, staande aan de oostzijde van”de Gulden Os, en een huis aan de westzijde van “den Gulden Os”.

IV. Coenraet van Schellebeeck, gedoopt NG Dordrecht 27 mei 1674, woonde (tenminste vanaf 1721) in La Rochelle (F.), trouwde Amsterdam 12 juni 1711 (ondertrouw) Anna Magdalena Lant (Lond), geboren te Christiania (Noorwegen) ca. 1693, dochter vanEvertLond en Cornelia van Schellebeeck

Erfgoedcentrum DiEP, archief 27, inv. 14, f. 90v, Acta van de NG Kerkenraad te Dordrecht dd 28 juli 1735: “Do. Praeses bragt in, dat de Hr. Dr. Schellebeek verzogt aan de E. kerkeraad, dat de 3 kindere van sijn E. broeder Coenraad de Schellebeek te Rochel gedoopt door een Luthersche predikant Andreas Trap in’t doopregister berustende binne de kerk van Dordrecht mogte werden aangetekend, welk verzoek steunende op volledige attestatijen Sijn Ed. geaccordeerd is, zie ’t Doopregister op den 19 febr. 1735.”

[In het NG doopregister van Dordrecht staat bij 19 febr. 1735, dat op die dag in La Rochelle drie kinderen zijn gedoopt van Conraad de Schellebeek en Anna Magdalena Land, genaamd Catharina Barbara, Christianus Bartholomeus en Johannes Petrus.]

[Zie ook: Dordrecht Monumenteel, Nummer 35, april 2010, p. 7 e.v.]

Kinderen (o.a.):

a. Christianus Bartholomeus van Schellebeeck, gedoopt La Rochelle (Fr.) 19 febr. 1735, koopman, overleden ald. 13 mei 1796