Van der Dussen

Dit is een aanvulling op de genealogie Van der Dussen in Ons Voorgeslacht, jaargang 2005, p. 301 e.v

Gegevens in rood zijn overgenomen uit genoemde publicatie.

VI a. Mr. Nicolaas van der Dussen, geboren Delft 11 okt. 1636, heer van Zouteveen en Oost-Barendrecht, veertigraad van Dordrecht vanaf 1665, ontslagen 1672, secretaris (vanaf 1668) en schepen (1670-1672) van Dordrecht, baljuw en dijkgraaf van het land van Strijen, overleden Dordrecht 12 okt. 1719, trouwde Dordrecht 9 juli 1665 (ondertrouw Delft 23 mei 1665) met Lydia van Beveren, geboren Dordrecht 26 okt. 1647, vrouwe van Oost-Barendrecht, begraven Delft 7 sept. 1702, dochter van mr. Jacob Cornelisz. van Beveren en Johanna Jacobsdr. de Witt. (p. 311)

Stadsarchief Dordrecht nr. 3 (1572-1795) inv. 1974 (burgerboek), f. 68v, 18 juli 1665: “Opte req[ues]te gepresenteert bij mr. Nicolaes van der Dussen geboortich van Delft ende alhier getrout met een borgers d[ochte]r, stont voor app[ostill]e [de Kamer (het Gerecht) onvangt hem als burger van Dordrecht] uitgesondert seclusie, mits betalende thijen Car.gl.”

ONA Dordrecht inv. 231, f. 244 e.v.: op 5 nov. 1669 compareerde voor notaris Govert de With Nicolaes van der Dussen, secretaris van Dordrecht en zijn vrouw Lidia van Beveren. Zijn benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden. Hij benoemt tot medevoogd zijn enige broer, Pieter van der Dussen, raad en schepen van Delft, of bij diens vooroverlijden, weigering of anderszins zijn neef mr. Adriaen Bogaert, raad en oud-schepen van Delft. De testatrice benoemt tot medevoogd haar vader Jacob van Beveren, heer van Zwijndrecht of bij diens vooroverlijden haar moeder Johanna de Witt, vrouwe van Zwijndrecht. Zij herroepen hetgeen ten aanzien van de voogdijstelling is bepaald in de huwelijkse voorwaarden, die zij hebben gepasseerd op 19 mei 1665 voor notaris Groenevelt in Den Haag.

In de eerste weken van juli 1672, na de inval van de Fransen in de Republiek, dreigde er in Dordrecht een oproer uit te breken. De stadsregering werd er van verdacht met de Franse vijand een verbond te hebben gesloten. De burgerkapiteins en enkele gildendekenen eisten, dat de door hen gewantrouwde regenten, onder wie Jacob van Beveren en diens schoonzoon Nicolaes van der Dussen, ontslag zouden nemen. Ditwasin strijd metde wensen van de Prins van Oranje, Willem III, die nadrukkelijkte kennen gaf tegen een zodanige inmenging van de burgervendels en de gilden in het bestuur van de stad te zijn. Toen de onrust echter aanhield – het huis van Van der Dussen werd door de oproerlingen geplunderd, terwijl dat van zijn schoonvader ternauwernood gespaard bleef – wisten de gilden toch gedaan te krijgen, dat de Prins met de verwijdering van de gehate regenten uit de Achten, de Veertigen en de Oudraad akkoord ging. Zo werden aanvang september Van Beveren, Van der Dussen en vele anderen uit hun functie gezet en vervangen door personen, die door Willem III waren aangewezen. (G. Veldhuijzen, Nieuwe Heeren, Nieuwe Kussens. Het regentpatriciaat van Dordrecht 1672-1685. Kwartaal & Teken Extra 7, uitgave van het Gemeentearchief Dordrecht [Dordrecht 1988] p.)

ONA Dordrecht inv. 155, f. 105 e.v.: op 1 aug. 1672 [“28 juli” is doorgehaald] compareerde voor notaris A. van Neten Adriaen Crillaerts, stadhouder [plaatsvervanger] van de schout van Dordrecht, ongeveer 33 jaar oud. Op verzoek van Maria van Berckel, de vrouw van Cornelis de Wit, ruwaard van Putten, verklaarde hij, dat “nu ontrent onder de veertien dagen geleden sonder den precijsen dach onthouden te hebben, hij attestant binnen deser Stede aengesproken is door de Heeren mr. Nicolaes van der Dussen, schepen in wette, ende Arent Muijs van Holij, secretaris binnen der selven Stede, vragende hem attestant of hij wel wist dat Tichelaer Chirurgijn woonende of gewoont hebbende tot Piershil inde Stadt was en [toen] hij attestant antwoorde Ja ende hem gesien hadde, hebben gemelde heeren hem Attestant versocht ende geordonneert op den selven persoon acht te nemen, vermits hij eenige vileijne woorden hadde gesproken, en soo wanneer hij hem noch mochte sien ende vinden t’selve aen haer Edelheden bekent [te] maken, gelijck hij Attestant dienvolgende door hem selfs als andere, naer den voorsz. Ticheler geïnformeert heeft, maer die niet [heeft] connen sien noch vinden.” [Willem Tichelaar beschuldigde Cornelis de Witt op 23 juli 1672 ervan, dat hij hem, Tichelaer, gevraagd had, of hij bereid zou zijn de Prins van Oranje te vermoorden. Een dag later werd De Witt gearresteerd en enige tijd later opgeslotenin de Gevangenpoort te ‘s-Gravenhage. (H.H. Rowen, Johan de Witt, Staatsman van de ‘ware vrijheid’ [Leiden 1985], p. 250-264); L. Panhuijsen, De Ware Vrijheid. De Levens van Johan en Cornelis de Witt [Amsterdam/Antwerpen 2005], p. 440 e.v.). Cornelis de Witt werd op 20 aug. 1672 met zijn broer, de pas ontslagen raadpensionaris Johan de Witt, op het Groene Zoodje in Den Haag door “het grauw” vermoord. De gebroeders De Witt en Johanna de Witt, de schoonmoeder van Nicolaas van der Dussen, waren kinderen van Jacob de Witt en Anna van den Corput.]

De lijken van Johan en Cornelis de Witt

ONA Dordrecht inv. 340: op 22 mei 1676 comp. voor notaris J. Hellu mr. Nicolaes van der Dussen en zijn vrouw Lidia van Beveren. Zij herroepen eerdere testamenten, codicillen e.d., in het bijzonder het hierbovengenoemde testament van 5 nov. 1669 en de huwelijkse voorwaarden, op 19 mei 1665 gepasseerd voor de Haagse notaris Pieter van Groenevelt, voor zover strijdig met het hiernavolgende. Testateuren bepalen dat na het overlijden van één van hen beiden de langstlevende in het bezit zal blijven van alle huisraad, inboedel, goud, zilverwerk, boeken, contante gelden en de sieraden en kleren van de eerstoverledene. Tot erfgenamen van alle overige na te laten goederen benoemen zij hun kinderen en verdere descendenten. Als hij of zij komt te overlijden zonder kinderen na te laten, zullen zijn of haar naaste bloedverwanten alles erven. In zodanig geval legateert de testateur aan de testatrice boven de “douairie achter de staat van goederen”, die door hem ten huwelijk zijn ingebracht, een somma, die het dubbele zal bedragen van die “douairie”. Als de langstlevende na het overlijden van de ander gaat hertrouwen, zal hij of zij afstand doen van alle goederen, met uitzondering van de hiervoren aan de langstlevende gelegateerde, ten behoeve van hun kinderen of andere nakomelingen en zonder daarvan enig vruchtgebruik te behouden. Ook zal in dat geval de langstlevende aan de kinderen etc. een bedrag van 6000 gl. voldoen ter compensatie van de helft van de te erven meubelen en zilverwerk. Testateuren benoemen tot voogd de langstlevende van hen beiden. Hij stelt van zijn kant daarnaast tot voogden aan zijn broer mr. Pieter van der Dussen te Delft en zijn neef mr. Adriaen Bogaert, heer van Belois, eveneens te Delft. De testatrice benoemt bovendien van haar kant tot voogden: haar moeder Johanna de With, weduwe van Jacob van Beveren en Cornelis Pompe van Meerdervoort, haar zwager. [Cornelis Pompe van Meerdervoort was gehuwd met Alida van Beveren, de zuster van Lidia van Beveren.]

ORA Dordrecht inv. 793, f. 42v: op 21 sept. 1683 transporteren Hasia Bosschaerts, weduwe van Martinus Clierius, notaris te Dordrecht en diens overige erfgenamen aan mr. Nicolaes van der Dussen, baljuw en dijkgraaf van de Landen van Strijen, een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van de Vrouwe van Zwijndrecht en het huis van notaris J. van Bijwaert, voor 1600 gl. contant.

Stadsarchief Dordrecht nr. 3 (1572-1795), inv. 3987 (200e penning van Dordrecht over het jaar 1689), f. 3: de weduwe van de heer Jacob van Beveren, heer van Zwijndrecht, op 27 nov. 1692 “verdeeld op de heer Nicolaes van der Dussen op 455 [gulden] ende gebracht op sijn Ed[elhei]ts post op fol. 3v”

Idem, f. 3: 1692: Mr. Nicolaes van der Dussen – 695 gl. “ende noch wegens de erfenisse van sij Ed[elhei]ts vrouwe moeder [lees schoonmoeder] zalr. van fol. 3 met 455 [gulden]”. Subtotaal: 1150 gulden. “Noch den selven wegens sijn Edts. huijsvrouw voor de helfte in de erfenisse van de heer Jacob van Beveren, in sijn Edts. leven heer van Swijndrecht, die voor een derde erfgenaam was van de heer Abraham van Beveren, in sijn Edts. leven heer van Oost en West Barendrecht” met 113 gulden 8 stuivers en 8 penningen. Totaal: 1263 gulden 8 stuivers en 8 penningen.

ONA Dordrecht inv. 567 (geen folionrs.): op 28 april 1694 comp. voor notaris J. de Bedts mr. Nicolaes van der Dussen en Lidia van Beveren, heer en vrouwe van Zouteveen, echtelieden wonende te Dordrecht . Zij bevestigen hun testament gepasseerd voor notaris J. Hellu te Dordrecht op 22 mei 1676 [zie hierboven], voor zover niet strijdig met het hierna volgende. Aangezien “het God geliefd heeft” hun zoon Diderick van der Dussen, die nu ongeveer 7 a 8 jaar oud is, te bezoeken met zodanige zwakheid van hersenen en lichaam, dat hij niet in staat zal zijn de goederen, die hij van hen zal erven, zelf te beheren, wensen zij hem in plaats van de legitieme portie een jaarlijkse interest van 2000 gl. na te laten. Tot voogd over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij hun zoon mr. Eeuwout van der Dussen, inmiddels 25 jaar oud geworden, in plaats van mr. Adriaen Boogaert, heer van Belois, oud-burgemeester van Delft en bewindhebber van de VOC.

Op 30 nov. 1697 compareren voor schepenen van Dordrecht Nicolaas van der Dussen, heer van Zouteveen, als man van Lidia van Beveren, voor zichzelf en tevens vervangende de kinderen en erfgenamen van wijlen Alida van Beveren, samen “repesenterende de staack” van Jacob van Beveren, in zijn leven heer van Zwijndrecht, Jacob Paats, veertigraad te Leiden, voor zichzelf en tevens vervangende Jacob Gool, baljuw van het Land van Blois etc., als man van Elisabeth Paats, Casper van Kinschot, raadsheer in de Raad van Brabant, als man van Catharina van Leijden van Leeuwen, en ook nogvervangende de verdere kinderen en erfgenamen van Alida Paats, samen “representerende de staack” van Rinsburgh de Beveren en tenslotte Pompeus de Rovere, heer van Hardinxveld en baljuw van Zuid-Holland, en Cornelis de Rovere, heer van West-Barendrecht en presiderende burgemeester van Dordrecht, voor zichzelf en vervangende de kinderen en erfgenamen van wijlen Sophia de Beveren, vrouwe van Hardinxveld, allen erfenamen van Abraham van Beveren, in zijn leven heer van Oost- en West-Barendrecht. Zij verkopen voor 9225 gl.aan Cornelis de Boot, heer van Bingerskercke, Lodijck, Cadzand, Giessenburg etc., de helft van een huis, tuin, koetshuis en stalling daarachter, staande in deWijnstraat tussenhet huis, dat bewoond wordt door Johan Aartsz. de Gelderen het huis van Pieter Kant, en uitkomende op de Nieuwe Haven, in welk huis de heer en vrouwe van Barendrecht gewoond hebben en waarin de vrouwe van Barendrechtoverleden is. De wederhelft behoort toe aan de erfgenamen van voornoemde vrouwe van Barendrecht, in wiens nalatenschap deze wederhelft is toekomende aan de koper nomine uxoris, als mede-erfgenaam van de vrouwe van Barendrecht. ORA Dordrecht inv. 800, f. 89v e.v.)

ONA Dordrecht inv. 638, akte 78: op 10 juli 1699 compareren Nicolaas van der Dussen, mr. Matthijs Snouck, Oudraad te Dordrecht, Matthijs Berck, Oudraad van Dordrecht, mr. Pieter Everwijn, Oudraad en secretaris van Dordrecht en Gerard Vingerhoed, allen hoogdijkheemraden van de polder van Oud-Heinenoord, hebbende tot adjunct Willem van der Zijden, penningmeester van genoemde polder. Zij verlenen procuratie aan Abraham Oulrij, procureur voor het Hof en de Hoge Raad van Holland om voor comparanten waar te nemen zodanig proces als de heer Johan du Facet van Assendelft heer van Heinenoord tegen dijkgraaf en heemraden van genoemde polder heeft geëntameerd of nog zal entameren.

Weeskamer Dordrecht inv. 29. f. 135: extract dd 4 dec. 1702 van het testament van Nicolaes van der Dussen en Lidia van Beveren, gepasseerd op 25 juli 1701 voor de Haagse notaris Gijsbert de Cretser, waarin is bepaald, dat zij de langstlevende van hen beiden tot voogd benoemen. (Gecollationeerd op 2 dec. 1702.)

Gaarder Dordrecht, 17 okt. 1719: aangegeven het overlijden van Nicolaes van der Dussen: impost 30 gl.

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht, 17 okt. 1719: de heer Nicolaes van der Dussen, heer van Oost-Barendrecht, “hangt een wapebort voor de deur en’t huijs met rou behangen.”

Kinderen:

1. Ewout Nicolaasz. van der Dussen, geboren Dordrecht 1 jan. 1669, overleden Delft 17okt. 1729(p. 312)

2. Mr. Jacob Nicolaesz. van der Dussen, gedoopt NG Dordrecht 16 maart 1671, burgemeester van Dordrecht 1714, 1715, 1720, 1724, 1728, overleden Dordrecht 1 nov. 1728 (p. 311).

Hij was sedert 1722 eigenaar van de Sint-Apoloniakapel in de Grote Kerk van Dordrecht. Vorige eigenaren waren Jacob van Beveren en Johanna de Witt Jacobsdr. Na het overlijden van Jacob van der Dussen kwam de kapel in bezit van Cornelis van der Dussen (1733), Margaretha Berck, weduwe van Cornelis van der Dussen (1763), Nicolaas van der Dussen (1771) en Margaretha Berck, de vrouw van Barthout van Slingelandt (1778). [W. Nijman, Hier leijt begraven. Grafzerken in de Grote Kerk van Dordrecht (Dordrecht z.j.), p. 36.]

De Sint-Apoloniakapel in de Grote Kerk van Dordrecht.

Begraafboek Grote Kerk 9 nov. 1728: mr. Jacob van der Dussen, heer van Oost-Barendrecht, presiderende burgemeester van Dordrecht, ongehuwd, overleden op 1 nov. 1728, “met drie paer slepen en wapenbort”.

Lykstatie ter uytvaart en begraaffenisse van den Wel-Ed: Groot Achtb: Heere Mr. Jacob van der Dussen Heeren Nikolaaszoon, Heere van Oost-Barendrecht, enz., voorzittende burgermeester der stadt Dordrecht; gehouden den IX. van Slagtmaand MDCCXXVIII. Te Dordrecht, gedrukt by Joannes van Braam, Boekverkoper, Ordinaris Stadts Drukker, en van ’t Klein Zegel, woonende over de Beurs. 1728 [SA Dordrecht, bibliotheek, cat. 30892]:

“(…) Vermits de Heer en Mr. Jacob van der Dussen, Heere van Oost-Barendrecht eenige weeken op deszelfs Hofstede Zuydervelt, gelegen in Delfsland, by den Dorpe van Watering, ziek geweest, en van lichaam zeer swak zynde, op den twintigsten October 1728. zich had laaten transporteren binnen de Stadt Dordrecht, alzoo met de Maand October deszelfs Prresidium van drie maanden als Burgermeester was ingegaan, op den eersten November daar aan volgende aldaar is overlede, ongehuwt, oud 57 jaaren, 7 maanden en 17 dagen, ende aldaar op den negenden der voornoemde maand ter aarde is gebragt, met zoodanige Begraaffenisse en voortreffelyke Lykstatie, als in geene Steden van Holland, maar alleen in Dordrecht, gebruykelyk is, wanneer de Presiderende Burgermeester, ten tyde zyner Bedieninge, komt te overlyden. Zoo heeft men dezelve Uytvaart , volgens gewoonlyk gebruyk, om haare zondelinge plegtigheid in de volgende order hier ter neder gestelt.

Ten voorsz. Dage waaren des morgens ten 10 uuren de 32 Gilden der gemelde Stadt vergadert in de St. Joris Doelen, om zich in behoorlyke order d’een na d’ander te rangeren en te schikken.

Eerst zag men de Arme Weeskinderen, als hebbende van zyn Ed: geweest der zelver Bezorger en Buytenvader, in ’t Rood gekleed, paar aan paar, in dese order:

Voor af ging een Lykbidder, daar na volgden de Meysjens, de kleynste voor uyt, hebbende in haare Rouw- hals- neusdoeken swarte floersche lintjes, en toen de Jongens, onder opzigt van den Binnenvader en Binnenmoeder, beyde in rouwgewaad.

Hier na volgden de 32 Gilden, alle in den Rouw, met Rouwmantels omhangen, in dezeorder:

Voor af ging Jan Vervoort, als algemeene Dienaar van de voorsz. Gilden, in den Rouw, hebbende in de hand een Doorne Stokje, onder met zilver beslagen, en boven bestrikt met swart en wit Lint.

Toen de XXXII. Gilden na hunnen Rang (….).

Gaande van de voorsz. Gilden, de Dekens en Achtmannen voor af, paar aan paar, gevolgt van hun Gildebroeders, na gebruykelyke order.

Voor yder Gilde wierden, door der zelver Gildeknechts, gedragen de Schilden en Wapens, die zy op de Lykstatien voeren, aan swarte stokken gehecht met swart en wit Lint; zommige Gilden hadden Vaanen en Baanderrollen, daar in hunne Blazoenen uytgebeeld stonden.

Volgende onmiddelyk daar uyt de St. Joris Doelen de Schutterye van de Edelen Voetboog, daar de Overleden Schutmeester van was.

Door den Knecht van de voornoemde Schutterye wiert voor uyt gedragen den Voetboeg, verciert met swarte en witte Zyde strikken (…)

Hier op volgden de Dekenen, Lieutenants, Wimpeldrager, en de vier Kavels van de gemelde Schutterye, alle in den Rouw.

In die voornoemde order gingen deze allen door ’t Steegoversloot, na de Beurs, en zoo voorts na de Visbrugge, de voornoemde Visbrugge over, alwaar ’t Burgermeesterlyk Lyk voor ’t Sterfhuys op de Doodbaare stond. Waar van de Rouwpelle, ten Hoofd- en Voeten-eynde, was beladen met groene Takken, als mede des Overledens volle Wapen, en op de Kist behangen met des zelfs acht Stamdeelen, als

VAN DER DUSSEN VAN BEVEREN

VAN DER HOEFF DE WITT

VAN HOGENHOEK VAN BARENDRECHT

VAN ADRICHEM VAN DEN CORPUT

Voor welke Doodbaare zich geplaatst hadden de Schout, Predikant, Secretaris, en die van den Gerechte van Oost-Barendrecht, vooruitgegaan werdende door hunne Bode, dragende het Wapen der voornoemde Heerlykheid, alle in den Rouw.

Staande de Lyfdienaar van den Overleden, met zyns Heeren Hooftwapen middelerwyl geplaatst voor ’t Lyk, tusschen de Lykbidders in, en de Bloedverwanten en naaste Vrienden agter ’t zelve, daar de voorgemelde Weeskinderen, en de 32 Gilden, in voorige order, voorby passeerden, de Wynstraat uyt tot aan den Boom [-brug], den Boom over, de Voorstraat langs tot aan de Visbrug over voorby ’t Raadhuys, de Groote Kerk in.

De Edele Groot Achtbare Heeren van den Oud-Raad, Thesauriers en Goede Luyden van den Achten, daags te vooren door gedrukte Biljetten geconvoceert zynde op ’t Raadhuys. om deze zoo plegtige begraaffenisse by te woonen, wierden in dien tusschentyd door de Stadtsboden, met Stadts-wapenbussen, gestrikt aan swarte en witte Linten, op de borst, van’t Raadhuys afgehaalt, en geleyd na ’t Sterfhuys, in gebruykelyke order, yder na zyn Ed: ran, paar aan paar, welke eer men te Dordrecht alle overleden Regenten ten dage van hunne Begraaffenisse gewoon is aan te doen.

Zoo ras alle de Gilden ’t Lyk gepasseert waren, en die van den Gerechte van Oost-Barendrecht zich voor het zelve geplaatst hadden, volgde des Overledens Lyfdienaar, dragende zyns Heeren Hooft-Wapen, tusschen de Lykbidders in, onmiddelyk agter die van den voorsz. Gerechte, onder ’t Luyden van de klokken van de Grootekerk en ’t Raadhuys.

Ondertusschen waren den Ed: Groot Achtb: Heeren Burgermeesteren aan ’t hoofd van den Oud-Raad achter ’t voornoemde Lyk genadert, waar uyt d’Ed: Groot Achtb: Heeren MATTHEUS ONDERWATER, heeren Pietersz., Burgermeester van ’t Gerecht, Mr. BALTHAZAR REPELAER, heren Antonisz., Mr. JOHAN GEVAERTS, heeren Okkersz., en ADRIAAN BRAATS, Jacobsz., als oudste Schepenen zich aan de vier hoeken van het Lyk begaven, en de slippen van de Rouwpelle ophieven, hebbende d’Ed: Groot Achtb: Heer Mr. DIRK HUBERT STOOP, heeren Nikolaasz., als Hoofd-Schout, aan ’t hoofd van d’Ed: Groot Achtb: Heeren van den Gerechte, om lichaamelyke onpasselykheid, niet kunnen verschynen, om deze Lykstacie by te woonen, wordende de voornoemde Heeren ondersteunt door andere Persoonen, die daar toe gestelt waaren, alle in den Rouw.

Achter ’t Burgermeesterlyk Lyk quamen eerst drie Hellebaardiers, in den Rouw, met hunne slepende en met rouw omwonden Hellebaarden onder de armen, waar van zy de Fasces ter aarde hielden.

Daar agter zag men de Kamerbewaarders, mede in den Rouw, dragende vierkante Letterhoute Bodélstokken, boven met swarte en witte Linten bestrikt, elk met drie zilvere Knoppen, en daar en boven nog op twee plaatzen met Zilver beslagen, staande op bovenknoppen een Leeuw, houdende het Wapen der Stadt. Dordrecht.

Daar aan volgde

De Heer Pensionaris

De Heeren Secretarissen

Daar aan d’Ed: Groot Achtbaare Heeren Burgemeesteren, en die van den Oud-Raad, als mede de Goed Luyden van den Achten, alle staatelyk in den Rouw.

Vervolgens de Burger-Krygsraad, de Provoosten vooruytgaande, dragende swarte Ebbenhoute Cornels Staven, bestrikt met swarte en witte Linten, boven en onder beslagen met Zilver, leggende op ’t bovenplat twee Musketten, kruyswys over den anderen, met het Byschrift, KRYGSRAAD.

Daar aan volgde de Majoor van den Krygsraad.

En zoo vervolgens de Lieutenants, Vaandragers, en Sergeanten van de elf Burgervaandelen, met hun Zydgeweer, alle in den Rouw: vermits de elf jongste Heeren van den Oud-Raad, als zynde de Burger-Capiteynen, zich onder de Heeren van den Oud-Raad geplaatst hadden.

Een weynig ruymte tusschen beyden, volgden de Bloedverwanten, en de naaste Vrienden van den overleden Heer Presiderende Burgermeester.

Daar na de Heeren Veertigen.

De Heeren Predikanten van de Duytsche, Fransche en Engelsche Kerken.

De Heeren Ouderlingen en Diakenen van gemelde Kerken.

De Heeren Koopluyden van den Engelschen Stapel.

De Heeren Doctores Juris & Medicinae

De Heeren Procureurs, en die van de Praktyk.

De Heeren Koopluyden van den Ryn, Maas en Waal.

En een menigte andere aanzienlyke Luyden, alle in den Rouw.

’t Voorsz. Lyk, indiervoegen genadert zynde voor ’t Raadhuys, wiert voor het zelve, een oogenblik tyds, ter ruste nedergezet, volgens de oude gebruykelyke eer, die men alle overleden Regenten in Dordrecht ter Begraaffenisse aandoet, als werdende daar mede te kennen gegeven, dat de Overledenen van de zeer aanzienelyke Bedieningen, die haar Ed: bezeten hebben, nu rusten; kort daar na wierd ’t Lyk met de Doodbaar weder opgeheven, ende door de Deur aan de Oostzyde van de Grootekerk ingedragen; en traden, de genen die ’t Lyk voorgegaan waren, middelerwyl in de voorsz. order de Deur van de zelve Kerk, aan de Noordzyde by den Koster, uyt. De Bloedverwanten en de naaste Vrienden middelerwyl ’t Lyk in de Kerk genaderd zynde, wiert het zelve in de St. Apollonien Capelle bygezet; waar na de Bloedverwanten en naaste Vrienden de voorsz. Kerkdeur, by de Koster, mede uytgingen, na dat d’Ed: Groot Achtbaare Heeren van den Oud-Raad, en de Burger-Krygsraad, zich na de naaste Vrienden ingeschikt hadden, en vervoegden zich langs ’t Kerkhof in de Wijnstraat, voorby ’t Sterfhuys van den overleden Heer Burgermeester, en scheydden aldaar van den anderen des namiddags ontrent twee uuren.

Op welke zeer aanzienlyke en ongemeene voortreffelyke Begraaffenisse wierden getelt by de drie duyzent Menschen, die ter Lykstatie mede gingen; daar en oven krioelde de Stadt uyttermaaten van den genen, die gekomen waren uyt de nabuurige Steden en Dorpen, om deze zoo plegtige en staatelyke Uytvaart te zien, zynde het ten zelven Dage, na den tyd, redelyk schoon weder geweest. …”

3. Mr. Pieter Nicolaasz. van der Dussen, volgt VIIb

4. Johanna van der Dussen, geboren Dordrecht 12 okt. 1675, (p. 312)

5. Catharina van der Dussen, gedoopt Dordrecht 25 dec. 1680(p. 312)

6. Mr. Cornelis van der Dussen, geborenDordrecht 22 sept.1684, trouwde Dordrecht 26 febr./13 maart 1723Margaretha Berck, dochter van Mathijs Pompejusz. Berk en Margrietha Onderwater(p.312)

ORA Dordrecht inv. 815, f. 141 e.v.: op 1 juli 1728 verkoopt Huijbert van den Burggraeff, koopman te Dordrecht, aan mr. Cornelis van der Dussen, oudraad van Dordrecht en bewindhebber van de VOC (kamer Amsterdam), een huis, erf en tuin op de Groenmarkt, staande en gelegen omtrent de Beurs [bij hetScheffersplein] tussen het huis van mr. Johan Diderik Pompe van Meerdervoort en het huis van Johannes van Braam, voor de somma van 19.131 gulden en 5 stuivers contant.

ONA Dordrecht inv. 1028, akte 25: op 27 febr. 1751 testeren voor notaris P. van Gelsdorp mr. Cornelis van der Dussen, oud-burgemeester en raad van Dordrecht en zijn vrouw Margareta Berk. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam.Als de testateur de eerststervende is, is de testatrice gehouden aan de kinderen en verdere nakomelingen van wijlen zijn broer Pieter van der Dussen “onder hen allen “, een somma van 100.000 gl. uit te keren. Dit bedrag moet dan voldaan worden binnen drie maanden na het overlijden van de testateur, de ene helft met “vaste Effecten ten keure vande vrouwe testatrice” en de andere helft met obligaties ten laste van het “gemeneland” van Holland en West-Friesland, eveneens “ten keure” van de testatrice. De impost op de collaterale successie dient door de na te noemen legatarissen voldaan te worden uit genoemde effecten en obligaties. Nicolaas legateert aan de Gereformeerde Diaconie-armen van Dordrecht een bedrag van 5000 gl. AlsMargareta de eerstoverlijdende is, moet haar man aan Pompejus Berk, heer van Godschalksoord en regerend burgemeester van Dordrecht, haar broer en aan Johanna Berk, de echtgenote van mr. Jeronimius[sic] Karsseboom, haar zuster (of bij vooroverlijden hun kinderen en verdere descendenten) “onder hen allen” een somma van 50.000 gl. uitreiken, waarbij mutatis mutandis dezelfde voorwaarden gelden als voor de legaten, die zijn vermaakt door de testateur. Voorts legateert zij aan haar zuster een parelsnoer, dat zij heeft geërfd van haar moeder en aan haar nicht Margareta Berk al haar overige juwelen, goud en zilver, inclusief een gouden beugel en gouden horloge met ketting en haak. Aan de Gereformeerde Diaconie-armen van Dordrecht vermaakt zij een bedrag van 5000 gl. Als de testateur de langstlevende is, benoemt hij tot zijn erfgenamen Lidia Maria van der Dussen, weduwe van Willem Paats, mr. Nicolaas van der Dussen Pietersz., Margareta Berk, dochter van wijlen Maria van der Dussen, bij haar verwekt door mr. Pompejus Berk, Pieter Teding van Berkhout, zoon van wijlen Johanna van der Dussen, bij haar verwekt door Coenraadt Teding van Berkhout en Pompejus Berk. En dat alles in gelijke porties, maar indien Pompejus Berk komt te overlijden voor zijn dochter of haar nakomelingen, zullen die een dubbele portie erven. De testatrice benoemt, indien zij de langstlevende is, haar broer en zuster tot erfgenamen van al haar na te laten goederen, verminderd met eerder genoemde legaten. Tot voogden benoemen zij de vader of moeder van hun minderjarige erfgenamen, ieder over zijn eigen kinderen, of bij vooroverlijden twee ooms van die kinderen, één van vaderszijde en één van moederszijde.

ONA Dordrecht inv. 1029, akte 1029, akte 149: condities, waarop mr. Cornelis van der Dussen, raad en oud-burgemeester van Dordrecht, voornemens is op 1 dec. 1752 door de Dordtse notaris P. van Gelsdorp te doen veilen een aantal erfpachten op gronden in de Hoeksche Waard,gelegenin het Land van Esch en aan de bermsloot van de Schenkeldijk.

ONA Dordrecht inv. 935, f. 487-519v: op 21 okt. 1754 comp. voor notaris G. Verveer Lidia Maria van der Dussen, weduwe van Willem Gerard Paats, wonende in ‘s-Gravenhage, mr. Nicolaas van der Dussen Pietersz., mede daar wonende, Margarita Berk, wonende in Dordrecht, meerderjarige en enig nagelaten dochter van Maria Lidia van der Dussen, bij haar verwekt door Pompejus Berk, vrijheer van Godschalxoord en de in Leiden wonende mr. Coenraad Teding van Berkhout, die door wijlen mr. Cornelis van der Dussen is aangesteld tot voogd over zijn zoon Pieter Teding van Berkhout, door hem verwekt bij wijlen Johanna Elisabeth van der Dussen, samen kinderen en kleinkinderen van wijlen Pieter van der Dussen. Hun oom resp. oudoom, Cornelis van der Dussen, die op 25 april 1754 is overleden, heeft in zijn testament zijn vrouw Margarita Berk tot universele erfgenaam benoemd. De legaten in dat testament vermaakt, met een totale waarde van 100.000 gl., zijn in vier kavels verdeeld. Kavel A is te beurt gevallen aan Lidia Maria van der Dussen en bestaat uit land in de Alloysen- of Bovenpolder onder Dubbeldam, in de noordkavel van de Broek onder Strijen, in Oud-Bonaventura [in de Hoeksche Waard], in Oostkamp onder Haagambacht en negen obligaties. Kavel B is toegevallen aan Coenraad Teding van Berkhout (voor zijn zoon Pieter) en omvat land in Oud- en Nieuw-Bonaventura, in Paapswoude onder de heerlijkheid Sint-Maartensrecht, land in de jurisdictievan Vrijenban en acht obligaties. Margarita Berk krijgt kavel C, bestaande uit land in het Oudeland van Strijen, land onder de “poorterij” van Delft aan de Singen buiten de Koeijpoort, alsmede acht obligaties. De vierde kavel komt toe aan Nicolaas van der Dussen Pietersz. en bestaat uit land onder jurisdictie van het Hof van Delft “in’t hoefslagh van Cortenhoeff”, land in de Oude Wateringse Polder onder Wateringen en twaalf obligaties.

Begraafboek Grote Kerk 2 mei 1754: mr. Cornelis van der Dussen, oud-burgemeester van Dordrecht, met tien koetsen boven het getal, met wapenbord, de hoogste boete, laat geen kinderen na.

ONA Dordrecht inv. 1038, akte 45: op 13 april 1758 comp. voor notaris P. van Gelsdorp Margareta Berk, weduwe van mr. Cornelis van der Dussen. Zij benoemt tot “directeurs over haar … begraaffenisse” mr. Jeronimus Karsseboom en Hendrik Onderwater of bij vooroverlijden van laatstgenoemde Boudewijn Onderwater, generaal der infanterie in het Staatse leger. Voorts begeert zij, dat niemand voor het openen van haar besloten testament, dat op dezelfde dag is opgemaakt voor notaris P. van Gelsdorp. enige toegang tot of beheer van haar sterfhuis zal hebben. Zij wenst op dezelfde wijze begraven te worden als haar overleden man, met dien verstande, dat de “rouwe”, die aan de bedienden moet worden gegeven, eerder meer dan minder zal zijn.

7. Diderick van der Dussen, gedoopt Dordrecht 9 mei 1687overleden in1704 (p. 312) hij waslichamelijk en geestelijk gehandicapt, zoals blijkt uit het testament van zijn ouders dd 28 april 1694.

Begraafboek Oude Kerk Delft 2 sept. 1704 [sic]: Diderick van der Dussen, “overleden tot Wateringh, alhier gebragt”

8. Catharina Alida van der Dussen, gedoopt Dordrecht 23 aug. 1690 (p. 312), overleden te Culemborg 1745 (begraven ald.)

Haar man Damas van Slingeland werd op 21 juni 1688 NG gedoopt in Dordrecht, als zoon van Baerthout Damisz. van Slingeland en Emerentia Repelaer. Na het overlijden van Catharina Alida hertrouwde hij op 18 aug. 1751 (otr. Gerecht Dordrecht, getrouwd NG Dordrecht op 7 sept. 1751) met Cornelia Vingerhoet, weduwe van Mattheus Rees, oudraad van Dordrecht. Cornelia Vingerhoet werd op 7 april 1690 NG gedoopt te Dordrecht, als dochter van Gerrit Vingerhoed en Geertruijd van Slingeland.

Het huwelijk Van Slingeland en Van der Dussen was niet bepaald gelukkig. Dat blijkt uit een aantal voor een Dordtse notaris afgelegde verklaringen:

ONA Dordrecht inv. 916, f. 35 e.v.: verklaring dd 9 juli 1726 door Pieter Hoekseweg, jongman van ongeveer 32 jaar oud en gewoond hebbende als koetsier bij mr. Jacob van der Dussen, oud-burgemeester van Dordrecht. Op verzoek van Catharina Alida van der Dussen getuigt hij gezien en gehoord te hebben, dat haar man, die oudraad van Dordrecht is, zodra hij met haar was getrouwd, “verscheijde maalen binnens camers continuele rusiën van woorden tegens [haar] gemaakt heefft en dat hij attestand ook wel heeft bevonden dat het tusschen [hen beiden] in de huijshoudinge niet en ging soo het wel tusschen man en vrouw behoord.” Van Slingeland is omtrent Nieuwjaarsdag 1725 zeer beschonken thuis gekomen, heeft zich aan tafel gezet bij zijn vrouw en haar broer, en is daarna zonder een woord met hen te wisselen naar boven gegaan, naar zijn kamer, “als wanneer den voornoemde attestand van de mijden ook heeft gehoort dat den gemelde Heer Van Slingeland deselve camer ten eenemael hadde ondergespoogen tot voor zijn rustbank.” Hoekseweg weet ook nog te vertellen, dat Van Slingeland tegen zijn vrouw “hooge woorden heeft gemaekt” en dat hij vele malen heeft gehoord, dat zij hevige ruzie hadden, maar dat, zodra hijzelf of andere bedienden boven kwamen, alles stil werd gehouden. Deswege kan hij geen nadere bijzonderheden vermelden. De getuigenis van Hoekseweg wordt bevestigd door de verklaringen van Gerrit Reumelaar, voormalig dienstknecht van Jacob van der Dussen en die van Jan Hoekseweg en Cornelis de Vogel, knecht en koetsier van Jacob van der Dussen. (ONA Dordrecht inv. 916, resp. f. 31 e.v. en f. 33v, akte dd 22 mei 1726)

De regenten van het Armhuis te Dordrecht in 1732. De zittendepersoon in het midden zou Damas van Slingeland zijn.

In de laatste jaren van hun huwelijk leefden Van Slingeland en Catharina Alida gescheiden. Zij ging alleen wonen in Culemborg, waar zij in 1745 overleed en werd begraven. (Vriendelijke mededeling van mevr. C. Coppee)

Haar witmarmeren graftombe (door I. Bollino, met een putto van L.F. Maes, 1746)bevindt zich op het koor van de Grote of St. Barbarakerk (NH)te Culemborg. (Kunstreisboek voor Nederland [Amsterdam 1965], p. 203)

De graftombe van Catharina Alida van der Dussen in de St. Barbarakerk te Culemborg (gebruik van deze foto’s alleen toegestaan met voorafgaande toestemming van de maakster, mevr. Cobie Eigenraam)

ONA Dordrecht inv. 926, f. 489 e.v.: op 30 juli 1745 comp. voor notaris G. Verveer Jacob van der Dussen, heer van Zouteveen en Middelharnis, veertigraad van Delft, Nicolaas van der Dussen, heer van Barendrecht, oudraad en schepen van Dordrecht en mr. Gerard van Vredenburg, ontvanger-generaal van “Hun Edel Grootmogenden Kerkelijke goederen en inkomsten”, wonende te Delft en echtgenoot van Agatha Corvina van der Dussen. Zij verlenen procuratie aan de in Dordrecht gevestigde advocaat mr. Gerard van Haerlem om zich te vervoegen ten sterfhuize van hun tante Catharina Alida van der Dussen, overleden te Culemborg, kopie te verzoeken van haar testament en, indien zij mochten blijken erfgenamen ab intestato of ex testamento van hun tante te zijn, te vorderen en te doen, wat in hun belang zal zijn.

ONA Dordrecht inv. 926, f. 545 e.v.: op 25 aug. 1745 comp. voor notaris G. Verveer mr. Jacob van der Dussen, Lijdia Catharina van der Dussen, weduwe van mr. Jacob Pompe van Meerdervoort, wonende te Leiden en Nicolaas van der Dussen, lid van de Oudraad en regerend schepen van Dordrecht. Zij verlenen procuratie aan mr. Gerard van Haerlem, advocaat te Dordrecht, om zich te vervoegen ten sterfhuize van hun tante Catharina Alida van der Dussen en daar Ernst Fredrik Jongbloet, notaris te Culemborg en executeur van haar testament, te assisteren bij het opmaken van de boedelinventaris.

ORA Dordrecht inv. 1657, f. 142v e.v.: op 20 mei 1746 verkopen mr. Nicolaas van der Dussen, schepen in wette en lid van de Oudraad te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Lidia Maria van der Dussen, weduwe van mr. Willem Gerard Paats, wonende te Dordrecht, en mr. Herman Franciscus Ketelanus, achtraad van Dordrecht, secretarisen administrateur van de Weeskamer aldaar, als voogden over Margarita Berk en Pieter Teding van Berkhout, beiden minderjarig, die samen met voornoemde Nicolaas van der Dussen en Lidia Maria van der Dussen erfgenaam zijn van Catharina Alida van der Dussen, voor 14.700 gl. aan Ocker Repelaer, lid van de Oudraad te Dordrecht, 1e een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van mr. Johan Herman Hallincg, lid van de Oudraad te Dordrecht, en het onder 3 te noemen huis, 2e een stal en koetshuis tegenover het onder 1 genoemde huis, staande tussen het huis van de juffrouwen Van Schaak en dat van Pieter Steenbus, 3e een huis, staande tussen het onder 1 genoemde grote huis en het onder 4 te noemen huis, en 4e een huis, staande tussen het onder 3 genoemde huis en dat van Arnold van Beusecom.

VIIb. Pieter Nicolaasz. van der , trouwde Gerecht/NG Dordrecht 6/20 mei 1703 Dina Margaretha de Bije

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 132v: op 6 jan. 1722 verkopen “Juffr: Levina Terwen wed:e en boedelhouster van wijlen de Hr. Lodewijk Terwen, in sijn leven Coopman binnen dese Stadt ende d’Hr: Cornelis Terwen mede Coopman binnen deser Stede, in qualite als mede aangestelde Executeur vanden testamente van d’hr: Jeronimus Terwen in sijn leven al mede Coopman binnen dese voorsz. Stadt en(de) nog als last en procr. hebbende vande heer Jan Welsing Isaacszoon, Coopman tot Amsterdam als in huwelijk hebbende Juffr: Maria Terwe en nog van den selve Heer Jan Welsing Isaacszoon mitsgaders van de Heer Francois Welsingh als beijde aangestelde mede Executeurs van den testamente vanden voorn: Heer Jeronimus Terwen, volgens deselve procuratie op den 31 decemb. 1721 gepasst: voor den nots: Pieter Schabaalje, en sekere getuijgen tot Amsterdam residerende”, voor 410 gl. aan mr. Pieter van der Dussen, schepen en lid van de Oudraad te Dordrecht, een pakhuis in de Oude Breestraat, staande tussen het huis van mr. metselaar Abraham Bosselaer en dat van bakker Van der Heul.

ORA Dordrecht inv. 1653, f. 184: op 25 mei 1734 verkoopt Adriaan Papegaaij, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Dina de Bije, weduwe van mr. Pieter van der Dussen, schepen en lid van de Oudraad te Dordrecht, volgens procuratie gepasseerd voor notaris G. Wolff te Leiden op 10 dec. 1733, voor 450 gl. aan Aelbert Cornelisz. Snoekaert van Schouwenburgh een stal en koetshuis, staande in de Oude Breestraat tussen het huis van Abraham Bosselaer en dat van Pieter Rombout.

Kinderen (o.a.):

3. Maria Lydia van der Dussen, geboren 29 apr.1708, overleden 14 maart 1730, trouwde Leiden10 mei 1729 mr. PompejusMathijsz. Berk, heer van Godschalksoord, raad en schepen van Dordrecht(p. 313)

ONA Dordrecht inv. 891, akte 42: op 24 juni 1729 comp. voor notaris J. Beudt Pompejus Berk, oudraad van Dordrecht en Maria Lydia van der Dussen, echtelieden wonende in Dordrecht. Zij herroepen eerdere testamenten e.d., met name hun huwelijkse voorwaarden, opgemaakt ten overstaan van de Leidse notaris Johannes Swaanenburg op 22 apr. 1729. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot voogd en tot erfgenaam van alle juwelen, sieraden, goud, zilverwerk, meubelen, huisraad en inboedel, welke de eerststervende zal nalaten. De langstlevende zal van alle overige goederen het vruchtgebruik genieten en de eigendom daarvan zal toekomen aan hun eventuele kinderen. Als de langstlevende evenwel kinderloos komt te overlijden, zal de eigendom vererven op de erfgenamen ab intestato van de testateuren.

Begraafboek Augustijnenkerk Dordrecht 20 maart 1730: Maria Lidia van der Dussen, huisvrouw van Pompejus Berk, oudraad van Dordrecht, laat één kind na, met wapenbord, twee paar slepen, de hoogste boete, tien koetsen boven het getal.

Uit dit huwelijk

a.Margareta Berk, gedoopt NG Dordrecht 11 maart 1730, trouwde Barthout van Slingelandt

5. Johanna Elisabeth van der Dussen, jonge dochter van Dordrecht wonende aan het Rapenburg te Leiden (1738), trouwde Leiden 1738mr.Coenraad Teding van Berkhout, gedoopt NG Leiden 10 mei 1714, jongman van Leiden wonende aan het Rapenburg te Leiden, kapitein van de Leidse schutterij (1738)

ONA Leiden inv. 1758, akte dd 31 okt. 1738: huwelijkse voorwaarden, gepasseerd voor notaris Gerard Wolf, tussen Coenraad Teding van Berkhout en Johanna Elisabet van der Dussen.

Uit dit huwelijk:

a. Pieter Teding van Berkhout, gedoopt NG Leiden 6 maart 1740

6. Nicolaas van der Dussen, geboren 24 jan. 1714, schepen van Dordrecht (1741, 1745),raad van Dordrecht (1744)(p. 313), overleden in Den Haag, begraven Dordrecht 14 apr. 1778, ongehuwd.

Uitgaande attestaties van de NG gemeente van Dordrecht (archief 27, inv. 246, f. 15:) 12 mei 1750 (in margine: gegeven 16 apr. 1750) de heer Nicolaas van der Dussen; vrouwe Lidia van der Dussen, weduwe Paats*; Maria van Steenberge; Maria van Steenbergen; Jan Barnevelt en Antonie Aldekerk, allen wonende in de Grotekerksbuurt en vertrokken naar Den Haag.

*Gaarder Leiden 9 aug. 1734: mr. Willem Gerard Paets, kapitein der schutterij (impost 30 gl.). Begraafboek Pieterskerk Leiden tussen 7 en 14 aug. 1734: Willem Gerard Paats, echtgenoot van Lidia van der Dussen

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 14 apr. 1778: Nicolaas van der Dussen, oud-lid van de Oudraad te Dordrecht, in Den Haag overleden en te Dordrecht begraven, ’s avonds om acht uur, ongehuwd.