Van den Brande (II)

Met dank aan de heer mr.J. van den Brande te Rotterdam, die zo vriendelijk was mij een groot deel vanonderstaande gegevens toe te zenden.

Zie: http://web.mac.com/vandenbrande/

I. Maerten Ariensz. metselaar,overleden tussen 1622 en 1633,trouwde Iken Jan Hoffertsdr., overleden na 1633

– 1619 (verponding Dordrecht): Marten Ariaensz. metselaar (in de Kromme Elleboog) – 2 ponden 12 schellingen 6 duiten (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3968, f. 189v)

– 1620 (verponding Dordrecht): Marten Ariaensz. (in de Kromme Elleboog)- 2 ponden 12 schellingen (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3969, f. 192v)

– 1622 (kohier van het hoofdgeld Dordrecht): Maerten Ariensz., zijn vrouw en 5 kinderen – 2 ponden. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3974, f. 178)

– 1633 (verponding Dordrecht): de weduwe van Marten Adriaensz. (in de Kromme Elleboog), huurt van de weduwe vanMichiel van Ceulen – 3 ponden 15 schellingen. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 216)

Kinderen:

a. Lijsbeth Maerten Ariensdr., geboren ca. 1610, trouwde 1e 1630 David Davidsz. metselaar, overleden ca. 1635, trouwde 2e 1638 Marcus Jansz. (hij trouwde 2e vóór 1 febr. 1644 Catharina Demelius)

Kind (ex 1):

a-1. David Davidsz., geboren naar schatting ca. 1630, timmerman, bootsman in dienst van de VOC, overleden op Ambon in Oost-Indië tussen 1653 en 8 okt. 1659.

4 sept. 1636: comp. Jacobmijntgen Aertsdr., weduwe van Davidt Jansz., ongeveer 50 jaar oud en Lijsbeth Maertensdr., weduwe van Davidt Davidtsz., 26 jaar oud, beiden inwoners van Dordrecht. Zij verklaren, dat zij op diezelfde dag zijn geweest voor het ziekbed van Anneken Jansdr. en Baertgen Jansdr., “gesusteren, beijdeaende contagieuse sieckte der pestilentie sieck liggende”, die zij hebben horen verklaren, dat het hun “uiterste wil” is, dat de goederen van de eerstoverlijdende van hen beiden zal komen aan de langstlevende en dat, indien zij beiden komen te overlijden, hun gezamenlijke goederen zullen worden verdeeld onder hun ooms en tantes van vaders- en moederszijde, hoofd voor hoofd, en aan Susannecken Goris, kind van hun overleden tante Susannecken Dircx. Zij hebben aan attestanten verzocht hiervan akte te laten opmaken. (ONA Dordrecht inv. 75, f. 100)

– 8 okt. 1659: compareren voor notaris G. de With Geerit Geeritsz. mr.-metselaar en Philips Dircxsz. lijstenmaker, beiden burgers van Dordrecht, die op verzoek van Isaacq van den Brande en Abraham van den Brande, beiden mr.-huistimmerlieden en burgers van Dordrecht, verklaren, dat zij zeer wel gekend hebben David Davidsz. timmerman, die in 1653 als bootsman met het jacht “Mars”, in dienst van de VOC kamer Zeeland naar Oost-Indië is gevaren en daar op Ambon is overleden. David heeft geen andere verwanten nagelaten dan de rekwiranten, zijn ooms, diederhalve zijn enige erfgenamen ab intestato zijn. (ONA Dordrecht inv. 226, f. 227 e.v.)

– 8 okt. 1659: Isaack en Abraham van den Brande, ooms en enige erfgenamen van hun neef David Davidsz., die op Ambon is overleden, verlenen procuratie aan Roelant van Stabroeck, koopmansbode van Dordrecht op Zeeland, om van de VOC kamer Zeeland te vorderen hetgeen David nog tegoed had. Beiden tekenen met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 226, f 229)

b. Isaack Maertensz.van den Branden, geboren ca. 1620 (66 jaar oud in 1686), meester-huistimmerman, knaap van de Munt van Holland te Dordrecht, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 12 febr. 1689, trouwde Neeltgen Woutersdr. (van) Groenesteijn

– 21 febr. 1654: Maria Gosi, weduwe van Pieter Barthoutsz. van Esch cum tutore verkoopt aan Ysaeck Maertensz. van de Brande, burger van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van ds.Gosuinus Buijtendijcken dat van Arijen Stevensz. Scheij. Kent betaald, promittit quitare. Waarborg: Steven Arijensz. Scheij. (ORA Dordrecht inv. 779, f. 81v e.v)

– 23 okt. 1665: testeren voor notaris H. van Dijck Isaack van den Branden, meester-huistimmerman en zijn vrouw Neeltgen Woutersdr. van Groenesteijn.Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevendevan hen beiden, diezal gehouden zijn, indien hij of zij gaat hertrouwen na het overlijden van de eerststervende, aan de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van de eerststervende een somma van 200 gl. uit te reiken, maar indien de langstlevende niet gaat hertrouwen, zullen de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van de eerststervende voor de ene helften de erfgenamen van de langstlevende voor de andere helftal degoederen erven, die delangstlevende zal nalaten. Hij tekent met zijn naam, zij met drie letters.(ONA Dordrecht inv. 270, f. 151v)

– 12 nov. 1669: Sijmon Onder de Linde, boekdrukker en burger van Dordrecht, verkoopt aan Isaac van de Brande, timmerman en burger van Dordrecht, een huis met de woninkjes daarachter, staande achter in de Nieuwstraat, genaamd “de Schenckkan”, belend door het huis van Aert Evertsz. Troost aan de ene zijde en dat van de erfgenamen van Staes van Wageningen aan de andere zijde, voor 500 gl., betaald deelsin contant geld endeelsmet hetovernemen van een schuldbrief van 300 gl. kapitaal. (ORA Dordrecht inv. 786, f. 132v)

– 18 april 1679: Isaack van den Brande, meester-huistimmerman en burger van Dordrecht, verkoopt voor 1000 gl. aan Wouter Jansz., korenmeter en burger van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat tegenover de Dwarsgang, staande tussen het huis van mr. Pompejus Berck Dircxsz., oudraad van Dordrecht, en dat van kapitein Johan Hulsthout. (ORA Dordrecht inv. 791, f. 20v)

– 14 sept. 1680: Clara Sonmans, verblijf houdende te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Pieter Sonmans [kunstschilder], verblijvende te Breda, volgens procuratie gepasseerd voor Pauwels van Heusden, notaris te Breda, op 3 aug. 1680, tevens vervangende haar broer Willem Sonmans [kunstschilder], wonende te Oxford, allen kinderen en legatarissen van wijlen Catharina Sonmans, vrouw van Anthonij Lambertsz. Rijckenbergh, verkoopt voor 700 gl. contant aan Issaack van den Brande, burger van Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof over de brug, staande tussen het huis van Aeltgen Gerritsdr. van de Sleutel en dat van de weduwe van mr. Jan Bisbinck. (ORA Dordrecht inv. 791, f. 138 e.v.)

– 30 nov. 1686: compareren Isaack van den Branden, meester-huistimmerman te Dordrecht, 66 jaar oud en Neeltje Woutersdr., zijn vrouw, 68 jaar oud. Zij verklaren op verzoek van de naaste verwanten van vaderszijde van Rogier Meijers, enige “innocente” nagelaten zoon van Johan Meijers, in zijn leven oud-schepen van de stad Breda, en Antonetta van den Brandelaer, dat hen zeer goed bekend is, dat Rogier “een cimpel ende innocent persoon [is], ende oversulcx niet machtich omme sich selffs te regeren”, gevende voor redenen van wetenschap, dat Rogier heeft gewoond en nog steeds woont ten huize van Christina van den Brandelaer, weduwe van Johannes Lanoij, naast wie zij attestanten vele jaren hebben gewoond. Zij verklaren voorts,dat zij nog steeds in dezelfde buurt wonen, enkele huizen van haar verwijderd, “ende dat sij gedeurichlijck met den anderen in goede beurschap hebben verkeert ende om gegaen” en dat Rogier vele malen bij hen thuis is geweest. Isaack tekent met zijn naam, zijn vrouw met een merk. (ONA Dordrecht inv. 314, f. 195 e.v.)

– 28 mrt. 1689: getoond ter weeskamer een extract van het testament van Isaack van den Branden en zijn vrouw Neeltgen Woutersdr. van Groenesteijn, gepasseerd voor notaris H. van Dijck op 23 okt. 1665. (Weeskamer Dordrecht inv. 28, f. 229. Zie hierboven)

– 6 aug. 1696: Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, weduwe van Isaak van den Brande, compareert voor notaris P. van Son, “na den ouderdom van hooge jare kloek en gesont van lichaam”. Zij legateert aan Pieternelletje Pieters, die bij haar inwoont, wegens de trouwe diensten en behulpzaamheid aan haar bewezen, een somma van 100 gl., die door haar erfgenamenab intestato na haar overlijden aan Pieternelletjemoeten worden uitgekeerd. (ONA Dordrecht inv. 451, akte 72, f. 42 e.v., codicil, testatrice staat niet inde 200e penning)

– 30 juli 1698: voorwaarden, waarop de erfgenamen van Isaak van den Brande en Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn willen verkopen een huis in de Nieuwstraat, een huis voor het Bagijnhof [zie hieronder bij 6 sept. 1698] en een huis aan de Noordendijk buiten Dordrecht, staande achter de blekerij van Jacobus van Leeuwen tussen het huis van Jan Arijens endat van Harmen Theunis. Het laatstgenoemde huis wordt op 1 aug. 1698 voor 290 gl. verkocht aan Jan Lammertsen, “leverier” en burger van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 494, akte 86, f. 233 e.v.)

– 6 sept. 1698: compareert voor schepenen van Dordrecht Johannes van den Brande, burger van Dordrecht, als last en procuratie hebbende van Maarten van den Brande, burger van Dordrecht, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor zijn broer David van den Brande, wonende te Rotterdam, en nog van Ida van den Brande, meerderjarige dochter wonende te Dordrecht, en van Johannes Ariensz. van den Brande, en van Jan van der H[e]ijden, als echtgenoot van Lijsbet Ariensdr. van den Brande, beiden mede wonendete Rotterdam, zowel voor zichzelf als zich sterk makende voor Jan van Berckel, als echtgenoot van Maria Ariensdr. van den Brande, wonende in Den Haag, allen benevens de comparant enige erfgenamen van wijlen Isaacq van den Brande, en tevens nog procuratie hebbendevan Jacobus de Kets, koopman te Rotterdam, als universele erfgenaam van Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, in haar leven echtgenote van voornoemde Isaacq van den Brande, breder blijkende bij de procuratie op 2 aug. 1698 gepasseerd voor notaris E. Venlo te Dordrecht. De comparant verklaart in genoemdehoedanigheid te transporteren aan Johannes Verlaer, burger van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat omtrent de brug tegenover de Augustijnenkamp, staande op de hoek van de Schenkkansgang tussen die gang [of het huis van Grietje Cornelis (zoals vermeld in deprocuratie dd 2 aug. 1698in ONA Dordrecht inv. 494, f. 439 e.v.)] en het huis van Johannes Parie, met drie aparte woningen in de Schenkkansgang, verkocht aan Verlaer voor 1120 gulden contant.Comparant transporteert tevens in dezelfde hoedanigheid aan Henry Louis Certon, Franse predikant te Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof over de brug, staande tussen het huis van Hendrick van Aensorgen en dat van Schipper Jan, verkocht aan Certon voor 680 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 800, f. 163 e.v.) In de bovengenoemde procuratie is ook nog sprake vanhet transport door Johannes van den Brande aan Jan Lammertsz., “leverier” te Dordrecht,van een huis aan de Noordendijk, staande buiten de stad achter de blekerij van Jacobus van Leen, tussenhet huis van Jan Ariensz. en dat van Herman Theunisz. Koper betaalt voor dit huis 290 gl. Deze akte is ondertekend door Jan van der Heijden en Jacobus de Kets. Ida en Johannes Ariensz. van den Brandezetten een kruisje en Maerten van den Brandetekent met een merkje.(ONA Dordrecht 494, f. 239 e.v., akte dd 2 aug. 1698)

ORA Dordrecht inv. 1750, f. 75v: op 6 sept. 1698 verkoopt Johannes van den Brande, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Maarten van de Brande, burger van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangendevoor zijn broer David van den Brande, wonende te Rotterdam, voor Ida van den Brande, meerderjarige ongehuwde persoon wonende te Dordrecht, voor Johannes Ariensz. van den Brande en Jan van der Hijde, als man van Lijsbet Ariensdr. van den Brande, beiden wonende te Rotterdam, voor zichzelf en zich sterk makende voor Jan van Berckel, getrouwd met Matta Ariensdr. van den Brande, wonende in Den Haag, allen erfgenamen van Isaacq van den Brande, en nog voor Jacobus de Kets, koopman te Rotterdam, als universele erfgenaam van Neeltje Woutersdr. van Groenestijn, in haar leven vrouw van Isaacq van den Brande, voor 290 gl. aan Jan Lammertse, burger van Dordrecht, een huis, aan de Noordendijk even buiten Dordrecht achter de blekerij van Jacobus van Leen, staande tussen het huis van Jan Ariense en dat van Hermen Teunisse.

c. Abraham van den Brande, gedoopt NG Dordrechtfebr. 1622, volgt II.

II. Abrahamvan den Brande,gedoopt NG Dordrecht febr. 1622, jongman van Dordrecht, huistimmermanwonende in deHofstraat (1648), arbeider (1665),overledenvoor 8 sept. 1698,trouwde NG Dordrecht/Dubbeldam 26 jan./16 febr.1648 Lijsbeth Jansdr., geboren naar schatting ca. 1625, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Lindengracht (1648),begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 15 juni 1706 (de weduwe van Abrahm [sic]van den Branden in de Wijngaardstraat)

– 13 juni 1665: ten overstaan van notaris G. de Withverklaren Jan Cornelisz., knecht in de “IJsere Waegh” en Abraham Maertensz. van den Brande, arbeider, beiden burger van Dordrecht, op verzoek van mr. Willem Hallingh, baljuw van de heerlijkheid van de Merwede, voorheen schout van acht dagen van Dordrecht, dat op 10 of 11 juni 1665, toen Halling schout van acht dagen was, zij op het Maartensgat zijn geweest en gezien hebben dat Arien Verdoolt en Jan Corsse, beiden sledenaars te Dordrecht, met elkaar handgemeenraakten en dat Jan Corsse een “bloot” mes uit zijn zak haalde en daarmee Verdoolt wilde steken. Verdoolt kon dat mes echter ontwijken en zei tegen Jan Corsse: “Ghij schelm, ghij soeckt mij te vermoorden. Ick sal daer over clagen.” Van den Brande tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 229, f. 56)

– 8 sept. 1698: testeert Lijsbeth Jansdr., weduwe van Abram Maertensz. van den Brande, wonende te Dordrecht. Zij herroept eerdere testamenten e.d. en legateert aan haar drie zoons Johannes, Maerten en Davidt Abramsz. van den Brande elk 10 gl. in plaats van de legitieme portie. Tot erfgenaam van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar meerderjarige dochter Yda van den Brande. Zij verklaart “vermits haer onvermogen” niets aan de Diaconie-armen van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Dordrecht te kunnen maken. Testatrice tekent met “Lijbet Yans”. (ONA Dordrecht inv. 494, akte 101, f. 291 e.v.)

– 15 juni 1706: [begraven] de weduwe van Abraham van den Brande in de Wijngaardstraat, geen wezen volgens verklaring van Ida van den Branden, dochter van de overledene. (Weeskamer Dordrecht inv. 111, f. 47v)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Maerten Abrahamsz. van den Brande, 8 juni 1648volgt III

b. Johannes, 20 dec. 1649

c. Johannes, 2 dec. 1650

d. Jan, 28 febr. 1654

e. Johannes Abrahamsz. van den Brande, 1 mrt. 1656, volgt IIIb

f. Abraham, 3 juli 1658

g. David, 29 nov. 1660

h. David Abrahamsz. van den Brande, 3 jan. 1663, sjouwer, waker op ’s Landswerf te Rotterdam,overleden Kralingen 1 mei 1743, trouwde Haastrecht jan./april 1690 Anna Lammersdr. van Willigen, geboren te Boskoop (zie kwartierstaat Den Hengst [internet])

Nakomelingen te Rotterdam/Kralingen.

– 20 sept. 1698: David Abrahamsz. van den Brande, wonende te Rotterdam, mede-erfgenaam ab intestato van Isaacq van den Brande, in zijn leven huistimmerman te Dordrecht, “approbeert” het transport van drie huizen, gekomen uit de nalatenschap van Neeltje Woutersdr. van Groenesteijn, weduwe van Isaacq van den Brande [zie hierboven bij I, sub b]en machtigt zijn broer Johannes van den Brande om zijn aandeel in de erfenis van Neeltje Woutersdr. van Groensteijn in ontvangst te nemen. Hij tekent met “David Abramse van den Branden”. (ONA Dordrecht inv. 494, f. 306 e.v.)

i. IJda Abrahamsdr. van den Brande, 21 nov. 1664, begraven Dordrecht 5 juli 1707 (Ida van den Brande, vrouw van Jacob de Goede, in de Wijngaardstraat), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 13 juli 1704 Jacob de Goede

– 4 mei 1702: compareren Sibilla Boers, waster, vrouw van Frans Croone en Grietje van Helmont, bejaarde ongehuwde dochter, beiden wonende te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Yda van den Brande, ook meerderjarige dochter, rekwirante, eneerst de eerste attestante alleen, dat zij de avond daarvoor omstreeks 10 uur gehoord heeft, dat Philip Rosier, schoenmaker, de rekwirante heeft uitgescholden voor “uijtgebruijde hoer met bijvoegingh dat hij haer meer gebesigt hadde als sijn eijge vrouw”. De tweede attestante verklaart, dat zij op diezelfde tijd ook heeft gehoord, dat Rosier Yda van den Brande heeft uitgescholden voor hoer “en dat hij daer bij sulcke onbetamelijcke woorden voegde, die sij uijt eerbaerheijts halve niet en durft noemen, maer daer op uijtcomende dat sij requirante hem Rosier tot het verlaten van sijn vrouw, en het plegen van hoerderije met hem, aengesocht hadde.” (ONA Dordrecht inv. 498, akte 37)

j. Daniël Abrahamsz. van den Brande, matroos, geboren naar schatting ca. 1665, matroos(1681)

– 14 mei 1681: Daniëls Abrahamsz. van Dordrecht “oploper”, betaald aan zijn moeder Lijsbeth Jans 3/2 jaarlijks (verzoekboek voor de matrozen op het schip “T Wapen van Tholen”)

k.Catharina, 17 jan. 1667

l.Adriaen, 28 mei 1670

IIIa. Maerten Abrahamsz. van den Brande, gedoopt NG Dordrecht 8 juni 1648, jongman van Dordrechtwonende aan de Noordendijk (1670), weduwnaar van Dordrecht wonende bij de Nieuwbrug, weduwnaar van Dordrecht wonende in de Stoofstraat (1693),arbeider aan de straat, zakkendrager, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 8 febr. 1716 (Maerte van den Brande, buiten de Sint Jorispoort, bij het Koningsplein), trouwde 1eNG Dordrecht/ Groote Lindt26 okt./ 9 nov. 1670 Geertruijd Jansdr. (Backer), jonge dochter van Dordrecht wonende in de Dolhuisstraat (1670), trouwde 2e NG Dordrecht 26 sept./11 okt. 1677 Marijke Jansdr. van Buel, gedoopt NG Dordrecht 28 apr. 1652, dochter van Jan Jacobsz. van Buel en Aeltgen Isaacksdr. van Geertsbergen,trouwde 3e NG Dordrecht 15 febr./2 mrt. 1688 (scheiding van tafel en bed13 mei 1689)Maijken Claes, geboren ca. 1647 (ongeveer 41 jaar oud in 1688), weduwe van Dordrecht wonende in de Augustijnenkamp (1688), trouwde 4e Gerecht/NG Dordrecht 11 okt. 1693 (ondertrouw) Maijcke Fransdr. van den Dis, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Vriesestraat (1693), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 7 juni 1733 (Maijke Fransen, weduwe van Marten van den Brande, laat kinderen na, wonende in de Vriesestraat tegenover de Breestraat, begraven “in’t gemeen”)

– 3 mrt. 1673: mutueel testament van Maerten Abrahamsz. van den Brande, arbeider aan de straaten zijn vrouw Geertruijt Jansdr. Back [sic], burgers van Dordrecht, beiden gezond. De langstlevende moet aanhun kinderen, wanneer zij gaan trouweneen bedrag van drie gulden uitreiken. Hij tekent met een merkje, zij met de letters “G IJ B”.(ONA Dordrecht inv. 156, f. 129 e.v.)

– 4 dec. 1685: verklaring door Jacob Jansz. Schuttel, 53 jaar oud enAbraham Jansz. Bont, ongeveer 40 jaar oud, beiden arbeiders te Dordrecht, op verzoek van Maarten Abrahamsz. van den Branden, eveneens arbeider te Dordrecht. Zij getuigen, dat in 1672 [in juli of augustus, tijdens het oproer, dat volgde op de Franse invasie in het Rampjaar 1672], “ten selven dage, als wanneer het huijs van den heere out borgemeester Johan Hallingh binnen dese stadt wierde gespolieert, verweldight, ende geplundert (sonder nogtans dat sijlieden attestanten pertinent souden konnen seggen, wat dag het selve is geweest)”, zij samen met Maarten van den Brande 120 tonnen turf hebben gedragen uit de turfschuit van Huijbert Jansz. van Bleijswijk naar het huis van Anthonij Buijs, veertigraad vanDordrecht, die toentertijd woonde in het huis van de Gevangenpoort [Vuilpoort] naast de Leuvebrug. Zij zijn daarmee bezig geweest van ’s morgens 7 uur tot ’s middags 3 uur, omdat in het huis de zakken turf 97 treden opgedragen moesten worden. Zij hebben alleen geschaft van 9 uur tot half10 ’s morgens en zijngedurende dat halve uur altijd samen met de rekwirant geweest. Na afloop van het werk, omstreeks 3 uur ’s middags, zijn zij samen in de Suikerstraat een glaasje bier wezen drinken ten huize van de weduwe van Joost Corstiaensz., tot ’s avonds 8 uur, zonder dat Maarten gedurende die tijd van hen weg is geweest, “veel min dat den requirant sig in, met of ontrent het spoliëren ofte plunderen van het huijs van voorsz. heere out borgemeester Hallingh soude hebben gemelleert ofte bemoeijt, of sulcx willen doen, te meer omdat deselve daadt bij de requirant en de attestanten te selver tijdt wierde verfoeijt en ten hoogste qualijk geoordeelt.” (ONA Dordrecht inv. 446, f. 219 e.v.)

– 6 dec. 1688: compareert Maeijcken Claes, echtgenote van Marten van den Brande, ongeveer 41 jaar oud, wonende te Dordrecht en legt een verklaring af. (ONA Dordrecht inv. 357, f. 353 e.v.)

– 13 mei 1689:”Mijn Ed. heeren van den Gerechte, ten genoegen gebleecken sijnde, dat Maerten van den Brande, ende Maeijcken Claes, echteluijden nu reets eenige tijt quaat huijs, met malkanderen hebben gehouden, hebben om de voorsz. onordentelijckheden voor te komen ende wel voornamentlijck, op haerluijder versoeck bij requeste gedaen, goetgevonden … de voorgemelte persoonen te schijden van bed ende taeffel, sullende ider naer sich nemen ’t gene als sijn goed bij den anderen gebracht heeft als mede de helft vande schulden betalen sonder dat den eene voor des anderen schulden aengesproocken sal connen worden, ende sal Maerten van den Brande gehouden sijn alle weecken aen Maeijken Claes sijn gewesene huijsvrouw, twaalff st[uivers] uijt te reijcken, tot aliementatie vant kint, waar van sij jegenwoordigh bij den voorn. vanden Brande swanger gaet. Ende sal haar bijde Extract van dese … resolutie toegesonden worden omme haer naer den innehoude vandien exactelijc te reguleren”. (ORA Dordrecht inv. 14, f. 54v e.v.)

– 7 febr. 1716: overleden Maerte van den Brande, buiten de Sint Jorispoort, sine bonis, volgens verklaring van zijn vrouw (Weeskamer Dordrecht inv. 112, f. 178v)

– 25 aug. 1734: testeert voor notaris B. van der Star Geertruijd van Buel, bejaarde, ongehuwde vrouw, wonende te Dordrecht, ziek te bed liggende. Zij legateert aan Elisabeth Schiltmans, weduwe van Abraham van Terneij, wonende te Dordrecht, 25 gl., aan Marijke van Vredenburg, vrouw van Willem de Bois bierdrager, haar grote huisbijbel met koperbeslag, aan Ariaantje Notten, twee vrouwehemden, aan de vrouw van Antonij van Kessel, twee vrouwehemden en een eiken kastje “van twee deuren”, aan Marijke van Enst, dochter van Egbert van Enst, een zilveren lepel, aan haar nicht Geertruijd van den Branden, dochter van Jan van den Brande, een testament met zilveren slotjes, aanAnna Robijn, weduwe van Johannis Lieffmulder, twee vrouwehemden, een kamerbezem en een blikken wateremmer, aanLeendert de Visser “een schilderij verbeeldende eenige zee schepen”,aan Willemijntje van Terneij, een zilveren eierlepeltje, aan haarnicht Aeltje van den Brande, dochter van haar overleden zuster Maria van Buel, wonende te Rotterdam, haar bed, hoofdpeluwen,drie oorkussens, een witte en een groene deken, een koperen koffieketel en een tinnen bierkan enaan Jan van den Brande, mazelaar te Dordrecht, haar beste witte deken en een oude groene deken,alle overige kussentjes, een tinnen waterpot en dito fles.Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar nicht Aeltje van Brande en haar neef Jan van den Brande, ieder voor de helft. Als executeur-testamentair steltzij aanJacob Victoor, mr. glazemaker te Dordrecht. Zij wenst, datVictoor haar stoffelijk overschot op een “fatsoenlijke” wijze laat begraven, met drie koetsen,t.w. de lijkkoets en twee andere koetsen, en dat hij daartoezal verzoeken veertien “vrijers”, aan wie hij na de begrafenis elk een daalder moet geven. Zij wenst, dat haar lichaam begraven wordt in de Augustijnenkerk te Dordrecht.De executeur-testamentair zal als loon een bedrag van 10 gl. ontvangen. Akte door testatrice ondertekend.(ONA Dordrecht inv. 860, akte 35)

– 31 aug. 1734: begraven Geertruijt van Buel, ongehuwd, in het Steegoversloot, met “ordinare” koetsen (begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht)

– 28 sept. 1734: comp. voor B. van der Star, notaris te Dordrecht, Aeltje van den Brande, meerderjarige ongehuwde vrouw, wonende te Dordrecht en Jan van den Brande, wonende te Dordrecht, enige erfgenamen van hun tante Geertruijdt van Buel, in haar leven bejaarde ongehuwde vrouw, wonende te Dordrecht en daar overleden op 28 aug. 1734. Zij verklaren, dat hun tante in haar testament, dat zij heeft gepasseerd voorgenoemde notaris op 25 aug. 1734, “aan verscheide particuliere persoonen eenige geringe legaetjes, en aen … comparanten ider int bijsonder eenige prelegaatjes van weinige importantie hadde gemaeckt” en hen,beide comparanten, tot erfgenamen van al haar overige goederenheeft benoemd. Tot executeur-testamentair heeft zij benoemd Jacob Victoor,”mr. glasemaker” te Dordrecht, die na haar overlijdende legaten en prelegaten aan de legatarissen heeft overhandigd. Na aftrek van de begrafeniskosten, doodschulden en het loon van de executeur-testamentair zijn er nog drie handgeschreven schuldbekentenissen overgebleven, de eersteéén van 125 gl. ten laste van Jan van den Brande, de tweedeéén van 125 gl. ten laste van Elisabet van Terneij en de derde één van 100 gl. ten laste van Heiltje Kock. Bij de liquidatie van de nalatenschap heeft Aeltje van den Brande van Jacob Victoor een bedrag van 157 gl. 4 st. 8 penningen ontvangen en Jan van den Brandeeen aantal handgeschreven schuldbekentenissen ter waarde van 250 gl.Janbelooft Aeltje daarvan een bedrag van 46 gl. 7 st. en 12 penn. uit te keren.(ONA Dordrecht inv. 860, akte 41, f. 141 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

ex 1:

a. Abraham, 2 aug. 1673

ex 2:

a. Abraham, 3 juni 1678

b. Abram, 4 sept. 1679

c. Aeltje van den Brande, 16 mrt. 1683, ongehuwd, wonende te Rotterdam (1734)

d. Jan (Johannes) van den Brande, 17 febr. 1683, volgt IVa

e. IJsaac, 1 jan. 1686

ex 3:

a. Andries, 22 juni 1689

IIIb. Johannes Abrahamsz. van den Brande, gedoopt NG Dordrecht 1 mrt. 1656, jongman van Dordrecht wonende aan de Nieuwbrug,maselaar (1678, 1688), mogelijk begraven Dordrecht 31 mei 1731 (Johan van den Branden, in de Zakkendragersstraat, sine bonis [Weeskamer Dordrecht inv. 114, f. 167v]),trouwde NG Dordrecht 10 juli/8 aug. 1678Cornelia Cornelisdr. van der Kade (van der Ka), jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Sint Jorispoort (1678)

– 24 jan. 1688: verklaring door Hendrick Willemsz. van Gilst, wonende onder Dubbeldam, Johannes Abrahamsz. van den Brande, maselaar en burger van Dordrecht en Jan Willemsen, wonende aan de Wieldrechtse dijk. Eerste attestant heeft in 1687, ongeveer drie weken voor Dordrechtse Beestenmarkt, bij Johannes van der Hoeve, koopman te Dordrecht, negen zakken lijnzaad afgeleverd, die door Van den Brande zijn gelost en in een ton, die in het voorhuis van Van der Hoeve stand, gestort. Van den Brande tekent met een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 586)

– 7 febr. 1692: begraven een kind van Johannes van den Brande (begraafboek DordrechtNieuwkerk)

– 17 april 1692: begraven een kind van Johannes van den Brande (begraafboek Dordrecht Nieuwkerk)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht)

a. Cornelis, 4 dec. 1682, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 11 febr. 1684

b. Jenneken, 11 mei 1683

c. Abraham, 16 jan. 1684

d. Lijsbet, 27 juli 1687, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 3 mrt. 1688

e. Lijsbeth, 14 mrt. 1689

f.. Isaak, 16 jan. 1691

g. Cornelis van den Brande, 15 juli 1693, volgt IVb

h.IJda van den Brande, 20 juli 1695, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 16 april 1749 (IJda van den Brande, vrouw van Hendrik Visser, in de Augustijnenkamp, laat kinderen na, beste graf), trouwde Hendrik Visser

IVa. Jan (Johannes) van den Brande, gedoopt NG Dordrecht 17 febr. 1683, jongman van Dordrecht wonende buiten de St. Jorispoort (1712), weduwnaar wonende op de Nieuwbrug (1735), matroos (ca. 1711/1712), mazelaar (vermeld 1728, 1734), vermoedelijk ook tabakverkoper, begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 6 april 1738 (Johannes van den Brande, op de Nieuwbrug, laat kinderen na, “beste graft”), trouwde 1e Gerecht/NG Dordrecht 2/16 okt. 1712 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader, de bruid met haar tante, de vrouw van Jan van Leeuwen) Ariaentie de Vries, jonge dochter van Dordrechtwonende op de Noordendijk (1712), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 24 nov. 1734 (Arieaantie de Vries, vrouw van Johannes van den Brande, op de Nieuwbrug, laat kinderen na, graf aan het klokhuis), trouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 4/20 febr. 1735 (de bruid geassisteerd met Egarius Arent, haar broer)Maria Arent, jonge dochter van Zevenbergen, wonende bij de St. Jorispoort (1735)

– 23 okt. 1710 (acta NG Kerkenraad Dordrecht): “Van den Branden kranck-besoeker ter zee: … is binnengestaen N. vanden Branden, die enige reijse voor krankbesoeker op ’s lands vloot hadden gediend sonder nogtans oijt geëxamineerd te zijn, versoekende in dese E. Vergaderinge tot krankbesoeker te werden geëxamineerd, de E. Vergaderinge vond goed hem aen de E. Kerkenraad tot Rotterdam te wijsen als bij het Ed. Mog. Collegie ter Admiraliteijt daer toe zijnde gequalificeerd, dog indien de E. Kerke van Rotterdam hem aen ons wilden toesenden dan souden N. vande Branden hier kunnen geëxamineerd werden”. (Erfgoedcentrum DiEP, archief 27, inv. 11, f. 100)

– 25 febr. 1725: comp. voor notaris R. Nolthenius Jan van den Branden, mazelaar en burger van Dordrecht en verklaart op verzoek van Maria van Haale, de vrouw van Jan Kordes, dat hij in 1711 of 1712 Jan Kordes op het eiland St. Tomas heeft ontmoet en daar met hemheeft gegeten en gedronken, dat hij daarna isgevaren naar Curacao en “vandaar sullende varen na de kust van Krakes is genomen van een Frans kaper genaemt de Poelon, en te Martenique opgebragt.” Daar heeft hij een landgenoot ontmoet, een Hagenaar, “sijn gewesene maat genaamt Philips”, die hem “als een gevange man zijnde noodigde op een glas wijn” en aan wie hij toen heeft gevraagd naar hun landgenoten, waarop Philips heeft gezegd, dat Jan Kordes, “varende op een Franse kaaper [genaamd de Trampoes]slaags was geweest tegens een Engelsman” en toen is doodgeschoten. Van den Branden verklaart, dat hij jaren later, wanneer hij vroeg naar Jan Kordes, die door zijn maats altijd Jan den Blauwen werd genoemd, nooit anders heeft gehoord dan dat Kordes dood was. Hij heeft Jan Kordes zeer goed gekend en toenzij onder de heer Van Convent *voeren, hebben zij samen aan één bak gegeten. Comparant tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 901, akte 34)

* Jan van Convent, geboren Dordrecht 1658, overleden aldaar 23 mrt. 1739, vanaf 1708 schout-bij-nacht, 1712 vice-admiraal.

ORA Dordrecht inv. 815, f. 121v: op20 april1728 verkoopt Dirk van Hiesvelt, mr. schoenmaker en burger van Dordrecht, voor zichzelf en als voogd overde kinderen van zijn broers Bartel en Joris van Hiesvelt, en tevens zich sterk makende voor Wouter van Hiesvelt, wonende in Ketwig inBergsland, en Maria van Hiesvelt, echtgenote van Rudolff Haagendoorn, wonende te Zeventer, samen erfgenamen ex testamento van Margarita van Hiesvelt, in haar leven weduwe van Jacob de Ridder, voor610 gl. aan Jan van den Branden, mazelaar en burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwbrug, staande “in het opgaan van denselve brugge” aan de zijde van de Voorstraat tussen het huis van de weduwe van Samuel van IJperen en de Appelhaven. De koper is schuldig aan Johannes van Vegt, burger van Dordrecht, een somma van 400 gl.

– 14 april 1738: inventaris van de nagelaten boedel van Jan van den Branden, “op’t aangeven” van zijn weduwe Marij Arent. Tot de nalatenschap behoorde een huis op de Nieuwbrug aan de haven, waarin zich o.a. bevonden: in het voorhuis een toon- en voetenbank, 2 koperen schalen en ijzeren unster, 2 koperen tabakskomforen, een ton met daarin enige “quade” tabak, een kleinere ton met wat tabak, 5 stukjes gewicht, 1 loden tabaksdoos,een schilderij, 1 schootsvel, 1 tabakskast. Boven in het huis bevonden zich onder meer 8 schilderijen,2 houten tabaksrollen, een hoedenkast met daarin een pruik en op zolder nog 2 tonnen met “quade” tabak. (ORA Dordrecht inv. 1480)

– 21 april 1738: begraven Johannis van den Brande, op de Nieuwbrug (Weeskamer Dordrecht inv. 115, f. 136)

– 9 mei 1738: de Weesmeesters van Dordrecht, als voogden over de minderjarige erfgenamen van Jan van den Brande en de Vaders en Regenten van het Armen-Weeshuis zijn van mening in het openbaar te veilen een goed en wel ter nering staand huis op de Nieuwbrug, staande in het opgaan van de brug aan de zijde van de Voorstraat tussen het huis van de weduwe van Samuel van IJperen en de Appelhaven. Dedefinitieve verkoping zal geschieden op zaterdag 17 mei 1738 in de Weeskamer tussen 11 en 12 uur ’s morgens. Nadere inlichtingen zijn verkrijgbaar bij mr. H. F. Ketelanus, secretaris van de Weeskamer. (ORA Dordrecht inv. 1480)

– 22 mei 1738: mr. Hermen Franciscus Ketelanus, als secretaris en administrateur van de Weeskamer van Dordrecht, Hendricus van Steenbergen, medicinae doctor te Dordrecht, als vader van het Armenweeshuis te Dordrecht en Marij Arent, weduwe van Jan van den Brande, verkopen aan Helmert Backer, raffinadeur te Dordrecht, een huis op de Nieuwbrug, staande in het opgaan van de brug aan de zijde van de Voorstraat tussen het huis van de weduwe van Samuel van IJperen en de Appelhaven, voor een somma van 625 gl. en 5 st. contant. (ORA Dordrecht inv. 819, f. 45 e.v.)

Kinderen (allen ex 1 en NG gedoopt te Dordrecht):

a. Maria, 24 dec. 1713, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 16 aug. 1714

b. Johanna, 30 sept. 1715, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 1 nov. 1715

c. Marijke, 5 okt. 1718, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 8 okt. 1718

d. Marija, 19 okt. 1719

e. Martinus, 17 mei 1722, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk)20 mei 1724

f. Geertruij van den Brande, 5 dec. 1724, overleden in of na 1743

– 5 april 1738: “is gepresenteert een kindt genaemt Geertruij gedoopt den 5e November [sic]1724 waar van vader is Jan van den Brande en moeder Adriaantije de Vries, de vader laest gestorve en het kindt is van de Heere Vaders aangenomen.” (Weeskamer Dordrecht inv. 368, f. 7)

– 1738: Geertruij van den Brande, wonende in het Weeshuis sedert 5 april 1738 ontvangt eenaantalhemden en een paar schoenen. (Archief Weeshuis Dordrecht, inv. 365, f. 347)

– 2 mei1743: Geertruij van den Brande ontvangt een hemd. (Archief Weeshuis Dordrecht, inv. 365, f. 347)

IVb. Cornelis van den Brande, gedoopt NG Dordrecht 15 juli 1693,jongman van Dordrecht woont bij de Nieuwbrug (1713), mr. twijnder, weduwnaar van Dordrecht wonende in de Augustijnenkamp (1744), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11/25 juni 1713 (de bruidegom geassisteerd met zijn moeder en met mondeling consent van zijn vader, de bruid geassisteerd met haar vader)Geertruij van Overkamp, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Varkenmarkt (1713), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 12 juli 1743 (Geertruij Ooverkamp, vrouw van Cornelis van den Brande, in de Augustijnenkamp, laat kinderen na, graf aan het klokhuis), trouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 24 sept./11 okt. 1744 Marijke Moll, weduwe van Frans de Prée, van Dordrecht, wonende in de Augustijnenkamp (1744)

– 8 jan. 1715: Hendrick Steenwijck, linnenwever en burger van Dordrecht, verkoopt voor 210 gl. aan Cornelis van den Brande, mr. twijnder en burger van Dordrecht, een huis in de Augustijnenkamp bij de brug, staande tussen het huis van Hendrick de Ruijter en de stadsgracht. (ORA Dordrecht inv. 810, f. 2)

– 1 juli 1734: begraven een kind van Cornelis van den Brande, in de Augustijnenkamp, beide ouders leven, “int gemeen” begraven. (Begraafboek Dordrecht Nieuwkerk)

– 12 jan. 1745: Cornelis van den Brande, burger van Dordrecht, verkoopt aan Hendrica de Hart, vrouw van Casper Rank, diedaartoe gekwalificeerd is door “appoinctement” van het Gerecht te Dordrecht dd 24 dec. 1744, een huis in de Augustijnenkamp bij de brug, staande tussen het huis van Hendrik de Ruijter en de stadsgracht, voor 180 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 821, f. 53v)

– 24 dec. 1759: voorwaarden, waarop Maria Moll, laatst weduwe van Cornelis van den Brande, alsmede de meerderjarige erfgenamen en de voogden van de minderjarige erfgenamen van Cornelis van den Brande, voornemens zijn om door de Dordtse notaris P. van Gelsdorp te laten veilen een huis met de daarachter liggende tuin, staande in de Augustijnenkamp tussen het huis van Hendrik Blommert en dat van de weduwe Vermeule. Het huis en de tuin worden op 27 dec. 1759 voor 340 gl. gemijnd door Jan de Visser t.b.v. zijn broer Willem de Visser, burgers van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 1038, akte 135)

– 24 april 1760: compareren voor schepenen van Dordrecht Cornelis van de Brande, wonende te Rotterdam, voor zichzelf en als voogd over de twee nagelaten kinderen van Cornelia van den Brande, in huwelijk verwekt door Jan Bokhoven, Pieter Victoor, als echtgenoot van Janneke van den Brande, mede wonende te Rotterdam, mitsgaders Cornelis van den Brande en Pieter Fiktoor in deze vervangende Marija Moll, weduwe van Cornelis van den Brande, alsmede Franchois Beudt, koopman te Dordrecht, als last en procuratie hebbende van Abraham Hoogwerff en Franchois Beudt, als regenten van het Weeshuis te Rotterdam, waar “gealimenteerd” worden Cornelis en Geertruij de Niet, nagelaten kinderen van Johannes de Niet, in huwelijk verwekt bij Anna van den Brande, te Rotterdam overleden, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Cornelis van der Looij te Rotterdam op 25 dec. 1759. Comparanten verkopen aan Willem Visser, catechiseermeester te Dordrecht, een huis in de Augustijnenkamp te Dordrecht, staande tussen het huis van Hendrik Blommert en het huis van de weduwe Vermeulen, voor 348 gl. en 10 st. Koper bekent schuldig te zijn aan Cornelis van den Brande, wonende te Rotterdam een bedrag van 375 gl. wegens geleende penningen, daarvoor verbindende het voornoemde huis. (ORA Dordrecht inv. 827, f. 25 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Cornelia van den Brande, 11 dec. 1713, trouwde Dordrecht 18 mei 1738 Jan van Bochoven

b. Jenneke, 30 juni 1716, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 8 mrt. 1717

c. Jenneke, 9 jan. 1718, vermoedelijk begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 17 jan. 1718

d. Hendrik van den Brande, 8 aug. 1719

– 30 mrt. 1751: akte van indemniteit gegeven aan Hendrik van den Branden ten behoeve van de Armbezorgers van Rotterdam, pro deo (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 1995)

5. Johannes, 2 dec. 1721

6. Jenneke van den Brande, 7 mei 1724, begraven Rotterdam 16 juli 1768, trouwde Rotterdam 8 mei 1755 Pieter Victor

– 28 mrt. 1755: akte van indemniteit gegeven aan Jenneken van den Brande ten behoeve van de Armbezorgers van Rotterdam, pro deo (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 1995)

7. Anna (Johanna) van den Brande, 27 okt. 1726, trouwde Rotterdam 4 mrt. 1749 Johannes de Niet, begraven Rotterdam 3 nov. 1757 (echtgenoot van Johanna van den Brande, in de Doelstraat bij de Lommertstraet, laat 3 minderjarige kinderen na)

8. Cornelis van den Brande, 16april 1730

-11 sept. 1753: akte van indemniteit gegeven aan Cornelisvan den Brande, burger vanDordrecht,ten behoeve van de Armbezorgers van Rotterdam, pro deo (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 1995)

9. Johannes, 18 april 1732