Berck

Gedeeltelijk overgenomen uit Mathijs Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677), deel II, p. 939 e.v.

Zie ook de pagina over het huis “De Berckepoort” op deze website.

Literatuur:

W. Blok, Het Huys te Goidschalxoord. Contentes Praesentibus, Speramus Meliora. (Zutphen 1980)

I. Jan Berck, geboren naar schatting ca. 1495, overleden na 6 aug. 1544,trouwde Agneta van Duysseldorp, woonden te Emmerich

Jan Berck en Agneta van Duysseldorp (foto: Erfgoedcentrum DiEP)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Matthijs Jansz. Berck, volgt II

b. Henrick Berck, geboren naar schatting ca. 1525,trouwde Lucretia van Jeuckeren Dircksdr.

Uit dit huwelijk:

b-1. Jan Berck, overleden vóór 13 aug. 1586, vermoedelijk te Emmerich,trouwde Anna van Huijs

b-2. Dirck Berck Henricksz., geboren ca. 1551, trouwde Erkenraad van Berkenroede

– 16 jan. 1577: ontvangen als gildebroeder van het Houtkopersgilde Dirck Berck Hendriksz., betaalt 1 gulden. (Gildenarchieven Dordrecht, inv. 8, f. 44)

– 23 jan. 1587: verklaring op verzoek van Wendelke [Spijckers], weduwe van Jacob van Castro, door Dirck Berck, ongeveer 36 jaar oud, wijnkoper en burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 40v)

Kinderen (o.a.):

b-2-1. Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, griffier van de Munt van Holland (1613), trouwde 15 mei 1607 Johanna van Diemen, dochter van Jacob van Diemen en Margareta van Beaumont Jansdr.

ORA Dordrecht inv. 1601, f. 31 e.v.: op 12 mrt. 1624 pacht Oth Cornelisz., wonende buiten de Spuipoort, van Johan Berck Dirksz., lid van de Oudraad te Dordrecht, voor 7 jaar, ingaandein mrt. 1623,alle weilanden, die Johan Berck voor zichzelf bedijkt heeft, zowel op grond van de Merwede, als op Dubbeldam, liggende aan de noordzijde van Dubbeldam. De pachtsom bedraagt 340 gl. per jaar. De pachter verbindt hiervoor zijn huis, waar tegenwoordig uit hangt “Ierlandt”, met een schuur, berging en een werf aan het genoemde huis, samen staande en liggende buiten de Spuipoort, alsmede zijn paarden [en andere beesten?]. Oth Cornelisz. belooft de weilanden gedurende de pachtperiode behoorlijk te “weijden” en met beesten “beslagen” te houden, en zal het landnoch in het geheel, nochgedeeltelijk, mogen “hoeijen”.

ONA Dordrecht inv. 176 (geen folionrs.): op 8 juli 1666 testeert Johanna van Diemen, weduwe van mr. Johan Berck, burgemeester van Dordrecht, ziek in bede liggende. Zij bevestigt het testament, dat zij met haar man heeft gemaakt ten overstaan van notaris C. van Bijwaert te Dordrecht op 12 juni 1651, alsmede het codicil, dat zij heeft gemaakt ten overstaan van notaris J. Cop te Dordrecht op 24 mrt. 1656, voor zover niet strijdig met het hierna volgende. Tot erfgenamen benoemt zij de kinderen van haar zoon mr. Dirck Berck, haar dochter Emmerentia Berck, weduwe van Christiaen Snellen, haar dochter Margareta Berck, tegenwoordige echtgenote van Johan Halling, oud-burgemeester van Dordrecht, en de kinderen van haar dochte rErckenraet Berck, weduwe van Johan Repelaer, elke staak voor een vierde part. Zij legateert aan haar dochter Emmerentia Berck haar kleren. Aan haar behoeftige “vrienden” legateert zij haar kleren, die “van weinich importantie” zijn. Zij wenst, dat haar erfgenamen aan de dienstbodes, die tijdens haar overlijden bij haar inwonen, zullen uitkeren zodanige bedragen “als deselve naar discretie sullen goetvinden”. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar schoonzoon Johan Hallingh en mr. Adriaen van der Mast, lid van de Oudraad te Dordrecht.

ORA Dordrecht inv. 1625, f. 99v: op 2 juni 1676 verkopen “Johan Hallincq, Out Borgemr. ende mr. Pompejus Berck, heere dircxs, Schepenen in Wette deser Stadt Dordrecht als mede Erffgenaemen van wijlen Vrouwe Johanna van Diemen weduwe ende Boedelhouster was van za.r gedachte de heer mr. Johan Berck, in sijn leven mede Borgemeester alhier ter Stede indier qualiteijt voor haer selven ende noch vervangende hun sterckmakende, ende de rato Caverende voorde andre mede Erffgenamen van opgemelte Vrouwe Johanna van Diemen”, voor 2300 gl. aan Arijen Arijensz. een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van de erfgenamen van Jacob Stoop en dat van Damas van Slingelant.

Kinderen (o.a.):

b-2-1-1. Margareta Berck(s) Johansdr., jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1640), trouwde NG Dordrecht 16 sept./2 okt. 1640 Johan Hallincg Hermansz., jongman van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk (1640), achtraad van Dordrecht

b-2-1-2. mr. Dirck Berck Jansz.,jongman van Dordrechtwonende in het Steegoversloot (1635), licentiaat in de rechten, trouwde NG Dordrecht 21 okt./6 nov. 1635 (procl. in de Waalse kerk)Johanna de Roovere, jonge dochter van Dordrecht wonende aan de Grote Kerk (1635)

ORA Dordrecht inv. 1621, f. 58: op 11 nov. 1665 verkoopt Johan Berck, als procuratie hebbende van Johanna de Rovere, weduwe van mr. Dirck Berck, schepen van Dordrecht, voor 1500 gl. aan Susanna Stevens, weduwe van Lodewijck van der Heijden, een huis in de Oude Houttuin [Voorstraat],genaamd “de Spiegel”, staande naast het huis van ds. Franchois Dibbits.

ORA Dordrecht inv. 1622, f. 26: op 8 mei 1668 verkopen”mrs. Pompeus en(de) Johan Berck, soonen van za: d’heer mr. Dirck Berck in sijn leven vuijt den Outrade deser Stede, voor hen selven en als last en procuratie hebbende van Jouffr. Johanna de Rovre weduwe wijlen den voorn. heer mr. Dirck berck haere moeder”, voor 14.000 gl. aan Adriana Reijms, de vrouw van Raphel Bressij, koopman te Dordrecht, een huis op de Groenmarkt, strekkende voor van de straat tot achter op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis van mr. Diederich Hoeft en dat van Abraham Terwe.

Kinderen (o.a.: allen NG gedoopt in Dordrecht):

b-2-1-2-1. Pompejus Berck, 1 febr. 1641

b-2-1-2-2. Jan Berck, 7 sept. 1643

b-2-1-2-3. Margriet Berck, 7 mei 1646

b-2-1-2-4. Dirck Berck, 14 mrt. 1649

b-2-1-3. Emmerentia Berck Jansdr., jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1638),trouwde NG Dordrecht 26 sept/12 okt. 1638 Christiaen Snellen, jongman van Breda (1638), ambachtsheer van Werkendam

b-2-1-4. Erckenraet Berck, trouwde Johan Repelaer

II. Mathijs Berck, geboren naar schatting ca. 1520,wijnkoper te Dordrecht, overledentussen 1 juni 1582 en4 okt. 1583, trouwde naar schatting ca. 1560Wilhelmina Tack, geboren ca. 1536, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht okt. 1604 (A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerck te Dordrecht [Sliedrecht 1998], p. 85), dochter van Huybert Tack en Anna van Alblas Willemsdr.

– 5 dec. 1535: Hubert Tack wordt lid van het Houtkopersgilde te Dordrecht. Hij heeft drie kinderen en betaalt 7 Rijnse gl. 10 st. (Gildenarchieven Dordrecht inv. 8, f. 24)

– 9 jan. 1543: Huijbrecht Tack verkoopt Pieter Gheritsz. op Scarlaken een jaarlijkse losrente van 50 gl., verzekerd op een huis genaamd “de Drie Coningen”, staande aan de Poortzijde [Wijnstraat] bij de Nieuwbrug tussen het huis genaamd “die Clock” en het huis genaamd “Cleijn Spaengien”. “Tot meerder zekerheijt” draagt Tack aan Pieter Gheritsz. over een rentebrief van 200 gl. jaarlijks ten laste van de Prins van Oranje. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 87)

– 6 aug. 1544: Mathijs Jansz. Berck, koopman van wijnen te Dordrecht, als gemachtigde van zijn vader Jan Berck, verleent procuratie ad recipienda debita aan Zijmon Cloppenborch. (ORA Dordrecht inv. 694, akte 96)

– 13 sept. 1544: Anna Willemsdr., echtgenote van Huijbert Tack, verleent procuratie aan Willem Heerman, poorter van Brielle. (ORA Dordrecht inv. 694, akte 121)

Huijbert Tack had uit een buitenechtelijke relatie met een onbekende vrouw een natuurlijke dochter, Anna,aan wiein 1550drie Vlaamse ponden lijfrente betaald werd door de stad Dordrecht. (Stadsarchief Dordrecht nr. 11, inv. 447, f. 61)

– ca. 1560: Matthijs Berck wordt door zijn huwelijk met Wilhelmina Tack eigenaar van een gebouwencomplex, dat zich uitstrekt van de Voorstraat (bij de Nieuwstraat) tot aan de Hofstraat. Het gebouw wordt later naar de familie Berck “de Berckepoort” genoemd. (Zie 50e penning van Dordrecht anno 1580.)

De Berckepoort in de Nieuwstraat

[“[D]eBerckepoort [dateert] van het midden van de zestiende eeuw. Al is er veel aan het gebouw [of beter: het complex van gebouwen] verknoeid en werden de topgevels, onbekend wanneer, alle afgebroken, toch maakt het nog steeds een imposante indruk … Het is een van die grote zestiende-eeuwse huizen welke door de handelaars in Rijnwijn gesticht werden. Hoewel de naam sedert het eind van de zestiende eeuw Berckepoort is, was de stichter toch een ander, namelijk Huijbert Tack, een wijnhandelaar die zich in 1544, uit Emmerik komend, in Dordrecht vestigde. Later kwam het huis door het huwelijk van een dochter, Wilhelmina Tack, aan Matthijs Berck. Het kwam met een poort uit aan de Voorstraat, zoals ook nu nog [in 1974]. Toen in 1616 een huis er naast verkocht werd, noemde men als belendend pand, de Poort van de heer Berck, later kortweg Berckepoort. Het ondergedeelte, uitkomende in de Nieuwstraat, diende voor wijnkelders. Oorspronkelijk behoorden de huizen aan de Voorstraat naast de Poort er toe en reikte het pand tot de Hofstraat, waar het eindigde in een huis dat in 1911 afgebroken werd. Het huis aan de Voorstraat werd reeds in 1587 verkocht aan boekdrukker Pieter Verhaghen. (Lips, o.c., deel II, p. 315)]

– 8 mei 1561: Mathijs Berck verkoopt aan Jan Jansz. vaatspoelder een huis in de Nieuwstraat, staande tussen zijn, Mathijs Bercks, huis en dat van de weduwe van Jacob Corstensz. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 18 ponden Vlaams. (ORA Dordrecht inv. 723, f. 22)

– 4 mei 1566: Mathijs Berck, koopman van Rijnse wijnen, burger van Leenrdam, verleent procuratie aan zijn broer Henrick Berck, om namens hem te innen en in ontvangst nemen, al hetgeen hem te Keulen of daaromtrent, of in het Land van Gulik, Berg of Kleef, aanbestorven zal mogen zijn. (ORA Dordrecht inv. 705, akte 366)

– 1575: Matthijs Berck heeft een huis en plaats met nog andere huizen “daaraan responderende” tot in de Nieuwstraat, in welk huis hij woont, “wesende thoff van Z. Extie. van mijn heere den Prinche van Oraenguen”, is in het geheel getaxeerd op 2500 gl. (100e penning Dordrecht, f. 193):

– 20 mei 1578: Matthijs Berck, koopman van wijnen te Dordrecht, verleent procuratie aan Pieter Tack, “zijnen neve”, wonende te Oosterhout, om voor hem te innen al hetgeen men hem schuldig is in Breda, het land van Breda, Zevenbergen, de Langstraat en elders. (ORA Dordrecht inv. 734, f. 25v)

– 1 juni 1582: Mathijs Berck, koopman van wijnen te Dordrecht, is borg voor Jan Ghijsbrechtsz., Willem Ghijsbrechtsz. en Ewout Jansz. van Rotterdam, man en voogd van Maria Ghijsbrechtsdr. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 343v)

-4 okt. 1583: Wilhelmina Tackx, weduwe van Matijs Berck, als aangenomen hebbende het proces, dat Matijs Berck is aangegaan tegen Henrick Michielsz. of diens weduwe en erfgenamen, verleent volmacht aan Cornelis Beuckelair, procureur in Den Haag, om tegen voornoemde weduwe en erfgenamen te procederen. (ORA Dordrecht inv. 715, f. 108v e.v.)

– 1 febr. 1584: jonkvrouwe Wilhelmina Tacx, weduwe van Mathijs Berck, ongeveer 47 jaar oud, legt een verklaring af . (ORA Dordrecht inv. 737, f. 363)

– 14 okt. 1585: Guillelmina Tacx, weduwe van Mathijs Berck, verbindt in plaats van waarborg een huis aan de Landzijde [Voorstraat], staande tussen het grote huis, waarin zij woont en het huis van Pieter Gijsbrechtsz. schoenmaker en wel “tot verseeckertheijt ende bevrijdinge van Adriaen Antonisz. aende welcke sij comparante vercoft … heeft seecker huijs ende hoffstadt … staende tot Leerdam in de Kerckstraet.” (ORA Dordrecht inv. 738, f. 258v)

ORA Dordrecht inv. 717, f. 71v e.v.: op 15 april 1587 verkoopt Guilhelmina Tacx, weduwe van Mathijs Berck, koopman van Rijnse wijnen, aan Pijeter Verhagen boekdrukker een huis aan de Landzijde omtrent de Wijnbrug, staande tussen de poort van het huis van verkoopster en het huis van Pieter Gijsbertsz. schoenmaker, met alzulkegerechtigdheid van muren aan de zijde van Pieter Gijsbertsz. als de verkoopster het in eigendom gehad en geërfd heeft, en met zijn vrije waterloop door het huis, dat toebehoord heeft aan wijlen Jan Jansz. vaatspoelder en nu eigendom is van de weduwe van Helias Tack. Koper is schuldig een somma van 1000 gl.

– 15 jan. 1588: verklaring t.b.v. Willem Otten, bode van de stad Emmerich, door Wilhelma Bercks, weduwe van Mathijs Berck, circa 51 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 39)

– 14 mrt. 1588: Wilhelmina Tack, weduwe van Mathijs Berck, 51 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 75v)

– 1588: door de stad Dordrecht betaald aan Wilhelmina Tack, weduwe van Mathijs Berck, 54 ponden 17 schellingen 4 deniers van 40 groten het pond, “ende dat over volle betalinge vant gundt de selve weduwe van deesen Steede competeert bij sloote van zeeckere afreeckening mette selve weduwe opten [18 sept. 1588] gemaect vande Tractemente bij de voorn. Berck deur laste vande Regeerders deeser Steede gedaen zoo aen zijne Excellentie den Prince van Orangien hooge Memorien, de Grave van der Marck ende de heere van Batenborch mitsgaders vande [500 ponden] haer toegeleijt voor haer gepretendeerde achterweesen van schade moeijte verlies ande anders bij haer geleden ende gehadt van dat in haeren huijse van den aenbeginne der Troublen [de Nederlandse Opstand] tot den voorsz. daege de heeren ende oversten gelogeert zijn geweest”. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2910, f. 51v e.v.)

Kinderen:

a. Johan Berck, volgt III

b. Agnes Berck, trouwde Willem Edmont, Ridder, kolonel van een Regiment Schotten, overleden in 1606

c. Anna Berck, trouwde Henrik Roosboom, schepen en secretaris te Middelburg

d. Huybert Berck

e. Willem Berck

III. Johan Berck, ridder, geboren ca. 1565, schepen van Dordrecht, eerste raadpensionaris van Dordrecht (1621), Nederlands ambassadeur in Venetië, overleden te Dordrecht in aug. 1627,begraven in de Augustijnenkerk ald. aug. 1627, trouwde 1e ca. 1590 Erkenraad van Berkenroede, weduwe van Dirk Berck Henriksz. (zie I-b-b-2), 2e NG Dordrecht 4/20 april 1621 Maria Buysen, trouwde 1e Johan van de Corput, rentmeester van de prinselijke domeinen van de Hoge en Lage Zwaluwe, dochter van dr. Kornelis Buysen en Maria Hanekops

ORA Dordrecht inv. 765, f. 41: op 7 mei 1624 verkoopt mr. Mathijs Berck, licentiaat in de rechten, secretaris van Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn vader Johan Berck, ridder, ambassadeur van de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden bij de Republiek Venetië, schepen in wette van Dordrecht, als man en voogd van Maria Buijsen, voor 10.000 gl. aan mr. Gerardt Schaep, licentiaat in de rechten, een huis omtrent de Grote Kerk, staande tussen het huis van Johan Govertsz. van Beaumont en dat van de weduwe van Dierick Jansz. Constabel, met een mouterij, het huisje, waarin de moutmaker woont, de tuin en het erf daarachter en alle bijbehorende gerechtigdheden, zoals uitgangen ter weerszijden van het huis van mr. Herman Halling en achter doorde houttuin van Dierick Pietersz. van de Honaert,en “gotieren, waterloopen” etc.

ORA Dordrecht inv. 766, f. 18: op 7 mei 1626 compareren Herman Halling, oudraad van Dordrecht, voor de ene helft en Jacob van de Corput, oudraad van Dordrecht, als procuratie hebbende van Johan Berck, ridder, ambassadeur van de Hoogmogende Heren Staten Generaal der Verenigde Nederlanden bij de Serenissime Republiek van Venetië, als getrouwd hebbende Maria Buijsen, voor de andere helft, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Pieter Willemsz. Schepens op 25 sept. 1622. Zij verkopen aan Jan Jorisz. korenkoper een huis in de Grotekerksbuurt aan de havenzijde, staande tussen het huis van Willem Sieren en dat van Liedewij Diters Cornelisdr. Kennen betaald. Promittit quitare.

Giovanni I Cornaro was doge van Venetië (1625-1629) toen JohanBerck daar Nederlands ambassadeur was.

– 20 aug. 1627:bericht wordt aan Den Haag, dat ambassadeurBerck te Dordrechtis overleden. Diens erfgenamen willen graag weten in welke hoedanigheid zij hem dienen te begraven.
Vanaf het moment dat ambassadeurs hier voet aan wal zetten, zijn zij geen vertegenwoordigers meer van [de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden]. Zij kunnen Bercks begrafenis dan ook regelen zoals zij willen, echter zonder diens rang van ambassadeur. (www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BesluitenStaten-generaal1626-1651/silva/sg/resoluties?advanced=1&persoon_ids:int=88922)

ORA Dordrecht inv. 767, f. 66v e.v.: op 21 april 1629 verkoopt mr. Gerrit Schaep, licentiaat in de rechten, aan Maria Buijsen, weduwe van Johan Berck, ridder, in zijn leven ambassadeur van de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden bij de Republiek Venetië, een huis omtrent de Grote Kerk, staande tussen het huis van Jan Lambertsz. schoolmeester en de weduwe van Dirck Jansz. Constapel. Koopster isschuldig aan verkoper een bedrag van 10.000 gl.

Hij werd in 1626 aangeslagen voor een vermogen van 200.000 gl. (zie 1000e penning Dordrecht anno 1626, f. 91)

Johan Berck werd begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht. “Later werd aan een der zuilen boven zijn graf een marmeren tafel opgehangen met zijn beeltenis uit wit Italiaans marmer gehouwen erboven. Voortsstond er in gouden letters een latijnse tekst op.” (A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerk te Dordrecht [Sliedrecht 1998], p. 115)

Kinderen (ex 1):

a. Matthijs Berck,geboren 1591, volgt IV

b. Dorothea Berck Jansdr., geboren 1593, “van Dordrecht” (1616),trouwde NG Dordrecht 23 okt./22 nov.1616 (proclam. te Amsterdam)Joseph(us) Balthasarsz.Coeijmans, geboren Hamburg 1 aug. 1591,”van Amsterdam” (1616), zoon van Balthasar Coymans en Isabella (Elisabeth) de Pickere [Wikipedia]

Josephsvader, Balthasar Coymans, was in 1631, met een vermogen van 400.000 gl., de op twee na rijkste inwoner van Amsterdam. (J.I. Israel, De Republiek 1477-1806 [Franeker 2001], p. 383)

Dorothea Berck, geschilderd door Frans Hals in 1644

– 29 dec. 1683: Dorothea Berck, vrouwe van Alblasserdam, weduwe van Joseph Coijmans, tegenwoordig wonende te Dordrecht, “eenichsints indispoost naer den lichaeme”, testeert voor notaris J. van der Hoop te Dordrecht. Zij bevestigt de akte van donatie, gepasseerd voor dezelfde notaris op 16 jan. 1682, en herroept al haar eerdere testamenten, codicillen e.d., in het bijzonder de akte van approbatie, die zij, “op seecker contract tusschen haere gesamentlijcke kinderen in de maent Januarij 1677 over de verdelinge ende genietinge van haere goederen opgerecht”, verleden heeft. Zij herroept tevens het codicil, dat zij op 21 nov. 1677 gepasseerd heeft voor notaris Pieter Baes te Haarlem, “alsoo de selve acte van appobratie ende codicille haer dochteren, vrouwen Wilhelma, ende Isabella Coijmans, haeren mannen, ende haer Edelheits neeff, d’heer Aernout Druijvesteijn, haer voornoemde comparante genoegsaem met gewelt ende tegens haeren wille hebbendoen passeren”. Hoewel zij “suffisante en pregnante” redenen heeft om haar dochter Isabella Coijmans en de kinderen van haar dochter Wilhelma Koijmans te onterven, is het haar wil, dat Isabella, de kinderen van Wilhelma en Erckenraed Bernardts, de dochter van haar dochter [Erkenraad Coijmans], of bij vooroverlijden hun kinderen, uit haar nalatenschap de “naeckte ende simpele” legitieme portie zullen krijgen. In al haar overige goederen benoemt zij tot erfgenamen de kinderen en kleinkinderen van haar zoon Balthasar Coijmans. De leengoederen, die zij zal nalaten, “employerende voor soo veel [die] leengoederen aengaet de Octroijen, daervan bij Haer Ed. Groot Mog. de Heeren Staeten van Hollandt ende Westvriesland ende het Marie-capittel tot Utrecht tot haer Edelheits vrije dispositie van de selve verleent”, zullen moeten worden gesteld op naam van het oudste kind of kleinkind van haar zoon Balthasar, zolang haar goederen niet verkocht of verdeeld zijn, met dien verstande, dat Balthasar en zijn vrouw Maria Herwijn [van Herrewijne] of de langstlevende van beiden het vruchtgebruik daarvan zullen hebben, evenals van de goederen, die zij aan de kinderen heeft gelegateerd in voornoemde akte van donatie. Als Balthasar en zijn familie daarvan echter niet “naer behoren” kunnen bestaan of als zij om een andere reden geld nodig hebben, mogen zij zoveel van testatrice’svaste goederen verkopen, als hun zal goeddunken,mits dat gebeurt na overleg en met toestemming van de na te noemen administrateur. Na het overlijden van Balthasar en zijn vrouwzullen genoemde goederen aan hun kinderen of verdere nakomelingen komen, maar zullen Isabella Coijmans en de kinderen van Wilhelma Coijmans, of bij vooroverlijden hun kinderen,van dat erfdeelvoorgoed uitgesloten blijven. Als Joan en Samuel Coijmans na het overlijden van hun ouders nog niet hun opleiding of studie voltooid hebben en niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, staat testatrice haar administrateur toe om hen uit de opbrengsten van haar goederen te alimenteren tot zij 25 jaar zijn geworden. Testratrice heeft totnogtoe haar kleine huizen of kamers, staande achter haar grote huis, gelegen tussen de Grote Houtstraat en het Klein Heiligland te Haarlem, laten bewonen door oude, behoeftige mensen. Zij wil niet, dat zulks na haar overlijden gecontinueerd wordt, maar wenst dat die huizen dan verkocht of verhuurd worden en dat haar zoon en zijn vrouw of hun nakomelingen de inkomsten daarvan zullen genieten.Zij legateert aan Joseph, Dorethea en Constantia Coijmans, kinderen van haar zoon, elk 2000 gl., aan Jan en Samuel Diderick Coijmans elk 3000 gl., aan Erkenraad Bernhard, getrouwd met Jan Coijmanseen somma van15.000 gl.,welke haar, testatrice, toekomen uit de goederen van de heer en vrouwe van Nieuwael en aan haar dienstmaagd Ariaentjen van Westerbrugge, indien zij bij testatrice’s overlijden nog in haar dienst is, 100 gl. Tot voogden over de minderjarige kinderen en nakomelingen van haar zoon en executeurs van haar testament benoemt zij Anthony Repelaer, schepen in wette van Dordrecht, getrouwd met haar zoons dochter [Hester Coijmans], mr. Hermen Hallincq en mr. Hermen van den Honert, oudraden en secretarissen van Dordrecht, haar neven. Ter “assistentie ende ontlastinge van haer gemelte executeurs” stelt zij aanals administrateur van haar boedelde Haarlemse notaris Leonard van Asperen. (ONA Dordrecht inv. 374)

– 30 okt. 1684: inventaris van de goederen, nagelaten door Dorethea Berck, vrouwe van Alblasserdam, weduwe van Joseph Coijmans, gemaakt op 26 okt. 1684 door J. van der Hoop, notaris te Dordrecht, op verzoek van Balthasar Coijmans, heer van Streefkerk, Anthonij Repelaer, lid van de Oudraad te Dordrecht, mr. Hermen Hallincq enmr. Hermen van den Honert, oudraden en secretarissen van Dordrecht, als executeurs-testamentair, in aanwezigheid van Samuel Grutterus, als echtgenoot van Isabella Coijmans, de heer Geldrop van Fladderack, als voogd over zijn minderjarige kinderen, verwekt bij Anna Druijvesteijn en Johan Coijmans, als echtgenoot van Erckenraed Bernardts.

Tot de nalatenschap behoren o.a.:

– in het huis te Alblasserdam:vier venetiaensche contrefeijtsels, een Marienbeeltjen, een fruitjen wesende een schilderije, in het salet: ’t goutleerbehangsel, twee portretten vanden heere ende vrouw van Alleblasserdam, een portret van Mevrouw Berck, noch een portret vande vrouwe van Alleblasserdam,

– in het huis te Dordrecht: een schilderije van Bronckhorst voor de schoorsteen met bee[l]den en vergulde leijst, drie schilderijen van Jan Blom, sijnde lantschappen met vergulde leijsten, een schilderije met een vergulde leijst waarinne diversche beeldekens, een schilderije sonder leijst met diversche naeckte beelden, een grote schilderije met een swarte lijst, twee schilderijen met vergulde leijsten, een schilderije sijnded’offerande Jacobs, een Italiaens stuckjen met een swarte lijst, een dito met een vergulde lijst, twee blompotjens met swarte lijsten, een schilderije met een swarte lijst daerinne een oud man, een dito met een silverekelck, twee portretten vanden heere ende vrouw van Streeffkerck, een dito van den ouden heer van Herwijnen, item noch een vande jongen heer van Herwijnen, een portret van de kinderen van de heer van Streeffkerck, een schilderijtje met een swarte lijst, een dito lantschapjen, noch tien schilderijtjes met swarte lijsten, noch een schilderije sijnde Cleopatra”.(ONA Dordrecht inv. 375)

Jozef Coymans, geschilderd door Frans Hals in 1644

Detail van de grafzerk van Jozef Coymans en Dorothea Berck in de Grote Kerk van Haarlem (foto: Barbara Luedecke)

Detail van de grafzerk van Jozef Coymans en Dorothea Berck in de Grote Kerk van Haarlem (foto: Barbara Luedecke)

Kinderen (o.a):

b-1. Balthasar Coymans, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1618, heer van Streefkerk enNieuw-Lekkerland, ridder van St. Michel, raad en schepen van Haarlem, koopman te Haarlem, overleden ald. 19 nov. 1690 [Wikipedia], begraven in de Grote Kerk van Haarlem (Brouwerskapel)ca. 25 nov. 1690, trouwde 1e Anna Prins, 2e Maria van Herrewijne (Harwijns)

Balthasar Coijmans, door Frans Hals (1645)

– 2 nov. 1642:Compareren de a.s. bruidegom Balthasar Coymans de Jonghe van Haerlem geassisteerd door zijn vader Josephus Coymans en zijn moeder Dorothea Bercks of Berck, en de a.s. bruid Anna Prinse, dochter van wijlen Willhem Euwoutsz, brouwer in de Werelt, geassisteerd door haar moeder Maria Cornelisdr van Santen van Delft, in bijzijn van haar huidige man Jan van Blenckvliet, en ter overstaan van haar oom en momber Cornelis Euwoutsz Prinse. Zij verklaren zich op 27-07-1642 verloofd te hebben en de huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen. Joseph Coymans geeft financiële steun, evenals Maria van Santen, die daarvoor de brouwerij De Werelt in huur krijgt. Sterft Anna als eerste kinderloos, dan zijn haar juwelen voor haar man, plus 5000 gulden. Sterft hij als eerste dan krijgt zij 10.000 gulden. (ONA Rotterdam)

– 18 mei 1644: Jaecques Verelst, burger van Dordrecht, verklaart, dat hij met zijn crediteuren, t.w. Joachum van Horenburch, voor zichzelf, N. van Norenburch, namens Johan en Baltesar Koeijmans, Koenraet Damisz., namens Lucas Arentsz., Jan Hulsthout, enAert Schut, beiden voor zichzelf, en Arendt van Rijedbeeck, bode van Amsterdam, namens Glaude de Farmond, is overeengekomen dat hij een zeker gedeelte van hetgeen hij aan hen schuldig is zal afbetalen. (ONA Dordrecht inv. 41, f. 240 e.v.)

– 25 nov. 1690: “een openninck in Groote Kerck voor Heer Balthasar Coijman in Brouwerkaeppelt [Brouwerskapel]in kelter [sic] no. 42 – 8 gl.; voor waepen aen kerck – 50 gl.; voor 14 lantares – 14 gl.; voor roef aen kerck – 3 gl.; [totaal:] 75 gl.” (Rekeningen van de grafmakers Haarlem)

Kinderen (ex 2, o.a.):

b-1-1. Hester Coijmans, geboren naar schatting ca. 1650, jonge dochter te Haarlem (1674), overleden ‘s-Gravenhage 21 okt. 1733 (impost Den Haag 24 okt. 1733: vrouwe Hester Coijmans, vervoerd naar Dordrecht), trouwde NG Dordrecht/Haarlem 2/17 sept. 1674 (ondertrouw, per schrijven van Haarlem) Anthoni Repelaer, gedoopt NG Dordrecht 31 jan. 1649, jongman van Dordrecht wonende bij de Visbrug(1674), burgemeester van Dordrecht 1688, ontvanger van de grafelijkheidstollen te Gorinchem 1689, overleden Dordrecht 27 mrt. 1725, zoon van Hugo Repelaer, brouwer in “de Sleutel” aan de Groenmarkt te Dordrecht,en Margaretha Cools

(D.G. van Epen, Het geslacht Repelaer [‘s-Gravenhage 1911], p. 8)

b-2. Wilhelmina Coijmans, trouwde Jacobvan Druijvesteijn

b-3. Erkenraad Coijmans, trouwde Jean Bernard

b-4. Isabella Coymans, gedoopt NG Haarlem 6 mrt. 1626, begraven Grote Kerk Haarlem (Brouwerskapel) 14 okt. 1689 [Wikipedia], trouwde 1e Amsterdam 3 sept. 1644 Stephanus Geraerdts, schepen van Haarlem, 2e naar schatting ca. 1680 Samuel Grutterus

Isabella Coymans, geschilderd door Frans Hals ca. 1650

Ondertrouwregister Amsterdam, 3 sept. 1644: syn op de acte van Henricus Swalmius predt. tot Haerlem ingeteeckent Steven Geraerts van A[msterdam] woonende opde Keijsergracht en Isabell Coeijman tot Haerlem [in margine: extraordinaris]

Stephanus Geraerts, door Frans Hals (ca. 1650)

c. Huybert Berck, Ridder, werd als zoon van JohanBerck, ridder,die gezant wasvan de Staten Generaal der Nederlanden bij de belegering van Gulik/Jülich (juli-sept. 1610), op 7 nov. 1610,”zur Belohnung für dessen Dienste”, beleend met Klein Spillekenswaard bij Emmerich

(Landesarchiv Düsseldorf, Bestand Kleve Lehen – Generalia VII, Seite 192:

Hupert Berck mit dem Kleinen Spellekenswardt by Embrich

Anno 1610 den 7 Novembris haben beide die durchlauchtigst hochgeborene Unsere Gnedigste Fursten und gnedigste Her Ernst Marckgrave zu Brandenburg In Preußen, Hertzog und Her Wolfgang-Wilhelm Pfaltzgrave beim Thron In Beyeren zu Cleve Gulich und Berg Hertzogs, Hern Johan Berck Rietern, der Hern Staeten generall In Der belagerung vor Gulig abgesandten, Zur recompen[sation] seiner diensten den Kleinen Spellekens wardt In lehen gegeven und seinen Sohn Hupertus Berck bevohlen damit zu belehnen, wie beschehen In einem unverstirblichen Erblehen und zuthauschen rechten zweier hergeweiden mit ein roden Sperrer und anderen Conditjen davon die brief infra fol. 195 folgen)

Het leen gaatna zijn overlijdenover op:

12 juli 1648: Matthias Berck, raad en pensionaris van Dordrecht, als opvolger van zijn overleden broer Hubert Berck

1 sept. 1655: Johan Berck, pensionaris en secretaris van Dordrecht, zoon van wijlen Matthijs Berck, middels zijn gemachtigde Johann Jordan, pastor te Warbeyen

28 febr. 1666: Pompeius Berck, broer van wijlen Johan Berck

3 jan. 1693: Matthijs Berck, zoon van wijlen Pompeius Berck

(Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Bestand “Kleve Lehnregister”, nr. 760, Kleine Spillekensward bei Emmerich, zutphensches Erblehen)

d. Agneta Berck, trouwde Pieter Johansz. van den Burch

Kind (ex 2):

e. Erckenraet Berck, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1622

IV. mr. Matthijs Berck Johansz., vrijheer van Godschalksoord, raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, geboren Dordrecht 1591, licentiaat in de rechten,begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 1 juli 1655, trouwde Alidt de Rovere, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 29 okt. 1678

20 juni 1635: Johan Verboom te Dordrecht koopt voor 11.320 gl. van de ingelanden van Goidschalxoord, met toestemming van Rekenkamer en de Fiscaal van Holland,de Vrijheerlijkheid Goidschalxoord met de daartoe behorende rechten en inkomsten (o.a. het recht om baljuw, schout, schepenen, secretaris en boden aan te stellen, de inkomstenbestaan uito.a. de bier- en wijnaccijns, die de tappers gehouden zijn te betalen, nl. 3 stuivers per ton, het windrecht van de korenmolen en de erfpacht van de grond, waarop die molen staat). De schout en secretaris verzetten zich tegen deze verkoop, maar worden door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld. (Blok, o.c., p. 11-12)

27 april 1650: Johan Verboom vermaakt bij codicil de Vrijheerlijkheid Goidschalxoord aan Matthijs Berck, welk codicil door Verbooms overlijden in dat zelfde jaarwordt bekrachtigd. (Blok, o.c., p. 12)

1 juli 1655: Matthijs Berck overlijdt. Krachtens hun testament van 2 juni 1655, waarbij de eerststervende de langstlevende tot erfgenaam heeft benoemd,wordt zijn weduwe, Alijd de Rovere, de nieuwe Vrijvrouwe van Goidschalxoord. (Blok, o.c., p. 12)

De Vrijheerlijkheid blijft tot 1786 in bezit van de familie Berck, de opeenvolgende Vrijheren c.q. Vrijvrouwen uit het geslacht Berck zijn:

1655-1678: Alijd Rovere, weduwe van Matthijs Berck

1678-1691: mr. Pompejus Berck, hunzoon

1691-1736: Matthijs Berck, zijn oudste zoon

1736-1758: mr. Pompejus Berck, zijn enige zoon

1758-1786: Margareta Berck, zijn enige kind, trouwt in 1758 met Barthout van Slingeland. Het huwelijk blijft kinderloos. Barthout voert de titelHeer van Goidschalxoord al tijdens het leven van zijn vrouw en erft de Vrijheerlijkheid na haar overlijden. (Blok, o.c., p. 12-13)

1638: mr. Mathijs Berck pensionaris in de 200e penning van Dordrecht aangeslagen voor een vermogen van 15.000 gl. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3978)

21 juli 1651: Abraham Andriesz., voor zichzelf en als procuratie hebbende van Adriaen van Bonckelwaert, Clara van Bonckelwaert, weduwe van Abraham Schut, Cornelis van Bavel, als man van Maeijken Andries, Isaac Andriesz., Hendrick Cornelisz, als manvan Lijsbeth Isaecx, Andries Andriesz., Anthonij Vogelsanck, Michiel Vogelsanck en Margreta Vogelsanck, allen erfgenamen van Pieter Verhagen enMaeijken Baerthoutsdr. Mesian, Dirck Tegelberch, als man van Petronella Baerthoutsdr. Mesian, voor zichzelf en vervangende Ridchard Farington, als echtgenoot van Anneken Baerthoutsdr. Mesian, allen erfgenamen van wijlen Mariken Claesdr., weduwe van Pieter Verhagen, verkopen aan Roelant Isaacxsz. van Stabroeck, burger van Dordrecht, een huis omtrent de Wijnbrug, staande tussen het huis of de poort [de Berckepoort] van mr. Matthijs Berck, heervan Godschalksoord, raadpensionaris en secretarisvan Dordrecht, en het huis van Laurens Michielsz. van Leen. Waarborgen: Abraham Andriesz., Michiel Vogelsanck en Dirck Tegelberch. Koper is schuldig aan Elisabeth van Deuren, weduwe van Gijsbert Harincx, 2100 gl. Borg: Johannes Isaacxsz. van Staebroeck, bode van Dordrecht op Zeeland. (ORA Dordrecht inv.778, f. 57 e.v.)

2 juni 1655: testeren t.o.v. notaris J Schoormans, notaris te Dordrecht, Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord en raadpensionaris van Dordrecht en Alith de Rovere, echtelieden, hij “aen een accident van’t vallen met een wagen te bedde leggendeende de voorn. vrouwe Alith de Rovre oock eenichsints beseert sijnde doch gaende ende staende”. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden in alle door de eerststervende na te laten goederen, zowel roerende als onroerende en de allodiale leengoederen, volgens octrooi “van de Heren Staten van den lande” aan hen daartoe verleend. Zij institueren hun getrouwde kinderen in hetgeen zij van testateuren als huwelijksgoed reeds hebben gekregen en hun nog ongehuwde zoon Pompeus Berck, als hij gaat trouwen, in hetgeen hij dan van hen zal krijgen. Zij vermeerderen hetgeen zij hun dochter Margareta Berck, echtgenote van mr. Johan van den Burch, als huwelijksgoed hebben gegeven met de helft van een hofstede en het bijbehorende land, gelegen aan de Donck, welke zij met hun schoonzoon Van den Burch in gemeenschappelijk bezit hebben. Johan Berck, hun oudste zoon, zal “niet vermogen ijets te pretenderen of eenich voordeel vooruijt trecken ter saecke dat gesustineert soude mogen werden [dat] hem bij sijnen oom d’heer Ridder Hubrecht Berck zaliger soude gelegateert sijn Cleijn Spillekensweert leggende onder de Stadt Emmerick sijnde leen vande Vorsten van Cleeff”. (ONA Dordrecht inv. 93, f. 136v e.v.)

2 juli 1674: Alijd de Rovere benoemt bij codicil haar kinderen tot erfgenamen van haar na te laten goederen. (Blok, o.c., p. 12)

6 aug. 1677: Alidt de Roovere, vrouwe van Godschalksoord, weduwe van Matthijs Berck, eerste raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, heer van Goidschalxoord, legateert aan Johan van den Burch, oud-burgemeester van Dordrecht, weduwnaar van haar dochter Margareta Berck, tot aan zijn overlijden het vruchtgebruik van de goederen, die zijn kinderen van haar zullen erven. Tot voogden en administrateurs van die goederen benoemt zij haar zoon Pompeus Berck, presiderend burgemeester van Dordrecht, en voornoemde Johan van der Burch. (ONA Dordrecht inv. 238, f. 280 e.v.)

3 dec. 1678: verklaring door Adriaen Dronckert, schout van de vrijheerlijkheid Goidschalxsoord, en Adriaen Hoppel, secretaris aldaar, op verzoek van Pompeius Berck, burgemeester van Dordrecht. Dronckert getuigt, dat hijacht of tien maanden geleden bij de rekwirant thuis ter maaltijd is geweest in aanwezigheid van diens moeder, devrouwe van Godschalksoord, die inmiddels is overleden, en van mevrouw Arckel, en toen heeft gehoord dat burgemeester Berck tegen zijn moeder zei, “dat sij soude willen bedencken den armen van Godtschalxoort … want daer sijn vele armen ingesetenen ende het is evenveel waer ghij den armen bedenct”. Volgens Dronckert zou mevrouw Arckel toen tegen haar gezegd hebben: “Dat is wel, moeder, doet dat”, waarop de vrouwe van Godschalksoord geantwoord heeft: “Ick sal het doen”. Adriaen Hoppel verklaart, dat hij ongeveer een jaar geleden te Dordrechtin het “comptoir” van de vrouwe Godschalksoord geweest is, en haar toen gezegd heeft: “Mevrouw, wat leijt u aen al de moeijten, ghij sout u goet aen u kinderen geven, ende maer ontrent hondert duijsent gul. behouden, dan soude na u doot geen questie onder haer vallen”, waarop zij toen gezegd heeft: “Neen Hoppel, dat sal ick niet doen, daer sal evenwel na mijn doot geen questie onder haer vallen. Ick hebbe veel met mijn eijgen hant geschreven, dat wil ick na ghecomen hebbe, ende dat ick wiste dat sij dat niet naer comen soude, ick soude haer onterven”. Beide attestanten verklaren, dat zij ongeveer een maand vóór het overlijden van de vrouwe van Godschalksoord bij de heer Berck in Dordrecht ter maaltijd zijn geweest en toen gehoord hebben, dat hij tegen zijn moeder zei: “Hebt ghij den armen van Godtschalxoort wel bedacht dat ick u soo dickmaels gerecommandeert hebbe”, en dat zij daarop ten antwoord zei: “Ja soon, ick hebbe het gedaen ende hebbe tselve aengeteijckent”. (ONA Dordrecht inv. 257, f. 144 e.v.)

Kinderen (o.a., allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Margaretha Berck, sept. 1623,trouwde Johan Francoisz. van den Burch, burgemeester van Dordrecht, gecommitteerde raad van de Staten van Holland

Kind:

a-1. Jannette (Johanetta) van der Burch Johansdr., gedoopt NG Dordrecht 4 juli 1663, jonge dochter van Dordrecht (1680), trouwde NG Dordrecht 12 mei 1680 mr. Mattheus van den Broucke, jongman van Dordrecht (1680)

b. Johan Berck, juli 1625,jongman van Dordrecht (1651),raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, OSP,overleden 18 dec. 1667, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 24 dec. 1667, trouwde NG Dordrecht 6 april 1651 (ondertrouw) Lucretia Ruijsch(en), gedoopt NG Dordrecht febr. 1625, jonge dochter van Dordrecht (1651),dochter van Coenraed Ruijsch en Maria van Beveren Willemsdr. (Balen, o.c., deel II, p. 961)

– 28 juli 1659: verklaring door Maria van Beveren, weduwe van Coenraet Ruijsch, Ridder en burgemeester van Dordrecht, op verzoek van Johan Berck, raadpensionaris en secretaris van Dordrecht, haar schoonzoon. Zij verklaart, dat, toen Matthijs Berck, heer van Godschalksoord, raadpensionarisen secretaris van Dordrecht, die inmiddels is overleden, “voorden heere requirant ten huwelijcke versochte haer Comparantes dochter joffr. Lucretia Ruijsch”, hij, Matthijs Berck, met zijn zoon, Johan Berck, ten huwelijk beloofd heeft een somma van 25.000 gl., “voort’ equivalent van welcke capitaele somme” hij aanbood een waard, genaamd Klein Spillekensweert, gelegen buiten de stadspoorten van Emmerik, met nog 12 morgen land in de Klaverpolder aan de Zwaluwe. De comparante en haar man hebben daarop gezegd, dat volgens hen die twee percelen land minder dan 25.000 gl. waard waren. Berck heeft dat echter tegengesproken en verklaard, dat de jaarlijkse opbrengst van het land aan de Zwaluwe, dat hij zelf in gebruik had,600 gl. bedroeg. Hij wasbereidals pacht voor dat landieder jaar 600 gl. te betalen. De man van de comparante heeft toen gezegd, dat hij daarmee tevreden was, “alsoo [Berck] … een suffisanten boer waere”. Daarna hebben zij nog gesproken over de heerlijkheid Godschalksoord. De comparante en haar man zeiden, dat men in de huwelijkse voorwaarden tussen Bercks zoon en hun dochter behoorde te zetten, dat de heerlijkheid na het overlijden van Johan Bercks ouders op hem zou overgaan voor een nog nader te bepalen prijs. Matthijs Berck heeft toen gezegd, dat zulks niet in de huwelijkse voorwaarden zou komen, omdat hij de heerlijkheid “onbesproocken” in bezit wilde hebben. Hij was echter wel bereid te verklaren, dat zijn zoon de heerlijkheid Godschalksoord zou krijgen na het overlijden van zijn ouders, voor dezelfde prijs “daerse Sijn Edelheid voorstondt”. (ONA Dordrecht inv. 179, f. 126 e.v.)

c. Pompejus Berck, gedoopt NG Dordrecht juli 1626, volgt V

d. Erckenraet Berck, gedoopt NG Dordrecht mei 1628, trouwde Adriaen Snoeck

V. Pompeus Berck, gedoopt NG Dordrecht juli 1626, burgemeester van Dordrecht 1676,overleden 25 aug. 1691, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht29 aug. 1691,trouwde NG Dordrecht 14 mei 1656 Margarita de Rovere, gedoopt NG Dordrecht 8 juli 1637, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 16 juni 1688 (begraafboek Grote Kerk Dordrecht 12juni 1688: dertien mael luiens over mevrou Margrieta de Roover [sic], huisvrou van de Heer PompeusBerck Heeren Mattijsz. heer van GoodtschalckoortRegerende Borgemr. en in die qualiteit vant kercke recht vrij, is in de Augustine [kerk] begraven, dus in plaetse van gelt memorie)

– 15 juni 1671: testament van mr. Pompeus Berck, oudraad van Dordrecht, en zijn vrouw, Margareta de Roovre, beiden gezond. Zij benoemen de langstlevende van het beiden tot erfgenaam van de goederen, die zij op dat moment bezitten. Van de goederen, diede eerststervendenog zal verwerven of erven na dato van deze akte, zal de langstlevende alleen het vruchtgebruik hebben en zal de eigendom ervan toekomen aan de kinderen, die de eerststervende zal nalaten. Laatstgenoemdebepalingzalook gelden voorzekere uiterwaard, die ligt omtrent de stad Emmerich, genaamd “Bercx ofte Cleijn Spillekenswaert”, door hem, testateur, te leen gehouden van de keurvorst van Brandenburg. Tot voogd stellen zij aan de langstlevende van hen beiden en tot toeziende voogden Johan van der Burch en Pompeus de Roovre, oudraad en schepen van Dordrecht, resp. hun zwager en broer, of bij vooroverlijden vanéén van deze personen, Samuel Everwijn, oudraad van Dordrecht, hun zwager.(ONA Dordrecht inv. 232, f. 184 e.v.)

– 2 jan. 1679: comp. voor notaris G. de With te Dordrecht Pompejus Berck heer Matthijsz., oud-burgemeester van Dordrecht, “sijnde eeniger maten sieckelijck naerden lichame”. Hij overhandigt aan de notaris “het tegenwoordige toegesloten met sijn Edelheijts en [notaris Govert de Withs] cachet ten vijff plaetsen versegelt papier”, dat, zoals hij verklaart, zijn testament en laatste wil bevat. Hij wenst dat ditbesloten testament na zijn overlijden geopend zal worden dooren ten overstaan vandiegenen, die zijn vrouw, Margareta de Roovre, daartoe zal aanstellen. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 1 e.v.)

– 29 sept. 1679: Margareta de Roovere, echtgenote van Pompejus Berck, als procuratie hebbende van haar man, Johan van den Burgh, als vader en voogd van zijn kinderen, verwekt bij Margareta Berck, en Erckenraet Berck, samen kinderen en erfgenamen van Alidt de Rovre, vrouwe van Godschalksoord, verlenen procuratie aan Samuel van der Heijden, notaris te Dordrecht, om voor schepenen van Dordrecht aan Jan Jansz. van der Schaer, burger van Dordrecht, te transporteren een huis, staande op de Nieuwendijk omtrent de Riedijkspoort tussen het huis van Adriaen Hendriksz. Back en de ingang van Maijcken Claes. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 319 e.v.) Het huis is verkocht voor 405 gl. (ORA Dordrecht inv. 1627, f. 67v, akte dd 30 sept. 1679)

Kinderen uit dit huwelijk (allen NG gedoopt teDordrecht):

a. Alida Berck, 6 apr. 1657, jong overleden

b. Pieter Berck, 25 mei 1660, jong overleden

c.Mattijs Berck, 20 juli 1661, jong overleden

d. Petronella Sophia Berck, 15 apr. 1664, jong overleden

e. Alit Berck, 2 okt. 1665

– 2 mrt. 1712: Alida Berck verkoopt voor 415 gl. aan Jacob de Bruijn, koopmansbode van Dordrecht op Zeeland, een huis in de Hofstraat, staande tussen het huis van mr. Johan van der Burgh en dat van mr. Pompejus Berck. (ORA Dordrecht inv. 1644, f. 97)

– 18 mrt. 1715: Alida Berck testeert voor notaris A. van Nievelt. Zij verklaart, dat zij,”om redenen dat haar … broeder de Heer Pompejus Berck, onlankx geleden is comen te overleijden, en voorts ter occasie dat haar … gemaackt silverwerck, en andere saecken van hare goederen, tussen den 5. en 6. Jannuarij … 1712, door een grote huijsbraeck uijt derselver huijs sijn gestolen”, haar eerdere testamenten, codicillen etc. wil herroepen. Zij legateert aan haar broer Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoorden oudraad van Dordrecht, of bij vooroverlijden zijn wettige nakomelingen, al haar meubels, inboedel, huisraad, kleren, ongemunt goud en zilver en “juweelen van diamanten.” Haar broer zal gehouden zijn om zijn kinderen de tot het legaat behorende juwelen en “goud tuijgh” te laten dragen en het zilver te laten gebruiken.Zij legateert aan Abraham Stoop, zoon van haar overleden zuster Petronella Sophia Berck, een stuk weiland, gelegen onder Mijnsheerenland en twee stukken land in het Oost-Zomerland van Heinenoord, op voorwaarde, dat de eigendom van die landerijen na zijn overlijden zullen toekomen aan zijn wettige kinderen. Tot erfgenaam van al haar overige goederen en tot voogd over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar broer Matthijs Berck.Indien hij vóór haar komt te overlijden, zonder voogden te hebben aangesteld, geeft zij Pompejus de Rovere, baljuw van Zuid-Holland en Alida de Rovere, haar oom en tante, de bevoegdheid om nieuwe voogden aan te stellen. (ONA Dordrecht inv. 611, akte 35, f. 114 e.v.)

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 166: op 2 juli 1722 verkopen Jan van Bockum, koopman te Delft, zoon en mede-erfgenaam van Gerrit van Bockum, en Pieter van Wingerden en Huijbert Kuijpers, als voogden over de dochters dochter en mede-erfgename van Gerrit van Bockum, voor 150 gl. aan Alida Berck een koetshuis of loods, staande op de Vest bij de St. Jorispoort.

f. Matthijs Berck, 21 dec. 1666, jongman van Dordrecht (1695),vrijheer van Goidschalxsoord,oudraad van Dordrecht, begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht 21 jan. 1736 (begraafboek Augustijnenkerk 21 jan. 1736: Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord, oudraad van Dordrecht, met 19 koetsen boven het getal, meteen wapenbord, de hoogste boete, laat kinderen na),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 5 juni 1695 (ondertrouw; de bruidegom geassisteerd met Pompejus de Roovre, baljuw van Zuid-Holland, en Cornelis de Roovre, oud-burgemeester van Dordrecht, zijn ooms van moederskant, en de bruid met mr. Hendrik Onderwater, heer van Puttershoek, en Johanna Hallingh, haar vader en moeder) Margarieta Onderwater, geboren naar schatting ca. 1670, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 7 okt. 1719 (Nelemans, o.c., p. 85;begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht 4 okt. 1719: Margarita Onderwater, vrouw van Matthijs Berck, vrijheer van Godschalksoord, met tien koetsen boven”’t ordinaris getal”, wapenbord)

– 12 april 1731: Matthijs Berck, vrijheer van Goischalxoord, testeert voor notaris Cornelis Knoll in Den Haag. Hij benoemt tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen Pompejus Berck en Cornelis van der Dussen. (Weeskamer Dordrecht inv. 34, f. 238)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

f-1. Margareta Berck, 3 nov. 1696, jonge dochter van Dordrecht (1723), begraven Dordrecht 29 april 1771, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 26 febr./15 mrt. 1723 (de bruidegom geassisteerd met Jacob van der Dussen, heer van Oost-Barendrecht en oud-burgemeester van Dordrecht, zijn broer, en de bruid met Matthijs Berk, heer van Godschalksoord, oudraad van Dordrecht, haar vader) mr. Cornelis Nicolaasz. van der Dussen, gedoopt NGDordrecht 24 sept. 1684,jongman van Dordrecht (1723), burgemeester van Dordrecht (1747),overleden 25 april 1754, begraven Dordrecht 2 mei 1754 (begraafboek Grote Kerk: mr. Cornelis van der Dussen, oud-burgemeester van Dordrecht, met tien koetsen boven het getal, met wapenbord, de hoogste boete, laat geen kinderen na), zoon van mr. Nicolaas Euwoutsz. van der Dussen en Lydia van Beveren (Ons Voorgeslacht 2005, p. 311)

ONA Dordrecht inv. 1028, akte 25: op 27 febr. 1751 testeren voor notaris P. van Gelsdorp mr. Cornelis van der Dussen, oud-burgemeester en raad van Dordrecht en zijn vrouw Margareta Berk. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam.Als de testateur de eerststervende is, is de testatrice gehouden aan de kinderen en verdere nakomelingen van wijlen zijn broer Pieter van der Dussen “onder hen allen ” een somma van 100.000 gl. uit te keren. Dit bedrag moet dan voldaan worden binnen drie maanden na het overlijden van de testateur, de ene helft met “vaste Effecten ten keure vande vrouwe testatrice” en de andere helft met obligaties ten laste van het “gemeneland” van Holland en West-Friesland, eveneens “ten keure” van de testatrice. De impost op de collaterale successie dient door de na te noemen legatarissen voldaan te worden uit genoemde effecten en obligaties. Nicolaas legateert aan de Gereformeerde Diaconie-armen van Dordrecht een bedrag van 5000 gl. AlsMargareta de eerstoverlijdende is, moet haar man aan Pompejus Berk, heer van Godschalksoord en regerend burgemeester van Dordrecht, haar broer, en aan Johanna Berk, de echtgenote van mr. Jeronimius[sic] Karsseboom, haar zuster (of bij vooroverlijden hun kinderen en verdere descendenten), “onder hen allen” een somma van 50.000 gl. uitreiken, waarbij mutatis mutandis dezelfde voorwaarden gelden als voor de legaten, die zijn vermaakt door de testateur. Voorts legateert zij aan haar zuster een parelsnoer, dat zij heeft geërfd van haar moeder en aan haar nicht Margareta Berk al haar overige juwelen, goud en zilver, inclusief een gouden beugel en gouden horloge met ketting en haak. Aan de Gereformeerde Diaconie-armen van Dordrecht vermaakt zij een bedrag van 5000 gl. Als de testateur de langstlevende is, benoemt hij tot zijn erfgenamen Lidia Maria van der Dussen, weduwe van Willem Paats, mr. Nicolaas van der Dussen Pietersz., Margareta Berk, dochter van wijlen Maria van der Dussen, bij haar verwekt door mr. Pompejus Berk, Pieter Teding van Berkhout, zoon van wijlen Johanna van der Dussen, bij haar verwekt door Coenraadt Teding van Berkhout, en Pompejus Berk, en dat alles in gelijke porties. Maar, indien Pompejus Berk komt te overlijden vóór zijn dochter of haar nakomelingen, zullen die een dubbele portie erven. De testatrice benoemt, indien zij de langstlevende is, haar broer en zuster tot erfgenamen van al haar na te laten goederen, verminderd met de eerder genoemde legaten. Tot voogden benoemen zij de vader of moeder van hun minderjarige erfgenamen, ieder overdiens eigen kinderen, of bij vooroverlijden twee ooms van die kinderen, één van vaderszijde en één van moederszijde.

ONA Dordrecht inv. 1029, akte 149: condities, waarop mr. Cornelis van der Dussen, raad en oud-burgemeester van Dordrecht, voornemens is op 1 dec. 1752 door de Dordtse notaris P. van Gelsdorp te doen veilen een aantal erfpachten op gronden in de Hoeksche Waard,gelegenin het Land van Esch en aan de bermsloot van de Schenkeldijk.

ONA Dordrecht inv. 935, f. 487-519v: op 21 okt. 1754 comp. voor notaris G. Verveer Lidia Maria van der Dussen, weduwe van Willem Gerard Paats, wonende in ‘s-Gravenhage, mr. Nicolaas van der Dussen Pietersz., mede daar wonende, Margarita Berk, wonende in Dordrecht, meerderjarige en enig nagelaten dochter van Maria Lidia van der Dussen, bij haar verwekt door Pompejus Berk, vrijheer van Godschalxoord, en de in Leiden wonende mr. Coenraad Teding van Berkhout, die door wijlen mr. Cornelis van der Dussen is aangesteld tot voogd over zijn zoon Pieter Teding van Berkhout, door hem verwekt bij wijlen Johanna Elisabeth van der Dussen, samen kinderen en kleinkinderen van wijlen Pieter van der Dussen. Hun oom resp. oudoom, Cornelis van der Dussen, die op 25 april 1754 is overleden, heeft in zijn testament zijn vrouw Margarita Berk tot universele erfgenaam benoemd. De legaten in dat testament vermaakt, met een totale waarde van 100.000 gl., zijn in vier kavels verdeeld. Kavel A is te beurt gevallen aan Lidia Maria van der Dussen en bestaat uit land in de Alloysen- of Bovenpolder onder Dubbeldam, in de noordkavel van de Broek onder Strijen, in Oud-Bonaventura (in de Hoeksche Waard) enin Oostkamp onder Haagambacht, en negen obligaties. Kavel B is toegevallen aan Coenraad Teding van Berkhout (voor zijn zoon Pieter) en omvat land in Oud- en Nieuw-Bonaventura, in Paapswoude onder de heerlijkheid Sint-Maartensrecht, land in de jurisdictievan Vrijenban, en acht obligaties. Margarita Berk krijgt kavel C, bestaande uit land in het Oudeland van Strijen, land onder de “poorterij” van Delft aan de Singen buiten de Koeijpoort, alsmede acht obligaties. De vierde kavel komt toe aan Nicolaas van der Dussen Pietersz. en bestaat uit land onder de jurisdictie van het Hof van Delft “in’t hoefslagh van Cortenhoeff”, land in de Oude Wateringse Polder onder Wateringen, en twaalf obligaties.

ONA Dordrecht inv. 1038, akte 45: op 13 april 1758 comp. voor notaris P. van Gelsdorp Margareta Berk, weduwe van mr. Cornelis van der Dussen. Zij benoemt tot “directeurs over haar … begraaffenisse” mr. Jeronimus Karsseboom en Hendrik Onderwater of bij vooroverlijden van laatstgenoemde Boudewijn Onderwater, generaal der infanterie in het Staatse leger. Voorts begeert zij, dat niemand voor het openen van haar besloten testament, dat op dezelfde dag is opgemaakt voor notaris P. van Gelsdorp, enige toegang tot of beheer van haar sterfhuis zal hebben. Zij wenst op dezelfde wijze begraven te worden als haar overleden man, met dien verstande, dat de “rouwe”, die aan de bedienden moet worden gegeven, eerder meer dan minder zal zijn.

f-2. Hendrik Berck, 5 sept. 1698

f-3. Pompejus Berck, 1 jan. 1700, jongman van Dordrecht, oudraad en schepen in wette van Dordrecht, hoogdijkheemraad van de Alblasserwaard (1729), begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht 25 mrt. 1758, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 23 april 1729 (ondertrouw, attestatie gegeven 8 mei 1729) Maria Lidia van der Dussen, gedoopt NG Dordrecht 11april 1708, jonge dochter van Dordrecht, wonende te Leiden, doch onlangs gewoond hebbende te Dordrecht (1729), overleden 14 mrt. 1730, begraven Dordrecht 20 mrt. 1730 (begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht: Maria Lidia van der Dussen, huisvrouw van Pompejus Berk, oudraad van Dordrecht, laat één kind na, met wapenbord, twee paar slepen, de hoogste boete, tien koetsen boven het getal), dochter van Pieter Nicolaasz. van der Dussen en Dina Margaretha de Bije (Ons Voorgeslacht 2005, p. 313)

ONA Dordrecht inv. 891, akte 42: op 24 juni 1729 comp. voor notaris J. Beudt Pompejus Berk, oudraad van Dordrecht en Maria Lydia van der Dussen, echtelieden wonende in Dordrecht. Zij herroepen eerdere testamenten e.d., met name hun huwelijkse voorwaarden, opgemaakt ten overstaan van de Leidse notaris Johannes Swaanenburg op 22 apr. 1729. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot voogd en tot erfgenaam van alle juwelen, sieraden, goud, zilverwerk, meubelen, huisraad en inboedel, welke de eerststervende zal nalaten. De langstlevende zal van alle overige goederen het vruchtgebruik genieten en de eigendom daarvan zal toekomen aan hun eventuele kinderen. Als de langstlevende evenwel kinderloos komt te overlijden, zal de eigendom vererven op de erfgenamen ab intestato van de testateuren.

Kind:

f-3-1. Margaretha Berck van Godschalksoord, gedoopt NG Dordrecht 11 mrt.1730, geboren te Dordrecht,wonende in de Voorstraat bij de Nieuwbrug (1758), OSP, begraven Dordrecht 3 juni 1786 (begraafboek Grote Kerk Dordrecht: Margreta Berk, vrijvrouwvan Slingelandt en Goidschalxsoord, echtgenote van mr. Barthout van Slingelandt, raad en generaal meester van de Munt der Verenigde Nederlanden, oudraad van Dordrecht, overleden in Den Haag, met 6 flambouwen “boven de ordinaaren”, ’s avonds omhalftien stil bijgezet, met een wapenbord, laat geen kinderen na), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 7/25 juli 1758 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Hendrik van Slingelandt; de geboden gaan in Den Haag)Barthout van Slingelandt, geboren en wonende te ‘s-Gravenhage (1758), trouwde 2e Den Haag 29 april 1787 Magdalena Anna Elisabeth van Boetzelaer

Margaretha Berck (foto: Regionaal Archief Dordrecht)

ORA Dordrecht inv. 1666, f. 252v e.v.: op 4 juli 1771 verkoopt mr. Barthoudt van Slingelandt, heer van Godschalksoord en raad in de vroedschap van Dordrecht, als echtgenoot van Margreta Berck, voor 17.000 gl. aan mr. Arnoldus Adrianus van Tets, pensionaris honorair van Goes, een huis met een woonhuis ernaast en een koetshuis en stal in de Doelstraat erachter, welk huis en woonhuis staan opde Voorstraat nabij de Munt tussen het huis van de weduwe van Samuel Onderwater en dat van Hendrik Kever.

f-4. Johanna Berck, 16 mrt. 1701, trouwde Jeronimus Karsseboom

ORA Dordrecht inv. 1653, f. 158: op 17 dec. 1733 verkopen Mattheus Onderwater, burgemeester van ’s herenwege en lid van de Oudraad van Dordrecht, en Adriaan Braats, heer van Geervliet etc. en lid van de Oudraad te Dordrecht, voor 700 gl. aan mr. Jeronimus Karsseboom, secretaris van Dordrecht, twee derde parten in huis, “geapproprieert geweest” tot een brouwerij, genaamd “het Roode Hart”, staande in de Wijnstraat voor het plein van het Stadhuis tussen het huis van de zilversmid Johan Lesier en het volgende huis, met een vrije uitgang in de Houttuinen, alsmede een huisje, staande tussen het voorgaande huis en dat van de weduwe Van Dorsten, waarvan aan de koper het resterende derde part toekomt.

ORA Dordrecht inv. 1658, f. 9v e.v.: op 16 april 1748 verkoopt mr. Jeronimus Karsseboom, lid van de Oudraad van Dordrecht, voor 2800 gl. aan mr. Richard Paulus Eelbo, lid van de Oudraad en secretaris van Dordrecht, een huis, dat vanouds is genaamd “het Roode Hart”, staande in de Wijnstraat voor het plein van het Stadhuis tussen het huis van de zilversmid Johan Lesier en het volgende huis, met een vrije uitgang in de Houttuinen, alsmede een huis, staande tussen het voorgaande huis en dat van de erfgenamen van de weduwe Van Dorsten.

g. Petronella Sophija Berck, 7 febr. 1670, overleden Dordrecht 29 juli 1699, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 1 aug. 1699 (begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht 31 juli 1699: mevr. Soffija Berck, huisvrouw van mr. Jacob Stoop, “’t huijs met rou, 6 slepen, wapenbort”), trouwde Gerecht Dordrecht/NG Dordrecht 13/29 april 1698 Jacob Stoop, gedoopt NG Dordrecht 24 mei 1669, overleden aldaar 9 febr. 1757, zoon van Abraham Stoop en Jacoba van Mewen, Jacob Stoop trouwde2e Gerecht/NG Dordrecht 27 jan. 1709 met Maria Anna van de Graeff

Trouwboek Gerecht Dordrecht 13 april 1698: mr. Jacob Stoop jongman secretaris van de burgemeesters en ontvanger “van de penningen gedestineert ten oorloge deser stede”, geassisteerd met zijn vader Abraham Stoop presiderende burgemeester met jonkvrouwe Pieternella Sophia Berck, beiden van Dordrecht, [zij] geassisteerd met haar broer Matthijs Berck vrijheer van Godschalksoord oudraad van Dordrecht en Pompejus de Roovere heer van Hardinxveld baljuw van Zuid-Holland oud-burgemeester en Cornelis de Roovere heer van West-Barendrecht regerende burgemeester, haar ooms van moederszijde, op 29 april 1698 getrouwd.

Uit dit huwelijk een zoon Abraham Stoop, gedoopt NG Dordrecht 23 juli 1699, ongehuwd,begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 mrt. 1724 (met 9 koetsen boven ’t ordinaire getal, een wapenbord). Jonkheer Abraham Stoop, wonende te Dordrecht, testeerde op 10 dec. 1714 voor notaris Elias Venlo te Dordrecht en benoemde tot erfgenaam zijn vader mr Jacob Stoop, schepen van Dordrecht (Weeskamer Dordrecht, weesboek nr. 33, f. 7, extract dd 12 jan. 1724).

ONA Dordrecht inv. 646, akte 5: op 23 febr. 1708 compareren Erkenraad Berck, als erfgenaam voor een derde deel van haar moeder Alida de Roovere, weduwe van Matthijs Berck, in zijn leven pensionaris en secretaris van Dordrecht, enerzijds en Alida Berck, Matthijs Berck, schepen van Dordrecht, mr. Pompejus Berck, Jacob Stoop, secretaris van de burgemeesters van Dordrecht, als vader van zijn minderjarige zoon Abraham Stoop, verwekt bij Pieternella Sophia Berck, allen kinderen, kleinkinderenen erfgenamen van mr. Pompejus Berck, oud-burgemeester van Dordrecht, die een zoon en erfgenaamvoor een derde part was van voornoemde Alida de Roovere, anderzijds. Tussen comparanten is geschil ontstaan over de nalatenschap van Alida de Roovere. Zij zijn nu tot een overeenkomst gekomen, waarbij is bepaald, dat eerste comparante aan tweede comparanten een somma van 125 gl. zal betalen.

h. Pieter, 30 jan. 1673, jong overleden

i. Pieter, 27 nov. 1676, jong overleden

j.mr. Pompejus Berck, 3 mei 1679, jongman van Dordrecht (1702), begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 15 mrt. 1715, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 6 aug. 1702 (ondertrouw, volgens attestatie van ondertrouw van Rotterdam) Maria Paulina van Berckel, jonge dochtervan Rotterdam(1702), begraven Dordrecht (Augustijnenkerk) 11 okt. 1704 (Maria Paulina van Berckel,”ter aarde gebragt door agt carosse boven’t getal, vier en twintig flamboun, mede boven ’t getal, vier sleepmantels, een wapenbort voor’t huijs en [het] selve huijs met rouw behangen”)

– 15 juni 1703: Pompejus Berck testeertvoor notaris C. van Aansurg te Dordrecht. Hij legateert aanAbram Stoop, nagelaten zoon van zijn overleden zuster Petronella Sophia Berck, gedurende diens leven, een jaarlijkse uitkeringvan 60 gl. Als de testateur kinderloos komt te overlijden, zal zijn enige [nog levende]zuster Alid Berck zijn universele erfgenaam zijn.Hij stelt aan tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen Pompejus de Roovere, heer van Hardinxveld en Cornelis de Roovere, heer van West-Barendrecht. (ONA Dordrecht inv. 707, akte 79, f. 156 e.v.)

k. Pieter Berck, 16 april 1681, vermoedelijk jong overleden