Kwartierstaat Van Hartigsveld

1. Alida van Hartigsveld, gedoopt NG Hellevoetsluis, 11 nov. 1764, jonge dochter geboren te Hellevoetsluis, wonende te Dordrecht op de Voorstraat bij de Heer Heymansuysstraat (1787), overleden Dordrecht 15 april 1830 (Doelstraat C:925), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 19 april/6 mei 1787 (pro deo, de bruidegom geassisteerd met zijn behuwd broeder Frans Eske, de bruid met schiftelijk consent van haar vader Jacob van Hartixveld, heeft akte van indemniteit overhandigd) Jan Lareman (Laarman), jongman geboren te Osnabrug, wonende op de Voorstraat bij de Heer Heymansuysstraat (1787)

– 25 nov. 1786: schout en schepenen van de “fortresse” Hellevoetsluis verlenen akte van indemniteit aan Alida van Hartigsvelt, aldaar geboren, 24 jaar, voornemens te vertrekkennaar Dordrecht. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2001, akte 1021)

2. Jacob van Hartigsveld, gedoopt NG Dordrecht 8 mrt. 1726, jongman van Dordrecht, wonende in het Tolbrugstraatje (1750), trouwde 2e Hellevoetsluis na 1764 Elisabeth Naters, weduwe van Christoffel Scharpenbergh, trouwde 1e Gerecht/NG Dordrecht 29 jan. 1750/15 febr. 1750 (de bruidegom geassisteerd met zijn oom Pieter van der Tack, de bruid met haar tante Caatje van Toll, weduwe van Frans Boon; gaarder Dordrecht: pro deo)

3. Maria (Catharina) Kamphoff, geboren naar schatting ca. 1725, jonge dochter van Dordrecht, wonende in het Tolbrugstraatje (1750)

– 16 mrt. 1756: de bestuurders van de stad Rotterdam verlenen akte van indemniteit aan de kinderen van Jakop van Hartigsvelt en Katharina Kamphoff, genaamd Leendert, 3 1/2 jaar oud en Margrieta, ruim 1 jaar oud, vertrekkende naar Hellevoet. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 1998, akte 452)

Kinderen (o.a.):

a. Alida, gedoopt NG Dordrecht 8 mei 1751 (naam van de moeder: Catharina Kamp), jong overleden

b. Leendert, gedoopt NG Rotterdam 20 aug. 1752 (get.: Katrina van Tol)

c. Margrieta, gedoopt NG Rotterdam 10 nov. 1754 (get.: Johanna Pieterse)

d. Alida, gedoopt NG Hellevoetsluis 1764 (= kwartier 2)

4. Leendert van Hartigsveld, gedoopt NG Dordrecht 9 juli 1700, jongman van Dordrecht, wonende bij de Vest (1722), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 25 mrt. 1729 (Leendert van Hardingsvelt, op de Elfhuizen, laat kinderen na, aan het klokhuis),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 2/18 okt. 1722 (de bruidegom geassisteerd met zijn [stief-]vader Lambert Willemse [de Villars], de bruid met haar moeder Maeijcke de Vos, weduwe van Jacob van der Tak)

5. Aaltje van der Tack, gedoopt NG Dordrecht 16 juli 1699, jonge dochter van Dordrecht, wonende bij de Vest (1722)

8. Isaac Jansz. (van Hartigsvelt/van Hardinxvelt/Hertochsvelt), gedoopt NG Puttershoek 2 mrt. 1661, schipper jongman van Puttershoek en daar wonende (1684), schuitenvoerder (1692), weduwnaar van Dordrecht wonende in de Suikerstraat (1698), trouwde 1e NG Dordrecht 23 april/7 mei 1684 Marijke Barents, geboren ca. 1664, jonge dochter van Dordrecht en daar wonende (1684), 2e Gerecht/NG Dordrecht 24 aug./8 sept.1698 (de bruid geassisteerd met haar tante Beatricx Jans, in margine: attestatie te vertonen)

9. Maeijke Leendertsdr. (van Gemert), geboren te ‘s-Gravendeel naar schatting ca. 1670, jonge dochter wonende op ‘s-Gravendeel (1698), weduwe van ‘s-Gravendeel wonende aan de Vest te Dordrecht (1717), trouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 12/28 dec. 1717 Lammert (Lambert) Willemsz. de Villars, weduwnaar van Dordrecht wonende in de Oude Breestraat (1717)

– 3 mei 1692: comp. voor notaris J. van Bijwaert o.a. Marijcken Barents, vrouw van Isack Jansz. Hartevelt schuitenvoerder, 28 jaar oud, die op verzoek van Aletta Cloens, vrouw van Johannes van der Hoeven, koopman te Dordrecht, verklaart, dat zij op 30 april 1692 om 9 uur ’s avonds “geweest sijnde aende steijgert comende over de huijsinge [ in de Suikerstraat] van hem voormelte Van der Hoeven om water te halen ende int wechgaen met hetselve gehoort te hebben, dat in den huijse voorseijt met luijder stemme een groote schreeuw heeft hooren geven, ’t welck sij attestante verclaerde geweest te hebben de stem van de requirante in desen ende naderhant noch perfect haer requirante te hebben hooren seggen Nu sal off en kan ick niet meer swijgen.” (ONA Dordrecht inv. 395, attestatie dd 3 mei 1692. Zie ook het artikel Huiselijk geweld in de 17e eeuw inOud-Dordrecht 2006, nr. 2, p. 62)

– 29 nov. 1706: comp. voor notaris Joan van den Brande Isak Jansz. van Hardinxvelt, burger van Dordrecht, die verklaart, dat hij als naaste erfgenaam van Jacob Ingensz. Boeresteijn, die gewoond heeft en overleden is te Numansdorp, gezegd de Buitensluis, diens nalatenschap aanvaard heeft en in verband daarmee procuratie verleend heeft aan Joan Obergh, procureur voor het Hofen de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, om zijn zaken waar te nemen, in het bijzondercontra Cornelis Hoekzeweg en verder te doen, hetgeen uitvoeriger vermeld staat in genoemde procuratie, die op 1 juni 1706 gepasseerd is ten overstaan van de Dordtse notaris G. Mugge. Comparantgeeft aan Obergh tevenslast om de goederen, die Boeresteijn heeft nagelaten, onder zijn beheer te nemen, die goederen te verkopen, uit de opbrengst daarvan de crediteuren te voldoen, etc. Hij tekent met een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 734, akte 73, f. 250 e.v.)

– 15 mrt./19 mrt. 1716: getrouwd (Gerecht/NG Dordrecht) Jan Jacobsz. Proefhamer, jongman van Gouda, wonende te Dordrecht in de Heer Heymansuysstraat, geassisteerd met zijnbroer Benjamin Proefhamer en Maeijke de Goede, jonge dochter van Dordrecht, wonende in de Ruitenstraat, geassisteerd met Maeijke Leenderse, vrouw van Isak Hartigsvelt, haar nicht .(DTB Dordrecht)

Kinderen:

Ex 1:

a. Maijken, gedoopt NG Dordrecht 6 juni 1685

b. Maijken, gedoopt NG Dordrecht 4 jan. 1691

c. Jan(Johannes) van Hardinxvelt, gedoopt NG Dordrecht 21 sept. 1693,jongman van Dordrecht wonende in de Stoofstraat (1716), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 13/29 dec. 1716 (de bruidegom geassisteerd met Maeijke Leenders, weduwe van Isak van Hardinxvelt,zijn [stief-]moeder ende bruid met Maria Bastiaense, haar moeder en met mondeling consent van Arij van Bueren, haar vader) Pietertie van Bueren, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Kromme Elleboog (1716)

d. Barent, gedoopt NG Dordrecht 20 mei 1696

Ex 2:

e. Leendert van Hartigsvelt, gedoopt NG Dordrecht 9 juli 1700 (= kwartier 4)

10. Jacob(us) Hermansz.van der Tack, gedoopt NG Dordrecht 1 nov. 1671, jongman van Dordrecht wonende buiten de Vuilpoort (1694),mr. schoenmaker, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 7 mrt. 1694 (de bruid geassisteerd met haar moeder)

11. Maijke (Maria) de Vos, gedoopt NG Dordrecht 8 juli 1668, jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Vuilpoort (1694)

– 17 april 1697: Jacob Hermansz. van der Tack, mr. schoenmaker en burger van Dordrecht, is schuldig aan Lambert van der Tack, Jacob van Broeckhuijsen en Jan van der Tack een bedrag van 280 gl. wegens geleende penningen, verbindende een huis aan de Vuilpoort, staande tussen het huis van juffrouw Buijtendijck en het huis van de meester-bakker Roomers. (ORA Dordrecht inv. 800, f. 18v e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Hermanus, 8 nov. 1694

b. Pieter, 29 jan. 1696

c. Aletta, 16 juli 1699 (= kwartier 5)

16. Jan Pietersz. Hartigsveld (alias de Monick), geboren te Puttershoek naar schatting ca. 1620, jongman van Puttershoek (1640), heemraad van Puttershoek (1650), diaken, kerkmeester, schepen van Puttershoek, weduwnaar wonende te Puttershoek (1654), overleden 17 mrt. 1670, trouwde 1eNG Puttershoek/Heinenoord 21 sept./14 okt. 1640 (getuigen: zijn moeder Geertien Jansdr. weduwe van Pieter Theunisz. timmerman en haar moeder Lijsbeth Cornelisdr.)Lijsbeth Ingensdr. Reedijck, geboren te Puttershoek naar schatting ca. 1620, overleden Puttershoek 1652 (betaald voor haar doodkleed),dochter van Ingen Ariensz. Blaeck (alias Reedijck) en Lijsbeth Cornelisdr., trouwde 2e NG Puttershoek 15 nov. 1654

17. Mayken Ingensdr., geboren naar schatting ca. 1625, weduwe wonende te Puttershoek (1654), trouwde 1e Ingen Jansz.

(Kwartierstatenboek Prometheus XVIII, p. 149)

– 8 juli 1650: Jan Pietersz. Haertigvelt, heemraad van Puttershoek, verklaart schuldig te zijn aan Anthoenis Jansz. van de Grient en Arij Roelantsz., inwoners van Puttershoek, als executeurs en administrateurs van de boedel van Aerij Anthonisz. Smit, een bedrag van 600 gl. wegens de leverantie van een “bouschuer” en de beterschap van een boomgaard, staande en liggende bij Puttershoek, belend oost Pluen Ariensz. en west de erfgenamen van Jan Ariensz. Smouter. Borg: zijn “vader” Ingen Ariensz. Reedijck. De schuld is voldaan op 31 dec. 1652. (ORA Puttershoek inv. 1, f. 242)

– 18 febr. 1653: Joost Aeriensz., voor zichzelf en als oom en bloedvoogd van het nagelaten weeskind van wijlen Aerien Ariensz., zijn broer en als oudoom en bloedvoogd van het nagelaten weeskind van wijlen Jacob Aertsz., genaamd Aert Jacobsz., door hem verwekt bij Lijsbeth Willemsdr. en nog als voogd van zijn halfzusters en halfbroer, Aeltie Aeriens, Jan Aeriens en Biateris Aeriens, Cornelis Cornelisz. Sneep, echtgenoot van Anneke Aeriens, voor zichzelf, Jan Pietersz. Hartichsvelt, alsgekoren voogd van Lijsbeth Cornelis, weduwe van Ingen Aeriensz. Reedijck en Marike Jacobs, weduwe van Willem Aeriens, met haar gekoren voogd, voornoemde Jan Pietersz., transporteren aan Aeriaentge Jans, weduwe van Aerien Ingensz., een stuk land in het Nieuwe Zomerland. (ORA Heinenoord inv. 6 en 12)

– 2 juni 1655: compareren voor een Dordtse notaris Jacob Jansz. van den Hoeck, als echtgenoot van Elisabeth Cornelisdr., eerder weduwe van Ingen Ariensz. Reedijck, wonende te Heinenoord, enerzijds, en Jan Pietersz. Hartincxvelt, als vader en voogd van zijn drie minderjarige kinderen, verwekt bij zijn eerste vrouw Elisabeth Ingens, die inmiddels overleden is en de enige dochter was van Ingen Ariensz. Reedijck en Elisabeth Cornelisdr., wonende te Puttershoek, geassisteerd met Jop Michielsz. Velthoeven, secretaris van Heinenoord, anderzijds. Zij verklaren, dat tussen hen geschil gerezen was aangaande zekere uiterste wil, gepasseerd voor schout en heemraden van Heinenoord op 25 juni 1652, waarbij Ingen Ariensz. zijn vrouw, Elisabeth Cornelisdr., tot zijn enige erfgenaam benoemd heeft en dat daarin de minderjarige kinderen van Hartincxvelt, wier moeder toen reeds was overleden, “teenemael … [waren] voorbijgegaen”. Om welke reden Hartincxvelt meent, dat die uiterste wil naar rechten niet kan bestaan. Hijclaimt daarom voor zijn kinderen, als erfgenamen ab intestato van hun grootvader, het recht op de helft van de goederen, die Ingen met zijn vrouw in gemeenschappelijk bezit heeft gehad. Jacob van den Hoeck daarentegen meent, dat de kinderen alleen recht hebben op hun legitieme portie, namelijk een vierde deel van de gehele boedel. Om te voorkomen, dat uit dit geschil langdurige processen zullen ontstaan, zijn de comparanten nu overeengekomen om het te onderwerpen aan de arbitrage van de advocaten mr. Cornelis Baen en Gerardt Brantwijck. Getuigen: Pouwels Hoppel, schout van Puttershoek, en Adriaen Roelen van de Graeff, koopman aldaar. (ONA Dordrecht inv. 110 f. 119 e.v.)

– 24 mei 1658: Jan Pietersz. Hartighvelt, inwoner van Puttershoek, verkooptaan Jan Jansz. Polder een huis en erf in Puttershoek, met de “beteling” die op dat erf staat, belend noord Jan Jansz. Polder, zuid Cornelis Jacopsz. van Heijsen, oost de havenkant, en west het “het gemene buijrpadt”. (ORA Puttershoek inv. 2)

– 7 april 1666: ontvangen van Jan Pietersz. Hardincxvelt voor het openen van twee graven, waarin de ouders van zijn vrouw begraven liggen, een somma van 12 gl. (Archief NH gemeente Puttershoek)

– 12 mei 1666: compareren voor schout en schepenen vanHeinenoord Isbrant Sneep en Arien Roelen van de Graeff als testamentaire voogden van het nagelaten kind van wijlen Lijsbeth Ingens, bij haar verwekt door Jan Pietersz. Hardincxvelt, Pieter Jansz., zoon van voornoemde Jan Pietersz. Hardincxvelt, Jan Thonisz., die is getrouwd met een dochter vanvoornoemdeJan Pietersz. Hardincxvelt, en Jan Pietersz. Hardincxvelt zelf. De comparanten sluiten een overeenkomst met Jacob Jansz. van den Houck, tegenowoordig “residerende” op Heinenoord,betreffende de besterfenis van de goederen, die zijn nagelaten door Lijsbeth Cornelis, in haar leven echtgenote van Jacob Jansz. van den Houck, grootmoeder van voornoemde kinderen van Jan Pietersz. Hardincxvelt enLijsbeth Cornelis. De kinderen zullen de schulden van hun grootmoeder voldoen en uit haar nalatenschap o.a. een somma van 100 gl. ontvangen. Jacob Jansz. zal o.a. krijgen het huis met erf en boomgaard, waar hij tegenwoordig woont, en een veerschuit met anker, kabel, touwen en “seijlagie”. (RAHeinenoord inv. 13)

– 2 juni 1666: betaald aan Jan Pietersz. Hardincxvelt over geleverd zand ten behoeve van de kerk te Puttershoek 2 gl. 18 st. (Archief NG gemeente Puttershoek)

– 2 mei 1667: het huis van Jan Pietersz. Hartigsvelt, staande te Puttershoek, is belender aan de noordzijde van een huis [herberg], genaamd “Sint Joris”, dat op die dag door de kinderen van wijlen Leendert Cornelisz. Clootwijck wordt verkocht aan Petrus Hartgoet. (ORA Puttershoek, inv. 2)

– 19/20 dec. 1667: “is hier [Puttershoek] weder die huijsbesoekinge gedaen. En is bij alle de ledematen wel gevonden, uitgenomen bij Petrus Hardtgoet en sijn huijsvrouw welcke eenige swaricheit hadde over Jan Pietersz. Hartichvelt en is in vruntschap afgedaan en sijn tesamen bevredicht, doch de questie om redenen niet geregistreert”. (Archief NG gemeente Puttershoek)

Kinderen (o.a.):

Ex 1:

a. Pieter Jansz. Hartigsveld (alias de Munnick), gedoopt NG Puttershoek 18 jan. 1643, landpoorter van Dordrecht (1683), schipper van Puttershoek op Rotterdam, diaken (1669 en 1676), schepen van Puttershoek (1689),overleden voor 22 juni 1690,trouwde 1e NG Puttershoek 15 mrt.1665 Geertruijt Cornelisdr. (Barendregt), gedoopt NG Puttershoek 14 okt. 1640, overleden in of voor 1679, 2e NG Puttershoek 1 mrt. 1681 Sara Postilius

– 29 juni 1683: ontvangen als landpoorter van Dordrecht Pieter Jansz. Hardincxvelt, geboren en wonende op Puttershoek, betalende “de gherechtigheijt daer toe staende”. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 1975, f. 19v)

– 23 juli 1695: rekening gedaan doorAert Cornelisz. Verheul, als oom en bloedvoogd van de weeskinderen van Pieter Jansz. Hertighvelt en Sara Postilius, beiden overleden. (Weeskamer Puttershoek, inv. 7)

b. Geertie Jansdr., trouwde Jan Theunisse

– 15 sept. 1668: rekening van inkomsten en uitgaven, gedaan door Pieter Jansz. Hartigsvelt, mede namens zijn broer, als bloedvoogden van het weeskind van hun zuster Geertie Jansdr., bij haar verwekt door Jan Theunisse. (Weeskamer Puttershoek inv 7)

Ex 2:

c. Bastiaen, gedoopt NG Puttershoek 10 okt. 1655 (getuigen: Arie Ingens, Leendert Andriesz. Munter, Dingetie Leenderts, Soetie Wouters)

d. Johannes, gedoopt NG Puttershoek 1 juli 1657 (getuigen: Maria van Panhuijsen, Isbrand Cornelisz. Sneep)

e. Jacobus, gedoopt NG Puttershoek 9 mrt. 1659 (getuigen: Theunis Logiersz. Havermaet, Leendert Cornelisz. Clootwijck)

f.Isaack Jansz. Hartigsveld, gedoopt NG Puttershoek 2 mrt. 1661 (= kwartier 8; getuigen: Emmegie Claes, Adriaen Drijnckvelt, juffrouw Bastingius)

g. Jannigie, gedoopt NG Puttershoek 9 mrt. 1667 (getuigen: ds. Petrus de Winter, Arien Ariensz., mr. Hendrik Verlaer, Jacoba de Winter)

18. mr. Leendert Leendertsz. van Gemert, overleden ca. 1675 (tussen 1669 en 1678), vermoedelijkte ‘s-Gravendeel, trouwde

19. NN

– 17 jan. 1641: burendingdag door Matthijs van der Merck contra mr. Leendert van Gemert terzake van een boete wegens kolven tijdens de predikatie. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 40)

– 14 april 1647: Leendert Leendertsz. van Gemert is borg voor Cornelis Dirks bij de koop van een huisje. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 32)

– 24 april 1655: Leendert van Gemert is koper of borg op een veiling van goederen, die zijn nagelaten door wijlen Burger Cornelisse en Engeltje Pieters. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 33)

– 19 mrt. 1667: Leendert van Gemert staat borg voor Machiel Pieters op een veiling. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 34)

– 6 okt. 1669: uitgave aan zijn vrouw wegens diensten verleend aan Renksen Ottens. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 34)

– 6 mrt. 1678: een huis in de Langestraat, dat eigendom is van Geertie Cornelisse, weduwe van Dirck Claesz. Pluijmert, wordt belend door de weduwe van Leendert van Gemert. (ONA ‘s-Gravendeel)

– 6 mrt. 1680 (Quohier van alle Familïen op den dorpe van ‘s-Gravendeel en Leerambacht): de weduwe van Leendert van Geemert, in de Langestraat, wint haar kost met spinnen. (Ons Voorgeslacht 1969, p. 28)

– 4 april 1680: de weduwe van mr. Leendert van Gemert is belender ten zuiden van een huis in de Langestraat te ‘s-Gravendeel, dat op die dag is gekocht door JanSibbedeusse van Willempje Lappers. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 4)

– 30 juni 1680: een huis in de Langestraat, belend door de weduwe van mr. Leendert van Gemert, wordt geveild door Gerard de Beveren op last van Geertje Cornelisse, weduwe van Dirck Claesz. Pluijmert. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 34)

– 14 juni 1687: de weduwe van Leendert van Gemert maakt bezwaar tegen de inning van het zout-, zeep-, heren- en redemptiegeld. (ORA ‘s-Gravendeel inv. 12)

20. Herman Jacobsz. van der Tack, gedoopt NG Dordrecht, mrt. 1639, jongman van Dordrecht, schoenmaker, wonende aan de Vuilpoort (1671), trouwde NG Dordrecht 18 jan./1 febr. 1671

21. Heijltje Verbroeck, gedoopt NG Dordrecht juli 1647, jonge dochter van Dordrecht, wonende op de Hoge Nieuwstraat (1671)

– 7 jan. 1681: Cornelis van Biesum de oude, Cornelis van Biesum de jonge en Jacobus van Biesum, gebroeders wonende te Rotterdam, als erfgenamen van Grietge Jacobsdr. van Biesum, weduwe van Geerit van Leuven, hun tante zaliger, voor zichzelf en als procuratie hebbende van hun mede-erfgenamen, verkopen voor 905 gl. aan Jacob Lambertsz. van der Tack, als voogd over de weeskinderen van Herman Jacobsz. van der Tack, ten behoeve van die kinderen een huis [in de Voorstraat] aan de havenzijdetegenover Mijnsherenherberg, staande tussen het huis van Lambert Hulsthoudt en dat van Alexander van Erffrenten. (ORA Dordrecht in. 792, f. 1)

– 3 mei 1695: Jacob Hermansz. van der Tack, mr. schoenmaker en burger van Dordrecht, en Willem Weda, sledenaar,als echtgenoot van Maeijcke Hermansdr. van der Tack, alsmede Lambert van der Tack en Jacob van Broeckhuijsen, mr. schoenmakers en burgers van Dordrecht, samen voogden van Hendrica van der Tack, allen kinderen en erfgenamen van Herman Jacobsz. van der Tack, verkopen voor 1010 gl. aan Aalbert Nuij, schipper en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat aan de havenzijde, staande tussen het huis van de weduwe van Adam van Tiel en dat van Sander van Erffrenten. (ORA Dordrecht inv. 799, f. 24v e.v.)

– 3 mei 1695: de in voorgaande akte vermelde verkopers transporteren aan Wouter Verbraeck, schipper en burger van Dordrecht, een huis in de Steenstraat, staande tussen het huis van Dirck Bellaart en dat van de deurwaarder De Vos. De koopsom bedraagt 590 gl. (ORA Dordrecht inv. 799, f. 25)

22. Pieter Pietersz. de Vos, geboren naar schatting ca. 1640, jongman van “Wierdt”, schoenmaker wonende bij de Pelserstraat “aan de Vesten” (1664), lapper (1680), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 16 juli 1725 Pieter de Vos in de Boogjes)trouwde NG Dordrecht 13 juli 1664

23. Aeltie Ariens, geboren naar schatting ca. 1640, jonge dochter van Dordrecht, wonende bij de Pelserstraat “aan de Vesten”(1664), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 5 febr. 1722 (Aeltie Arijse, de vrouw van Pieter de Vos in de Boogjes bij de Ruitestraat)

– 29 mrt. 1675: Pieter Pietersz. de Vos is getuige bij het passeren van een notariële akte. (ONA Dordrecht inv. 160, f. 209)

-21 dec. 1680: begraven het kind van Pieter Pietersz. de Vos lapper achter de Pelserstraat (begraafboek Grote Kerk)

32. Pieter Theunisz. Hartigsveld, geboren te Puttershoek naar schatting ca. 1590, timmerman ald., lidmaat van de NG gemeente te Puttershoek vóór 1623, overleden ald. vóór 6 okt. 1636, trouwde naar schatting ca. 1615

33. Geertien Jansdr., geboren ca. 1592, overleden na 14 okt. 1640 (cf. Ons Voorgeslacht 1955, p. 61; Kwartierstatenboek Prometheus XVIII, p. 166)

– 1626: Pieter Anthonisz. Timmerman in de 1000e penning van Puttershoek aangeslagen voor een vermogen van 1000 gl. (Ons Voorgeslacht 2004, p. 144)

– 14 okt. 1639: comp. voor schout en heemraden van Puttershoek Geertie Jans, weduwe van Pieter Anthoenisz., geassisteerd met Adriaen Spies, schout van Puttershoek, als haar gekoren voogd, enerzijds en haar zoon Wouter Pietersz. en Jan Pietersz., [haar andere zoon], geassisteerd met zijn “noom” Willem Diricksz. Breeckvelt, schout van Mijnsheerenland, zijn bestorven bloedvoogd, anderzijds. De comparanten komen tot een overeenkomst aangaande de verdeling van de nalatenschap van hun man resp. vader. De weduwe zal de gehele boedel behouden, alle inkomende schulden ontvangen en alle uitgaande schulden betalen. Daar staat tegenover, dat zij gehouden is aan haar kinderen elk een bedrag van 500 ponden van 40 groten het pond uit te reiken.Wouter verklaart zijn vaderlijk erfdeel reeds ontvangen te hebben, waarvoor hij een schuit gekocht heeft. Hem zal ook op kosten van de boedel een “feest” gegeven worden. Jan zal daarvoor “worden ghegoet als meede sal Jan ghecleet worden ghelijck Wouter is gedaen”. Als het huis van Geertie Jans na haar overlijden geveild wordt, zal Jan het mogen aannemen voor 100 gl. minder dan waarvoor de meestbiedende het wil kopen of waarvoor het getaxeerd wordt. De overige door Geertie na te laten goederen zullen in gelijke porties onder haar erfgenamen verdeeld moeten worden. (ORA Puttershoek inv. 1)

Kinderen:

a. Annegien Pietersdr., geboren ca. 1619, overleden 1670, trouwde 1e vóór 1639 Willem Dirksz. Breeckvelt, schout van Mijnsheerenland (vermeld 1639), 2e 9 juni 1644 Arij Fransz. van Oort

– 1626: Willem Dirksz. Breeckvelt in de 1000e penning van Puttershoek aangeslagen voor een vermogen van 3000 gl. (Ons Voorgeslacht 2004, p. 144)

b. Wouter Pietersz. Hartigvelt, trouwde Soetje Wouters

– 15 jan.1661: Wouter Pietersz. Hartigvelt, “gewese laeste weduwnaer” van Soetje Wouters, geassisteerd met Jan Pietersz. Hartigvelt, zijn broer, doet uitkoop van de drie nagelaten kinderen van Soetje, t.w. Theuntje Wouters, 9 jaar, Wouter Woutersz. Hartigvelt, 7 jaar, en Dievertje Wouters, 5 jaar. (ORA Puttershoek, inv. 2)

c. Jan Pietersz. Hartigsveld

34. Ingen Ariensz. Boer, schepen van Puttershoek (1662, 1663), overleden ca. 1663 (tussen 17 juni 1663 [ondertekening diaconierekening Puttershoek)en17 april 1664 [erfhuis]), begraven in de kerk van Puttershoek (grafschrift slechts gedeeltelijk leesbaar: “Hier leyt begraven Yngen Arense Booer …”), trouwde

35. Jannigie Cornelisdr., overleden tussen 30 april 1664 en 3 nov. 1664

– 22 okt. 1630: mr. Matthijs Berck, secretaris van Dordrecht, en zijn broer Huijbert Berck, wonende te Dordrecht, verkopen elk voor de helft aan Ingen Adriaensz., wonende op Puttershoek, 12 morgen 430 roeden land in de Mijlpolder in de vierde kavel, strekkende van de Bonaventurense dijk af tot aan de Mijlpolderse dijk, in onversterflijk achterleen gehouden van de heer van de Mijl. De koopprijs bedraagt 700 gl. de morgen. Getuigen: Johan de Loutre, burger van Dordrecht, en Leendert Jacobsz., schout van Puttershoek. (ONA Dordrecht inv. 71, f. 97v e.v.)

– 5 dec. 1643: Ingen Ariensz. Boer getuige bij het huwelijk van Cornelis Ingensz. en Japien Heijndricks (NG trouwboek Puttershoek)

– 12 mei 1646: Ingen Ariensz. Boer getuige bij het huwelijk van Japick Jansz. en IJefienIngens (NG trouwboek Puttershoek)

– 23 april 1655: Inge Ariensz. Boer, wonende op Puttershoek, is schuldig aan Maria Pietersdr. een bedrag van 2000 gl. Borgen: Jan Fransz. van der Fijt, kleermaker en burger van Dordrecht en Jan Pietersz. Hardinxvelt, wonende op Puttershoek. Boer tekent met een kruisje, Van der Fijt en Hardinxvelt met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 134, f. 139)

-10 mei 1655: Inge Arijensz., wonende in Puttershoek, is schuldig aan Geertruijt Roelofsdr. een somma van 3000 gl. Borgen: Frederick Ghenen, pondgaarder te Dordrecht, en Arijen Roelen, wonende te Puttershoek. (ONA Dordrecht inv. 134, f. 164)

– 8 mei 1659: Inghen Ariensz. Boer en zijn vrouw Janneken Cornelisdr., wonende te Puttershoek, testeren ten overstaan van een Dordtse notaris. Zij prelegateren aan hun oudste zoon Adriaen Inghensen een stuk weiland van 3 morgen, liggende recht tegenover Bollesteech “in den hoeck vande kaije” of in plaats daarvan een bedrag van 2500 gl., met nog een bed, een eiken kast, ter waarde van 50 gl., 30 ellen wit lijnwaat, een tweejarig hoornbeest, en kleren van linnen en wol, zoals de overige kinderen reeds gekregen hebben, toen zij gingen trouwen. Zij benoemen elkaar tot erfgenaam van overige goederen, die door de eerststervende van beiden zullen worden nagelaten, en hun kinderen en kleinkinderen tot erfgenamen van hetgeen de langstlevende van hen, testateuren, zal nalaten.Dat evenwel opvoorwaarde, dat de kinderen van hun dochters Lijntgen en Maijken Ingensdr. uit de erfportie van hun moeders na overlijden van de langstlevende van de testateuren een somma van 2000 gl. zullen krijgen, ofwel 4000 gl. voor beide “staken”. Indien de kinderen van hun overleden zoon Cornelis Ingensz. komen te overlijden zonder wettige nakomelingen na te laten, zullen de door die kinderen geërfde goederen vererven op de overige kinderen en nakomelingen van de testateuren. Zij benoemen tot voogden en executeurs-testamentair Emanuel van der Steen en Simon Cornelisz. de Vries, brouwer [te Dordrecht]. (ONA Dordrecht inv. 65, f. 547 e.v.)

– 20 dec. 1659: rekening van inkomsten en uitgaven, gedaan door Ingen Ariensz., als grootvader van de weeskinderen van Cornelis Ariensz. zaliger en Jaeppie Henderickx, aan Henderick Schulingh [sic], vervangende Gijsbert Schuijlingh, beiden bloedvoogden van die weeskinderen. (Weeskamer Puttershoek inv. 7)

– 16 febr. 1660: Ingen Adriaensz. Boer, wonende te Puttershoek, verkoopt aan de kerkmeesters van de nieuwe kerk te Numanspolder in Cromstrijen een huis op het dorp aldaar, belend oost Maerten Maljaerts, zuid Pieter Geleijnsz. van der Meer, west Voorstraat en noord kerkstraat. (ORA Cromstrijen inv. 80)

– 24 mei 1662: Cornelis Jacobsz. van Heijssen, secretaris van Maasdam, verkoopt aan Ingen Ariensz. Boer, schepen van Puttershoek, een huis aldaar, belend oost de havenkant, west “de gemeene landtswech”, zuid Aert Bastiaense, en noord Jan Jansz. Polder. Koper is schuldig aan verkoper wegens de koop van dit huis een bedrag van 525 gl. (ORA Puttershoek inv. 2)

– 2 juni 1663: Ingen Ariensz. Boer, schepen van Puttershoek, verkoopt voor 1150 gl. aan Dirck van Herwijnen, administrateur van de Weeskamer, en Govert de With, notaris te Dordrecht, als administrateurs van de boedel van wijlen Cornelis van Oversteege, een huis in Puttershoek, belend oost de havenkant, west de gememelandsgrienden, zuid het huis van Aert Bastiaense, en noord het huis van Jan Jansz. Polder. (ORA Puttershoek inv. 2)

17/18 april 1664: voorwaarden, waarop Jannegie Cornelisdr., weduwe van Ingen Ariensz. Boer, een aantal goederen wil laten veilen. (ORA Puttershoek inv. 19)

– 30 april 1664: Hendrick Hendricksz. Schuijlingh en Jan Schuijlingh, vervangende Gijsbert Schuijlingh, als bloedvoogd van de kinderen van wijlen Kornelis Ingensz. en Jaepie Hendrickx, transporteren aan Jannige Cornelisdr., weduwe van Inge Ariensz. Boer, een huis in Puttershoek, belend oost de “laeningh” van de heer Van den Steen, west de boomgaard van de heer Van Urck, zuid de wei van de heer Van den Steen, en noord de bermsloot van de dijk van Moerkerken. (ORA Puttersoek, inv. 2)

– 3 nov. 1664: Emanuel van den Steen en Sijmon Cornelisz. de Vries, als executeurs-testamentair van wijlen Ingen Ariensz. Boer en diens vrouw Jannige Cornelisdr., en als voogden van de minderjarige erfgenamen (naast Arijen Ingensz. en Jan Pietersz. Hartigvelt) van dit echtpaar, tevens vervangende de overige erfgenamen van Ingen Ariensz. en Jannige Cornelisdr., verkopen aan Jacob Cornelisz., inwoner van Puttershoek,1 morgen 400 roeden land in Nieuw-Bonaventura onder Puttershoek, belend oost de “gemene wech”, west Jan Hendricksz., zuid Alewijn van Halewijn, en noord Jop Cornelisz. (ORA Puttershoek, inv. 2)

– 25 juni 1666: de erfgenamen van Ingen Ariensz. Boer en Jannigie Cornelisdr. schenken 15 gl. aan de armen. (Archief NH gemeente Puttershoek B2)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Mayken Ingensdr. (= kwartier 17)

b. Cornelis Ingensz., trouwde NG Puttershoek 5 dec. 1643 Jaepie Hendrickx

c. Arijen Ingensz.

d. Lijntgen Ingensdr., trouwde NN

e. Yefien Ingensdr., trouwde NG Puttershoek 12 mei 1646 Japick Jansz.

40. Jacob Lambertsz. (van der Tack), geboren ca. 1616, jongman van Dordrecht, meester-schoenmaker, wonende in de Leuvestraat [Prinsenstraat] bij de Vuilpoort (1638), huidenvetter (1665), genomineerd voor de Veertigraad van Dordrecht (1672), begraven Dordrecht 17 juli 1693, trouwde NG Dordrecht 18 april 1638 (ondertrouw, 2 mei 1638 bescheid gegeven om te Rotterdam te mogen trouwen)

41. Maijke Jacob Bastiaensdr., gedoopt NG Dordrecht mrt. 1613, jonge dochter van Dordrecht, wonende in de Leuvestraat [Prinsenstraat]bij de Vuilpoort (1638) (cf. Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 207)

– 3 febr. 1665: notaris Arent van Neten, als curator over de boedel van Cornelis Jansz. Schram, verkoopt voor 820 gl. aan Jacob Lambertsz. van der Tack, huidenvetter en burger van Dordrecht, een looierij met twee woninkjes, staande “op” de Raamstraat in het Kousken [een slopje bij de Raamstraat] tussen ’s herengracht en een huis en azijnplaats [eigenaar niet vermeld]. (ORA Dordrecht inv. 785, f. 5)

– 18 mei 1673: Maeijcken Hendricxdr. de Ruijt, vrouw van Hendrick van Seelen, oudschoenmaker te Dordrecht, verkoopt voor 700 gl. aan Jacob Lambertsz. van der Tack een huis in de Vriesestraat, staande tegenover het Oudemannenhuis tussen het huis van Jan Jansz. Verloeve en dat van Jan Hendricxsz. Rotmerding. Bij de koop zijn inbegrepen de bordeplanken in de “spint” [voorraadkamer] en de winkel. (ONA Dordrecht inv. 413)

Kinderen (o.a.):

a. Herman, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1639 (= kwartier 20)

b. Lambrecht (Lambert) Jacobsz. van der Tack, gedoopt NG Dordrecht juni 1644, jongman van Dordrecht en daar wonende (1671), trouwde NG Dordrecht 15 febr. 1671 Jenneken Pietersdr. van de Kieboom

42. Cornelis Maertensz. Verbroeck, gedoopt NG Dordrecht juli 1610, jongman van Dordrecht, wonende op het Nieuwe Werk, luitenant van de “gemeenelants legersloepen” (1634), kapitein van idem (1650), schipper (1664),trouwde NG Dordrecht 31 dec. 1634 (otr.)

43. Neeltje Wouter Bastiaensdr., gedoopt NG Dordrecht jan. 1610,van Dordrecht, wonende op de Hoge Nieuwstraat (1634), begraven Dordrecht 1668

– 21 juli 1650: Cornelis Maertensz. Verbroeck, kapitein van de legersloepen, verkoopt aan Theunis de Bruijn, beitelschipper, een huis op de kade van het Nieuwe Werck, staande tussen het huis van Anneken Barentsz. en dat van het weeskind van wijlen de heer Marcellis [sic]. (ORA Dordrecht inv. 777, f. 134 e.v.)

– 14 mei 1660: verklaring door Willem van den Brouck bakker, zijn vrouw Lijsbet Stiermans, Maria van der Beeck, echtgenote van kapitein Gerrit van Allevrunden, en Cathalijn Jans, vrouw van Jan Willemsz., allen wonende te Dordrecht, op verzoek van kapitein Cornelis Verbroeck, burger van Dordrecht. De deposanten verklaren, dat zij op 14 april 1660 hebben gehoord en gezien, dat Huijbert Dircxsz. van Dilsen, wonende te Dordrecht, staande op straat voor het huis van kapitein Verbroeck, tegen hem riep: “ghij hebt mijn gelt ontfangen ende opgesteecken, ghij sijt een dieff, dat sal ik u bewijsen” en dat hij tegen hen, deposanten, en andere omstanders zei, “dat sij daer kennisse van dragen soude”. Voorts zou Van Dilsen volgens de getuigen nog tegen de rekwirant gezegd hebben, “dat hij voorde heeren gecreten ende met schreijende ooge geseijt hadde: soo ghij recht doet ben ick geruwijneert.” “Ende off wel bij de ommestanders jegens hem geseijt werde, dat hij met recht aen spreecken soude, soo hij wat te seggen hadde, voer hij echter met schelden daerop voort, seggende: Ick kan geen recht crijgen, de heeren doen mijn geen recht”. Ook heeft hij volgens de getuigen tegen de vrouw van Verbroeck geroepen: “Jou varcken caronje [= feeks] ghij off mijn wijff sullen vandaech weduwe sijn”. (ONA Dordrecht inv. 246, f. 86 e.v.)

– 23 aug. 1660: compareren Bastiaen Huijbertsz., provoost van de Munt, ongeveer 36 jaar oud en Jan Cornelisz. schippersgast, ongeveer 35 jaar oud, beiden wonende te Dordrecht. Zijn verklaren op verzoek van Cornelis Maertensz. Verbroeck, gewezen kapitein van de legersloepen, eveneens wonende te Dordrecht, dat “op woensdach zijnde den XVIIIen deser loopende maendt Augusti des naermiddachs de clocke tusschen drije ende vier uren, zij attestanten persoonlijcken present ofte annex gestaen hebben ontrent voor de herberghe van de Roode Laken aent Groot Hooft alhier, wanneer aldaer op ’s heren strate Huijbert Dircxen van Dilsen, schipper ende borger binnen der selver stede met groote onsteltenisse ende toornicheijt den requirant heeft aengeranst [aangevallen], hem overluijt ende ten aenhooren van een iegelijcken vvtscheldende voor een dieff ende schelm ende dat seecker bescheijt soo den reqt. hem ter handen hadde gestelt ende stondt tot laste van d’heer Phlips Doublet ontfanger in Den Haghe valsch was, repeterende d’selve woorden meermalen, eijntelijck den reqt. in groote cracht met een vuijst int aengesicht geslagen, dat neus ende mondt beijde tegelijck vvtermate seer bloeden ende den reqt. daer door oock een blauw oogh becomen heeft, sonder dat den selven reqt. daer over eenighe tegenweer heeft gedaen ofte dat hij den voorsz. Van Dilsen (voor soo veel sij attestanten konden bemercken) daer toe redenen oft oorsaecke gegeven hadde.” (ONA Dordrecht inv. 139, f. 426)

– 31 juli 1664: verklaren Philip Laurissen, schipper van Amsterdam, ongeveer 40 jaar oud, Jacob Ariensz. schipper, ongeveer 30 jaar oud en Jonas Cornelisz.deken van het Klein Schippersgilde te Dordrecht, ongeveer 30 jaar oud, op verzoek van Cornelis Maertensz. Verbroeck, schipper en burger van Dordrecht, dat zij, attestanten, op diezelfde dag met de rekwirant een kan bier gedronken hebben in een herberg bij de Riedijkspoort, waar medeaanwezig was, “in apart gelach”, een zekereBurger Jansen, schipper en burger van Dordrecht, die zonder enige aanleiding – althans voor zover zij attestanten hebben kunnen zien en horen – de rekwirant heeft uitgescholden voor dief en schelm. (ONA Dordrecht inv. 143, f. 439)

– 18 dec. 1664: verklaring op verzoek van Huijbert Dircxsz. van Dilsen schipper door Willem Pietersz. de Bruijn, veerschipper van Antwerpen op Dordrecht.De comparantgetuigt, dat hijin 1641 of 1642 in ’s lands dienst is geweest onder Maerten Verbrouck, toentertijd kapiteinvan de gemenelands legersloepenen dat Cornelis Maertensz. Verbroeck toen als luitenant diende onder voornoemde kapitein. Hij verklaart verder,dat genoemdeluitenant Verbroeck “hem selven doen ter tijt regeleuselijcke, forselijcke ende strengelijcke stelde tegen sijnen voornoemde cappitein ende die geene de welcke in sijnen dienste op des selfs schip waeren, dat meede ten selfde voorsz. jaere de gemelte M. Verbroecks schepen ende sloepen ontrent de Blaeupoort aende paelle lagen ende den luijtenant aen den deposant comandeerde naer Swindrecht over soude over vaeren, maer alsoo de cappitein den deposant iet wat belastet hadt, dat en conde hij den luijtenant sijn ordere instont niet volbrengen, maer naer dat hetgeene den cappitein bevoolen hadde te doen, gedaen waer den deposant meenende den gegeve ordere van den luijtenant meede te volbrengen, twelck door den luijtenant Cornelis Verbrouck belet werd alsoo hij moveerde tegen de deposant ende sloeght hem den hoet vant hooft ende instont daer aen sijn mes uijt de scheede getrocken hebbende sneedt hij naer de deposant, twelck hij met sijn hant wilde affschutte, sneedt de luijtenant den deposant in sijn twee vingeren, den eenen voor aen t eerste lit een stuck af, dat het opt schip ter neder viel, thoen den andere vinger, dat een stuck voor van een vinger bleef hange, ende daer naer verbonden werdende sneet den berbier ’t selfde stuck van de vinger af, ende een weinich tijt naer dat ’t geen voorsz. staet gepasseert was, heeft de voorsz. luijtenant sijn boosheijt al voorder betoont ende omdat hij sijn passie niet langer conde bedwinge, heeft hij Heijltie Maertens, die de dochter vande voorsz. cappitein ende halfsuster vande luijtenant was, dapper geslaegen met een rotting, dat sij eenige tijt haer selve nauelijcx conde behelpen, jae bij nae onmachtich om haer te kleede ende onkleede, fulumueerde [fulmineerde tegen] de selfde ende scholt als oft sij een oneerbaere persoon geweest hadde.” (ONA Dordrecht inv. 315, f. 283 e.v.)

– 22 juli 1684: Jacob Lambertsz. van der Tack, als voogd over de kinderen van Herman van der Tack, verwekt bij Heijltgen Cornelisdr. Verbrouck, Wouter Cornelisz. Verbrouck, Corstiaen Cornelisz. Verbrouck en Jacob van Breda, als man van Maeijken Cornelisdr. Verbrouck, voor zichzelf en tevens vervangende Cornelis, Cornelia en Mariken Verbrouck, samen kinderen en erfgenamen van Cornelis Maertensz. Verbrouck, verkopen voor 855 gl.aan Mels van de Grindt, burger van Dordrecht, een huis op de Hoge Nieuwstraat, staande tussen het huis van Pieter Pietersz. van de Knijff schrijnwerker en dat van Tielman Hagens glasmaker. (ORA Dordrecht inv. 793, f. 99)

64. Anthonis (Theunis) Pietersz., geboren ca. 1569, timmerman te Puttershoek, overleden in of na 1626, trouwde 2e NG Heinenoord 28 sept. 1622 Catalina Pietersdr. van Aken, 1e naar schatting ca. 1590

65. Anneken Wouters

(http://gw3.geneanet.org/dhartingsveld?lang=nl;pz=teunis;nz=hartingsveld;ocz=0;p=pieter+theunis;n=hartingsveld

Kwarterstatenboek Prometheus XVIII, p. 185)

– 1626: Anthonis Pietersz. Timmerman in de 1000e penning van Puttershoek aangeslagen voor een vermogen van 4000 gl. (Ons Voorgeslacht 2004, p. 144)

80. Lambert Hendricksz. (van der Tack), hordenmaker, van Dordrecht (1594), trouwde NG Dordrecht 15 mei/5 juni 1594

81. Maricke Hendrick Gillisdr. (Melsendr., Hobroken), van Dordrecht (1594)

(Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 208)

ORA Dordrecht inv. 743, f. 309: op 3 mei 1595 verkoopt Cornelis Geeritsz. schiptimmerman aan Lambert Henricxsz. hordenmaker een huis op het Grotekerkhof [Grotekerksplein], staande tussen de Grote School en het huis van Mels Jansz. houtkoper. Waarborg: Floris Leenertsz. speelman. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1960 gl. Borgen: Henrick Gillisz. mandenmaker en Claes Pouwelsz. zeilmaker. De koper verkoopt aan Leenert Claesz., nagelaten weeskind van wijlen Claes Cornelisz. schipper een jaarlijkse losrente van 7 gl., verzekerd op het voornoemde huis.

Kinderen:

a. Henric, gedoopt NG Dordrecht juni 1595

b. Geertud, gedoopt NG Dordrecht mei 1597

c. Christina (Stijntgen) Lambertsdr. van der Tack, geboren naar schatting ca. 1610, overleden Dordrecht 18 okt. 1642, trouwde doopsgezind Dordrecht 19 juni 1639 Mathijs Balen Jansz.

Uit dit huwelijk:

a-1. Elisabeth Balen, geboren naar schatting ca. 1640, jonge dochter van Dordrecht (1666), overleden in 1678,trouwde Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten; ondertrouw;de bruidegom geassisteerd met Augustijn Hulstman, zijn oom, en Cornelis Dircxsz. van Oosterwijck, zijn goede bekende, en de bruid met Matthijs Baelen Jansz., haar vader, en Elisabeth van Rhijnberck, haar stiefmoeder) Andries Hulstman, jongman van Beijerlandt (1666), bakker weduwnaar van Dordrecht (1679),trouwde 2e Gerecht Dordrecht (onderscheiden gezindten; ondertrouw) 5 juli 1679 Maeijcken Neringh, jonge dochter van Dordrecht (1679)

– 20 dec. 1678: testament van Andries Hulstman en zijn vrouw Elisabeth Baelen, gepasseerd voor notaris J. Hellu te Dordrecht. Zij benoemt tot voogden over haar minderjarige erfgenamen Mathijs Balen Jansz., haar vader, of bij vooroverlijden, haar ooms Geerid Balen Jansz. en Jacob van der Tack Lambertsz. (Weeskamer Dordrecht inv. 27, f. 226)

c. Pieter Lambrechtsz.

d. Jacob Lambertsz. van der Tack, geboren ca. 1616 (= kwartier 40)

82. Jacob Bastiaensz. van Corthoven, houtzager, woont in het Cellebroersstraatje bij het Klooster (1613), begraven Rotterdam 30 april 1656, trouwde 2e NG Rotterdam 1 okt. 1632 Annetie Huijgen, 1e NG Dordrecht 13 jan. 1613 (otr.)

83. Maricke Jan Adriaensdr., vermoedelijk gedoopt NG Dordrecht 20 sept. 1584, woont in de Kolfstraat bij de oude kleerverkoper (1613) (Gens Nostra 1992, n.r 4/5, p. 209)

84. Marten Cornelisz. Verbroek, geboren naar schatting ca. 1585, schippersgezel van Dordrecht wonende op de hoek van de Blauwe Poort (1609), schippersgezel wonende op het Nieuwe Werkbij de Blauwe Poort bij Corstiaen Claesz. zijn [stief]vader (1612), kapitein van de “gemenelands legersloepen” (1635), kapitein (1643), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 23 aug. 1643 (een baar voor kapitein Maertte Verbroeck, anderhalf graf, één maal luiden)trouwde 2e NG Dordrecht 27 mei/17 juli 1612Jaquemijnken (Jaepken) Willem Jacobsdr. (de Keijser), van Dordrecht,1e NG Dordrecht 13/27 sept. 1609 [NB: zij waren stiefbroer en stiefzus en moeten voor dit huwelijk dus dispensatie hebben verzocht aan de Staten van Holland (ABdH)]

85. Heijltken Cors Claesdr., gedoopt NG Dordrecht 18 dec. 1583, van Dordrecht, wonende achter op het hoekje van het Stijn Tonisstraatje [Ruitenstraatje] (1609), overleden ca. 1611

– 29 juni 1618: Maerten Cornelisz. schipper wordt gildenbroeder van het Houtkopersgilde te Dordrecht, heeft vier kinderen en is zoon van een burger van Dordrecht, betaalt 10 st. (Gildenarchieven Dordrecht inv. 8, f. 87)

– 1633 (verponding Dordrecht): Marten Cornelisz. luitenant betaalt voor zijn huis op de Hoge Nieuwstraat 6 ponden 15 sch. Belenders: Pieter Wiericx hellebaardier en Cornelis Daniëlsz. kleermaker (huurt van Bastiaen Crijnen) (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 39v)

– 16 april 1635: Maerten Cornelisz. Verbroeck, kapitein van de gemenelands legersloepen, verkoopt aan Jan Jacobsz. Coeckebacker kraankind [een kraankind is iemand, die een kraan bedient, waarmee goederen uit of in een schip worden geladen] een huis in de Hoge Nieuwstraat, staande tussen het huis van Pieter Wiericxsz. en dat van Bastiaen Quirijnen. Waarborg: Rogier Cornelisz. schipper, burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 770, f. 69 e.v.)

Maertenkrijgt het huis aan de Nieuwe Haven bij de Blauwpoort, dat zijn moeder in 1635was toebedeelduit de nalatenschapvan haar tweede echtgenoot Cors Claesz. (zie kwartier 170). Zijn erfgenamen verkopen het huis op 3 mei 1644:

– 3 mei 1644: Jaepken Willemsdr., weduwe van kapitein Maerten Verbroeck, kapitein Cornelis Verbroeck en Cornelis Geerbrantsz. Ranck, als echtgenoot van Lijsbeth Verbroeck, voor zichzelf en Cornelis Geerbrantsz. tevens vervangende Corstiaen Verbroeck, Willem Pietersz. Bruijn, als man van Heijltgen Verbrouck en Geertruijt Verbroeck, kinderen en erfgenamen van wijlen kapitein Maerten Verbroeck, verkopen aan Hendrick Jansz. Coninck, burger van Dordrecht, een huis het Nieuwe Werk [op de Nieuwe Haven], staande tussen het huis van Willem Streek en Hendrick Hendricxsz. van Sittert. Koper kent schuldig aan verkopers een somma van 1125 gl. Borg: Pieter Boijen. (ORA Dordrecht inv. 774, f. 90 e.v.)

Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Cornelis Maertensz. Verbroeck, juli 1610 (= kwartier 42)

b. Corstiaen Maertensz. Verbroeck, gedoopt NG Dordrecht nov. 1611, trouwde Berber Danckertsdr. van Drongelen

Kinderen (ex 2, allen NG gedoopt te Dordrecht):

c. NN, 1613

d. Geertruijdt, 1615

e. Heijlken, 1616

f. Elisabeth, 1619

86. Wouter Bastiaensz., geboren ca. 1582, schipper van Dordrecht (1601), achtman van het Grootschippersgilde (1619), overleden Dordrecht 31 jan. 1629(overlijdensregister Doopsgezinde Gemeente Dordrecht),trouwde NG Dordrecht 29 april 1601 (ondertrouw)

87. Mariken Theunis Theunisdr. (Tonisdr), geboren naar schatting ca. 1582, van Dordrecht (1601), begraven Dordrecht 5 sept. 1659 (een baar op de Hoge Nieuwstraat voor Marighe Teunis, weduwe van Wouter Bastiaensz.) NB: het is zeer onwaarschijnlijk, dat zij een dochter was van Thoenis Thoenisz. (in den Jesus) en Mariken Jan Ambrosiusdr.

– 1619 (verponding Dordrecht): Wouter Bastiaensz. huurt een huis van [Anthonie] Repelaer op het Nieuwe Werk en betaalt daarvoor 6 ponden. Belenders: Gillis Jansz. timmerman (huurt van Gesel [sic]) en Jan Dinant/Willem Melssen schipper (huurt van R[epelaer]) (Stadsarchief Dordrecht nr. 3,inv. 3968, f. 33r en 33v)

– 20 febr. 1619: verklaring op verzoek van Wouter Bastiaensz., schipper en burger van Dordrecht, door Adam Pietersz., ca. 52 jaar oud en Bertholomeus Daemsz., ongeveer 41 jaar oud, schippers en burgers van Dordrecht. Deposanten getuigen, dat zij op diezelfde morgen “wandelende bij het Groote Hooft alhier met meer ander persoonen hebben gehoort dat eenen Stoffel Jansz. de Veer, mede schipper ende borger alhier, overluijt ende int openbaer seijde datter eenige achtmannen vant Groot Schippersgilde niet weerdich en waren op het cussen te sitten, overmitz dat de selve de E. Heeren Magistraten alhier aenbrengen al watter int voorsz. gilde bij dekens ende achtmannen wert geslooten, waer op den voorsz. Adam Pietersz. repliceerde jegens den voorsz. Stoffel: dat treck ick mij aen, als mede achtman sijnde. Ick begeere te weten wie dat die persoonen sijn die dat overdragen. Antwoordende daerop den voorsz. Stoffel Janssen mede overluijt ende openbaerlijk dat het was Wouter Bastiaensz., denoterende den requirant.” (ONA Dordrecht inv. 12, f. 380)

– 30 jan. 1623: Anthonij en Simon van Ghesel, Pieter de Wit, als man van zijn vrouw [naam niet vermeld], voor zichzelf en voornoemde Anthonij en Simon van Ghesel ook als voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Elisabet van Ghesel, bij haar verwekt door Barthout van Ackerlack, mitsgaders van de minderjarigekinderen van Cornelis van Ghesel, door hem verwekt bij Janneken van Schaerlaecken, verkopen voor een bedrag van 1150 gl. aanWouter Bastiaensz., schipper en burger van Dordrecht, een huis op de Hoge Nieuwstraat, staande tussen het huis van Pieter Wiericx en dat van Maerten van Balen, strekkende van ’s herenstraat tot achter op de Stadsvest. Voorwaarde is, dat de eigenaar van het huiszal mogen gebruiken “het gotier leggende onder het erve van Pieter Wiericx benevens het huijs aende zijde vande voorsz. Pieter Wiericx staende, sulcx dat haere secreten daerinne mogen comen ende haere vuijlicheijt daer door losen, als mede oock haer regen ende vuijl water.” Koper kent schuldig aan verkopers een bedrag van 750 gl. Borgen: Leendert Bastiaensz. brouwer en Frans Dircxsz. Wijcken, burgers van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 764, f. 7r-8r)

– 31 dec. 1627: verklaring door Dirck Crijnen Nobel, ongeveer 51 jaar oud, Bruijn Meijndertsz., ongeveer 52 jaar oud en Wouter Bastiaensz., ongeveer 45 jaar oud, dekenen van het Grootschippersgilde van Dordrecht, op verzoek van Ghijsbert Jansz. de Wael, “ordinaris” marktschipper van Delft op Dordrecht.Wouter Bastiaensz. tekent met zijn naam.(ONA Dordrecht inv. 56, f. 301)

– 11 dec. 1628: testament van Wouter Bastiaensz. schipper en Marichgen Antheunisdr., burgers van Dordrecht, hij ziek te bed liggende, zij gezond van lichaam. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zal gehouden zijn hun jongste dochter Neeltgen Woutersdr. op te voeden en te alimenteren, zoals zij dat ook voor hun zoon Dirck Woutersz. gedaan hebben. Als beide kinderen gaan trouwen moet de langstlevende van testateuren aan hen een huwelijksgift geven, die zo hoogmoetzijn als de langstlevende zaloordelen naar de staat van de boedel behoorlijk te zijn. Gepasseerd ten huize van de testateuren op de Hoge Nieuwstraat. Getuigen: Jan Hecker, koperwerker en Jan Hendriksz. molenaar, inwoners van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 56, f. 558v e.v.) Extract van dit testament ingeschreven in het Weesboek op 22 mrt. 1629. (Weeskamer Dordrecht inv. 18, f. 73v)

– 1633 (verponding Dordrecht): de weduwe van Wouter Bastiaensz. betaalt voor haar huisop de Hoge Nieuwstraat 6 ponden 15 sch. (ontvangen 8 mei 1637). Belenders: Maria van de Berch (huurt van [naam niet vermeld, =mr. Blasius Ooms advocaat]) en Pieter Wiericx hellebaardier. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 39r en 39v)

– 16 sept. 1636: Mariken Thonisdr., weduwe van Wouter Bastiaensz., verkoopt aan Grietgen Melssen, weduwe van Arijen Cornelisz. Boene, een losrente van 37 gl. 10 st., verzekerd op een huis op het Nieuwe Werk, staande tussen het huis van Blasius Oem en dat van Pieter den Hellebaerdier. In margine: comp. Leendert Bastiaensz. [van de Roer], uit naam van Mariken Theunisdr., toont de originele brief, waarbij blijkt dat de schuld volledig is voldaan. Schuldbriefderhalve geroyeerd op 24 mei 1641. (ORA Dordrecht inv. 770. f. 150)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Tonis, juni 1602

b. Dirck Woutersz., geboren naar schatting ca. 1603 (meerderjarig in 1628), schipper, jong gezel van Dordrecht (1630), weduwnaar (1638), trouwde 1e Gerecht (onderscheiden gezindten)/Doopsgezind Dordrecht 14 febr./10 mrt. 1630 (de bruidegom geassisteerd met zijn moeder en Maerten Bastiaensz. brouwer, de bruid met Mels Lenaertsz. haar zwager) Maijken Daniëlsdr. van Santen, jonge dochter geboren van Vianen (1630), 2e Gerecht (onderscheiden gezindten)/Doopsgezind Dordrecht 8/27 jan. 1638 (de bruidegom geassisteerd met Cornelis Maertensz. [Verbroeck], luitenant van de “chaloupen”, zijn zwager en de bruid met Machtelt Dircxdr., haar zuster) Luijtgen Dircxdr., weduwe van Gerrit Corstiaensz.

c. NN, jan. 1604

d. NN, jan. 1607

e. Neelken, jan. 1610

f. NN, febr. 1612

160. Hendrick Lambrechtsz. (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 210)

162. Henrick Gillisz. van Hobroeck, mandenmaker, trouwde

163. Ploenke Melsen (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 210)

ORA Dordrecht inv. 733, f. 126v: op 22 okt. 1577 verkoopt Cornelis van Mosiënbrouck, als administrateur van het sterfhuis van wijlen Elisabeth van Drenckwaert, aan Henrick Gillisz. mandenmaker een huis in de Kolfstraat, dat Elisabeth van Drenckwaert is aangekomen bij overlijden van Geerit Tack, haar eerste man, staande tussen het huis van Adriaen Cornelisz. Roerom en de “armehuijskens”. Waarborgen: voornoemde Cornelis van Mosiënbrouck en Jan Lambertsz. stadsbode.

ORA Dordrecht inv. 733, f. 255v e.v.: op 24 april 1578 verkoopt Henrick Gillisz. mandenmaker aan Pieter Cornelisz. houtdrager een huis in de Kolfstraat, staande tussen het pakhuis van Adriaen Cornelisz. in de Stoer en de “arme huijskens”. Waarborgen: Thonis Thonis Elinck bakker en Henrick Anthonisz. koolmeter. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 352 gl. Waarborg: Adriaen Barthoutsz.

Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 207v: Henrick de mandenmaker betaalt in de verponding van 1594 voor zijn huis in de Voorstraat [bij de Visbrug] 7 ponden 10 sch. Belenders: Jan Ariaensz. bakker en Jan Huijmansz. in den Salm, die huurt van de Viskopers.

ORA Dordrecht inv. 743, f. 291: op 5 april 1595 verkoopt Henrick Gillisz. mandenmaker aan Pieter Cornelisz., burger van Dordrecht, een jaarlijkse losrente van twee Vlaamse ponden, verzekerd op een huis, genaamd “Volckerack”, staande op de Vismarkt tussen het huis van Jan Ariensz. bakker en dat van de weduwe van Mels Ghijsbrechtsz.

164. Bastiaen Hendricksz., oud-schoenmaker, overleden tussen1 juli 1620 en 13 mei 1624 (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 210)

166. Jan Adriaensz., trouwde

167. Maricke Godtschalcksdr. (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 210)

168. Cornelis Martensz. Verbroeck, geboren naar schatting ca. 1555,overleden ca. 1595, trouwde NG Dordrecht 24 mei 1580

169. Maricken Sier Adriaensdr., geboren naar schatting ca. 1560, begraven Dordrecht 21 febr. 1647 (een baar voor Marigghe Siere, weduwe van kapitein Cors Claesz., buiten de Vuilpoort in “de Witte Arent”, drie maal luiden, “een pont graff voor de kerck niet ontfangen”), trouwde 2e NG Dordrecht 7 jan. 1603 Corstiaen Claesz. (= kwartier 170)

-28 nov. 1598: akkoord tussen Marijcke Sieren, weduwe van Cornelis Maertensz. schipper, met Thomas Damas als haar voogd, enerzijds en Jan Maertensz. kuiper met Lijske Jans als grootmoeder en Dirck Pietersz, schipper, alsechtgenoot van Jenneke Maertensdr., als ooms en voogden van Maerten Cornelisz., 11 jaar oud en Sier Cornelisz., 9 jaar oud. (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 210)

– 28 jan. 1644: testament van Marijken Sieren, laatst weduwe van kapitein Cors Claesz., wonende te Dordrecht. Zij legateert aan haar zoon Sijer Cornelisz., of bij vooroverlijden zijn kinderen, een bedrag van 400 gl., haar beste bed en een eiken kleren- en hemdenkast, wegens de door hem aan haar verleende diensten en tevens ter compensatie van de 150 gl., die haar andere zoon, wijlen Maerten Cornelisz., reeds van haar heeft gekregen. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij voor de ene helft haar zoon Sijer Cornelisz. en voor de andere helft de voor- en nakinderen van haar zoon Maerten Cornelisz, op voorwaarde dat diens voorzonen, m.n. Cornelis en Corstiaen Maertensz., verwekt bij Heijltgen Corsdr., zijn eerste vrouw, uit hun helft vooraf elk een bedrag van 250 gl. zullen ontvangen. Voorts wenst testatrice, dat bij vooroverlijden van haar zoon Sijer Cornelisz. diens huidige vrouw Susanna Senten het vruchtgebruik genieten zal van de goederen, die haar kinderen van testarice zullen erven, hetzij tot het moment, waarop zij gaat hertrouwen of anders haar leven lang. Zij tekent met een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 68, f. 134) e.v. . Extract van dit testament ingeschreven in het weesboek op 11 april 1644. (Weeskamer Dordrecht inv. 21, f. 21v)

Kinderen:

a. Nielken, gedoopt NG Dordrecht 3 april 1581, jong overleden

b. Merten Cornelisz., gedoopt NG Dordrecht juni 1587 (= kwartier 84)

c. Sijer Cornelisz., geboren ca. 1589, trouwde Susanna Senten

d. Ariaen, gedoopt NG Dordrecht juli 1591, jong overleden

170. Cors (Kerstiaen)Claesz., geboren ca. 1560, schippersgezel van Dordrecht (1582), kapitein van de “gemenelands legersloepen”, deken van het Grootschippersgilde te Dordrecht (1615),woonde op het Nieuwe Werk bij de Blauwpoort [thans Nieuwe Haven nr. 48],overleden ca. 1635, trouwde 2e NG Dordrecht 7 jan. 1603 Marijcken Sijer Adriaensdr. (=kwartier 169),trouwde NG Dordrecht 11 nov./ 9 dec. 1582 (getr. door Christian van den Wouwer [predikant NG gemeente te Dordrecht 1582-1584])

171. Machtelt Job Matheusdr., geboren naar schatting ca. 1560, van Dordrecht (1582), overleden ca. 1602

– 9 sept. 1587: verklaring op verzoek van Quirina en Anna Rommers, kaaskoopsters te Dordrecht, door Adriaen Cornelisz., ongeveer 26 jaar oud en Cors Claesz., ongeveer 32 jaar oud, beiden burgers van Dordrecht. Zij verklaren, dat zij op 1 sept. 1587 te Dordrecht uit het schip van Jan Pietersz. gelost hebben 38 vaten boter en 317 stuks zoetemelkse kaas, die zij gebracht hebben onder het huis van Cornelis Pietersz. van Schaerlacken, alwaar de rekwiranten een winkel “ofte kelder van caes ende boter zijn houdende.” (ORA Dordrecht inv. 739, f. 235)

– 28 jan. 1592: comp. voor schepenen van Dordrecht Daniël Thomasz., 33 jaar oud, Adriaen Joesten, 26 jaar oud, Cornelis Joesten, 22 jaar oud en Willem Willemsz., 29 jaar oud. Zij verklaren op verzoek van Cors Claesz., dat zij op vrijdag, acht dagen tevoren, omtrent 7 uur in de avond, gezien hebben, dat de rekwirant zijn huis binnenging “sonder dat zijluijden hem daer wederomme vuijt hebben sien coemen.” Comp. mede Jobgen Henricx en Stijnken Thomasdr., Jobgens 13 jaar oude dochter, die verklaren, dat Jobgen op genoemde datum en tijd haar dochter naar het huis Cors Claesz. heeft gestuurd om naar haar vader te vragen en dat Stijnken later tegen haar moeder heeft gezegd, dat Cors toen al naar bed was. (ORA Dordrecht inv. 742, f. 2)

– 1594 (verponding Dordrecht): Cors Claesz. huurt een huis van Lau Schots in de “achterstraat beginnende aan de vest op de Riedijk” (huurwaarde 30 gl.)en betaalt daarvoor 9 gl. 7 st. en6 penn., belenders: Cornelis Ariaensz. koopman (huurt van Lau Schots) en Aert Jansz. schipper (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 108)

– 24 april 1602: Corstiaen Claesz. schipper, ongeveer 40 jaar oud, legt een verklaring af op verzoek van Claes Jansz., schipper en burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 899)

– 26 jan. 1606: Aert Jansz. van Nes beenhakker, burger van Dordrecht, verkoopt aan Cors Nicolaesz., schipper en burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis van Gillis Pietersz. huistimmerman en het erf van Dirck Henricxsz. hordenmaker. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 1412 gl. Borgen voor koper: Jan Maertensz. kuiper, Jacob Lambrechtsz. schipper en Cornelis Willemsz. Braet. (ORA Dordrecht inv. 1584 (nieuw), f. 118).Cors Claesz. wordt als eigenaar van dit huis in de verpondingen van 1608 en 1619 aangeslagen voor 6 ponden. (Werkgroep Het Nieuwe Werck, Nieuwehaven 48. De bewoningsgeschiedenis van het huis Nieuwehaven 48 te Dordrecht [Dordrecht 2007])

Het pand Nieuwehaven 48 in april 2008.

– 1622: Cors Claesz. op het Nieuwe Werk, met zijn vrouw en één kind, betaalt 5 ponden in het hoofdgeld (www.regiodiep.nl)

– 1626: Cors Claesz. Capiteijn, wonende op de kade bij de Blauwpoort,wordt aangeslagen voor een vermogen van 4000 gl. (1000e penning Dordrecht, f. 16)

– 16 mrt. 1634: Corstiaen Claesz., kapitein van de “gemenelands legersloepen” en zijn vrouw Marijken Sieren benoemen tot voogden over hun minderjarige erfgenamen zijn schoonzoons Daniël Pietersz., Jacob Dircxsz. en Maerten Cornelisz. (ONA Dordrecht inv. 58, f. 336v)

– 31 juli 1634: Corstiaen Claesz., kapitein van de “gemenelands legersloepen”, ziek te bed liggende, benoemt tot erfgenamen in vier staken zijn kinderen en kleinkinderen, m.n. Adriaentgen Corsdr., Neeltgen Corsdr., de weeskinderen van zijn overleden dochter Heijltgen Corsdr., bij haar verwekt door Maerten Cornelisz. en de twee nagelaten kinderen van zijn overleden zoon Claes Corsz., door hem verwekt bij Anneken Pietersdr. Hij benoemt tot voogden zijn schoonzoons Daniël Pietersz. en Jacob Dircxsz. (ONA Dordrecht inv. 58, f. 480v e.v.)

Het Nieuwe Werk (met deBlauwpoort, ten oosten daarvan de Nieuwe Haven en ten noorden daarvan de Hoge Nieuwstraat)op de kaart van Blaeu uit ca. 1645. Het huis van Cors Claesz.was het vierde huis aan de Nieuwe Haven, gerekend vanaf de Blauwpoort.

-14 febr. 1635: boedelscheiding tussen Marijken Sieren, weduwe van Corstiaen Claesz., kapitein van de “gemenelands legersloepen”, geassisteerd met Maerten Cornelisz., haar voorzoon, enerzijdsen Daniël Pietersz. bakenmeester, als man van Adriaentgen Corsdr., Jacob Dircksz. huistimmerman, als man van Neeltgen Corsdr., voor zichzelf en als voogden van de nagelaten weeskinderen van Claes Corsz., mitsgaders Cornelis Maertensz., luitenant van de “gemenelands legersloepen”, voor zichzelf en vervangende zijn nog onmondige broer Corstiaen Maertensz., beiden kinderen van Heijltgen Corsdr., bij haar verwekt door Maerten Cornelisz. Verbrouck, anderzijds. De weduwe is toebedeeld het huis, waarin Corstiaen Claesz. is overleden, staande aan de Nieuwe Haven omtrent de Blauwpoort tussen het huis van de weduwe van Gerrit Cornelisz. Loenen en het huis van de weduwe van Frans Maertensz. hordenmaker, waartegen de overige erfgenamen (in vier staken)zijn aanbedeeld andere effecten uit de nalatenschap, zowel ingoederen als in geld.(ONA Dordrecht inv. 58, f. 616v e.v.)

Kinderen (ex 1):

a. Heijlken Corsdr., gedoopt NG Dordrecht 18 dec. 1583 (= kwartier 85)

b. Claes Corsz., gedoopt NG Dordrecht 1 dec. 1586, trouwde Anneken Pietersdr.

– 16 okt. 1617: Claes Corsz. schipper, als man van Anneken Pietersdr. en tevens als procuratie hebbende van Aeltken Pietersdr. en Machtelt Pietersdr., de zusters van zijn vrouw, verkoopt voor 900 gl.aan Cornelis Adriaensz. de Veer een huis in de Heer Mathijsstraat [Kolfstraat], staande tussen het huis van Frans Geemans bakker en dat van Michiel Jansz. linnenwever. Koper kent schuldig aan verkoper een bedrag van 700 gl. Borgen: Jan Aertsz. hovenier en Balthen Willemsz. [de Best] schrijnwerker. (ORA Dordrecht inv. 758, f. 92)

c. Adriaentgen Corsdr., geboren naar schatting ca. 1590,trouwde ca. 1612Daniël Pietersz. bakenmeester

d. Neeltgen Corsdr., trouwde Jacob Dircksz. huistimmerman

e. NN, gedoopt NG Dordrecht 1 april 1599

172. Bastiaen Woutersz., geboren naar schatting ca. 1557, schipper, overleden Dordrecht 14 dec. 1637 (overlijdensregister Doopsgezinden), trouwde naar schatting ca. 1580

173. Neelge Leenaertsdr., overleden Dordrecht 2 dec. 1637 (overlijdensregister Doopsgezinden)

– 1594 (verponding Dordrecht): Bastiaen Woutersz. schipper huurt van Ariaentgen Waelen een huis aan de kade “naer Sint Joost toe” en betaalt daarvoorin de verponding 6 ponden 5 sch. Belenders: Goris de Smith (huurt van Jan Pietersz. van de Burch) en Cornelis Thonisz. brouwersknecht (huurt van Ariaentgen Waelen) (Stadsarchief Dordrecht inv. 3965, f. 38v)

– 1619 (verponding Dordrecht): Bastiaen Woutersz. schipper betaalt voor zijn huis aan de kade bij de Blauwpoort 6 ponden 6 sch. Belenders: Davidt van Oudenaerden en Thielman Corstiaensz. (Stadsarchief Dordrecht inv. 3968, f. 44)

– 18 april 1626: testament van Bastiaen Woutersz. schipper en Neeltgen Leenaertsdr., burgers van Dordrecht, beiden gaande en staande in “tamelijke gezondheid”. Zij bevestigen hun eerdere testament gepasseerd voor notaris Adam Schepper Adamsz. op 15 mrt. 1603. (De protocollen van deze notariszijn niet bewaard gebleven.) Zijbepalen dat hun kinderen of bij vooroverlijden hun kindskinderen nade doodvan de langstlevende van hentestateurendiens nagelaten goederen zullen erven,ingelijke porties en zonder dat er rekening wordt gehouden met het feit, of één van die kinderen bij het leven van comparanten, wanneer hij of zij ging trouwen of eerder dan wel later,meer heeft gekregen dan de anderen. Degene, die tegen laatstgenoemde bepaling bezwaarzal maken, zal alleen recht hebben op de legitieme portie. Testateuren wensen dat het “superplus” daarvan zal komen aan de Armen, voor de ene helft aan de Nederduits Gereformeerde Armen en de andere helft de Armen van “haeren comparanten gezindtheijt.” (Zij waren Doopsgezind, zoals blijkt uit hun resp. inschrijvingen in het overlijdensregister van die gemeente [zie hierboven].) Getuigen: notaris Paulus Eelbo en Abraham Biben de Jonge. (ONA Dordrecht inv. 55, f. 410 e.v.)

– 16 jan. 1627: verklaring op verzoek van Cornelis Fransz. Kaijer, schipper van een schip van 26 lasten, Thielman Fransz., voerende een schuit van 12 lasten, Cornelis Claesz. de Vois, voerende een schuit van 12 lasten en Willem Jacobsz. Keijser, voerende een schip van 16 lasten, allen schippersen burgers van Dordrecht,door Bastiaen Woutersz., ongeveer 70 jaar oud, Wouter Theunisz., ca. 66 jaar, Jan Wiertsen, ca. 60 jaar, Adriaen Cornelisz. Koopman. 41 jaar oud en Willem Bartholomeusz., 40 jaar oud, allen schippers en burgers van Dordrecht. Deposanten verklaren, dat rekwiranten en zijzelf met hun schepen en schuiten op 17 juli 1626 te Dordrecht door decommies Thomas van de Honaert “gearresteerd” zijn ten dienste van den lande enhun schepen geladenhebben met soldaten, dat zij gezamenlijk zijn gevaren tot aan “de veertien peppels” boven ‘s-Gravenwaert, waar zij de soldaten gelost hebben, dat zij vervolgens zijn gevaren naar Emmerich “alwaer alle de ledige schepen waeren bescheijden” en datzijn daar drie weken lang in ’s lands dienst met hun schepenzijn geweest opbevel van de commissarisAlewijn. Daarna zijn zij gevaren naar Schenckenschans, waar zij opnieuw soldaten hebben ingeladen, die zij hebben overgebracht naar Bergen op Zoom en ook enkele soldaten voor Kieldrecht en vervolgens naar “de veertien peppels” om hendaar af te zetten.Tenslottehebben zij hunschepen weer naar Emmerich moeten brengen om “haerlieder bescheid aldaer te bekomen”.(ONA Dordrecht inv. 56, f. 1 e.v.)

– 17 mrt. 1628: Bastiaen Woutersz. is getuige bij het huwelijk van zijn zoon Leendert Bastiaensz. [van de Roer] met Sibilla Verbeeck (zie Doopsgezinde huwelijken Dordrecht op deze website).

– 8 nov. 1629: Bastiaen Woutersz. getuige bij het huwelijk van zijn kleinzoon Gerrit Corstiaensz. met Luijtken Dierxdr. (Zie Doopsgezinde huwelijken Dordrecht op deze website)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Wouter Bastiaensz., geboren ca. 1582 (= kwartier 86)

b.Maike Bastiaensdr.geboren naar schatting ca. 1583, trouwde ca. 1603 Corstiaen Geritsz.

Kinderen:

b-1. Gerrit Corstiaensz., gedoopt NG Dordrecht juli 1603, trouwde Gerecht Dordrecht 8 nov. 1629 [Doopsgezind]Luijtgen Dierxdr.

b-2. Bastiaen Corstiaensz. Visscher, in 1641 getuige bij het huwelijk van zijn neef Jan Leendertsz. van de Roer.

b-3. Catharina Corstiaensdr., gedoopt NG Dordrecht juli 1607

c. Leendert Bastiaensz. (van de Roer), geboren naar schatting ca. 1590, overleden 3 nov. 1655 (verdronken “bij de Plaet” [= Ooltgensplaat ?], zie overlijdensregister Doopsgezinde gemeente Dordrecht), trouwde 1e Gerecht Dordrecht 21 april 1616 Lijsbeth Jansdr., dochter van Jan Jacobsz. Cotermans en Tanneke Carels, 2e Gerecht Dordrecht 17 mrt. 1628 Sibilla Verbeeck, laatst weduwe van Henrick Terwe (zie Doopsgezind huwelijks- en overlijdensregister Dordrecht op deze website)

Kinderen (ex 1):

c-1. Bastiaen Leendertsz. van de Roer, trouwde Gerecht Dordrecht [Doopsgezind] 14/30 nov. 1641 Agatha Terwe, dochter van Henrick Terwe en Sebilla Verbeeck

c-2. Jan Leendertsz. van de Roer, passementwerker, trouwde Gerecht Dordrecht [Doopsgezind] 27 dec. 1641/11 jan. 1642 Machtelt Dirxdr., jonge dochter van Utrecht (1641)

174. Theunis Theunisz.

334. Godtschalck Lenertsz., trouwde

335. Belijcke Willemsdr. (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 211)

336. Maerten Hendricksz., klapper, kleermaker te Dordrecht, overleden vóór 9 febr. 1575, trouwde

337. Lijsge Jans, overleden na 28 nov. 1598 (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 211)

338. Sijer Adriaensz,geboren ca. 1534, schipper, officier op een oorlogsschip (1576), trouwde naar schatting ca. 1555

339. Cornelia Adriaensdr., overleden vóór 30 okt. 1579

– 2 mei 1552: Maes Adriaensz. schipper verkoopt aan Sijer Adriaensz. een huis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Ariaen ’t Jong timmerman en dat van Jan de Wever. Koper kent schuldig aan verkoper een bedrag van 32ponden 10 sch. Borg voor Sijer Adriaensz.: Cornelis Adriaensz. van Sliedrecht. (ORA Dordrecht inv. 721, f. 122)

– 22 aug. 1568: Sier Adriaensz., schipper en burger van Dordrecht, verklaart, dat hij niet ondertekend heeft zekere obligatie, die door Gerrit Woutersz. voor het gerecht van Antwerpen is geëxhibeerd. (ORA Dordrecht inv. 726, f. 116v)

– 31 mei 1570: verklaring op verzoek van Lambert Cornelisz., schuitenaar te Dordrecht, door Sier Adriaensz. schipper, ongeveer 36 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 709, akte 210)

– 18 juni 1575: boedelscheiding tussen Grietge Zieren, weduwe van Daen Govertsz. enerzijds en Willem Govertsz. en Pieter Govertsz., als ooms en voogden van Govert Daniëlsz., onmondig weeskind van Daen Govertsz.,verwekt bij Grietgen Sieren, anderzijds. Voor de nakoming van deze overeenkomst stellen zich borg Sier Adriaensz en Cornelis Ariensz., resp. grootvader en oom van het weeskind. (ORA Dordrecht inv. 731, f. 219)

– 8 febr. 1576: verklaring op verzoek van Wouter Cornelisz. de Bouffkens door Sier Adriaensz., ongeveer 40 jaar oud, Thoenis Willemsz., 43 jaar,Willem Pietersz., 37 jaar, Pieter Pauwelsz., 30 jaar en Pieter Stevensz., 23 jaar, allen schippers wonende te Dordrecht en officieren en bootsgezellen op het oorlogsschip van de rekwirant. Zij verklaren, dat zij in de aanvang van september 1576 gezien hebben, dat op het voornoemde schip is gekomen Jan van Nijeuwenburch, “admiraal van de zoete en binnenlandse wateren”, die zei: “mijn schip is opte meeren gevaeren ende in dit schip (denoterende tschip van de requirant voirnoemt) wil ick mijn logement houden ende daervan maecken den Admirael”. Deposanten verklaren voorts, dat 5 of 6 dagen daarna in hetzelfde schip, waarin de admiraal toen nog aanwezig was,gekomen is een zekere Sijmon, die zei baljuw van Nieuwpoort te zijn geweest en nu luitenant van de admiraal, dat de admiraal Sijmon “ghesonden heeft op de meeren inden schepedaer hij te voeren op gheweest was, omme aldair te haelen een bedde met een trompette”, dat de admiraal toen heeft gezegd: “ick zal een vlagghe doen maecken opten mast van de schepe [van de rekwirant] …ten eijnde dat men mach zien, dat het den Admirael es” en dat de rekwirant niets gedaan heeft dan met toestemming van de admiraalof zijn luitenant. Tenslotte getuigen zij, dat de admiraal en zijn luitenant het schip zijn op- en afgegaan en met hem gegeten hebben, zoals een kapitein en luitenant toebehoort. (ORA Dordrecht inv. 710, f. 335 e.v.)

– 6 aug. 1576: Cornelis Joosten Doot en Sier Adriaensz. stellen zich borg voor Henrick Jansz. lijndraaier, die tot eerstkomende St. Maarten aan Cicilia Lambertsdr., weduwe van Arien Cornelisz.,wonende te Londen, een bedrag van 20 gl. moet betalen. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 164)

– 30 okt. 1579: boedelscheiding tussen Sier Adriaensz. schipper, weduwnaar van Cornelia Adriaensdr. enerzijds, en Jacob Lambertsz. schipper, als man van Elisabeth Adriaensdr., vervangende Griet Sieren, weduwe van Jacob Florisz., en Marijken Sieren, als erfgenamen van Cornelia Adriaensdr., hun moeder zaliger, anderzijds. Sier Adriaensz. zal de goederen, die hij in gemeenschappelijk bezit met Cornelia Adriaensdr. heeft gehad, inclusief een schip en een huis, behouden. De kinderen krijgen een bedrag van 42 Vlaamse ponden, te betalen in termijnen, alsmede twee koperen kandelaars, die zij zullen ontvangen na Siers overlijden, en drie platelen, die Jacob Lambertsz. reeds van Sier in ontvangst heeft genomen. Sier stelt als borg een huis in het Nieuwkerkstorenstraatje, staande tussen het huis van Adriaen Govertsz. Mosienbrouck en dat van Servaes Schilders lakenkoper. (ORA Dordrecht inv. 713, f. 229 e.v.)

– 28 juni 1584: Sier Adriaensz. schipper is schuldig aan de Vaders van het Oudemannenhuis een bedrag van 13 ponden 10 sch. groten Vlaams “ter cause vande penningen bij hem belooft voor zijn onderhout” in het Oudemannenhuis te Dordrecht, te betalen alle jaren op Pinksterdag 27 Rijnse guldens, daarvoor verbindende zijn huis in het Torenstraatje van de Nieuwkerk, staande tussen het huis van Adriaen Govertsz. Mosienbrouck en dat van de weduwe van Servaes Schilder. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 571)

– 3 juli 1584: Sier Adriaensz. schipper verkoopt aan Jacob Lambertsz. schipper een huis in het Torenstraatje, staande tussen het huis van Adriaen Govertsz. Mosienbrouck en dat van de weduwe en erfgenamen van Servaes Schilder. Waarborg: Quirijn Henricxsz. schipper. Koper is schuldig aan verkoper een bedrag van 428 gl. Borgen: Claes Adriaensz., Cornelis Adriaensz., Willem Adriaensz. en Sijmon Willemsz. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 579)

– 26 aug. 1586: op verzoek van de dochters van Adriaen Govertsz. Mosienbrouck verklaren Pieter Lenertsz., ongeveer 60 jaar oud en zijn vrouw Heijltgen Cornelisdr., 53 jaar oud, dat zij ongeveer 22 jaar hebben gewoond in het huis van de rekwiranten, staande naast het huis, dat nu toebehoort aan Jacob Lambertsz. schipper, hetwelk Sier Aeriensz. eertijds van de vader van de rekwiranten heeft gekocht.De deposanten hebben in het huis gewoond14 jaar vóór Sier het heeft gekocht en 7 jaar daarna. (ORA Dordrecht inv. 717, f. 43v e.v.)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Lijsken Sieren, geboren naar schatting ca. 1555,”van Dordrecht” (1575)trouwde NG Dordrecht april 1575 Jacob Lambrechtsz., “van Dordrecht” (1575), schipper

b. Grietgen Sieren, trouwde 1e Daan Govertsz., 2e Jacob Florisz.

c. Maricken Sier Adriaensdr., geboren naar schatting ca. 1560(= kwartier 169)

342. Job (Jop) Matheusz., geboren naar schatting ca. 1530, schipper, overleden vóór 1594, trouwde (2e ?)naar schatting ca. 1570 Hermken Flueris, geboren naar schatting ca. 1550, van Dordrecht, weduwe van Job Matheusz. schipper (1595), trouwde 2e NG Dordrecht 16 juli 1595 (otr., getr. door Abraham Servatius op 20 aug. 1595) Carel Seraer, droogscheerder “van der Elm” [?] in Schotland (1595), trouwde 1e (?)

343. NN

– 1594 (verponding Dordrecht): de weduwe van Jop Matheusz. bezit een huis in de Torenstraat en betaalt daarvoor 2 ponden [= 12 gl.]. (ontvangen op 12 mrt. 1596), belenders: Diever Govertsz. schipper en Cornelis Mijnheer schuitenaar(Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 116)

670. Willem Mattheeus, overleden vóór 29 mrt. 1576, trouwde

671. Maetge Cornelisdr., overleden vóór 29 mrt. 1576 (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 212)

[676 vervalt wegens de inhoud van de onderstaande akte uit 1602]. Adriaen Sieren, schipper te Dordrecht, overledentussen 18 juli 1571 en 8 okt. 1579, trouwde Anna Jansdr.

– 21 mei 1602: mr. Adriaen van Moesijenbrouck, licentiaat in de rechten, als erfgenaam van Adriaentken Adriaensdr., Jan Geeritsz. schipper namens zijn moeder Adriaentken Joppen, weduwe van Govert [sic] Jansz., Sijer Damisz., voor zichzelf en namens zijn mede-erfgenamen, Cornelis Quirijnen, voor zichzelf en namens zijn mede-erfgenamen, Pieter Sijmonsz., als man van Neeltken Fransdr., Cornelis Claesz. mede als man van Janneken Cornelisdr. Verdoes, Marijken Cornelis, weduwe van Lenaert Jansz., geassisteerd met Frederick Diricxsz., dezelfde Fredrick Diricxsz., als man van Bastiaentgen Goverts, en Thomas Damisz. voor zichzelf en namens zijn mede-erfgenamen, allen erfgenamen van Adriaen Sijeren en Anna Jansdr., alsmede Walraven Henricx, Henrick Henricx, Pieter Quijrijnen, namens Jan Adriaensz. te Delfshaven, Job Cornelisz. voor zichzelf en namens zijn zusters Geertruij en Pieterken Cornelisdr. en Cornelis Cornelisz. voor zichzelf, allen erfgenamen ab intestato van moederszijde van Hubrecht Zieren, verkopen voor 3750 gl. aan Jan Thonisz. hovenier een tuin met twee huizen en een klein zomerhuis in de Mariënbornstraat aan de stadsvest, genaamd “Scherpenlucht”, staande tussen het Heilige-Geesthuis ter Nieuwer Kerk en ’s herenstraat, zoals dat laatst eigendom is geweest Adriaentken Ariaens en Huijbert Sijeren en gekocht is van Adriaen Jansz. Tjong en Jacob Muijs. (ORA Dordrecht inv. 1582, f. 118v)

– 7 sept. 1543: Wisse Jansz. huistimmerman verkoopt Arien Zieren schipper een huis op de Riedijk “opden Merwen zijde”, staande tussen het huis van Jacop Pietersz. en dat van Wouter Jansz. De koper is schuldig aan verkoper54 Vlaamse ponden. Borg: Cornelis Jan Hermansz. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 88)

– 22 nov. 1549: Adriaen Sieren schipper verkoopt Saras van Slingelant een huisop de Riedijk, staande tussen het huis van Wouter van Dort en dat van Simon van Cappel. Koper kent schuldig 409 gl. Borgen: Cornelis Zijmonsz. Hertman en Aert Pietersz. bierdrager. (ORA Dordrecht inv. 696, f. 8)

– 6 okt. 1552: Edmont Mathijsz. verkoopt aan Adriaen Zieren schipper een huis, staande achter “Vlaenderen” op het Bijsterveld [Doelstraat] tussen het huis van Marige Corssen en dat van Annege, weduwe van Wouter Scil. Koper is schuldig aan verkoper 9 ponden 10 schellingen groten Vlaams. (ORADordrecht inv. 698, f. 130)

– 26 nov. 1552: Adriaen Zieren schipper verkoopt aan Pieter Michielsz. schipper een huis achter in de Heer Heymanssuysstraat, staande tussen het huis van Adriaen Jansz. vaatspoelder en het huis van Heijn de sledenaar. Borg: Wisse Jansz. Koper is schuldig aan verkoper 29 ponden 13 schellingen 4 deniers groten Vlaams. Borg: Aert Jansz. vleeshouwer. (ORA Dordrecht inv. 698, f. 131v)

– 3 sept. 1558: verklaring op verzoek van Anna Jansdr., vrouw van Adriaen Zijeren schipper, door Herber Adriaensz. zeilmaker, 27 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 701, f. 1)

– 18 nov. 1564: verklaring door Adriaen Zieren uit naam van Zier Adriaensz. schipper, zijn zoon, die het schip “de Vier Heemskinderen” bevaart. (Gens Nostra 1992, nr. 4/5, p. 212)

– 27 mrt. 1566: Adriaen Sieren,schipper en burger van Dordrecht, stelt zich borg voor Govert Jansz., schipper en poorter van Antwerpen. Govert Jansz. is getrouwd met Grietken Jansdr. (ORA Dordrecht inv. 705, akte 267)

– 18 juli 1571: op verzoek van Adriaen Sieren verklaart Marijchien Pietersdr., vrouw van Willem Jan Claesz., waardin in “den Berendansche”, ongeveer 36 jaar oud, datop woensdaglaatstleden bij haar in huis geweest zijn de rekwirant en Dirck Coolmeter, “schipper van boven”, en dat Adriaen Sieren aan Dirck Coolmeter, namens zijn zuster, die daar ook aanwezig was, verkocht heeft “zeeckere drie hondert zouts [sic] elck hondert twee karol. gl. meer dan eenen Adriaen Jansz. schipper [van Dordrecht] zijn sout om gereet gelt vercoft hadde”. (ORA Dordrecht inv. 728, akte 760)

– 8 okt. 1579: Adriaen Jansz. lakenkoper, raad in wette te Dordrecht, als oom en voogd van Adriaen Jansz. Tjong, weeskind van Jan Cornelisz. Tjong, verwekt bij Anna Jansdr., zijn zuster zaliger, verkoopt aan Anna Jansdr., weduwe van Adriaen Zijeren, een huis met een klein huisje daarnaast op de Vest, genaamd “Scerpelinck”, staande tussen het Heilige-Geesthuis van de Nieuwkerk en de tuin van de erfgenamen van Pieter Jacobsz. Muijs. Waarborg: Cornelis Jacobsz. boochmaker. De koopster is schuldig aan verkoper een bedrag van 650 gl. Borgen: Pieter Simonsz. korenkoper en Aert Cornelisz. van Gesel.(ORA Dordrecht inv. 735, f. 150v)

– 4 juni 1580: Anna Jansdr., weduwe van Adriaen Zieren, transporteert aan Haesgen Philipsdr., weduwe van [naam niet vermeld] een rentebrief van 2 ponden Vlaams jaarlijks. (ORA Dordrecht inv. 735, f. 275)

– 20 juni 1580: Anna Jansdr., weduwe van Adriaen Sieren, verkoopt aan Adriaentgen Adriaensdr., een jaarlijkse losrente van 3 gl., verzekerd op een huis in het straatje genaamd Bijsterveld [Doelstraat] omtrent het Steegoversloot, staande tussen het huis van Anneken Meijnerts en dat van de erfgenamen van Marijcken Corssen. (ORA Dordrecht inv. 735, f. 303)