ORA Dordrecht 1578-1586

Een selectie uit ORA Dordrecht inv. 715, 716, 717, 734, 736, 737 en 738 (oud), 1570,1571 (nieuw)

6 sept. 1578: verklaring op verzoek van Jan Jansz. Fiot door Pieter Michielsz. Bemmel metselaar, ongeveer 54 jaar oud enRoocxgen Jacobsdr., ongeveer 47 jaar oud, Bastiaentgen Lenaertsdr., vrouw van Wouter Jansz. schiptimmerman, 46 jaar oud, Neeltgen Fransdr., ongeveer 47 jaar oud en Henricxgen Robbrechtsdr., ongeveer 27 jaar oud, allen uitdraagsters te Dordrecht. (735, f. 120v)

10 nov. 1578: boedelscheiding van de goederen nagelaten door Jan Corssen, Aerjaentgen Corssen en Lijsgen Corssen tussen Cors Jansz., weduwnaar van Neeltgen Woutersdr., enerzijds en Wouter Corssen, 18 jaar oud, geassisteerd met Aert Woutersz. en Gerit Woutersz., zijn ooms, anderzijds. (735, f. 162 e.v.)

14 nov. 1578: Jacques Coninx en zijn vrouw, Heijltke Prince, beiden van Antwerpen, verlenen procuratie aan Reijnier Anbel, bombazijnwerker te Antwerpen, om te verkopen hun aandeel in een huis, genaamd “de Simme”, staande te Antwerpen in de Doornickstraat, welk huis Heiltke is aangekomen bij overlijden van Catelina Vermast, haar oudtante van vaderszijde. (1570, f. 165v)

22 dec. 1578: Clara van Alblas, weduwe van Hans Slootkens, is schuldig aan Siond Lus, tafelhouder te Dordrecht, 502 gl. wegens koop van een huis in de Voorstraat aan de havenzijde tussen Pelser- en Lombardbrug, staande tussen erfgenamen Cornelis Corssen en erfgenamen Jacob Adriaensz. brouwer. Borg: Belijcken Cools Adriaensdr., weduwe Caerle van Eijnde. (1571, f. 2)

23 dec. 1578: Cornelis Frans Wittesz., oudraad in wette van Dordrecht, transporteert aan Hugo Cool, als oom en voogd van de vier weeskinderen van wijlen Clara Cool Huijgensdr., verwekt door Thomas Grameij, rentebrief van 9 gl. jaarlijks, verleden door Jacob Claesz., waard in de Groote Bijlen (1571, f. 2v)

23 dec. 1578: scheiding van de goederen, nagelaten door Willem Wijten en Lijntgen Ariensdr., doorAdriaen Willemsz. korenmeter enerzijds en Adriaen Willemsz. Bouff zakkendrager,als man van Fijchen Willemsdr., anderzijds. Adriaen Willemsz. Bouff is aanbedeeld een huis in de Kolfstraat, staande tussen de weduwe van Lenert de wever en Brechgen Ariens. Voorwaarde is dat hijeen aantalschulden ten laste van de boedel aflost, t.w. aan Jan Dircxsz. korenkoper3 gl., Oth Willemsz. waard in het Fonteijnken 20 sch., Jaepgen Stevensdr. 5 sch. 3 d., Lijsbet Damasdr. van Caes 15 sch., Claes Jansz. Kruidenier 4 gl. 10 st., ofwel samen 9 gl. 10 sch. 3 d. Adriaen Willemsz. korenmeter komt toe een somma van 41 gl. wegens verkochte inboedel en een bedrag van20 gl.,zijnde zijn portie in het voorn. huis (1571, f. 2v e.v.)

24 dec. 1578: Ploen Thonisz. is borg voor Hesselaer van Weert voor zeker bedrag, welke Hessel [sic] schuldig is aan Pieter van Antwerpen (1571, f. 3)

29 dec. 1578: Jan Adriaensz. schrijnwerker, burger van Dordrecht, als man van Geertgen Wemmersdr., verleent procuratie ad lites aan mr. Geerard Michaelis, procureur voor het Hof van Holland, en mr. Henrick Cesarijs, advocaat in het Hof van Holland (1571, f. 3v)

29 dec. 1578: Lenert van Dort Woutersz., zoon van wijlen Wouter van Dort, transporteert aan Thijs Jacobsz. kuiper rentebrief van 3 gl. jaarlijks, verleden door Adriaen Cornelisz. de schipper enzijn, Lenerts,vader aangekomen door overlijden van heer Jacob Jansz. (1571, f. 3v)

30 dec. 1578: Gillis Henricxsz. schoenmaker verkoopt Joost Cornelisz. huistimmerman een jaarlijkse losrente van 6 gl. op een huis in het Steegoversloot, staande tussen Pieter Adriaensz. Block en ’s herenstraat. (1571, f. 9v)

30 dec. 1578: Maria Ophogen en Cristina Ophogen, dochters van wijlen Goutier Ophoegen, en Elijsabeth Pels, 33 of 34 jaar oud, verlenen procuratie aan hun broer Henrick Ophoegen en hun zwager Hans Rensdorp, als aanvulling op de procuratie aan hen beiden verleend op 24 okt. 1578 ten overstaan van Franchois Guilliemli de Buijlere te Dordrecht, aangaande de geschillen, die zij benevens hun broers en zusters, kinderen en erfgenamen van Gautier Ophogen, en Elijsabeth Pels, hebben met Joost van de Steene c.s., kinderen enkindskinderen van wijlen Joos van de Steene de oude en Marie van de Vennis, “nopende de compagnie” tussen Joos de Oude en Goutier Ophogen. (1571, f. 9v)

1 jan. 1579: Lisken Willemsdr., geboren te Tiel, dienstmaagd van Jan Willemsz. hordenmaker, wonende te Dordrecht, verleent procuratie aan haar broer Jan Willemsz. van Tiel en haar oom Jan Aertsz., wonende te Herwaarden, om in ontvangst te nemen alzulke goederen, die haar zijn aanbestorven bij overlijden van haar moeder Janneken Jansdr., die is overleden in Rotterdam en echtgenotewas van wijlen Willem Aertsz. Bouman, wonende te Tiel, alsmede de goederen, die zij heeft geërfd van haar ongehuwde broer Aert Willemsz. die is overleden te Gorinchem. (1571, f. 10v)

5 jan. 1579: op verzoek van Gillis Masion, burger van Luik, verklaren Vullinck Pietersz., waard in “Nemegen” te Dordrecht, ongeveer 54 jaar oud, en Henrick Zwarthammel van Nijmegen, ongeveer 54 jaar oud, dat zij de dag tevoren bijeen zijn geweest ten huize van Vullinck Pietersz., waar mede aanwezig waren Ghijs Hermansz. van Elssen alias Lange Gijs en voornoemde Gillis Masion, die aan hen, deposanten, verzochten hen te helpen “accorderen van sekere questiën van coopmanschappen van colen”. Willem de Groot, schipper van Venlo, bevestigt hetgeen de deposanten verklaard hebben. (1571, f. 11)

7 jan. 1579: op verzoek van Daem Jansz. van Meerkerk leggen Neeltge Jobsdr., 44 jaar oud, Aechge Segersdr., vrouw van Balthazar Fransz., ongeveer 39 jaar oud, en Jan Cornelisz. van Alblasserdam, 30 jaar oud. Neeltge Jobsdr. zegt, dat zij op St. Jacob laatstleden aan Lijsge Pietersdr. van Albalsserdam 8 Vlaamse ponden geleend heeft. Jan Cornelisz. verklaart, dat hij als voogd van het weeskind van Jan Pietersz., de broer van Lijsge Pietersdr., erin toegestemd heeft, dat Lijsge de voornoemde 8 Vlaamse ponden zou krijgen en dat zij hem verteld heeft, dat zij dat geld van Neeltge geleend had en het gedeeltelijk heeft uitgegeven “tot bevrijdinge van’t voorsz. weeskints goet”.(1571, f.11)

15 jan. 1579: boedelscheiding tussen Aechge Jansdr., weduwe van Goossen Jansz. korenkoper van Nijmegen, enerzijds, en jonkheer Willem van Suijlen van Nijvelt, schout van Dordrecht, namens Janneken Goossendr, ongeveer 8 jaar oud, Jan Goossensz., ongever 7 jaar oud, en Goossen Goossensz., ongeveer 5 jaar oud, kinderen van Goossen Jansz. en Aechge Jansdr., aangezien de voogden en naaste verwanten van de kinderen, wonende te Nijmegen, niet gecompareerd zijn, anderzijds. De weduwe houdt alle goederen en belooft haar kinderen schadeloos te houden van alle uitschulden van de boedel. Zij zal haar kinderen onderhouden etc. tot zij 18 jaar zijn geworden. Als zij komt te overlijden vóór haar kinderen, zullen de onmondige kinderen uit haar na te laten goederen een bedrag van 50 gl. krijgen. Haar overige goederen zullen dan verdeeld worden tussen haar voorkinderen en [eventuele?] nakinderen. (1571, f. 12v e.v.)

15 jan. 1579: Aeltge Jacobsdr., de vrouw van Jan van Asperen, belooft aan Evert Bogel te betalen een bedrag van 50 gl., welke Bogel tegoed heeft van Janneken Adriaensdr., weduwe van Jan Henricxsz., “als een vreemde vrou van buijten”. Janneken stelt als onderpand zekere “parcheelen van huijsraet” en zes lommerdbriefjes, die berusten onder Evert Bogel. (1571, f. 13)

15 jan. 1579: Marius Cornelisz., inwonende burger van Dordrecht, verleent procuratie aan Job Jansz., deurwaarder en burger van Dordrecht, om te innen een bedrag van 7 Vlaamse ponden, die hij tegoed heeft van Maerten Huijgesz., kuiper wonende te Gouda. (1571, f. 13)

17 jan. 1579: Jan de Leuw wijnkuiper, als man van Lijntgen Huijbertsdr., transporteert aan de weeskinderen van Cornelis Pietersz. een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijkse losrente, verleden door Dirck van Eelt wijnkuiper. (1571, f. 13v)

19 jan. 1579: Jan Pouwelsz., lid van de Oudraad van Dordrecht, verkoopt Anthonis Reijnen schipper een brief van decreet met het daarin vermelde huis en tuin, staande en gelegen in de Heer Heymanshuysstraat tussen het huis van de weduwe en de erfgenamen van Jacob Huijmansz. en dat van de weeskinderen en erfgenamen van Henrick Pesser. (1571, f. 13v e.v.)

20 jan. 1579: Cornelis Heijndricxsz. op Heinenoord belooft bij de eed, die hij heeft afgelegd aan ’s herendienaar Jacob Elbertsz., dat hij aanstaande donderdag wederom in Dordrecht in arrest zal komen “ende Reijer Jacobsz. olislager te recht staen sal”. (1571, f. 26v)

21 jan. 1579: Herman Matthijsz. stelt zich borg voor Adriaen Pietersz., burger te Haarlem, als man van Dievertgen Jacobsdr., voor het recht, dat de erfgenamen van Jasper Waelen pretenderen te hebben op voornoemde Arien Pietersz. wegens wijnen, die geleverd zouden zijn aan [Dievertgens] vader, Jacob Bartholomeusz. Pellicon te Haarlem. (1571, f. 15)

22 jan. 1579: op verzoek van de weduwe van Lazarus Dubois, in zijn leven burger van Dordrecht, verklaren Henrick Ariensz. bosmaker, ongeveer 33 jaar oud, en Herman Matthijsz. in Cranenburch wijnkoper, ongeveer 31 jaar oud, dat zij Lazarus goed gekend hebben en dat hij een burger van Dordrecht was en zich daar altijd “eerlijck en vromelijk” gedragen heeft, zoals het een goed burger betaamt. Blasius Brouwer Arentsz., ongeveer 40 jaar oud, oudraad in wette van Dordrecht,bevestigt hetgeen Henrick en Herman verklaard hebben. (1571, f. 15v)

22 jan. 1579: Herman Matthijsz., wijnkoper en burger van Dordrecht, verleent procuratie ad recipienda debita aan Hans van Beeck, burger van Dordrecht. (1571, f. 15v)

22 jan. 1579: boedelscheiding tussen Lijntge Cornelisdr. van Beaumont, weduwe van Cors Jansz. van Hoorn viskoper, enerzijds, en Jan Corsz. voor zichzelf en tevens vervangende zijn zusters Lijsken Corsdr., 16 jaar oud, en Grietken Corsdr., 13 jaar oud, allen kinderen van Cors Jansz., anderzijds. De weduwe behoudt alle roerende goederen, “die zeer sober zijn”. Jan Corsz. zal haar een bedrag van 16 Vlaamse ponden betalen voor de beterschap van een visstal. Lijntge belooft haar dochters te onderhouden tot hun achttiende jaar. Ter compensatie van de visstal van zijn vader zal Jan Corsz. aan zijn twee zusters elk een bedrag van 6 Vlaamse ponden uitkeren, wanneer zij 18 jaar worden. Borgen voor Jan Corsz.: Cornelis Geeritsz. schoenmaker en Geerit Fransz. schoenmaker. (1571, f. 16 e.v.)

23 jan. 1579: verklaring op verzoek van Arien Foppesz. uit De Lindt door Pieter Woutersz. uit ’t Elshout, ongeveer 53 jaar oud. Hij getuigt, dat Ariens vader, wijlen Fop Adriaensz., toen hij, Fop, “eerst gehijlict was”, verkocht heeft zeker land, dat hij met zijn vrouw, Ploontgen Joosten, “te huwelijck hadde” en daarna weer gekocht heeft wijlen Henrick Jansz. uit ’t Elshout, zijnde de helft van zekere 7 morgen “vlichtlanden”, genaamd “het Helpgat”. Fop heeft volgens Pieter het land wel 20 jaar vóór zijn overlijden gebruikt, beteeld, bebouwd en bewoond. Frans Pietersz., wonende in Lekkerland, ongeveer 52 jaar oud, verklaart, dat Fop Adriaensz. ongeveer 30 jaar geleden bij Henrick Jansz., dietoen nog in Lekkerland woonde, is geweest en toen van hem het voornoemde gekocht heeft, gelegen in de “bosem in Leckerlant” en dat hij, Frans, erbij geweest is, toen Fop naar zijn broer, Pieter Adriaensz., is gegaan “omme hem metten selven te beraden off hij goeden off quaden coop gedaen hadde”. Pieter Adriaensz. heeft toen gezegd: “laet ons gaen bij de kerck ende beraden ons met noom Claes Claesz.”, die toen secretaris van Nieuw-Lekkerkand was. De getuige verklaart voorts, dat Fop aan Wolffert Joostesz., die met hem in één huis woonde, dat hem met Thoontgen [sic] Joosten als huwelijksgoed gegeven was verkocht heeft zeker land en dat hij met de kooppenningen daarvan de 7 morgen “vlichtland” heeft betaald. Claes Claesz., schout van Nieuw-Lekkerland, ongeveer 53 jaar oud, verklaart, dat hij sedert 1555 rentmeester van de heer van Goudriaan is en dat hij al die jaren betaald heeft aan Arien Jansz. Jonchammen en Henrick Jonchammen en zijn nazaten eerst 10 gl. en later12 gl. per jaar voor het opmaken van de dijk van de “vuijtvangens”, liggende op Donckersloot in Lekkerland, waar het Helpgat “mede beswaert was”., maar dat nooit iets daarvan betaald heeft aan Fop Adriaensz. of zijn nazaten. (1571, f. 17 e.v.)

27 jan. 1579: op verzoek vanRutger Henricxsz., schipper uit Brielle, verklaart Jan Willemsz., schipper en burger van Dordrecht, ongeveer 40 jaaroud, dat hij ongeveer eenjaar geleden,namelijkca. 14 dagen voor Kerstmis, te zijnenhuizebijeengekomen zijn Willem Aertsz. Craen, burger van Tiel, en de rekwirant en dat Craen toen van Rutger gekocht heeft 2100 “cabuijscoolen”. (1571, f. 18v)

27 jan. 1579: overeenkomst tussen Jacob Govertsz. namens Arent Cornelisz., ambachtsheer van de Mijl, Dubbeldam etc., enerzijds en Jacob Adriaensz. van Wijngaarden, anderzijds, betreffende de huur van een kooi in het ambacht van Dubbeldam. (1571, f. 18v e.v.)

30 jan. 1579: Pieter Alewijnsz., brouwer en burger van Dordrecht, als voogd van de weeskinderen van wijlen Alewijn Alewijnsz., verleent procuratie aan Willem Lambrechtsz., burger van Breda, om te vorderen een somma van 25 gl., die de kinderen tegoed hebben van Lambrecht Baecken, rentmeester van het land van St. Maartensdijk, zijnde het restant van een bedrag van 65 gl. wegens leverantie van hout door Alewijn aan voornoemde rentmeester, en om “te presenteren aenden voochden vande Grave van Buijren omme te gecrijgen ordonnantie vande selve penningen”. (1571, f. 19)

30 jan. 1579: op verzoek van mr. Joeles of [sic] Thimothe Boudius, kooplieden van Londen, verklaart Adriaen Henricxsz. in de Haring, burger van Dordrecht, ongeveer 35 jaar oud,dat hij als “factoor” van voornoemde kooplieden in juni 1578 ontvangen heeft drie vaten haring, die zijn gekomen uit Engeland en die hij vervolgens naar Antwerpen verzonden heeft met het schip van Anthonis Mout, schipper te Dordrecht. (1571, f. 19v)

30 jan. 1579: Willem Adriaensz. bakker, als man van Baertgen Ewoutsdr., wonende in Peursum, heeft afstand gedaan aan Adriaen Aertsz., burger van Dordrecht, van al hetgeen hem en zijn vrouw is aanbestorven bij overlijden van Lenert Ewoutsz., de broer van zijn vrouw. (1571, f. 19v)

31 jan. 1579: Adriaen Pietersz. van Beaumont transporteert aan Huijch Cool Huijgesz., als oom en voogd van de kinderen van wijlen Clara Cool, een rentebrief van 2 Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door mr. Pieter Claesz. chirurgijn. (1571, f. 20)

2 febr. 1579: Geerit Pluijm Geerlofsz. ’s herendienaar verklaart, dat hij een dag tevoren op verzoek van Jan Dircxsz. int Vliegenthert gearresteerd heeft Cornelis Aren Aertsz., voormalige schout op Giessendam. (1571, f. 20v)

3 febr. 1579: Janneken Jacobsdr., Fijchgen Jacobsdr. en Laurens Jacobsz. schiptimmermansknecht verklaren voldaan en betaald te zijn door Thonis Jansz. pottenbakker, als man van Grietgen Jacbosdr., hun zuster, van al hetgeen zij geërfd hebben van hun ouders, Jacob Laurisz. en Heijltgen Jansdr. (1571, f. 22)

3 febr. 1579: Wouter Cornelisz. zeilmaker stelt zich borg voor Quirijn dircxsz. van Middelburg voor hetgeen Quirijn schuldig is aan Jan Cramer. (1571, f. 30 [sic])

7 febr. 1579: Pieter Pietersz. schipper transporteert aan Adriaen Lambertsz., als voogd over de kinderen van Maerten Jansz. schipper, verwekt bij Neelken Cornelisdr., een schepenenschuldbrief van 220 gl., verleden door Jan Adriaensz. schipper. (1571, f. 22)

10 febr. 1579: op verzoek van Geerit Geerloffsz. Pluijm ’s herendienaar verklaart Jacob Albertsz. alias Clinckert ’s herendienaar, ongeveer 49 jaar oud, dat hij omstreeks Nieuwjaarsdag is gaan wandelen met Dirck Joncbloed naar het huis van schout jonkheer Willem van Nijvelt en dat Dirck toen tegen hem gezegd zou hebben, dat de schout Pluijm, “zijnen outsten dienaer … veel gelooffs gaff maer dat de selve schout daer noch selve mede in last comen zoude”, dat Pluijm een schelm was en een verrader en dat hij de schout zelf nog zou verraden.(1571, f. 23)

11 febr. 1579: Loijcken Adriaensdr., weduwe van Henrick Jan Sijbertsz., transporteert aan Heijltgen Pietersdr., weduwe van Willem van Diemen Ghijsbrechtsz., een rentebrief van 1 Vlaams pond, verleden door Frans Adriaensz. de lantarenmaker. (1571, f. 24)

16 febr. 1579: op verzoek van Lijsbeth Willem de Buijleersdr. verklaren Franchoijs Willemsz., ongeveer 49 jaar oud, en Jacob Claes Ulricxsz., 40 jaar oud, burgers en procureurs te Dordrecht, en Adriaen Frans Waelensz., ongeveer 27 jaar oud, dat zij goede kennis hebben aan de rekwirante en Lijntgen Luijtens Sinte Jacobs, beiden geboortig van Gent, dat Lijsbeth ongeveer 13 of 14 jaar in Dordrecht woont en dat Lijntgen 9 of 10 jaar geleden weer naar Gent vertrokken is. De rekwirante heeft haar oude moeder, die over de 90 jaar oud is, altijd geholpen en heeft haar “groote assistentie tot noch toe gedaen ende helpen onderhouden”. Lijsbeth heeft zich al die jaren onderhouden met het houden van een school. De rekwirante en Lijntgen zijn eertijds religieuzen geweest in het St. Angnietenklooster in Gent. (1571, 25v)

24 febr. 1579: Huijch Cool Huijgesz., als oom en voogd van het weeskind van wijlen Pieter Cool Huijgesz., verleent procuratie ad recipienda debita aan Willem Joosten, burger van Dordrecht. (1571, f. 28)

26 febr. 1579: op verzoek van Niclaes de Molder, Babtista van Lier, Willem Assteijn, allen van Wesel, en Dirck Steck van Emmerich verklaren Cornelis Gerritsz. Slootgen, schipper van Antwerpen, 26 jaar oud, Willem Sontvelt van Rees, ongeveer 52 jaar oud en Barent Steijntgens van Emmerich, 24 jaar oud, dat zij op Vrouwenlichtmis met het schip van Slootgen van Antwerpen uitgevaren zijn om naar Dordrecht te reizen en dat, komende omtrent “Agxer”om 11 uur ’s avonds bijhen aan boord zijn gekomen een zevental rovers, die hen beroofd hebben van hun tassen met geld en hun licentbrieven. Zij verklaren voorts, dat zijde licenten te Antwerpen volledig betaald hebben. (1571, f. 27)

27 febr. 1579: Geerit Jansz., wonende op de Riedijk, stelt zich borg voor Sebastiaen van Warendorp, voor hetgeen Sebastiaen schuldig is aan de weduwe van Henrick Brouwer. (1571, f. 29)

27 febr. 1579: Margarita Jobsdr. van Teijlingen transporteert aan Jan Jansz. schrijnwerker een rentebrief van 1 Vlaams pond, haar aangekomen bij kaveling tussen haar en haar broers en zusters. (1571, f. 29v)

28 febr. 1579: Jan Lenaertsz. uit Molenaarsgraaf verklaart ontvangen te hebben van de Jan de Lange Claesz., ambachtsheer van Molenaarsgraaf, alle kooppenningen van de landerijen en huizen, die hij aan Jan de Lange verkocht heeft, liggende in Molenaarsgraaf en Gijbeland. (1571, f. 53 [sic]

5 mrt. 1579: Janneken Dircxsdr. verklaart volledig voldaan en betaald te zijn door Willem Joosten linnenwever van al hetgeen zij geërfd heeft van haar grootmoeder Alijt van Nes en van haar ouders, Dirck Maertensz en Engelken Jansdr. (1571, f. 30v)

9 mrt. 1579: Cornelis Cornelisz., wonende te Leiden, als man van Maria van Teijlingen, transporeert aan Jan Adriaensz. Kennip een rentebrief van 6 gl. jaarlijks, verleden door Adriaen Cornelisz. en verzekerd op zijn huis, dat staat tegenover de Kruiskapel, en aan Aeltgen Adriaensdr. een rentebrief van 3 gl. jaarlijks, verleden door Joost Jansz. kuiper en verzekerd op zijn huis op de Riedijk. Beide rentebrieven zijn Cornelis Cornelisz. aangekomen bij overlijden van zijn schoonvader. (1571, f. 31 e.v.)

12 mrt. 1579: mr. Claes Pietersz. chirurgijn transporteert aan Willem Foppesz. droogscheerder een rentebrief van twee Vlaamse ponden jaarlijks, verleden door Jan Huijgesz. koekenbakker. (1571, f. 32v)

12 mrt. 1579: Jan Willemsz. waagknecht, Jacob Willemsz. sledenaar en Digna Willemsdr., broers en zuster, hebben onderling verdeeld de goederen, die zij geërfd hebben van hun ouders, Willem Reijersz. en Neeltgen Jansdr. (1571, f. 33)

13 mrt. 1579: Adriaen Back, overman van het Viskopersgilde, enFrans van Diemen Henrijcxsz., Claes Jansz. de Heer en Maerten Aertsz., dekens van dat gilde, gaan in beroep tegen de uitspraak van het Gerecht van Dordrecht in de zaak tussen het gilde en Pieter den Boer, waard in “het Vlies”, c.s., die eveneens viskopers zijn. (1571, f. 33)

16 mrt. 1579: Lanceloth Jansz. Moreau, burger van Dordrecht, als voogd van de weeskinderen van wijlen Job Jacobsz. Brootman, die gewoond heeft in Ouwerkerk in Duiveland, verleent procuratie aan Maerten Jacobsz., zijn medevoogd en oom van genoemde kinderen, om te beheren alle goederen, die de kinderen geërfd hebben van hun vader. (1571, f. 34)

17 mrt. 1579: verklaring op verzoek van Jasper Wulmers van Zoest in het graafschap Mark door Steven Verlinck van “Doesborch”, ongeveer 19 jaar oud. Hij zegt op donderdag voor Allerheiligen in Cranenborch met Steven Lambertsz., de zoon van Simon Lambertsz., rentmeester van “Dodecum” gegaan is buiten de poort in de wei, waar Steven Lambertsz. in een sloot een bundel papieren heeft gevonden. (1571, f. 34)

23 mrt. 1579: op verzoek van Rochus Jansz. kleermaker verklaren Adriaen Henricxsz., raad in wette, en Haddeman Joosten, achtraad van Dordrecht, dat zij al lange tijd goede kennis hebben aan Rochus Jansz., dat hij een ingeboren burger van Dordrecht is en dat hij zich altijd “eerlijck en vromelijck” heeft gedrage, zoals dat “een jonckman met eeren toestaet”. (1571, f. 37)

26 mrt. 1579: Jacob Elbertsz. ’s herendienaar, verklaart, dat hij een dag tevoren op verzoek van Adriaen Bol Huijgesz. gearresteerd heeft Abraham Jacobsz. uit Beijerland. (1571, f. 38v)

26 mrt. 1579: Aernt van Eijnde, stadhouder van de schout van Dordrecht, verklaart, dat in mei 1578, gekomen zijn ineen herberg buiten de Vuilpoortvijf of zes soldaten, die zeiden te zijn ruiters onder kapitein Michiel in garnizoen te Brussel en die te koop aanboden twee zakken “soffraens” en diverse soorten trijp, fluweel, zijde en andere waren, die zij zeiden in beslag genomen te hebben “daert naeden viant ginck”. Ze hebben de goederen laten verkopen door een kramer, genaamd Maximiliaen de Hene, aan een zekere Anthoni Lambertsz. voor 650 gl. (1571, f. 41 e.v.)

27 mrt. 1579: Jan Willemsz. van Gorcum, wonende te Utrecht, verklaart ontvangen te hebben van mr. Ghillis Verkerck en Haesgen Jansdr. van Utrecht, zijn moeder, al hetgeen hij geërfd heeft van Willem Ghijsbrechtsz. van Scherpenzeel, zijn vader. (1571, f. 40v)

28 mrt. 1579: Floris Euwoutsz. transporteert aan Dirck Ulricxsz., secretaris te Ridderkerk, een rentebrief van 25 st. jaarlijks, verleden voor schout en heemraden van Ridderkerk door Pieter Maertensz. (1571, f. 40v)

28 mrt. 1579: Aert Hermansz. van Sittert, wonende te Zwijndrecht, stelt zich borg voor Jan Walraven, wonende te Veere, voor hetgeen de weduwe van Jan Bruijn Jan van Eijsden van Jan Walraven tegoed heeft. (1571, f. 41)

28 mrt. 1579: Mathijs Cornelisz. hoedenmaker is schuldig aan Claerken Woutersdr. van Hoochstraten een bedrag van 193 gl. (1571, f. 41v e.v.)

30 mrt. 1579: Willem Thonisz., wijnkuiper en burger van Dordrecht, verleent procuratie ad recipienda debita aan zijn zwager, Cornelis Cornelisz. lakenkoper, burger van Dordrecht. (1571, f. 42)

30 mrt. 1579: Thielman Coenensz., schipper van Dordrecht, verklaart, dat hij op 29 mrt. 1579 “wel bijden drancke zijnde” aan Huijch Geleijnensz. schipper zijn hoedeschip verkocht heeft, over welke verkopinghij zich nu “beswaert” voelt en teniet wil doen. (1571, f. 42v)

31 mrt. 1579: Jacques Coninx en zijn vrouw, Heijltgen Prins, wonende te Dordrecht, verlenen procuratie aan Reijnier Anbel, wonende te Antwerpen, om te participeren in de verdeling van de goederen, die zijn nagelaten door Petronella van de Mast, hun “halff moije”. (1571, f. 43v)

1 april 1579: Bartholomeus Eduwart Pels van Antwerpen verleent procuratie ad lites aan Franchoijs de Buijlere, procureur te Dordrecht, en Henrick Ophoegen, wonende te Dordrecht. (1571, f. 43v)

1 april 1579: Willem Crooswijck Jansz. stelt zich borg voor Daniël Glesor van Danzig, voor hetgeen Jacob Minnen houtkoper van Daniël tegoed heeft. (1571, f. 44)

7 april 1579: Claes Euwoutsz. schipper verklaart ontvangen te hebben van Fijcken Cornelisdr., weduwe van Euwout Jansz. schippertimmerman, zijn vader, een derde part in de helft van een huis buiten de Vuilpoort, in welk huis Euwout Jansz. is overleden. (1571, f. 44v)

8 april 1579: Lenaert Dassen van Steijn, dienaar van vrouwe Petronella van Praet, vrouwe van Batenborch, Steijn enz., verklaart, dat hij haar op 6 april 1579 nog zien heeft en dat zij toen nog “clouck gesont en welvarende van lichame was”. (1571, f. 47)

8april 1579: Jan Claesz. Ulricxsz., als procureur van Wouter Cools en Cornelis Adriaensz., verklaart afstand te doen van de rechtsvordering voor de Kamer Juditiaal van Dordrecht tegen Wijnant Fransz., die eertijds inwoner van Dordrecht was. (1571, f. 47)

8 april 1579: Jochum Meusz. zeilmaker en Willem Willemsz. hellebaardier stellen zich borg ten behoeve van Lijsbet mr. Henricxsdr., wonende te IJselmonde, “voer alzulcke actie van boeten als Crijn Joncker shooffsbode van Zuijthollant” pretendeert hem toe te komen van Lijsbet mr. Henricxsdr. (1571, f. 47)

9 april 1579: Roel Lauwen, als man van Lijsgen Thonisdr., wonende aan de Giessen, en Dirck Huijbertsz. van Zwijndrecht, als man van Marichgen Thonisdr., transporteert aan Arien Aertsz., burger van Dordrecht, al hetgeenRoels vrouw, is aangekomen bij overlijden van Lenaert Euwoutsz., de oom van hun beider vrouwen. (1571, f. 48)

9 april 1579: Cornelis Aen Aertsz. van Giessendam transporteert aan Herman Mathijsz., burger van Dordrecht, een rentebrief van 14 gl. jaarlijks, gepasseerd voor schepenen van Gorinchem door Jacob Cornelisz. Staij, wonende te Schelluinen op 6 mrt. 1556, hem, Cornelis, aangekomen bij overlijden van Barent Cornelisz. van de Ghiessen, zijn oom, die gewoond heeft in Giessen-Oudkerk, alsmede een rentebrief van 3 gl. jaarlijks, gepasseerd voor schepenen van Gorinchem door Adriaen Adriaensz. de Raijmaecker op 16 jan. 1553, hem eveneens aangekomen bij overlijden van zijn voornoemde oom. (1571, f. 49)

14 april 1579: Adriaen Jacobsz. van Rotterdam gaat in beroep tegen het vonnis van het Gerecht van Dordrecht in de zaakvan hemcontra Frans Jansz. en Herman Mathijsz. c.s. (1571, f. 50v)

15 april 1579: Cornelis Pietersz. kuiper transporteert aan Pouwels Joosten Both een rentebrief van 20 st. jaarlijks, verleden door Henrick Jansz. zakkendrager en een rentebrief van 20 st. jaarlijks, verleden door Henrick Jansz. sledenaar, beide hem aangekomen door overlijden van zijn tante IJcken Pietersdr., meesteres van het Bagijnhof. (1571, f. 51)

16 april 1579 Adriaen Soetmansz. transporteert Claes Jansz. brouwer een rentebrief van 3 gl. jaarlijks, verleden door Claes Pietersz. voor schout en heemraden van Schobelandsambacht, hem, Adriaen, aangekomen bij overlijden van zijn tante, Fransgen Cornelisdr. (1571, f. 51v)

20 april 1579: Clara Willemsdr., weduwe van Niclaes Claesz., glasmaker en burger van Dordrecht, en Lijsgen Claesdr. verleden procuratie aan Willem Claesz. schipper en Claes Claesz. schoenmaker, resp. hun zoons en broers, om in Oosterhout in ontvangst te nemen van Magdalena [sic], weduwe van Aert de Meijer, in zijn leven gewoond hebbende te Oosterhout, al hetgeen hun man resp. vader, Niclaes Claesz. glasmaker, is aangekomen bij overlijden van zijn tante IJsabella [sic], die is overleden te Oosterhout. (1571, f. 52)

22 april 1579: Pieter Michielsz. Bemmel, weduwnaar van Claertgen Cornelisdr., enerzijds en Michiel Pietersz. metselaar en Pieter Thonisz. schiptimmerman, als man van Neeltgen Pietersdr., samen tevens vervangende hun zuster Marijchgen Pietersdr., en nog als broers en voogden van Matheus Pietersz., ongeveer 16 jaar oud, en Huijbrecht Pietersz., ongeveer 12 jaar oud, beiden onmondige kinderen van Pieter Michielsz. Bemmel en Claertgen Cornelisdr., anderzijds, verdelen de goederen, die zijn nagelaten door Claertgen Cornelisz. De weduwnaar krijgt alle goederen en in- en uitschulden en belooft zijn onmondige kinderen te onderhouden etc. tot aan hun achttiende jaar. Michiel Pietersz. en Pieter Thonisz., tevens vervangende hun zuster Marichgen Pietersdr., die in Vlissingen woont, verklaren, dat zij van hun vader ontvangen hebben al hetgeen zij van hun moeder, Claertgen Cornelisdr., geërfd hebben. (1571, f. 52v e.v.)

24 april 1579: Aert Cornelisz. kuiper verkoopt Adriaen Adriaensz. schipper een huis in de Mariënbornstraat, staande tussen het huis vanPieter Reijersz. huistimmerman en dat van Ghijsbrecht Cornelisz.. Waarborg Cornelis Cornelisz. glasmaker. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 31 Vlaamse ponden. Borgen: Pieter Mathijsz. en Henrick Woutersz. schipper. (1571, f. 53v)

25 april 1579: Damas Pietersz. zager verkoopt Jan Cornelisz. houtzager een huis op de Gevulde Gracht, staande tussen het huis van Maerten Aertsz. linnenwever en dat van Aert Aertsz. wever. Waarborg: Maerten Aertsz. linnenwever. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 40 ponden 10 schell. Vlaams. Borgen: Lenaert Cornelisz. Schickop drager en Willem Joosten linnenwever. (1571, f. 54)

11 sept. 1582: op verzoek van Huijch Dominicusz., als man en voogd van Haesgen Cornelisdr. en Quirijntje Cornelisdr., leggen Claes Laurensz., schipper of biervoerder op Delft, 60 jaar oud en Jan Claesz., zijn knecht, 46 jaar oud, een verklaring af. (736, f. 383v)

28 febr. 1584: op verzoek van de dijkgraaf, hoogdijkheemraden en “hooft ingelanden” van Nieuw-Barendrecht legt Cornelis Adriaensz. Leeuwenborch, wonende te Barendrecht bij de Nieuwe Sluis, 63 jaar oud, een verklaring af. (737, f. 390)

19 juni 1584: Aert Adriaensz. alias Nelemans, van de Lage Zwaluwe, is gearresteerde van het Land van Zwaluwe op verzoek van Niclaes van Driel Cornelisz. (737, f. 560)

7 mei 1584: mr. Jacob Jansz., schoolmeester in de Latijnse School te Dordrecht, verleent procuratie aan mr. Aernt Thou en Jacob Willemsz. Thou, zijn “oomers”, om voor hem te innen al hetgeen men hem schuldig is, zowel in contant geld als aan pachten, renten etc. (715, f. 197v)

24 mei 1584: op verzoek van Marijken Pijetersdr. verklaart Janneken Joosten, weduwe van Willem Willemsz. leidekker, ongeveer 64 jaar oud, dat zij omtrent 37 jaar geleden als dienstmaagd diende en woonde ten huize van wijlen Gloria Jansdr., en haar derhalve wel bekend is, dat “voorsz. Gloria Jansdr. coste lesen ende schrijven ende dickwils met haere eijgene hant brieven heeft geschreven ende gesonden naer Antwerpen met Simon Cornelisz. schipper en den Ouwen Aert Thonisz. beroerende seeckere gijeters schoppen lijesse besemen wappers saeije ende andere coopmanschap, die sij deselve Gloria Jansdr. mette voorsz. schippers schriftelijk van Antwerpen heeft ontboden gehadt ende dat dvoorsz. Gloria Jans de namen van luijden die thaeren huijse daegelicx waere ende coopmanschappe quamen halende aende poste achter op de deure ende aen sommige stijle inde huijse geschreven ende de coopmanschappe geteijckent heeft gehadt”. (715, f. 210)

6 juli 1584: Magdalena van de Velde, weduwe van Jan Stockmans, en Jan Stockmans Jansz., brouwer en inwonende poorter van Dordrecht, verlenen procuratie aan Henrick Stockmans, brouwer in “het Vlijes” te Antwerpen, om te verkopen een huis, genaamd “’t Outblockhuijs”, staande te Antwerpen “int Vlijersteech”. (715, f. 217v e.v.)

16 mrt. 1585: comp. Stijntgen Jacobsdr., weduwe van Oth Willemsz. kuiper, enerzijds en Jacob Willemsz. metselaar, Neeltgen Willemsdr., weduwe van Damas Jansz., Adriaen Ockersz. sledenaar voor zichzelf, Huijch Cornelisz. Noudt viskoper, als man van Adriaenken Ockersdr., voor zichzelf en tevens vervangende Grietgen Ockersdr., allen kinderen van Lijntgen Willemsdr., Claes Jansz. Cruijenier, als weeshuisvader van het Armen-Weeshuis te Dordrecht, namensRachel Bastiaensdr., die in dat weeshuis woont en Jan Bastiaensz., die uitlandig is,beiden kinderen van wijlen Jopgen Cornelisdr., die een dochter was van Heijltgen Willemsdr., voornoemde Jacob Willemsz. tevens namensMarijcken Cornelisdr., die ook een dochter is van Heijltgen Willemsdr., en namens Baertgen Pietersdr., dochter van Janneken Cornelisdr., en Cornelis Jacobsz. boogmaker als gemachtigde van de Heilige-Geest ter Grote Kerk namens Damas Damasz., die in het Heilige-Geesthuis verblijft en verwekt is bij voornoemde Janneken Cornelisdr., allen erfgenamen van Oth Willemsz., anderzijds. Comparantenhebben een overeenkomst getroffen aangaande de verdeling van Oth Willemszoons nalatenschap. Zijn weduwe zal alle goederen behouden, “mits dat zij gehouden wert de voorsz. erffgenamen van alle vuijtschulden …schadeloes te houden.” De overige erfgenamen is toebedeeld een bedrag van 350 Rijnse gl., die de weduwe zal uitbetalen in jaarlijkse termijnen van 50 gl. (738, f. 137v e.v.)

4 april 1585: Hans Clemens Walgerijns [of Malgerijns ?]van Breda, tegenwoordig liggende in garnizoen [geen plaats vermeld] onder hopman Maerten Wolff Wijnckel, “als oudtste ende naeste bloet ende collateur van zekere beneficie gefondeert bij eenen [naam niet vermeld] opt outaer van Johannis Evangelist binnen de Nieuwerkerck deser stede, daer toe bijden selven [naam niet vermeld] gemaect zijn zeven mergen lants gelegen int Volgerlant van Heeroudelantsambocht, constitueert ende maect inden voorsz. qualite machtich mits desen de kerckmeesters ter Grotekerck binnen deser stede omme de jaerlicxe pachten vuijt voorsz. beneficie te ontfangen, tvoorsz. lant verhuijren ende daer mede dien oorbaer in alles te doenne tot onderhout ende alimentatie van zekeren bequamen jongman, tzij vande bloede vande fondateur oft anders, die daer op ter scholen gestelt zal worden om te studeren ende voorts daer inne al te moegen doen dat hij constituant dien aengaende zelver present wesende zoude connen oft moegen et cum ratificatione.” (738, f. 146)

19 april 1585: op verzoek van Jan Pietersz. en Pieter Jacobsz., metselaars, verklaren Gijsbert Jordensz. metselaar, ongeveer 42 jaar oud, en Henrick Laurensz. kuiper, ongeveer 28 jaar oud, dat zij op zondagavond laatstleden geweest zijn in de herberg van Claes Thomasz. lijndraaier, waar mede aanwezig waren voornoemde Jan Pietersz. en Jan Jansz. Borstel de Jonge. De attestanten hebben gezien en gehoord, dat Henrick Laurensz. aan Jan Pietersz. vroeg naar de prijs van een bepaalde hoeveelheid kaas en dat Jan Borstel vervolgens, zonder dat Jan Pietersz. ook maar een onvertogen woord tegen hem gesproken had, “sittende van achteren dvoorsz. Jan Pietersz. een kinnebackslach [heeft] gegeven dat hij van de stoel vijel”. Toen Jan Pietersz. aan Borstel vroeg: “waerom smijt ghij mij, wat doe ick u te cort”, antwoordde Borstel: “dat ick het begeer te doen ghij hebbet wech … wat wilt ghij toch seggen, u vader is een verckens dieff”, waarop Jan Pietersz. zei: “dat neem ick aen tuijch en aen kennisse”. (ORA Dordrecht inv. 716, akte 122)

26 juni 1585: Geertruijd Burchgraeff van Duisburg in het Land van Kleef, weduwe van Rombout van Calck, verleent procuratie aan haar broer, Willem Burchgraeff, eveneens van Duisburg, om in ontvangst te nemen de goederen, die haar zijn aanbestorven bij overlijden van Henrick Burchgrave en Geertruij de Rijkers, haar vader en moeder. (ORA Dordrecht inv. 716, akte 207)

28 aug. 1585: verklaring op verzoek van Lambart Buijck en Leenaert Goossensz., kooplieden van Antwerpen, door o.a. Schrevel Cornelisz., schippersgezel, ongeveer 27 jaar oud,burger en inwoner van Dordrecht. Hij was knecht of bootsgezel op het schip van Pieter de Coster en Cornelis Cornelisz. (738, f. 226)

6 sept. 1585: op verzoek van Pieter van de Thoelen, schipper en burger van Dordrecht, verklaren Claes Cornelisz., ongeveer 24 jaar oud en Wouter Thonisz., 22 jaar oud, beiden bootsgezellen van de rekwirant, dat “geleden vijff weecken sij deposanten gecommen zijn met den voorsz. requirant tot Gravesendt ende aldaer innegenommen hebben hondert dertich Engelsche soldaeten vande Coronel Noorwits omme die te brenghen van Gravesant tot deser stede waer voor haer belooft is bij de Commissaris vande voorsz. Cornel Noorwits neghen ponden 15 sch. steerlincx gelt. Compareerde mede Aert Bastiaensz. ende verclaerde alsvooren warachtich te sijn.” (738, f. 232)

7 dec. 1585: Jan Hesselsz. schiptimmerman en Jan Jansz. zager stellen zich borg voor Marijcken Fransdr. voor de lichting van ongeveer 11 ponden groten Vlaams, die berusten onder mr. Jacob Paulij pensionaris, gekomen van de verkochte goederen van Neeltgen Florisdr., hun moeder, te Dordrecht door de “offslaeger” [vendumeester] verkocht. [738, f. 297]

9 dec. 1585: Cornelis Elantsz. bakker, als vader en Jan Ockersz., schout van Alblas, en Jan Hesselsz. schiptimmerman, als voogden over de kinderen van wijlen Pietertgen Fransdr., verklaren uit handen van de tante van die kinderen, Marijcken Fransdr., volledig voldaan te zijn van hetgeen de kinderen geërfd hebben van hun grootmoeder Neeltgen Florisdr. (738, f. 298)

30 jan. 1586: Pieterken Jacobsdr., weduwe van Jan Cornelisz. schoenmaker, enerzijds en Arien Cornelisz. stoeldraaier, als oom en voogd van Cornelis Jansz., ongeveer 7 jaar oud, Claes Jansz., ongeveer 5 jaar oud en Jacob Jansz., ongeveer 1 jaar oud, allen onmondige kinderen van Jan Cornelisz., door hem bij Pieterken Jacobsdr. verwekt, anderzijds, zijn tot een overeenkomst gekomen betreffende de verdeling van goederen, die door Jan Cornelisz. zijn nagelaten. De weduwe behoudt de gehele boedel, inclusief al hetgeen de kinderen door overlijden van Marijcken Ockersdr.,hun tante inGouda, is aanbestorven. Zijbelooft in ruil daarvoor haar kinderen te onderhouden en op te voeden tot hun achttiende jaar of tot het moment, waarop zij gaan trouwen en hun dan een somma van 16 ponden groten Vlaams uit te keren. Voor de nakoming hiervan verbindt zij haar huis op de Riedijk, staande tussen het huis van Jan Hermansz. kramer en dat van Andries de kleermaker. (738, f. 325 e.v.)

4 aug. 1586: Neeltgen Cornelisdr., weduwe van Daniël Aertsz. linnenwever, enerzijds en Lenert Jansz. schuitenaar, als oudoom en voogd van Ariaentgen Daniëlsdr., ongeveer 10 jaar oud, dochter van Daniël Aertsz., verwekt bij Neeltgen Cornelisdr., anderzijds, verdelen de goederen, nagelaten door Daniël Aertsz. De weduwe behoudt alle goederen en zal in ruil daarvoor haar dochter alimenteren en opvoeden tot haar achttiende jaar en dan gehouden zijn haar niet meer dan 1 pond Vlaams uit te keren, “overmits den soberen staet van de boel ende dat sij noch twee kinderen den tijde van twee jaeren heeft gealimenteert.” Zij verbindt voor de nakoming hiervan de helft van een huis in de Vriesestraat, staande tussen het huis van Philips Tijelmansz. en het huis, genaamd “de Swarte Mannekens.” (ORA Dordrecht inv. 717, f. 34 e.v.)

31 dec. 1586: op verzoek van Mariken Pietersdr. verklaren Balthasar Fransz., 63 jaar oud en Claes Jansz. van Wesel, 40 jaar oud, leden van de Oudraad te Dordrecht, dat voor hen, als schepenen van Dordrecht, op 24 mei 1584 is verschenen Janneken Joostensdr., weduwe van Willem Willemsz. leidekker, ongeveer 64 jaar oud en dat zij op verzoek van dezelfde Mariken Pietersdr. heeft verklaard, dat zij 38 jaar eerder als dienstmaagd gediend en gewoond heeft bij Glorij Jansdr. en dat zij gezien heeft, dat Glorij Jansdr. kon lezen en schrijven. (717, f. 108v)