Schouten

Stamreeks Schouten.

I. Dirck Jansz., overleden vóór 24 april 1668, trouwde NN (*)

(*) Mogelijk identiek met Dirck Jansz. houtdrijver, die in 1615 trouwt met Geertruijd Cornelisdr.,dochter van Cornelis Cornelisz. (Stoel) en NN

NG trouwboek Dordrecht 6/27 sept. 1615: Dirck Jansz. houtdrijver wonende buiten de Vuilpoort en Geertruijdt Cornelis Cornelisdr. wonende in de Heer Heymansuysstraat “vooraan”, beiden van Dordrecht.

– 23 juli 1623: Dirck Jansz., houtvletter en burger van Dordrecht, Trintken Dircken, weduwe van Jan Cornelisz. Stoel metselaar en Mariken Cornelisdr., weduwe van Claes Cornelisz., voor zichzelf en tevens vervangende het nagelaten weeskind van Cornelis Cornelisz. Stoel, verkopen aan Jan van Hammeren passementwerker een huis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Jan Pietersz. spelmaker en dat van de weduwe van Cors Jansz. arbeider. (ORA Dordrecht inv. 764, f. 51v)

– 25 juli 1623: Dirk Jansz. houtvletter verkoopt aan Anneken Cornelisdr., nagelaten weeskind van Cornelis Cornelisz. Stoel een jaarlijkse losrente van 7 gl. 7 st. en 8 penn., verzekerd op een huis buiten de stad Dordrecht, staande op de Luiersdijk [thans Sluisweg] tussen het huis van Job Ariensz. en dat van Ariaen Pietersz. Aert Aertsz. houtvletter stelt zich borg voor Dirck Jansz. (ORA Dordrecht inv. 764, f. 52v)

Dirck Jansz. en Geertgen (Geertruij) Cornelisdr. laten dopen (NG Dordrecht):

a. Jan, dec. 1617

b. NN, jan. 1621

c. Adriaen, jan. 1623

d. Pleun, mrt. 1626

e. NN, aug. 1627

– 6 febr. 1616: testament van Cornelis Lennaertsz., houtdrijver buiten de Vuilpoort in het Wilgenbos. Getuigen: Arien Jacobsz. en Dirck Jansz., wonende in het Wilgenbos. (ONA Dordrecht inv. 53, f. 7 e.v.)

– 1619: Dirick Jansz. betaalt in de verponding van Dordrecht2 ponden voor zijn huis bij het Wilgenbos (“buijten [Dordrecht] de huijsen bijt Willigenbos aende de Draeijboem”). Belenders: Ariaen Jacobsz. en de erfgenamen van Cornelis Le[e]ndersz. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3968, f. 205 e.v.)

– 1622: Dirck Jans, buiten de stad in het Wilgenbos, betaalt in het hoofdgeld3 ponden voor 1 man, 1 vrouw en3 kinderen. Belenders: Job Ariensz. en Arien Jacobsz. (Stadsarchief Dordrecht nr.3,inv. 3974 [Kohier van het hoofdgeld Dordrecht 1622], f. 290)

– 1626: Dirick Jansz. betaalt 2 ponden voor zijn huis buiten de Vuilpoort bij de Draaiboom. Belender: Adriaen Jacobsz. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, f. 157v)

ORA Dordrecht inv. 1622, f. 35v: op 29 mei 1668 verkopen Vector Jacobs, als man van Marike Dircx en Jan Dircxe Schouten, kinderen en erfgenamen van Dirck Jansz., aan Adriaen Braets, koopman en burger van Dordrecht, een huis buiten de Sluispoort op de hoek van het Willigenbos, staande tussen het huis van Willem Saeijer en het haventje.

Kinderen:

a. Mariken Dircxdr., geboren naar schatting ca. 1615, jonge dochter van Dubbeldam (1638), trouwde NG Dubbeldam 11 april/16 mei 1638 (beiden wonende in de Zuidpolder omtrent de volmolen) Vechter Jacobsz., geboren naar schatting ca. 1618, jongman van Zaandam (1638),gedoopt NG Dubbeldam (op belijdenis, zijn ouders waren doopsgezind) 9 mei 1638, begraven Dordrecht (Grote Kerk), 29 nov. 1670 (een baar voor Vechter Jacobsz. een molenaar bij de Gebrande Buurt [stadsdeel van Dordrecht, omgeving Prinsenstraat]

b. Jan Dircksz. Schouten, geboren ca. 1621, volgt II

c. Ariaentje Dircksdr., trouwde Pieter Willemsz. Warmont

II.Jan Dircksz. (Schout, Schouten), geboren ca. 1621, jongman van Dordrecht wonende in het Wilgenbos (1649), schiptimmerman, deken van Scheepmakersgilde te Dordrecht (ONA Dordrecht inv. 231, f. 282 e.v., akte dd 3 dec. 1669),begraven Dordrecht (Grote Kerk) 30 aug. 1687 (een baar buiten in het Wilgenbos voor Jan Schoute schiptimmerman, “een pontgraft”), trouwde NG Dordrecht 9/23 mei 1649

Beliken (Beligje, Beeltgen) Simons, gedoopt NG Dordrecht april 1625 jonge dochter van Dordrecht wonende in het Wilgenbos (1649), dochter van Simen Ariaensz. (Kremer) en Emmetgen Jans

De scheepstimmerman (gravure van Jan of CasparusLuyken).

– 18 juli 1656: Adriaen van Blijenburch, heer van Naeltwijck en burgemeester van Dordrecht, als Vader van het Arme-Weeshuis te Dordrecht, verkoopt aan Jan Pietersz. Visscher een huis in het Wilgenbos, staande tussen het huis van Jan Dircxsz. Schouten en dat van Marijcken Cornelisdr. (ORA Dordrecht inv. 780, f. 128)

– 23 mrt. 1657: Jan Dircksz. schiptimmerman, wonende in het Wilgenbos buiten de stad Dordrecht, is wegens geleende penningen schuldig aan Theunis Hendricksz., wonende op Dubbeldam, een bedrag van 300 gl. (ONA Dordrecht inv. 175, f. 63)

– 14 nov. 1661: ten overstaan van notaris G. de With leggen Jan Dircxsz. Schout, meester-schiptimmerman en burger van Dordrecht, Jan Jacobsz. Vroom, schipper, Sijmon Dircxsz., schiptimmerman en Michiel Hendriksz., hoogbootsman, op verzoek van Cornelis Jansz. Bouman, inwoner van Zaandam, als mede-eigenaar van het fluitschip “de Vergulde Bouman”, dat op de rivier bij Dordrecht ligt, een verklaring af. Schout getuigt, dat hij het schip in Dordrecht heeft gekielhaald en met de overige attestanten heeft geïnspecteerd, waarbij zij hebben geconstateerd, dat het “in alles … hecht, sterck ende bequaem” was. (ONA Dordrecht inv. 227, f. 261 e.v.)

– 20/22 mrt. 1663: de erfgenamen van Stoffel Jacobsz. en Cathelijntgen Cornelisdr. verkopen voor 500 gl. aan Grietgen Dircxdr., oude ongehuwde vrouw,de helft van drie huizen, staande naast elkaar aan de dijk, genaamd de Dorrenboom, tussen het huis van Marighien Jans en dat van Bastiaen Stevensz. Borg voor koopster: Jan Dircxsz. schiptimmerman. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 96, f. 335 e.v.)

– 24 april 1668: compareren voor notaris H. Smits Vector [Vechter] Jacobsz., als echtgenoot van Marichgen Dircken en Jan Dircxsz. Schout, beiden wonende in het Wilgenbos. Zij verkopen voor 475 gl. contant aan Adriaen Braets, koopman te Dordrecht, een huis, staande op de hoek in het Wilgenbos tussen het huis van Willem Saeijer en het haventje. Akte door verkopers ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 208, f. 65 e.v.)

– 29 mei 1668: Vector Jacobsz., als echtgenoot van Mariken Dircxdr. en Jan Dircxsz. Schouten, kinderen en erfgenamen van Dirck Jansz., verkopen aan Adriaen Braets, koopman en burger van Dordrecht, een huis buiten de Sluispoort, staande op de hoek van het Wilgenbos tussen het huis van Willem Saeijer en het haventje. (ORA Dordrecht inv. 786, f. 35v)

– 17 mrt. 1679: een aantal Dordtse kooplieden, o.w. Johannes van der Linden, die participeert voor een zestiende part, zijn overeengekomen een fluitschip te laten maken en uit te rusten. De naam vandat schipzal “Neurenbergh” zijn. [Ongetwijfeld naar de drie heren Van Neurenbergh, die samen in het te bouwen schip participeren voor een vierde part.] Op 18 mrt. 1679 geven de contractanten aan de schiptimmerman Jan Schouten, burger van Dordrecht, opdracht om het fluitschip te bouwen. Hij moet daarvoor goed, gezond en gaaf eikenhout gebruiken, als het maar geen Bremer hout is. De afmetingen zullen zijn: lang 120 voeten overstevens, wijd bij de grote mast (buiten op zijn berghouten) 26 voeten en hol op zijn overloop elf en een halve voet. Het schip zal klaar moeten zijn half augustus eerstkomende. Schouten zal daarvoor 10.000 gl. ontvangen, maar de bouwmaterialen zullen door hemzelf bekostigd worden. Als het schip eerder dan augustus 1679 af is, ontvangt hij nog eens 500 gl. extra. De ijzeren onderdelen zullen door een ander gemaakt worden. (ONA Dordrecht inv. 240, f. 77 e.v., akten dd 17 en 18 mrt. 1679)

30 juni 1679: verklaring t.b.v. Johan van Helmont, koopman te Dordrecht, door Jan Dircxsz. Schouten, meester-schiptimmerman, 58 jaar oud, Jacob Cornelisse, 46 jaar oud en Jan Claessen, 28 jaar oud, beiden schiptimmerlieden, allen burgers van Dordrecht. Akte door Schouten ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 166, f. 332)

– 29 juli 1679 (de testateuren staan niet in de 200e penning): Jan Dirksz. Schouten, meester-schiptimmerman en zijn vrouw Beelletje Simons, wonende in het Wilgenbos buiten de Sluispoort, hij gezond en zij ziek, passeren een testament. Zij benoemen tot erfgenaamen voogdde langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden, op te voeden etc. tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan ieder een somma van 150 gl. uit te keren een daarenboven aan ieder kind, getrouwd of ongetrouwd, een bedrag van 6 gl. Als de testatrice de eerststervende is, legateert zij aan haar twee dochters Margareta en Elisabeth Schouten of bij vooroverlijden van beiden aan haar twee dochters Emmeken en Annetje Schouten al haar kleren en gouden en zilveren lijfsieraden. (ONA Dordrecht inv. 443, f. 168 e.v.)

– 23 jan. 1680: begraveneen kind van Jan Dircxsz. Schoute schiptimmerman, bij het Wilgenbos (begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 21 aug. 1687: Jan Schouten en zijn vrouw Belitje Simons, hij ziek in bed liggende en zij gezond, herroepen het codicil, dat zij hebben gepasseerd voor notaris J. van der Hoop te Dordrecht op 5 febr. 1686. Zij willen, dat, aanstonds na het overlijden van de langstlevende van hen beiden, hun zoons Cornelis en Pieter Jansz. Schouten samen zullen aanvaarden en in eigendom behoudenhun oude werf met loods, staande en gelegen op de Dwarskaai aan het einde van de Kalkhaven, voor een bedrag van 500 gl. (met uitzondering echter van de sleephelling, die hun zoon Cornelis voor eigen rekening in voornoemde loods heeft gemaakt en hem alleen toebehoort, waarmee hij kan doen naar zijn welgevallen) en hun nieuwe werf, staande op het Vlak van de Kalkhaven, voor een bedrag van 150 gl., “des nogtans, dat deselve hare sonen hare obtie en keure sullen hebben, of sij de voorsz. werven ende lootsen voor de voorsz. resp. sommen sullen willen aanvaarden dan niet”. In het geval één van beide voornoemde zoons niet genegen is de werven aan te nemen of indien hij vóór de testateuren komt te overlijden, mag de andere zoon die werven voor de genoemde prijzen aannemen. Als zowel Cornelis als Pieter vóór de testateuren komen te overlijden, mag hun zoon Simon Jansz. Schouten, of bij vooroverlijden diens eventuele zoon of zoons, de werven na het overlijden van de testateuren overnemen.Indien Simon vóór zijn ouders en zonder zoons na te latenkomt teoverlijden, mag zijn broer Dirk Jansz. Schouten de werven overnemen.Na het overlijden van de testateur zal hun zoonSimon als legaat de “halve ligter” met toebehoren krijgen voor een bedrag van 150 gl. en vijf vlotten voor een bedrag van 100 gl. Akte door beide testateuren ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 447, f. 138 e.v.)

Plattegrond van het gebied rond de Nieuwe Kalkhaven van M. van Nispen uit 1698. De werf van Schouten is de rechthoek in het midden van de kaart, direct daarboven de Kalkhaven met twee kielstengen. (Erfgoedcentrum DiEP, Dordracum Illustratum)

– 22 febr. 1692: een baar voor de dochter van Jan Schoute schiptimmerman buiten de Sluispoort, “pontgraff” (begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 9 sept. 1699 (de testatrice staat niet in de 200e penning): Belitgen Simonsdr., weduwe van Jan Schouten, schiptimmerman en burger van Dordrecht, wonende bij het Wilgenbos buiten de Sluispoort, gezond van lichaam en geest,compareert voor notaris A. Meijnaert te Dordrecht. Zij bevestigt het testament, door haar enhaar man gepasseerd op 29 juli 1679 voor notaris P. van Son te Dordrecht en het codicil door haar en haar man gepasseerd voor dezelfde notaris op 21 aug. 1687, maar niet het codicil, dat zij alleen heeft gepasseerd voor notaris J. van Bijwaert te Dordrecht op 17 sept. 1692. Zij wenst, dat haar jongste zoon, Pieter Jansz. Schouten, al het werk op haar scheepswerf,dat vóór haar overlijden begonnen is, zal afmaken, “mits soo lange sijn behoorlijck onderhoudt uijt haeren boedel genietende.” Zij legateert aan Pieter haar huis in het Wilgenbos, waar zij tot dan toe gewoond heeft en het huis, waarinPieter zelf woont, met al het gereedschap, dat bij de scheepswerf hoort, al haar huisraad en inboedel, inclusief de beddenmet toebehoren, goud, zilver, tin, koper, ijzer, hout, aardewerk, linnen en wollen stoffen, maar daarvan uitgezonderdde linnen, wollen en andere stoffen, “tot haeren lijve behoorende”, omdat zij die reeds aan anderen gelegateerd heeft. Dat alles legateert zij aan haar zoon “in consideratie dat den voorn. Pieter Jansz. Schouten … naer het overlijden van haeren voorsz. man self in sijn meerderjaricheijt ende tot nu toe sijn naersticheijt heeft gedaen, met waernemen, derigeren, ende doen van haer werck ende affaires, tot haer merckelijck proffijt ende voordeel”. Zij legateert aan de armen van de NG diaconie te Dordrecht een bedrag van 6 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar kinderen, kleinkinderen en verdere nakomelingen, evenwel op voorwaarde, dat haardochterEmmetgen Jansdr. Schouten, vrouw van Maerten Jansz. de Crouff, van de goederen, die zij van de testatrice zal erven, niet zal mogen “disponeren” (d.w.z. bij testament, codicil of anderszins te vermaken), maar dat die goederen na het overlijden van Emmetgen zullen vererven op de overige kinderen en kleinkinderen van de testatrice. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zoons, Dirck Jansz. Schouten, Simon Jansz. Schouten en Pieter Jansz. Schouten. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 264, f. 249 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Dirck Jansz. Schouten, 20 mrt. 1650, jongman van Dordrecht wonende in het Wilgenbos (1677), schiptimmerman, trouwde NG Dordrecht 11 april 1677 (ondertrouw) Cornelia Ariensdr. Dribberse, jonge dochter van Puttershoek en daar wonende (1677)

ONA Dordrecht inv. 188, akte 110: op 16 jan. 1681 testeren Dirck Jansz. Schouten schiptimmerman en zijn vrouw Cornelia Arijensz. van Hoeck, burgers van Dordrecht. Zij benoemen tot hun erfgenaam en voogd de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of tot het moment, waarop zij gaan trouwen, en hun dan een bedrag van 100 gl. uit te keren.

Kinderen (o.a.):

a-1. Jan Dircksz. Schout, gedoopt NG Dordrecht 23 febr. 1687, mr. scheepstimmerman

ORA Dordrecht inv. 812, f. 30 e.v.: op 28 april 1718 verkopen Johannis Verboor, zoon en erfgenaam van wijlen Jacomina Colster, weduwe van Arij Geijsbertsz. Verboor, en Pieter Helmigh en Govert van Wel, als testamentaire voogden over Jenneken Verboor, minderjarige dochter van Jacomina Colster, weduwe van Arij Geijsbertsz. Verboor, voor 800 gl. aan Jan Dircksz. Schout, mr.scheepstimmerman te Dordrecht, een nieuw, hecht, sterk en wel ter nering staand huis even buiten de Sluispoort in het Wilgenbos omtrent de Twintighuizen, staande tussen het huis van Aart Groenewegen houtwerker en dat van Gijsbert van Rens.

b. Emge (Emmetgen) Jansdr. Schouten, 16 juli 1651, trouwde Maerten Jansz. de Crouff

c. Anneke, 26 sept. 1653

d. Simon Jansz. Schouten, 1 mei 1656 (volgt III)

e. Cornelis Janz. Schout(en), 7 sept. 1657, jongman van Dordrecht, wonende buiten de Sluispoort (1686), trouwde NG Dordrecht 19 mei/3 juni 1686 Geertruij Hermensdr. van Dorsser, jonge dochter van Dordrecht, wonende buiten het Riedijkssluisje (1686)

f. Grietge en Ariaentge, 8 jan. 1663

g. Lena en Ariaentge, 2 mrt. 1666

h. Pieter Jansz. Schoutjes [Schouten],12 aug. 1668

i. Elisabeth (Lijsbeth), 14 mrt. 1670

III.Simon Jansz. Schouten, gedoopt NG Dordrecht 1 mei 1656, jongman van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1690), schiptimmerman, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 17 mei 1726 (Sijme Jansz. Schouten, buiten [de Sluispoort] in “de Witte Leeuw”, laat kinderen na), tr. NG Dordrecht/Dubbeldam 19 nov./13 dec. 1690 Agnietje (Agnes) Engelen van Tiel, gedoopt NG Dordrecht 26 april 1670, jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1690), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 juni 1740 (Angenietje van Tiel, weduwe van Sijme Jansz. Schouten, buiten de Sluispoort in “de Witte Leeuw”, laat kinderen na)

– 1 sept. 1699: in het weeshuis van Dordecht worden opgenomen Catharina en Stoffelina, dochters van wijlen Evert Engelen van Tiel. Hun moeder (Cornelia Jans) is onlangs gestorven en woonde buiten de Sluispoort tegenover de scheepstimmerwerf van Simon en Pieter Schoutjes. (Archief Weeshuis Dordrecht)

– 5 sept. 1703: testament van Cornelis Francen Romeijn, mr. scheepstimmerman en burger van Dordrecht, weduwnaar van Heijltgen Cornelis. Hij benoemt tot voogd over zijn kinderen, Maeijcken en Frans Cornelisz. Romeijn, Simon Jansz. Schout, mr. scheepstimmerman te Dordrecht. Hij tekent met een merk. (ONA Dordrecht inv. 630, f. 164 e.v.)

– 21 aug. 1725: testament van Sijmon Jansz. Schouten, mr. schiptimmerman en zijn vrouw Agnietjen Engelen van Thiel, hij ziek zijnde en zij gezond. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen bij mondigheid of eerder huwelijk elk een bedrag van 50 gl. uit te reiken. Na het overlijden van de langstlevende van hen, testateuren,moet aan hun jongste zoons Engel en Sijmon Schouten, of de langstlevende van beiden, op hun erfportie worden aangerekend, voor een somma van 2400 gl., de nieuwe werf en loods van de testateuren, alsmede hun oude werf, loods en scheepshelling, met het op de oude werf staande huis, welk onroerend goed gelegen is buiten de Sluispoort van Dordrecht aan de Kalkhaven, met daarbij al het gereedschap, dat tot de scheepshelling behoort, waaronder twee “bloks”, een “reep” en drie windbomen. Aan hun dochter Beliken Schouten moet op haar erfportie worden aangerekend het huis genaamd “de Witte Leeuw”, voor een somma van 1800 gl. Alle overige goederen, die de langstlevende zal nalaten, zullen toekomen aan hun zeven kinderen, genaamd Jan, Teuntje, Beleken, Christijna, Engel, Sijmon en Elisabeth Schouten. Zij benoemen elkaar tot voogd over hun minderjarige erfgenamen, alsmede hun oudste zoon Jan Sijmonsz. Schouten, hun schoonzoon Dirk Jansz. Calis, echtgenoot van Christina Schouten en hun jongere zoon Engel Schouten. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 887, akte 64)

– 5 dec. 1727: Angenietje Engele, weduwe van Simon Jansz. Schoute, wonende onder de jurisdictie van Dordrecht, stelt zich borg voor Bart van Moerkerke, burger van Dordrecht, die van Aletta Palm, ongehuwde “dochter” te Dordrecht, een bedrag van 300 gl. geleend heeft. (ONA Dordrecht inv. 839, akte 93)

Kinderen (o.a.):

a. Jan Simonsz. Schouten, gedoopt NG Dordrecht 23 juli 1691, volgt IV

b. Simon Schouten, gedoopt NG Dordrecht 3 okt. 1708

IV.Jan Sijmonsz. Schout(en), ged. NG Dordrecht 23 juli 1691, jongman van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1716), meester-schiptimmerman, overleden Dordrecht 6 sept. 1760,tr. Gerecht/NG Dordrecht 19 juli/2 aug. 1716 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Sijmen Schouten en de bruid met haar vader Jan Jacobsz.) Pieternella (Pietertien) Jansdr. (Cales, Calis), gedoopt NG Dordrecht 22 sept. 1687, jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1716),dochter van Jan Jacobsz. (Calis) en Geertruij Pieters

– 13 jan. 1719 (de testateuren staan niet in de 200e penning): testament van Jan Sijmonsz. Schoute, meester-scheepstimmerman en zijn vrouw Pieternella Jansz. Kalis, wonende even buiten de Sluispoort. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zalgehouden zijn hun kinderen op te voeden en te onderhouden tot hun mondigheid oftot wanneer zij gaan trouwenen hun dan “onder hen allen” een bedrag van 25 gl. uit te keren. Als de testateur de eerststervende is en kinderloos komt te overlijden, moet de testatrice aan zijn ouders, als die dan nog in leven zijn, al zijn kleren overdragen, “’t gout ende zilver daer onder niet begrepen”, of anders zoveel aan zijn ouders uitkeren, als zij onderling zullen overeenkomen. Als één van de ouders van de testateur vóór hem komt te overlijden, vervalt deze verplichting. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 752, akte 2)

– 5 nov. 1721: comp. voor notaris B. van der Star te Dordrecht Jan de Bruijn, secretaris en administrateur van de Weeskamer te Dordrecht, “als van Heeren weesmeesteren gequalificeert sijnde, die voogden sijn over de twee minderjarige kinderen van Pieter Jansse Calis”, Jacob Jansz. Calis, Aegje Jansdr. Calis, weduwe van Jan Jillisz. Bouwman, Appolonia van de Grient, weduwe van Pieter Jansz. Calis, Jan Sijmonsz. Schout, als echtgenoot van Pieternella Jansdr. Calis, Dirck Jansz. Calis, Arij van Asperen, als echtgenoot van Grietje Jansdr. Calis en Jan Jansz. Calis, allen kinderen resp. kleinkinderen en, samen met de hierna te noemen geconstitueerde, enige erfgenamen van Jan Jacobsz. Calis, die is overleden te Dordrecht. Zij verlenen procuratie aan Jacob Spaen, mede-erfgenaam nomine uxoris van Jan Jacobsz. Calis, om voor hen te verkopen, hetzij publiekelijk, hetzij onder de hand, vier losrentebrieven ten laste van de provincie Holland, t.w. 1) een losrentebrief van 500 gl. “ten comptoire” van de gemene middelen te Alkmaar, staande op naam van Jan Gerritsz. Bregman te Warmenhuizen en gedateerd 6 april 1674, 2) een dito losrentebrief van 1000 gl., staande op naam van Jan Cornelisz. Leijndreger en gedateerd 20 sept. 1703, 3) een dito losrentebrief van 520 gl., staande op naam van Andries Wijver en gedateerd 1 nov. 1672 en 4) een losrentebrief van 1000 gl. “ten comptoire” van de gemene middelen te Hoorn, staande op naam van Hendrick Cornelisse en gedateerd 15 okt. 1705. (ONA Dordrecht inv. 849, akte 53)

ONA Dordrecht inv. 915, akte 19: op 19 juni 1724 verkoopt Jan Dirksz. Schouten, mr. schiptimmerman buiten de Sluispoort, voor een somma van 550 gl.aan zijn neef Jan Sijmonsz. Schouten, eveneens mr.-schiptimmerman buiten de Sluispoort, een scheepstimmerwerf, liggende buiten de Sluispoort, aan de ene zijde belend door de scheepstimmerwerf van Sijmon Jansz. Schouten en aan de andere zijde door de weg van de Twintighuizen. Compareert mede Cornelia Ariensdr. Dribberse, weduwe en boedelhoudster van Dirk Jansz. Schouten, wonende buiten de Sluispoort, die de koper belooft “te sullen guaranderen en bevrijden van alle soodanige actiën en pretensiën als haar … kind, kinderen off wettige descendenten ende alle anderen in tijden ende wijlen soude willen maken off pretenderen op de voorn. scheeptimmerwerf te hebben”.

– 15 okt. 1726: compareren Jacob Staasz. van Hooghstraaten, meester touwslager en zeilmaker en Jan Sijmonsz. Schouten, meester-schiptimmerman. Zij verklaren op verzoek Simon Gowe, schipper op het schip de “Merry Thought”, liggende te Dordrecht, dat zij het schip gevisiteerd hebben en getaxeerd op een waarde van 3000 gl. (ONA Dordrecht inv. 838, akte 32)

– 17 nov. 1729: Jan Sijmonsz. Schout en Sijmon Schout, meester-schiptimmerlieden te Dordrecht, verklaren op verzoek van de reders en eigenaren van het fluitschip “de Jonge Johan”, waarop schipper is Klaes Beets, dat zij eind oktober/begin november 1729 aan boord van genoemd schip, dat toen lag voor het Strijense Sas,zijn gegaan en met hun knechts het schip hebben gerepareerd. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 1015, akte 77)

– 27 nov. 1749: Jan Sijmonsz. Schouten meester-scheepmaker, wonende onder de jurisdictie van Dordrecht, verklaart volledig betaald te zijn door Jesse de Heer, Obbe de Heer en Johannes van der Hoeve, kooplieden te Dordrecht, van hetgeen hem toekomt wegens het maken van een hoekerschip, genaamd “de Twee Juffrouwen Anna”, lang vier “steven” voeten, wijd 22 voeten en hol 12 voeten. (ONA Dordrecht inv. 975, f. 797 e.v.)

– 1 mei 1750: Jan Sijmonsz. Schout, meester-schiptimmerman wonende onder de jurisdictie van Dordrecht, verklaart toe te stemmen in het huwelijk, dat zijn zoon Sijmon Schout, jongman, voornemens is aan te gaan met Johanna Pals, jonge dochter wonende op Giessendam. (ONA Dordrecht inv. 976, akte 72)

– 15 juni 1750 (testateuren zijn beneden de 2000 gl. gegoed): Jan Sijmonsz. Schout, meester-schiptimmerman wonende onder de jurisdictie van Dordrecht en zijn vrouw Pieternella Kalis maken een codicil bij het testament, dat zij op 13 jan. 1719 hebben gepasseerd voor notaris H. van Wetten te Dordrecht. Hij prelegateert aan zijn zoons Simon en Jan Schout al zijn kleren en gouden en zilveren lijfsieraden. Zij prelegateert aan haar dochter Agniesje Schout haar diamanten ring met negen stenen en aan haar dochter Anna Schout haar diamanten ring met zeven stenen. Aan haar drie dochters Agnietje Schout, Anna Schout en Geertruij Schout, de vrouw van Jacob de Jong prelegateert zij voorts al haar kleren en gouden en zilveren lijfsieraden (met uitzondering van de hiervoor genoemde diamanten ringen). Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 976, akte 98)

– 27 febr. 1761: “korten staet” van de nalatenschap van Jan Sijmonsz. Schouten, meester-scheepmaker te Dordrecht, aldaar overleden op 6 sept. 1760, beschreven door notaris J. van der Star, op verzoek van zijn vier kinderen en schoonzoons, t.w. Geurtje Schouten, haar echtgenoot Jacob de Jong, Agnietje Schouten, haar echtgenoot Jacob van der Kaa, Johanna Schouten, meerderjarig en ongehuwd en Jan Schouten, meester-scheepmaker te Dordrecht, enige erfgenamen van Jan Sijmonsz. Schouten, volgens het testament, dat hij heeft gepasseerd voor notaris A. Bax te Dordrecht op 22 mrt. 1758.

Tot de boedel behoren:

– contant geld, bijlbrieven en uitstaande schulden: 10.567 gl. 19 st. 4 penn.

– een huis, dubbele loods en zomerhuisje, met een sleephelling, liggende en staande platen, repen, touwwerk en kettingen en hetgeen verder bij de sleephelling hoort, staande en gelegen buiten de Sluispoort om de hoek van de hellingen [niet te verwarren met de Hellingen buiten de Spuipoort], getaxeerd op 1300 gl.

– een huisje en bleekveld, staande en liggende naast het voorgaande huis en loodsen, met liggende ijzeren haardplaten: 310 gl.

– een loods en een open werf aan het einde van de Kalkhaven aan de zuidoostzijde, met de planken liggende op de bindbalken in de loods: 1050 gl.

– een woonhuis en achterhuisje “daar annex”, met het erfje daarachter, staande en gelegen achter en tegen voornoemde loods, met de daarin staande en liggende ijzeren platen, op het eind van de Kalkhaven naast het Joods kerkhof: 650 gl.

– een pakhuis in de Twintighuizen, “gebruikt werdende tot de mastemakerij”, staande tussen het huis van Aert van de Nadort en het huis van de erven Knogh: 600 gl.

– een aantal bijlbrieven, een achtste deel in een visgaffelschuit, genaamd “de Maagd van Dordrecht”, “vaert van Mijnheerse [Middelharnis]”, een zestiende deel in een visgaffelschuit, genaamd “de Jonge Gans”, “vaert mede van Mijnheerse”, een achtste en een vierenzestigste deel in een visgaffelschuit, genaamd “de Jonge Jan Schouten”, “vaert mede van Mijnheerse”, een tweeëndertigste deel in een hoekerschip genaamd “de Jacobus en Levina”, waarvan boekhouder is Iman Imans te Zierikzee, een claim ten laste van Sijmon Schouten, waarvan nog resteert 90 gl., “doch heeft een contra-pretensie”: memorie (deze effecten blijven vooralsnog in gemeenschappelijk bezit van de erfgenamen)

– 2 obligaties van resp. 300 en 500 gl.

– de gereedschappen tot de scheepmakerij behorende, door de overledene nagelaten, zijn door de dekens van het Scheepmakersgilde getaxeerd op 80 gl.

Totaal van de baten: 15.337 gl. 19 st. 4 penn., te verdelen onder de vier erfgenamen, zodat ieder recht heeft op 3839 gl. 9 st. 13 p.

Jan Schouten [zie V.]krijgt het woonhuis met dubbele loods etc. buiten de Sluispoort, het huisje met het bleekveld, de loods en open werf bij de Kalkhaven, het pakhuis in de Twintighuizen en in contant geld een bedrag van 499 gl. 9 st. 13 penn.

(ONA Dordrecht inv. 1094, akte 19)

Kinderen (o.a.):

a. Jan Schouten, gedoopt NG Dordrecht 21 juni 1729, volgt V

V. Jan Schouten, ged. Dordrecht 21 juni 1729, scheepmakersbaas, begr. Dordrecht (Grote Kerk) 5 maart 1791 (de heer Jan Schouten, buiten de Sluispoort, laat kinderen na, twee koetsen extra, eerste boete, ’s middags luiden, één uur en een half uur), tr. Dordrecht 9 oktober 1751 Eva Boet, ged. Dordrecht 4 september 1723, overleden Dordrecht 10 april 1805, begr. Dordrecht 16 april 1805, dochter van Hermannus Boet en Josina van der Plank.

– 8 juli 1754: Jacob de Jongh, meester-broodbakker te Dordrecht enzijn vrouw Geertruij Schouten en Jan Schouten Jansz., meester-scheepmaker, Angenieta Schouten en Johanna Schouten, alledrie meerderjarig en wonende even buiten Dordrecht, verklaren dat hun broer, Sijme Schouten, in zijn leven mr.-scheepmaker even buiten de stad, die met zijn vrouw, Jannetje Palsin gemeenschap van goederen is getrouwd, onlangs is overleden zonder testament na te laten, zodat zij zijn erfgenamen ab intestato zijn. Omdatzijn boedel belast is met vele schulden, wensen zij afstand te doen van de nalatenschap en hopen, dat hun vader Jan Schouten, mr.-scheepmaker even buiten Dordrecht, bereidzal zijnde erfenis in hun plaats te aanvaarden. Akte door comparanten ondertekend.(ONA Dordrecht inv. 1031, akte 83)

– 8 juli 1754: Jan Schouten, mr.-scheepmaker even buiten Dordrecht, vader van wijlen Sijme Schoutenen Jannetje Pals, diens weduwe, verklaren dat Jan Schouten de nalatenschap van zijn zoon zal aanvaarden. Hij zal de doodschulden en begrafeniskosten betalen en al hetgeen voldoen, dat Michiel Ockersz. Hogerseijl en Jan Stoute, schipper, van de boedel van Sijme tegoed hebben. Jannetje Pals zal alle goederen, die zij met haar overleden manin gemeenschappelijk bezit heeft gehad, behouden, met uitzondering van zijn kleren en lijfsieraden, welke aan zijn vader zullen toekomen. Zij neemt op zich al hetgeen te betalen, dat de erfgenamen van Gerardt Lares en Pieter Struijk, meester-zilversmid, van de boedel tegoed hebben. (ONA 1031, akte 84)

– 20 okt. 1760: verklaring door Simon Schouten en Jan Schouten, scheepmakersbazen, “welkers exercitie voornamentlijk int maken en repareren van zeewerk bestaet”, wonende even buiten doch onder de jurisdictie van Dordrecht, op verzoek van Jan Theodorus, schipper op het “snouschip de Johanna Marija”, thuis horende te Rotterdam “en gedestineert na Smirna, dogh door bekome leckagie zedert den 17 tot den 19 dezer maendt october onder de reparatie aen deze stadt [onder de kielpaal in de Kalkhaven] is leggende geweest.” Akte door Simon en Jan Schouten ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 1039, akte 121)

– 7 sept. 1776: voorwaarden, waarop Jan Schouten, Jacob van der Kaa en Arij Kool, wonende te Dordrecht en bij akte, op 18 sept. 1772 verleden voor notaris J. van der Star door Geertruijdt Schouten, weduwe van Jacob de Jongh, aangesteld tot voogden over haar minderjarige kleinkinderen, willen laten veilen een huis op de Groenmarkt omtrent de Vleeshouwersstraat, staande tussen het huis van de heer Van Meeteren en dat van Johannes van IJssum, welk huis tot 1 mei 1777 voor 130 gl. per jaar is verhuurd aan Gillis Olivier. Op 7 sept. 1776 wordt het pand voor 1710 gl. gemijnd door Jan Schouten, die verklaart het voor die prijs te aanvaarden voor hemzelf of voor degene, die hij binnen drie dagen als koper zal aanwijzen. (ONA Dordrecht inv. 1111, akte 181)

– 4 febr. 1778: testament van Jan Schouten, scheepmaker te Dordrecht en zijn vrouw Eva Boet, wonende buiten de stad Dordrecht op stadsgrond. Als hij de laatstoverlijdende is, prelegateert hij aan hun zoon Jan Schouten jr. zijn kleren, gouden en zilveren lijfsieraden en zijn “plaisierschuijtje” met alle toebehoren. Als zij de laatststervende is, prelegateert zij aan haar dochters haar kleren en gouden en zilveren lijfsieraden. Tot erfgenaam van al hun overige na te laten benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn aan hun kinderen de legitieme portie uit te keren. Tevens is voorwaarde, dat hun zoon, Jan Schouten jr., na het overlijden van de langstlevende van de testateuren, de navolgende goederen op zijn erfportie zal mogen aanvaarden voor de na te noemen bedragen:

– een werf, genaamd “den Orangje Boom”, gelegen aan de afgang van de hellingen buiten de Sluispoort op stadsgrond, met een huis, loodsen, sleephelling en de gereedschappen, machines en stellingen, die tot die sleephelling behoren, benevens het huisje, dat achter loods of werf staat en dat thans verhuurd is aan Isaac de Kreek, samen voor 2000 gl.

– een loods en open werf, staande en gelegen aan het einde van de Kalkhaven aan de zuidoostzijde, eveneens op stadsgrond, methet huis en verdere “betimmering”, waarin de testateuren wonen en die zij gebruiken, samen voor 2400 gl.

– een loods, “geapproprieert tot een mastenmakerij”, met een houtberging daarachter, staande in de Twintighuizen op stadsgrond tussen het huis van Leendert van de Nadort en dat van Jacob Waarsman, voor 600 gl.

– alle gereedschappen e.d., inclusief vlotten, ponten, schuiten, takels, blokken en alles wat verder tot de werf “den Orangje Boom”, de tweede werf en de mastenmakerijbehoort, te taxeren door twee of – bij onenigheid -door drie onpartijdige personen

– al het hout en alle masten, te taxeren als voren.

De overneming van de gereedschappen en het hout door hun zoon Jan zal niet eerder plaatsvinden dan wanneer het werk, dat bij het overlijden van de langstlevende der testateuren op stapel staat, afgemaakt is. De baten daarvan zullen ten goede komen aan de gemeenschappelijke boedel, die door de langstlevende zal worden nagelaten. Zoon Jan zal voor het door hem te verrichten werk 10 gl. per week ontvangen.

De langstlevende prelegateert nog aan hun oudste en jongste dochter elkeen jaarlijkse uitkering van 100 gl. tot het moment, waarop zij meerderjarig worden of gaan trouwen. Zij prelegateren aan hun ongehuwde kinderen elk een bedrag van 800 gl., ter vergoeding van hetgeen hun getrouwde kinderen reeds gekregen hebben. Tot voogd over hun minderjarige erfgenamen stellen zij aan de langstlevende van hen beiden en na diens overlijden Franck van der Schoor en Floris van der Linden, beiden kooplieden te Dordrecht. Als er geen minderjarige erfgenamen zijn, benoemen zij tot executeur-testamentair hun zoon Jan Schouten jr. De testateur tekent met zijn naam, de testatrice verklaart niet te kunnen schrijven en zet een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 1146, akte 29)

– 25 mei 1782: compareren voor notaris L. van der Horst te Dordrecht Jan Schouten, koopman en zijn vrouw Eva Boet, wonende even buiten Dordrecht op stadsgrond. Zij verklaren de volgende wijzigingen te willen aanbrengen in hun testament van 4 febr. 1778:

Hun zoon Jan Schouten jr. zal na het overlijden van de langstlevende der testateuren op zijn erfportie mogen aannemen hun aandeel in de molen “de Arend”, hun aandeel in de houthandel, die gedreven wordt onder de firmanaam Nierhoff, Schouten en Co. en hun aandeel in de houtzaagmolen “de Nieuwe Eendragt”, staande aan het einde van de Bakstraat.

Zij prelegateren aan hun dochter al de kleren en gouden en zilveren lijfsieraden, die zij, Pieternella, reeds bezit of die zij haar nog zullen geven, “waaromtrent haar dogter op haar woord, des noods op haar eed, volkoomen zal moeten werden gelooft.” Hij tekent, zij zet een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 1153, akte 173)

– 6 juli 1790: compareren Jan Schouten, koopman en zijn vrouw Eva Boet, wonende even buiten Dordrecht op stadsgrond. Hij prelegateert aan zijn zoon, Jan Schouten jr.,zijn kleren en lijfsieraden en een plezierbootje. Zij prelegateert aan haar dochters, Pieternella Schouten, echtgenote van Bartholomeus de Glind en Bastiana Schouten, echtgenote van Samuel van Eijck en aan haar kleindochter, Eva Johanna van Eijck, haar kleren en lijfsieraden. Tot erfgenamen van al hun overige na te laten goederen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn aan hun kinderen de legitieme portie uit te keren. Als de testateur de langstlevende is, wenst hij, dat de gehele compagnie en negotie, die hij thans met zijn zoon, Jan Schouten jr., heeft, overgaat op die zoon, “zoo hij zulks verkiest”, met al hetgeen tot die compagnie behoort, inclusief de gereedschappen, machines e.d., welke zich op de werf “de Oranjeboom”, bij de mastenmakerij of bij de woning van de testateuren bevinden. Hun zoon zal ook het recht hebben om na het overlijden van de langstlevende van zijn ouders de volgende panden over te nemen:

– de werf “de Oranjeboom”, voor een bedrag van 2000 gl.

– de timmerwerf aan het einde van de Kalkhaven, voor 2400 gl.

– het door de testateuren nieuw gebouwde huis, staande bij laatstgenoemde timmerwerf, voor 8000 gl.

– de mastenmakerij, voor 600 gl.

– de werf, die zij hebben gekocht van Pieter Koeijmans, voor 4600 gl. en

– de molen, genaamd “de Oranjeboom”, staande aan de ‘s-Gravendeelse dijk buiten de stad, voor 24.000 gl.

Na het overlijden van de langstlevende van beide testateuren zullen zijn of haar erfgenamen zijn hun kinderen of bij vooroverlijden de nakomelingen van die kinderen. Na het overlijden van de langstlevende zal aan hun kleindochter, Eva Johanna van Eijck, op haar erfportie worden aanbedeeld een huis aan de Groenmarkt, staande tussen het huis van Bartholomeus de Glind en het pakhuis van de heer Olivier, voor een bedrag van 2000 gl. Als hun kleindochter het weigert te aanvaarden, mag haar tante, Pieternella Schouten, de vrouw van Bartholomeus de Glind, het aannemen voor dezelfde prijs, te betalen aan Eva Johanna van Eijck, of,als Petronella het weigert,moet het verkocht worden en de kooppenningen uitgekeerd worden aan Eva Johanna. De kinderen van hun overleden dochter, Josina Schouten, bij haar verwekt door Martinus Johannes van Eijck, zullen niet mogen beschikken over hetgeen zij van de testateuren komen te erven vóór het bereiken van de mondigheid of voordat zij gaan trouwen. Tot voogd benoemen zij de langstlevende van beiden en tot executeurs hun zoon, Jan Schouten jr. en notaris Bartholomeus van der Star. Als de langstlevende is overleden zullen voogden zijn Jacobus Spaan, meester blokmaker, Arie Esselbruggen, chirurgijn en Gillis Olivier, allen wonende te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 1122, akte 12)

– 8 juli 1791: Jan Schouten jr. verklaart van zijn moeder, Eva Boet, over te nemen de goederen, die zijn vader en moeder in hun testament van 6 juli 1790 aan hem toebedeeld hebben, met uitzondering van de molen en het “nieuw getimmerde” huis, staandebij de werf aan het einde van Kalkhaven, “welk huijs echter mede voor de prijs als bij testament bepaalt, bij vervolg na’t overlijden van [zijn moeder door Jan Schouten jr.] … zal kunnen en moogen worden overgenoomen”. Eva Boet transporteert aan haar zoon de werf “de Oranjeboom”, de timmerwerf aan het einde van de Kalkhaven, de loods met de mastenmakerij, de werf, loods en stoof, die zijn gekocht van Pieter Koeijmans. Jan Schoutenmoetvoor die goederenaan haar een bedrag van 9600 gl. betalen, maar, aangezien hij van zijn moeder nog tegoed heeft de legitieme portie uit zijn vaders nalatenschap, zijnde 7000 gl., is hij nog slechts 2600 gl. aan haar schuldig. (ONA Dordrecht inv. 1316, akte 84)

– 2 aug. 1791: Eva Boet, weduwe van Jan Schouten, laat publiekelijk veilen een achtkanten, “onlangs genoegsaemnieuw getimmerde” windzaagmolen, voorheen genaamd “Kalkoor”, doch thans “de Oranjeboom”, met alle toebehoren en een hoeveelheid gereedschappen, benevens een nieuwe, ruime koepel, “hebbende een vermaakelijk gezicht over de rivier”, staande aan de ‘s-Gravendeelsedijk onder de jurisdictie van De Mijl, tussen de molen van Jacob Bongers en die van Cornelis Stratenus. Bij de koop is inbegrepen de verzekeringspolis van de Assurantie Compagnie te Amsterdam, gedateerd 23 nov. 1790, waaruit blijkt, dat de molen voor 12.000 gl. is verzekerd. De molen wordt voor 20.150 gl. gekocht door Tomas Kuijl en Jan van Prooijen, kooplieden te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 1316, akte 93)

– 12 sept. 1791: Eva Boet, weduwe van Jan Schouten, wonende even buiten Dordrecht op stadsgrond, verleent procuratie aan Bartholomeus van der Star, wonende te Dordrecht, om voor schout en schepenen van De Mijl te transporteren aan Tomas Kuijl en Jan van Prooijen, kooplieden te Dordrecht, een windzaagmolen, vanouds genaamd “de Kalkoor” en thans “de Oranje Boom” met de bijbehorende molenaars- en knechtenwoningen, erf, loodsen, houtbergplaatsen en “coupel”, staande aan de ‘s-Gravendeelse dijk onder de jurisdictie van De Mijl tussen de molen van Jacob Bongers en de molen van Cornelis Stratenus. De kopers betalen een bedrag van 20.150 gl. en een rantsoen van 1007 gl. 10 st. (ONA Dordrecht inv. 1122, akte 36)

– 8 okt. 1791 (codicil): compareert Eva Boet, weduwe van Jan Schouten, wonende even buiten Dordrecht. Zij prelegateert aan haar zoon, Jan Schouten, een somma van 17.000 gl., een zilveren tafeltabaksdoos, twee zilveren “confoorten” en haar tuin, liggende “op het Cingel naast het[Beezemer]paadje”, met alle zich daarin bevindende losse en vaste schilderijen, beelden, potten, stokken en overige “tuincieraden”, mitshij voor dat allesin haar boedel een somma van 2000 gl. zal inbrengen. Zij geeft hem ook het recht om volgens de taxatie van twee neutrale personen over te nemen een mahoniehouten lessenaar “met desselfs opstaande kast”. Aan de kinderen van haar dochter Josina Schouten, bij haar verwekt door Martinus Johannes van Eijck, legateert zij een somma van 17.000 gl., aan de kinderen van haar dochter Bastiana Schouten, bij haar verwekt of nog te verwekken door Samuel van Eijck, een bedrag van 17.000 gl. en aan de kinderen van haar dochter Pieternella Schouten, bij haar verwekt of nog te verwekken door Bartholomeus de Glindt, eveneens 17.000 gl. Aan haar dienstmaagd Burgje van Campen legateert zij 150 gl. en een “ordentelijke rouw”, mits zij bij het overlijden van de testatrice nog bij haar inwoont. Al hetgeen haar kleinkinderen van haar zullen erven zal, totdat zij 25 jaar zijn geworden,onder het beheer blijven van de voogden, die de testatrice en haar overleden man in hun testament van 6 juli 1790 hebben aangesteld, ook wanneer die kleinkinderen vóór hun 25e jaar de status van veniam aetatis hebben verkregen. Zij ontheft notaris Bartholomeus van der Star van het aan hem in het testament van 6 juli 1790verleende executeurschap en wenst, dat alleen Jan Schouten, haar zoon, executeur in haar nalatenschap zal zijn.

De testatrice kan niet schrijven en tekent met een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 1274, akte 78)

– 13 april 1798 (codicil): Eva Boet herroept het codicil van 8 okt. 1791. Zij wil, dat al hetgeen haar kinderen, aangetrouwde kinderen en verdere erfgenamen bij haar overlijden aan haar schuldig zijn door hen t.b.v. haar boedelzal worden voldaan in vier termijnen. Zij bepaalt voorts, dat aan haar kleinzoon Cornelis van Eijk, zoon van Martinus Johannis van Eijk en Josina Schouten, op zijn erfportie zal moeten worden aangerekend alhetgeen zijt.b.v.zijn opvoeding heeft voorgeschoten, onder meeralles wat is betaald aan Heijnens in Zaandam, aan wie hij thans is uitbesteed. Haar zoon, Jan Schouten jr., zalhaar “scheepsportiën” mogen overnemen voor een door twee neutrale taxateurs te betalen bedrag. Zij legateert aan hem een zilveren tafeltabaksdoos en twee zilveren “confoorten”. Aan de kinderen van haar overleden dochter Pieternella Schouten, vrouw van Bartholomeus de Glindt, legateert zij een bedrag van 2000 gl. en aan haar dienstmaagd, Burgje van Campen, 150 gl. en een “ordentelijke rouw”. Tot executeur-testamentair benoemt zij haar zoon, Jan Schouten jr. (ONA Dordrecht inv. 1281, akte 44)

– 13 april 1798: Eva Boet, wonende even buiten Dordrecht, geeft als donatie inter vivos aan haar zoon, Jan Schouten, alle openstaande schulden, “waaronder veele dubieuse zijn”, welke haar overleden man, Jan Schouten, toekomen, alsmede de openstaande schulden van de compagnieschap, die stond op naam van de firma Jan Schouten en die van de compagnieschap van Nierhoff, Schouten en Co., met alle boeken, charters en papieren, die daartoe behoren. Compareert mede Jan Schouten, wonende even buiten Dordrecht, die verklaart de donatie in dank te aanvaarden. (ONA Dordrecht inv. 1281, akte 45)

– 22 mrt. 1805: Eva Boet schenkt aan haar dochter Bastiana Schouten, echtgenote van Samuel van Eijck, wonende te Dordrecht, haar huis, dat staat aan de Groenmarkt omtrent de Vleeshouwersstraat (nr. A:210), aan beide zijden belend door het huis en pakhuis van de erfgenamen van Gillis Olivier. (ONA Dordrecht inv. 1330, akte 16)

– 8 mei 1805: Jan Schouten, als executeur in de boedel van zijn moeder Eva Boet, laat veilen “een extra ordinaire vermakelijke, met exquise vruchtboomen beplante tuijn”, met twee fraaie stenen tuinhuizen, gelegen en staande aan de Breedenweg naast het Beezemerpad even buiten de Sluispoort “aan het afgaan van de Hoogt” op stadsgrond, belend door het Beezemerpad aan de ene zijde en de ingang van de tuin van de heer Schoenmakers. Het geheel wordt voor 2510 gl. verkocht aan Willem van Welsenis, inwoner van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 1330, akte 24)

-ca. 8 mei 1805: boedelinventaris van wijlen Eva Boet, weduwe van Jan Schouten sr., overleden te Dordrecht op 10 april 1805, opgemaakt op verzoek van haar zoon Jan Schouten door notaris B. van der Star. Tot de nalatenschap behoren:

1. een huis, staande even buiten Dordrecht bij het Jodenkerkhof [bij de Hoogt], door Eva Boet tot aan haar overlijden bewoond, aangenomen door Jan Schouten jr. voor 8000 gl.,

2. een tuin met bijbehorende woning, gelegen aan de Singel omtrent de Hoogt, even buiten Dordrecht, belend door het Beezemer Pad aan de ene zijde en de ingang van de tuin van de heer Schoenmakers, op 8 mei 1805 publiekelijk geveild en verkocht aan Willem van Welsenis voor 2636-10-0 [inclusief rantsoen],

3. 1/16 deel in het fluitschip “Azia”, door Jan Schouten jr. aangenomen voor 1300 gl.,

4. 68 schuldbrieven, obligaties, “handschriften” e.d., samen waard 96.332-8-0

5. 231 gl. 3 st. 8 penn. aan contant geld,

6. huisraad en inboedel, door Jan Schouten jr. overgenomen voor 1724-14-0 (onder meer”drie Zoutman en twee klijne schilderijen”. NB: met “drie Zoutman schilderijen” worden misschien bedoeld portretten van de zeeheld J.A. Zoutman, die tijdens de zeeslag bij de Doggersbank in aug. 1781 – door de Nederlanders niet geheel terecht als overwinning beschouwd – bevelhebber van het Nederlandse smaldeel was en daarna in het vaderland een zeer gevierd persoon was),

7. idem, door Bastiana Schouten, echtgenote van Samuel van Eijck, overgenomen voor 915-16-0,

8. idem, door de kleinkinderen van de overledene, Hermina en Josina Pieternella de Glind, overgenomen voor 212 gl.,

9. idem, door Cornelis van Eijck Martinusz. overgenomen voor 531-18-0.

(ONA Dordrecht inv. 1330, akte 82)

Het huis van Schouten aan de Hoogt met de huidige (2020) eigenaar Bram Franken.

Kinderen (o.a.):

a. Pieternella Schouten, gedoopt NG Dordrecht 30 april 1756, trouwde Bartholomeus de Glindt

b. Josijna Schouten, gedoopt NG Dordrecht 23 sept. 1757, trouwde Martinus Johannes van Eijck

c. Jan Schouten, gedoopt NG Dordrecht 2 nov. 1759, volgt VI

d. Bastiaantje Schouten, gedoopt NG Dordrecht 6 mei 1761, trouwde Samuel van Eijck

VI. Jan Jansz. Schouten jr., gedoopt NG Dordrecht 2 nov. 1759, jongman geboren van Dordrecht en wonende buiten de Sluispoort (1784),scheepsbouwmeester en houthandelaar, overleden Dordrecht 21 okt. 1808, trouwde Gerecht/NG 5/20 juni 1784 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Jan Schouten en de bruid met haar vader Arnoldus Boet)Maria Boet, gedoopt NG Dordrecht 28 mrt. 1760, jonge dochter geboren van Dordrecht enwonende in de Grote Spuistraat (1784), dochter van Arnoldus Boet en Selia de Koning

– 11 april 1791: Johanna Meloen, weduwe van Nicolaas Nierhoff, wonende te Dordrecht, verkoopt aan Jan Schouten, wonende even buiten Dordrecht, een zaagmolen, genaamd “den Nieuwen Eendragt”, staande even buiten de Sluispoort achter de Bakstraat, met een houtberging, gereedschappen etc., een huisje in de Bakstraat, dat wordt gebruikt als kantoor met het huis daarachter, de stal naast het kantoor en het huis daarnaast. De koopsom bedraagt 20.000 gl., te betalen met contant geld. De verkoopster zal tot haar overlijden de bijbehorende boomgaard mogen blijven gebruiken, zonderdaar iets voor te betalen en zonder dat de koper en zijn opvolgerser gebruik vanmogen maken. Het onderhoud van de boomgaard en de daarnaar toe leidende berceau (loofgang) zal voor rekening van de verkoopster zijn. Aan het uitzicht van de tuin van verkoopster, liggende in het Wilgenbos, mag niets veranderd worden en mag door kopernietmet hetplaatsen van schuttingen belemmerd worden. Het zal hem wel vrijstaan een koepel achter de molen te zetten. Jan van Geluk en bij overlijden zijn echtgenote zullen in het huisje mogen blijven wonen, waarin zij thans wonen, zonder daarvoor huur te betalen. (ONA Dordrecht inv. 1274, akte 31)

– Heden nacht de klokke elf uren maakte, na eene ziekte van weinig dagen, de dood een einde aan het werkzaam leven van myn geliefde Echtgenoot, JAN SCHOUTEN – Hij stierf in den ouderdom van 48 Jaren, 11 Maanden en 23 Dagen, tot bittere droefheid van my en myne drie Kinderen; van welk smertelij verlies ik by deze kennis geve.
MARIA BOET Wed. Jan Schouten
Dordrecht, den 22 October 1808.
NB. Alle de AFFAIRES zullen onder de Firma van JAN SCHOUTEN gecontinueerd worden.
[Dordrechtsche courant 25-10-1808]

(http://d-compu.dyndns.org/genbook)

Kinderen (o.a.):

a. Jan, gedoopt NG Dordrecht 9 juni 1786, volgt VII.

b. Selia Arnoldina, gedoopt NG Dordrecht 10 mrt. 1790

c. Arnoldus Jan, gedoopt NG Dordrecht 2 dec. 1792

d. Maria, 1 juli 1794

e. Eva Johanna, gedoopt NG Dordrecht 1 juli 1799

VII. Jan Schouten, gedoopt NG Dordrecht 9 juni 1786, jongman geboren te Dordrecht, wonende even buiten de Sluispoort (1810), overleden Dordrecht 23 april 1852, scheepsbouwmeester, vrijmetselaar, dichter, trouwde Gerecht Dordrecht 28 april/27 juni 1810 (de bruidegom geassisteerd met zijn moeder Maria Boet, weduwe van Jan Schouten en de bruid met haar ouders Dirk Crans en Maria Petronella ’t Hooft) Anna Crans, gedoopt NG Dordrecht 24 febr.1786,jonge dochter geboren te Dordrecht, wonende in de Munt [in de Voorstraat] (1810), dochter van Dirk Crans, ontvanger van de konvooien en licenten te Dordrecht, en Maria Petronella ’t Hooft

Jan Schouten. (bron: http://d-compu.dyndns.org/genbook/blokland/deel1_27.htm)

P.J. Persijn publiceerde in 1852 een boekje, getiteld “Bijdragen tot eene levensschets van Jan Schouten” (Hoorn, 1852), dat aanwezig is in de bibliotheek van Erfgoedcentrum DiEP (voorheenStadsarchief Dordrecht).

Jan Schouten leerde het vak van scheepsbouwmeester bij P. Glavimans op de Werf der Marine te Rotterdam. (Persijn, o.c., p. 5)Op zijn scheepswerf in Dordrecht werkten doorgaans ongeveer 50 werklieden. (Persijn o.c., p. 6).In 1826 bouwde hij de stoomboot “Prins Frederik der Nederlanden”, welk schip “de stoomvaart tusschen Dordrecht en Rotterdam opende, en tot den huidigen dag [1852] in de vaart is.” (Persijn, o.c., p. 6) Met zijn bloedverwanten G. Maurits en J.B. ’t Hooft was hij de oprichter van de eerste Oostindische-Reederij te Dordrecht. (Persijn o.c., p. 6) In 1813 redde hij het leven van luitenant ter zee Maas, adjudant van de admiraal Kikkert, “door de Luitenant aan de handen van het Rotterdamsch gemeen te ontrukken.” (Persijn, o.c., p. 7) In 1832 of 1833 schonk hij het land een barkschip, om als zinkschip te dienen op de Schelde. (Persijn, o.c., p. 7) “Het was voornamelijk door zijne bemoeijing, dat te Dordrecht Monumenten werden opgerigt voor den Zeeschilder J. C. Schotel en den Graveur J. Bendorp; het eerste in de Groote Kerk, het andere op de Begraafplaats.” (Persijn, o.c., p. 11) “De Vereeniging tot verbroedering des Menschdoms, met andere woorden, de Orde der Vrijmetselaren, was zijn troetelkind. Daarom stichtte hij, ten jare 1814 te Dordrecht, met eenige zijner medebroeders de Loge La Flamboyante; eene der bloeijendste en weldadigste in ons Vaderland, welke Loge onzen Schouten, tot aan zijn dood, als Achtbaren Meester huldigde, vereerde en vierde.” In 1827 publiceerde Schouten het dichtwerk “Vrijmetselarij in drie Zangen”. In 1824 werd hij Groot Dignitaris in het Groot-Oosten van Nederland en in 1840 werd hij door de Groot-Meester Nationaal, prins Frederik der Nederlanden, tot gedeputeerd Groot-Meester Nationaal voor de Symbolieke Graden benoemd. (Persijn, o.c., p. 17 en 20)

Borstbeeld van Jan Schouten in de Vrijmetselaarsloge La Flamboyante te Dordrecht

Kinderen (o.a.):

a. Jan Schouten, gedoopt NG Dordrecht 27 april 1811, trouwde Sliedrecht 27 aug. 1835 Louise Haasie van Hattem, geboren Sliedrecht 18 jan. 1814, overleden Goor, Hof van Twente (Overijssel) 29 okt. 1894, dochter van Gerardus van Hattem en Adriana van Driel

b. Arnoldus Jan Schouten, geboren Dordrecht 6 nov. 1815, overleden Nijmegen 1890