Voet



I. Carel Borchard Voet, geboren Zwolle 22 juni 1671, kunstschilder, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 9 april 1743 (Carel Borgart Voet, inde Wijnstraat bij de Wijnbrug, met twee koetsen extra, de eerste boete,trouwde Heino (Overijssel) 30 aug. 1696 Jacomina Berg, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 12 dec. 1746 (IJakomina Berg, weduwe van Karel Voet, bij de Kolfstraat, laat kinderen na, met twee koetsen extra)
Portret van Carel Borchard Voet
Bloemen op een stenen richel, door Carel Borchard Voet
Uit dit huwelijk:
a. Jan Eusebius, gedoopt NG Dordrecht 15 nov. 1704
b. Jan Eusebius Voet, gedoopt Dordrecht 24 jan. 1706, volgt II
c. Egbert, gedoopt NG Dordrecht 3 mrt. 1708
II. Jan Eusebius Voet, geboren Dordrecht 24 jan. 1706, arts, dichter, overledenDen Haag28 sept. 1778, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 2 okt. 1778 (inspecteur Johan Esebius Voet, uit Den Haag, alhier bijgezet, ’s avonds omhalf tien, met acht flambouwen, stil begraven),trouwde 1e 1725 Sara van Outshoorn, 2e 1749 Elisabeth Ghijben, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 29 aug. 1778 (Elizabet Gijben, de vrouw van inspecteur Johan Esebius Voet, van ‘s-Gravenhage, alhier ’s avonds voor negen uur met acht flambouwen bijgezet, stil begraven).
Jan Eusebius Voet (geboren Dordrecht 24 jan. 1706, arts en dichter van stichtelijke gezangen, overleden Dordrecht 28 sept. 1778)
Trouwboek Gerecht/NG Dordrecht 20 juli 1725: Jan Eusebius Voet, jongman van Zwolle, medicinae doctor, wonende te Dordrecht, en Sara van Outshoorn, jonge dochter van Leiden, volgens attestatie van ondertrouw aldaar van 19 juli 1725, attestatie gegeven op 5 aug. 1725
ORA Dordrecht inv. 820, f. 51 e.v.: op 3 okt. 1741 verkoopt Jan Matthe, tuinman wonende onder Puttershoek, als procuratie hebbende van Johan de Witt, raadsheer van de Raad van State en president van de beide Rekenkamers van de Oostenrijkse Nederlanden, als aangestelde voogd van zijn minderjarige kinderen, Johan en Maria Wilhelmina de Witt, verwekt bij Maria Catharina van Heijdenrijck, volgens testament van Johan Ferdinand van Heijdenrijck, [halfbroer van Maria Catharina van Heijdenrijck],in zijn leven thesaurier van de stad Mechelen, gepasseerd voor notaris Gasper Mars te Brussel op 8 juni 1740, volgens procuratie gepasseerd voor dezelfde notaris op 25 sept. 1741, voor 2400 gl. aan Jan Eusebius Voet, medicinae doctor te Dordrecht, een geheel huis, genaamd “Mijnsherenherberg”, staande op de Voorstraat, strekkende voor van de straat tot achter tegen de Steenstraat, met een gang uitkomende in de Steenstraat, belend aande enezijde door het huis van de erfgenamen van Gerard Muijs en aan de andere door het huis van Pieter de Vos. De koper betaalt deels contant en deels met het verlijden van een schuldbrief van 1300 gl.
ORA Dordrecht inv. 1669, f. 91: op 22 okt. 1776 verkoopt Carel Borchard Voet, wonende te Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn vader Johan Eusebius Voet, wonende in Den Haag, voor 300 gl. aan Pieter Smits, winkelier te Dordrecht, een kamer, “gestaan hebbende op de plaats” van het huis van Johan Eusebius Voet in de Voorstraat, vanouds genaamd “Mijsheerenherberg”, nu “geapproprieert” tot een open plaats achter het huis van de koper.
Uithet eerstehuwelijk (o.a.):
a. Johanna Maria Voet, gedoopt NG Dordrecht 16 aug. 1727
ORA Dordrecht inv. 1664, f. 15v e.v.: op 22 mrt. 1763 verkoopt dr. Carel Borchard Voet, wonende te Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn zuster Johanna Sophia Voet, meerderjarige ongehuwde persoon, wonende te Dordrecht, voor 3750 gl. aan Simon Schoenmakers, grutter te Dordrecht, een huis op de Voorstraat, staande tussen de Kolfstraat en het huis van Catharina Jacoba van den Brandeler, alsmede voor 1050 gl. aan Jacobus Heulen, chirurgijn te Dordrecht, een huis op de Voorstraat tussen de Beurs en de Wijnbrug, staande tussen het huis van Jan Verhoeven en dat van Judik Kroon. Jacobus Heulen is schuldig aan de verkoper een somma van 800 gl.
b. Carel Burchart Voet, gedoopt NG Dordrecht 26 okt. 1728, volgt IIIa.
c. Theodora Lidia, gedoopt NG Dordrecht 24 mei 1730
d. Dirk Voet, gedoopt NG Dordrecht 19 jan. 1732, volgt IIIb.
e. Cornelia Eusebia, gedoopt NG Dordrecht 28 juli 1733
f. Isabella Voet, gedoopt NG Dordrecht 24 okt. 1734, trouwde 20 febr. 1763 Hermanus Swavinck
g. Adriana Geertruijd, gedoopt NG Dordrecht 21 okt. 1735
h. Egbertina, 14 juni 1737
i. Dirke, gedoopt NG Dordrecht 29 nov. 1738
j.Sara Voet, gedoopt NG Dordrecht 9 sept. 1740, trouwde 15 dec. 1761 Stephanus van IJssendijk
k. Johannes Petrus, gedoopt NG Dordrecht 30 aug. 1741
l. Christina Voet, gedoopt NG Dordrecht 4 febr. 1744, trouwde ‘s-Gravenhage 11 mei 1766 Lambertus Sijthoff
m. Jacomina Maria Voet, gedoopt NG Dordrecht 20 mei 1746, trouwde ‘s-Gravenhage 4 aug. 1776 Johannes Schagen van Campen

“Johannes Eusebius Voet werd 24 januari 1706 in Dordrecht geboren en overleed 28 september 1778 in Den Haag. Hij was de zoon van Carel Borchardt Voet (Zwolle 1671-Dordrecht 1743), kunstschilder, hofschilder van graaf Bentinck (1704-1774), commies en entomoloog, en Jacomina Berg (1676-Dordrecht 1746). Johannes trouwde op5 augustus 1725 in Dordrecht met Sara van Outshoorn (Leiden 10 september 1706-Dordrecht 11 februari 1748), dochter van Christiaan van Outshoorn (Leiden 1679-Leiden 1713), geneesheer, en Maria van Elsen. Uit dit huwelijk werden 14 kinderen geboren.

Op 16 februari 1749 hertrouwde hij in Dordrecht met Elisabeth Ghyben, ook Ghijben (Dordrecht 28 november 1706-Dordrecht 24 augustus 1778), dochter van Jan Ghyben (van Maasbommel) en Cornelia van Hagen (van Dordrecht). Elisabeth was de zuster van de bekende Dordtse dichteres Klara Ghyben (Dordrecht 1708-Vlaardingen 1747). Het tweede huwelijk bleef kinderloos.

Hoewel Voet werd opgeleid tot geneesheer, kwam dat beroep danig op de achtergrond. Zijn leven werd beheerst door het schrijven van religieuze gedichten en nieuwe berijmingen van psalmen. Zijn gedichten hadden meestal een verhalend maar toch een objectief karakter. Voet was een groot voorstander van gezangen in de hervormde kerken en probeerde dat te bevorderen. Een groot oeuvre aan gezangen was er het resultaat van. Voet beschouwde zich zelf als gematigd orthodox en keerde zich tegen een ieder die elke godsdienst afwees of een natuurlijke leer aanhield. Voet probeerde in zijn geschriften andersdenkenden te overtuigen van de juistheid van de gereformeerde geloofsleer.

Johannes groeide op in een welvarend hervormd gezin. Hij bezocht in Dordrecht de Latijnse school. Na enkele jaren noteerde rector Matthias Bax (1679-1739) in het leerlingenboek dat Janus Voet in 1720 naar Deventer was vertrokken. Zijn verdere klassieke vorming ontving hij daar van 1720 tot 1723 op het Atheneum Illustre. Hierna volgde op 6 april 1723 zijn inschrijving als student geneeskunde aan de Leidse universiteit onder het rectoraat van Willem Jacob ’s Gravensande (1688-1742). Hij rondde die studie in 1725 op 18 juli af met de graad van doctor in de medicijnen op het proefschriftDissertatio medica inauguralis de ozaena(Inaugurale medische verhandeling over infectie van de neus) bij promotor Hermannus Oosterdijk Schacht (1672-1744). Een maand na zijn promotie trouwde hij in augustus met de Leidse Sara van Outshoorn. Het echtpaar vestigde zich in Dordrecht waar Voet zich als geneesheer had laten inschrijven. Er waren tot dan vier geneesheren werkzaam in de stad. Dat aantal nam sterk toe, want via tien in 1736 en dertien in 1750 blijken er in 1757 zestien geneesheren ingeschreven te zijn. In 1750 was daar de zoon van Johannes, Carel Borchart Voet (1728-1798), als arts bijgekomen.

Per 30 december 1726 werd Johannes ingelijfd bij de elf burgercompagnieën die de stad telde. Deze zorgden voor de orde in de stad, vooral ‘s nachts, en verdedigden Dordrecht zo nodig tegen vijandelijke elementen. Voet werd benoemd tot luitenant, plaatsvervangend commandant, van het IVe vendel met als standplaats de Rietdijk. Hij vervulde die functie, eenmaal per elf dagen 24 uur dienst doen, tot en met 1734. Voet had ook zijn verdienste voor de hervormde gemeente waarvoor hij in 1735 en 1736 diaken was. In de jaren veertig en vijftig was hij nog zeven jaar ouderling.

Johannes Voet was niet alleen arts, maar ook inspecteur van ’s lands gemene middelen en rechten (diverse belastingen en accijnzen) voor het gebied Holland Zuid. Het was een lucratieve maar tijdrovende bezigheid. Voet klaagde vaak dat dit werk naast zijn artsenpraktijk hem weinig tijd liet voor zijn passie: het dichten. Ook daarin zag hij voor zichzelf een taak: God verheerlijken met lofzang, want vooral stichtelijke poëzie had zijn interesse. Een predikant met wie Voet bevriend raakte, Rutger Schutte (1708-1784) die van 1742 tot 1745 in Dordrecht werkte, stimuleerde hem tot dichten. Het leidde tot de bundelStichtelijke gedichten en gezangendie in 1744 verscheen en uitgegeven werd door de Dordtse boekhandelaar Joannes van Braam (1677-1751). In 1745 werd Schutte beroepen in Amsterdam, maar het contact tussen hem en Voet bleef bestaan. DeStichtelijke gedichtenen de bundelStichtelijke gezangendie in 1754 waren verschenen, ontlokten de dichter Jacobus Bellamy (1757-1786) de uitspraak dat Voet ‘onder de hedendaagse dichters, in het vak der stichtelijke poëzij, mogelijk wel den eersten rang bekleedt’.

Wanneer Voet in 1760 vanwege zijn belastingactiviteiten naar Den Haag vertrekt, houdt hij zijn huis in Dordrecht aan. Het is een kapitaal huis op de Voorstraat tussen de Kolfstraat en de Nieuwstraat dat bekend staat als Mijnsherenherberg. Voet kocht de woning met stalling en koetshuis in april 1737 voor 2.000 gulden. Drie maanden na zijn dood verkocht zoon Carel Borchart Voet het pand voor 7.000 gulden aan Abraham Blussé (1726-1808), boekhandelaar en dichter. Ooit een grafelijk onderkomen in de 15de en 16de eeuw, later een woning voor de Dordtse elite. Toen Johannes Dordrecht verliet, hield hij niet alleen zijn woning aan, maar ook zijn praktijk als geneesheer. Hij bleef van 1760 tot zijn overlijden als zodanig ingeschreven staan. Dit doet vermoeden dat zijn praktijk wellicht alleen nog op papier bestond. Gezien de omvangrijke tekstuele productie die Voet in Den Haag realiseerde, zal hij zich daar tot het belastingwerk hebben beperkt; voor een artsenpraktijk restte hem weinig tijd.

Voet voelde er ook voor psalmen te gaan berijmen en in 1758 stuurde hij een drietal bevriende predikanten, onder wie Schutte, de eerste zes psalmen ter beoordeling. In 1762 resulteerde dat in een proefbundel van de psalmen 1 t/m 41 die samengesteld was door Voet, Schutte en een aantal theologen. De gehele bundel was in 1764 gereed:Het boek der psalmen, nevens de gezangen, by de Hervormde Kerk in gebruik; allen volgens de gewone zangwyzen opnieuw in dichtmaat gebragt door Johannes Eusebius Voet.De nieuwe bundel werd goed ontvangen, maar niet integraal ingevoerd in de hervormde Kerk, want de synode van Noord-Holland was tegen. Besloten werd een selectie te maken uit de bundels van Voet, Hendrik Ghijsen en het Amsterdamse genootschap ‘Laus Deo Salus Populo’ (‘Lof aan God, heil voor het volk’). Van Voet werden 82 psalmen gekozen, Ghijsen leverde 10 psalmen en het genootschap 58. De keuze van de 150 psalmen werd gemaakt door negen predikanten en kenners van poëzie, onder wie de Dordtenaar Ahasverus van den Berg (1733-1807), predikant in Barneveld. De nieuwe psalmberijming was oorspronkelijk een opdracht van de Staten-Generaal en werd in alle gewesten voorgeschreven, wat in vele steden, zoals Vlaardingen, Maassluis, Arnemuiden en Westkapelle, met tegenwerking en rellen gepaard ging. Dit ‘psalmenoproer’ kon niet voorkomen dat de officiële in gebruikstelling inging per 1 januari 1775.

Toen de Maatschappij der Nederlandse letterkunde in 1766 werd opgericht, werd Voet gevraagd lid te worden. Dat accepteerde hij, maar zijn lidmaatschap was van korte duur. Wel was hij geruime tijd honorair lid van het Haagse genootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. Voet maakte ook naam met gelegenheidspoëzie. Na zijn dood werden die gedichten gebundeld uitgegeven door dit Haagse genootschap. De waardering van de leden van het genootschap voor deze poëzie was groot, want Voet had volgens hen de platgetreden paden op het terrein van huwelijks-, verjaardags- en lijkgedichten ‘op eenen nieuwen en verrukkenden leest (weten) te schoeien’.

Een geheel andere interesse van Voet gold de entomologie. Zijn vader beoefende die hobby eveneens. In 1769 was Voet begonnen aan een boek over kevers, de coleoptera, dat een catalogus moest worden van alle kevers die hij kende uit de collecties van liefhebbers van natuurlijke historie. Het boek zou verschijnen in het Nederlands, Frans en Latijn. Het manuscript kwam gereed, evenals een prospectus voor intekenaars, maar toen Voet overleed, moest nog een groot gedeelte persklaar worden gemaakt. Pas na zijn dood werden de twee delen in 1806 uitgegeven. De twee delen gaven een systematische namenlijst van meer dan 700 kevers, vereeuwigd in 105 ingekleurde kopergravures.

Voet overleed 28 september 1778 in Den Haag, maar zijn wens was begraven te worden bij zijn eerste echtgenote in de Dordtse Grote Kerk. De begrafenis vond plaats op de avond van 2 oktober onder het licht van acht flambouwen. De zerk vermeldt heel summier: ‘Het graf van Dr: I:E: Voet en S:V: Outshoorn’. Hoewel Voets tweede vrouw al in augustus van dat jaar in dezelfde kerk werd begraven, ontbreekt van haar elk spoor.

Enkele publicaties
Stichtelyke gedichten en gezangen(Dordrecht 1744).
Stichtelyke gedichten,twee delen (Dordrecht 1754).
Het boek der psalmen volgens de gewone zangwijzen op nieuw in dichtmaat gebragt met de Kant-psalmen(Den Haag 1764).
De leer der verzoening tusschen God en de menschen(Utrecht 1773).
De redelijkheit van den geestelijken godsdienst overwogen(Utrecht 1775).
Systematische naamlijst van dat geslacht van insecten, dat men torren noemt, twee delen (postuum Den Haag 1806).” (RA Dordrecht)

IIIa. Carel Burchart Voet, gedoopt NG Dordrecht 26 okt. 1728, jongman geboren en wonende te Dordrecht (1754), arts te Dordrecht, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 17 aug. 1754 (ondertrouw, volgens attestatie van Zwijndrecht, attestatie gegeven op 1 sept. 1754) Adriana van Sorgen, jonge dochter geboren en wonende te Hendrik-Ido-Ambacht (1754)
ORA Dordrecht inv. 1670, f. 122v: op 24 dec. 1778 verkoopt Carel Borchart Voet, inspecteur van de comptoiren van ’s landsmiddelen en rechten bij collecte in het Zuiderkwartier van Holland, wonende te Dordrecht, voor 7000 gl. aan Abraham Blussé, boekhandelaar wonende te Dordrecht, een huis met koetshuis erachter, vanouds genaamd “Mijnsherenherberg”, staande op de Voorstraat tussen de Nieuwstraat en Kolfstraat, belend door het huis van Willem Kloens aan de ene zijde en dat van Pieter Smits aan de andere.
IIIb. Dirk Voet, gedoopt NG Dordrecht 19 jan. 1732, jongman geboren en wonende te Dordrecht (1762),controleur, overleden Muiden 5 juli 1783, trouwde 1e Gerecht/NG Dordrecht 9 sept. 1762 (volgens attestatie van ondertrouwvanRaamsdonk dd 15 sept. 1762, op 8 okt. 1762 attestatie gegeven) Adriana Maria van Velsen, jonge dochter geboren en wonende te Raamsdonk (1762), 2e Ankeveen (Noord-Holland) 29 sept. 1776 Anna Everardina Uijtwerf

Kinderen (ex 1):

a. Sara Elisabeth, gedoopt NG Dordrecht 14 okt. 1763

b. Nicolaas, gedoopt NG Dordrecht 7 febr. 1766

c. Johannes Eusebius, gedoopt NG Dordrecht 13 mrt. 1767

d. Christiaan Voet, gedoopt NG Dordrecht 31 jan. 1770, jongman geborente Dordrecht wonende in de Wijnstraat bij de Wijnbrug(1798), notaris te ‘s-Gravenhage 1789-1795, notaris te Dordrecht 1795-1804, overleden te Dordrecht 23 mrt. 1804 trouwde 1e Gerecht Dordrecht 26 nov./10 nov. 1798 (de bruidegom is ouderloos, de bruid geassisteerd met haar vader Gerrit Veth) Adriana Maria Veth, jonge dochtergeboren teDordrecht wonende in de Voorstraat bij de Nieuwstraat (1798), 2e 1803 Cornelia Elisabeth Blussé.

ORA Dordrecht inv. 1679, f. 391: op 4 okt. 1801 verkoper Arnold Wouter Kimijzer en Jan van Breda, wonende te Dordrecht, als executeurs-testamentair van Johanna Adriana van Barneveld, weduwe van Jan de Bruin, gewoond hebbende en overleden te Dordrecht, mede vervangende hun mede-executeur A.J. Gaillard, wonende in Den Haag, voor 2500 gl. aan Christiaan Voet, notaris te Dordrecht, een huis op de Groenmarkt aan de havenzijde, getekend A:29, staande tussen het huis van Obbe Obbes Faassen en dat van Bastiaan de Visser.

ORA Dordrecht inv. 1680, f. 89v: op 9 okt. 1804 verkopen Huibert Struijk, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Gerrit Veth, mr. Samuel Onderwater en mr. Adriaan Everwijn Onderwater, als in het testament, dat door Christiaan Voet, notaris te Dordrecht, en diens vrouw Cornelia Elisabeth Blussé is verleden op 21 nov. 1803 voor notaris A. Bax te Dordrecht, voor 5200 gl. aan Jan Fredrik Haver Droeze, wonende te Dordrecht,een huis op de Groenmarkt, getekend A:29, staande tussen het huis van Bastiaan de Visser en dat van Barends.

Kind:

d-1. Adriana Maria Voet, gedoopt NG Dordrecht 6 mei 1799, overleden Delft (Vrijenban) 5 nov. 1821 (in het huis genaamd “Veldenstein”, nr. 85),trouwde Izaak Jan Simon Broeders van der Werff, rentenier