Van den Brande (I)

Geraadpleegde literatuur:

M. van Baarsel, Van Aardappelmarkt tot Zwijndrechts Veerhoofd. De straatnamen van de historische binnenstad van Dordrecht (Hilversum 1992)

M. Balen, Beschryvingeder StadDordrecht, 2 delen (Dordrecht 1977)

A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerck te Dordrecht (Sliedrecht 1998)

I. Aper NN, trouwde NN

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Matheus (Theeuw) Apersz., volgt IIa

b. Adriaen Apersz., volgt IIb

IIa. Matheus (Theeuw) Apersz. , geboren ca. 1488, visser,overledentussen 13 febr. 1562en 2 sept. 1568,trouwdeNeeltgen Goessensdr.

– 1543 (tiende penning van Dordrecht): Tew Apersz.,buiten de Vuilpoort – 10 gl. (NA, Archief Staten van Holland vóór 1572, inv. 191, f. 8)

– 27 sept. 1543: Geertruijt Hendrickxdr., weduwe van Arien Jansz. schipper, verkoopt aan Lauris Jacobsz. viskoper een huis in de Grote Spuistraat, staande tussen Quirin de zagers huis en Pieter van Nas’ huis. Waarborg: haar [klein?]zoon Aper Matheusz. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 56v) Koper is schuldig aan verkoopster wegens de koop van dit huis 26 ponden en 5 schellingen groten Vlaams (gerekend 6 karolusguldens voor een pond en 20 stuivers voor een gulden). Borg: Jan Halling Jansz. viskoper. (Idem, f. 57)

– 2 dec. 1560: Dirck Jacopsz. schipper verkoopt aan Adam Woutersz. schoenmaker een jaarlijkse losrente van 4 gl., verzekerd op een huis buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Jop Gemansz. en dat van Matheus Apersz. (ORA Dordrecht inv. 722, f. 113)

– 22 jan. 1561: Teeu Apersz. vermeld als belender van het huis “De Drie Koningen”. (ORA Dordrecht inv. 702, f. 99v)

– 13 febr. 1562: op verzoek van Chaerle van Eijnde, poorter van Dordrecht, verklaart Matheus Apersz. visser buiten de Vuilpoort, 74 jaar oud, poorter van Dordrecht, dat tijdens de Hoekse en Kabeljauwse Twisten een zekere Jan Matheusz., poorter van Dordrecht, als eigenaar een huis bewoond heeft, staande buiten de Vuilpoort, waar tegenwoordig uithangt St. Joris, en dat hij zijn, deposants, moeder dikwijls heeft horen zeggen, dat wijlen Marij Peters in die tijd daar mede als eigenares gewoond heeft in een huis met een oliemolen. (ORA Dordrecht inv. 723, akte 318)

– 2 sept. 1568 (roerende de dood van Matheus Apersz. visser, zijn vrouw Neeltgen Goessensdr. en heer Goessen Matheusz.): comp. voor schepenen van Dordrecht Aper Matheusz., schipper te Dordrecht, voor zichzelf, enerzijds en Jan Willemsz. Paijse van Geertruidenberg, als oom en voogd van Matken Cornelisdr., 10 jaar oud en Jacob Cornelisz., 8 jaar oud, nagelaten weeskinderen van wijlen Cornelis Willemsz., verwekt bij Marijken Matheusdr., anderzijds, samen enige erfgenamen van Matheus Apersz., Neeltgen Goessensdr. en heer Goessen Matheusz. Zij zijn tot een overeenkomst gekomen betreffende de verdeling van de goederen, die door voornoemde erflaters zijn nagelaten. Aper Matheusz. krijgt een rentebrief dd St. Annadag 1547 van 2 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op 3 mrg. land in Papendrecht, 1/4 deel van 6 krabfuiken in de heerlijkheid van de Mijl, 1/4 part van 3 mrg. land in Oud-Reijerwaard, 1/4 part van 9 mrg. “land viswater” [sic] in Leerambacht, 1/4 part van een huis buiten de Vuilpoort van Dordrecht, in welk huis Matheus Apersz. isoverleden, 1/4 deel van 95 gl. en 5 st. aan contant geld en verlopen interesten en pachten, 1/4 part van 5 zilveren lepels, een rode koralen paternoster “metten silveren ruijcker” en met 10 vergulde “teijckenen” eneen zwart gitten paternoster met een klein zilveren kruisje. Jan Paijse in zijn voornoemde hoedanigheid krijgt een rentebrief dd 5 mrt. 1559 van 6 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op zeker land in Kijfhoek. De twee kinderen krijgen nog een rentebrief dd 26 mei 1552 van 20 st. jaarlijkse losrente, verzekerd op [het huis van] Jan Jansz. Dog buiten de Vuilpoort, een rentebrief dd 6 nov. 1539 van 2 gl. jaarlijkse losrente, eveneens verzekerd op het huis van Jan Dog, een rentebrief dd 17 mei 1546 van 1 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op hetzelfde huis en de overige 3/4 parten van de goederen, waarvan 1/4 deel aan Aper Matheusz. is toebedeeld, t.w. de 6 krabfuiken, het land in Oud-Reijerwaard, het “land viswater” in Leerambacht, het huis buiten de Vuilpoort, een bedrag van 95 gl. 5 st.aan contant geld, interesten en pachten., 5 zilveren lepels en twee paternosters. (ORA Dordrecht inv. 708, f. 63v e.v.)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Aper Matheusz., geboren ca. 1525,volgt IIIa

b. Marijken Theeuw Apersdr., overleden vóór 12 febr. 1591,trouwde naar schatting ca. 1558 Cornelis Willemsz., overleden vóór 26 april 1578

Kinderen:

b-1. Matken Cornelisdr., geboren ca. 1558

b-2. Jacob Cornelisz., geboren ca. 1560,schipper te Dordrecht

– 28 april 1571: Jan Willemsz. Paijs, wonende te Geertruidenberg, en Aper Matheusz., als ooms en voogden van de weeskinderen van wijlen Marijcken Matheusdr., krijgen van de Kamer Judicieel te Dordrecht toestemming om te verkopen zekere “vierdalve” morgen land in Riederwaard, dat gemeenschappelijke eigendom is van voornoemde kinderen en Aper Matheusz. (ORA Dordrecht inv. 728, f. 149v e.v.)

– 26 april 1578: Jan Paijs van Geertruidenberg, als voogd van Jacob Cornelisz., weeskind van wijlen Cornelis Willemsz., voor 3 vierendelen en Jan Philipsz., uit naam van Joosgen Philipsdr., weduwe van Aper Matheusz., voor het vierde vierendeel, verkopen aan Jan Jacobsz. Visscher een huis buiten de Vuilpoort, eertijds toebehoord hebbende aan Matheus Apersz., staande tussen het huis van [de erfgenamen van]Gerrit Sijmonsz. en dat van Dirck Jacobsz. schipper. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 263v)

– 3 mei 1578: Jan Jacobsz. Visscher is schuldig aan Jan Pais, als voogd van Jacob Cornelisz., weeskind van wijlen Cornelis Willemsz. en Joosgen Philipsdr., weduwe van Aper Matheusz. schipper, een somma van 212 gl. wegens de koop van voornoemd huis. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 267)

– 12 febr. 1591: Jacob Cornelisz. schipper en burger van Dordrecht, als enige erfgenaam van wijlen zijn moederMarijken Theeuwendr., die een dochter was van wijlen Theeuw Apersz., voor drie 1/4 parten en Joosgen Philipsdr., weduwe van Aper Mattheusz., geassisteerd met Jan Philipsz. [van Beverwijck]lakenkoper, voor het resterende 1/4 part, verkopen aan Willem van Beveren, rentmeester-generaal van Zuid-Holland, negen morgen land in “Leijderambocht” [= Leerambacht], “eertijts vuijtgegeven in eenen vrijen eijgen” t.b.v. Aper Jansz., door Willem VI, paltsgraaf bij de Rijn, hertog van Beieren, graaf van Henegouwen, Holland enZeeland en heer van Friesland, naar breder vermeld is in de brief daarvan zijnde, bezegeld met een zegel van rode was en gedateerd 31 mei 1410. (ORA Dordrecht inv. 719, f. 290)

c. vermoedelijk ook: heer Goessen Matheusz., overleden vóór 2 sept. 1568

IIb. Adriaen Apersz., trouwde Zuetgen NN

– 27 jan. 1561: op verzoek van Aper Adriaensz. leggen Adriaen Heijmansz., 88 jaar oud en heer Jan Rutgertsz. priester, 40 jaar oud, een verklaring af. Adriaen Heijmansz. getuigt, dat “zeecker jaeren geleden” de vader van de rekwirant, Adriaen Apersz., tegen hem gezegd heeft, “dat hij ten tijde vanden brant buijten die Vuijlpoorte deur welcken brant thuijs vanden zelven Adriaen Apersz. mede verbrande”, Adriaen Apersz. al zijn inboedel, huisraad, brieven etc., die hij bergen kon, gebracht heeft naar het huis van zijn broer, Theus Apersz. Heer Jan verklaart “bij zijn priesterlicke woerden leggende zijn handt op zijn borste nae den maniere der priesteren”, dat hij verscheidene malen “int geselschap” van Adriaen en Theus Apersz. geweest is en dikwijlsgehoord heeft, dat Adriaen “questie ende kijffelijke woerden hadde jegens” zijn broer Theus aangaande zekere brief van 9 morgen land, die onder Matheus Apersz. zou berusten. Heer Jan verklaart ook, dat hij die brief nadien gezien en gelezen heeft. (ORA Dordrecht inv. 702, f. 107v)

– 29 jan. 1561: op verzoek van Matheus Apersz. verklaren Marige Jorisdr., ongeveer 60 jaar oud en Marige Adriaensdr. opt Spoij, 50 jaar oud, dat hetgeen Adriaen Heijmansz. op 27 jan. 1561 verklaard heeft, namelijk, dat ten tijde van de brand buiten de Vuilpoort Adriaen Apersz. al zijn inboedel, huisraad, brieven en andere goederen, die hij bergen kon, gebracht heeft ten huize van zijn broer Theeus Apersz., “onwarachtich [is] … ende eenen versierden loegen.” Attestanten geven voor reden van wetenschap, dat hen wel bekend is, dat het huis van Theeus Apersz. van achteren verbrand was “ende de kesijnen van voeren oeck ontsteecken ende het selve huijs van Theus Apersz. voersz. over de veerthien dagen lach gelijck het huijs te Bethelem ofte een ijele schuijere, soe datmen daer inne nijet en dorsten brengen vresende dat den brandt daer weder ontsteecken soude overmits dat op een huijs nae achter Theeus Aperszoons huijs stondt een olijmoelen die sij nijet en consten slessen. Soe dat van Adriaen Aperszoons guet int cleijn nochte int groet Theus Aperszoons huijs nijet en gebrocht noch geweest en is maer dat haer deposanten wel kennelijck is dat sij met haer guet eerst gevlucht zijn inde weij, nijet wetende waer dat sij haer lijff bergen zoude, want aldaer zoe groote hette waer datse van achteren nijet en mochten voorwaert comen”, voorts dat Adriaen Apersz. met zijn vrouw Zuetgen gevlucht is en hij, toen de brand opgehouden was, zijn goederen gebracht heeft ten huize van Frans de wagenaar, die toen binnen de stad bij de Vuilpoort woonde, waar nu Claer de bakster, de weduwe van Abel de bakker, woont en waar Adriaen Apersz. verbleven heeft tot hij buiten de stad een nieuw huis gebouwd had. De tweede deposante verklaart nog, dat zij met Truijchgen Hendricxdr., haar moeder en met Jannege Schrijvers, Crijn Adriaensdr. en andere trouwe vrienden “geloepen hebben inden brant deur Theeus Aperszoons huijs om sijn goet te helpen vluchten ende wech draeghen vuijten huijse van Theeus Apersz. alle dat daer inne was … ende dat sij soe vlijtich waeren dat de wijnbrouwen ende den douck van Jannege Schrijvers haer suster van haer hoeft verbrande.” (ORA Dordrecht inv. 722, f. 134 e.v.) [Deze akte refereert misschien aan de grote brand van 1528, die een groot van de voorstad buiten de Vuilpoort verwoestte, waarna men derhalve sprak van de Gebrande Buurt. (Van Baarsel, o.c., p. 121)]

Kind:

a. Aper Adriaensz., volgt IIIb

IIIa. Aper Matheusz. , geboren ca. 1525,schipper te Dordrecht, overledentussen 14 juni 1570 en13 dec. 1575,trouwde 1e Brechgen Robrechtsdr., 2enaar schatting ca. 1553 Josina Philipsdr. van Beverwijck, dochter van Philips van Beverwijk Ogiersz., zeilmaker, burgemeester van Dordrecht (1559) en Alida van Neck Nicolaesdr. (Balen, o.c., deel II, p. 979-980)

– 27 mei 1551: Maricken Jansdr., weduwe van Bouwen de kuiper, verkoopt aan Aper Matheeusz. een huis op het Groothoofd, staande naast het huis van Anthonis de bakker. Koper betaalt aan verkoopster een somma van 685 gl. (ORA Dordrecht inv. 721, f. 471)

– 1558 (10e penning Dordrecht): Aper Matheusz. schipper, huis in de Wijnstraat (tussen Nieuwbrug en de Boom), eigenaar, 33 Rijnse gl., beloopt de 10e penning op 3 Rijnse gl. 10 st. (NA, Archief Staten van Holland vóór 1572, inv. 929, f. 43)

– 3 mei 1560: Reijer Jacobsz., als man van Mariken Adriaensdr., Adriaen Jacobsz., als man van Fijken Adriaensdr., Rutger van Bijwaert, als man van Aeltge Adriaensdr., tevens vervangende Marige Adriaensdr. en Heijndrick Scrijver, de zuster en broer van zijn vrouw, Tomas Pietersz., als man van Lauwerenske Quirijnendr., ook vervangende de zusters en broers van zijn vrouw, samen vervangende Adriaenke [sic], de weduwe van mr. Frans Jacopsz. te Aertsberghe, allen erfgenamen voor de helft van wijlen Pieter Cornelisz., in zijn leven wonende te Middelburg in “Jerusalem”, verlenen procuratie aan Aper Matheusz., burger van Dordrecht, hun mede-erfgenaam “in haer voersz. helft”, om te verkopen de helft van een huis en hofstede, staande binnen Middelburg “opten Borch”, genaamd “Jerusalem”, tussen Jan Hectoors aan de oostzijde, “de Luijpart” en het nieuwe huis van Middelburg aan de zuidzijde, ’s herenstraat aan de westzijde en het huis genaamd “Gripskerck” aan de noordzijde. (ORA Dordrecht inv. 722, f. 31 en 24 e.v.)

– ORA Dordrecht inv. 724, akte 188: op 12 sept. 1561 verkoopt Cornelis Croeswijck Jansz., schepen in wette van Dordrecht, aan Adriaen Henricxsz. een jaarlijkse losrente van 8 gl., verzekerdop een huis bij het Groothoofd, staande tussen het huis van Aper Matheeusz. en dat van Janneke in de Lantscroen.

– 13 jan. 1566 op verzoek van Jan Nuijs, koopman van Rijnse wijnen te Dordrecht, verklaart Aper Matheusz. schipper, 41 jaar oud, dat hij in de zomer van het jaar 1565 omtrent St. Jacobsdag is geweest ten huize of in de wijnkelder van de rekwirant, waar mede aanwezig waren de rekwirant en een zekere Govert van Bruijssel, die procuratie had van twee wijnkopers te Brussel, de ene genaamd Jan int Gulden Hoet, wonende bij het korenhuis te Brussel en de andere de waard in “de Borsse” omtrent het stadhuis van Brussel, van wie hij de naam niet weet, om bij Jan Nuijs een bepaalde hoeveelheid Rijnse wijn te kopen. Deposant heeft die wijn vervolgens vervoerd naar Brussel. (ORA Dordrecht inv. 705, f. 22)

– 11 febr. 1566: verklaring op verzoek van Anthonis Jansz., wonende in “de Wijngaert” te Dordrecht, door o.a. Aper Matheusz., 41 jaar oud. (ORA 705, f. 44v)

7 juli 1568: Aper Matheusz., eerder gehuwd geweest met Brechgen Robrechtsdr., transporteert ter voldoening van de “houbrieff, die hij op 22 mrt. 1553 heeft gepasseerd ten behoeve van Adriaen Apersz., Lijntgen Apersdr. en Marijcken Apersdr., zijn voorkinderen, verwekt bij Brechgen Robrechtsdr., inhoudende een somma van 1200 gl., aan genoemde kinderen een rentebrief van 10 gl. jaarlijks, sprekende op Neeltgen, weduwe vanArien Geritsz., gepasseerd voor schout en heemraden van Ridderkerk op 27 mrt. 1545, hem aanbedeeld door overlijden van zijn “bestemoeder” Truijchgen, weduwe van Adriaen Jansz., een rentebrief van 6 gl. jaarlijks, gepasseerd door Pieter Gijssen voor schout en heemraden van Schobbelandsambacht [Zwijndrecht] op 9 mrt. 1544, hem aanbestorven als voren, een rentebrief van 1 pond Vlaams jaarlijks, verleden voor schepenen te Korendijk door Cornelis Dircxsz. met de erfgenamen van Adriaen Wollebrantsz. op 31 mrt. 1549, hem aanbestorven als voren, een rentebrief van 1 Philipsgl. jaarlijks, gepasseerd voor schepenen van Dordrecht door Pieter Rijckoutsz. bierdrager op 31 juli 1534, hem aanbestorven als voren, een rentebrief van 9 gl. jaarlijks, gepasseerd voor schepenen van Dordrecht door Cornelis Pietersz. ten behoeve van Aper zelf op 8 nov. 1554, een losrentebrief van 2 ponden Vlaams, verleden door Aert Gerritsz. van de Graeff ten behoeve van Aper zelf op 18 sept. 1553 en een rentebrief van 9 gl., gepasseerd voor schepenen van Dordrecht door Baerent Jansz. de Backer op 27 sept. 1531, hem aangekomen bij zijn huwelijk met Brechgen. Voor het resterende deel van de 1200 gl. zal hij ten behoeve van zijn kinderen een rentebrief van 21 gl. jaarlijks passeren. (ORA Dordrecht inv. 726, f. 68 e.v.)

– 14 juni 1570: Dirck Henricxsz., ’s herendienaar, relateert, dat hij op diezelfde dag ten verzoeke van Aper Matheusz. arrest gedaan heeft aan de persoon van Willem Meusz. van Nijmegen, die heeft gezworen, dat hij uit niet uit Dordrecht zal vertrekken vooraleer hij Aper heeft voldaan van hetgeen hij hem schuldig is. (ORA Dordrecht inv. 709, akte 131)

– 13 dec. 1575: Aert Eeuwoutsz., als man en voogd van Lijntgen Apersdr. en Marichgen Apersdr., voor zichzelf en samen tevens vervangende hun uitlandig zijnde broer, Arien Apersz., verklaren uit handen van Josina Philipsdr., weduwe van Aper Matheusz., elk ontvangen te hebben een somma van 57 gl., ter voldoening van hetgeen hun toekwam wegens de nalatenschapvan hun vader Aper Matheusz. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 49)

– 11 juli 1577: Jeronimus Dircxsz. kraankind, als oom en bloedvoogd van de weeskinderen van wijlen Claes Jansz. wijnkuiper, verkoopt aan Pieter Aertsz. van Gameren een huis omtrent het Groothoofd, genaamd “Ronnerswale”, staande tussen het huis van de weduwe van Aper Matheus en dat van de weduwe van Jan Hermansz. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 101)

– 23 okt. 1579: Jan Philipsz., burger van Dordrecht, als oom en voogd van de weeskinderen van Aper Matheusz., verwekt bij Joosgen Philipsdr., verleent procuratie aan Govert van Nederhoven, tollenaar te Arnemuiden, om van de weduwe en erfgenamen van Jacob Stoffelsz. Teerlinck te Vlissingen een bedrag van 9 ponden 6 schellingen en 8 groten te vorderen,welke zij aan genoemde weeskinderen schuldig zijn. (ORA Dordrecht inv. 735, f. 161)

– 1580: de weduwe van Aper Mattheeusz. betaalt in de 50e penning 9 gl. voor haar huis. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3962, f. 23v)

– 26 juni 1584: Joosken Philipsdr., weduwe van Aper Mattheusz. schipper, verkoopt aan Jan Jansz. van Leeuwen het huis op het Groothoofd, waarin hij woont, staande tussen het huis van Thonis Thonisz. Eling en dat van Jan Lambertsz. schipper. Waarborg: Jan Philipsz. lakenkoper. De koper is schuldig aan verkoopster een somma van 1125 Rijnse gl. van 20 stuivers het stuk. Borg: Thonis Jansz. in den Wijngaert. (ORA Dordrecht inv. 715, f. 218 e.v.)

– 31 dec. 1590: Adriaen Apersz. schipper, Lijnken Apersdr., weduwe van Aert Eeuwoutsz., Adriaen Cornelisz., als man en voogd van Marijken Apersdr., Claes Apersz., Quirijn Apersz., Frans Apersz., Cornelis Apersz., Brechtgen Apersdr., en Truijken Apersdr., voor zichzelf en tevens vervangende hun broer Matheeus Apersz., die uitlandig is en hun zuster Geertruijt Apersdr., verklaren dat Jan en Dirck Philipsz. [van Beverwijck], als executeurs van het testament van wijlen Marijcken Adriaensdr., in haar leven vrouw van Reijer Jacobsz. olieslager, hen comparanten volledig hebben voldaan van hetgeen zij hebben geërfd van voornoemde Marijken Adriaensdr. (ORA Dordrecht inv. 719, f. 269v ev.)

– 12 febr. 1591: compareren Joosgen Philipsdr., weduwe van Aper Matheusz., geassisteerd met Jan Philipsz. [van Beverwijck] lakenkoper, voor 1/4 part in de helft, Jacob Cornelisz. voor zichzelf, als enige erfgenaam van zijn overleden moeder, Marijken Theeuw Apersz.,die een dochter was van wijlen Matheus Apersz. , voor drie 1/4 parten in dezelfde helft, Jan Apersz. voor zichzelf en zich sterk makende voor Neeltgen Apersdr. en Susanna Apersdr.[*], zijn zusters, voor 1/5 part in de andere helft, Frans Cornelisz. voor zichzelf voor 2/5 parten in de andere helften tevens zich sterk makende voor de weeskinderen van Ploentgen Jansdr., bij haar verwekt door Cornelis Jacobsz. Visscher, als competerende 1/5 part in dezelfde helft, mitsgaders Jan Adriaensz. en zijn moeder Ariaentgen Pietersdr., die als voorman gehad heeft wijlen Arien Pietersz. Visscher, geassisteerd met haar voornoemde zoon en Neeltgen Cornelisdr., weduwe van Cornelis Danen schuitenvoerder, met haar gekoren voogd, voor het laatste 1/5 part in de andere helft. Comparanten verkopen aan Willem van Beveren, rentmeester-generaal van Zuid-Holland, “alzulke actie en recht” als zijbezitten van een eeuwige huur en erfpacht van 48 morgen land, met twee waterschepen, “visscheriën” en verdere toebehoren, gelegen in de Grote Verdronken Waard in Leerambacht, volgens de brieven daarvan zijnde, gepasseerd voor schepenen van Dordrecht door Gijsbert Duyck Maertensz. t.b.v. Gerit en Pieter Cleijsz. op 28 aug. 1490. (ORA Dordrecht inv. 719, f. 289 e.v.)

* Susanna Apersdr., geboren naar schatting ca. 1550, van Dordrecht (1573, 1577, 1583, 1610), weduwe van Cornelis Rochusz. (1583), weduwe van Jan Jacobsz.schiptimmerman, wonende in de Vriesestraat tegenover het Blindeliedengasthuis (1610), trouwde 1e NG Dordrecht dec. 1573 Adriaen Bastiaensz., van Dordrecht (1573), 2e NG Dordrecht 1 sept. 1577 Cornelis Rochusz., van Dordrecht, 3e NG Dordrecht 27 mrt./ 2 of 12 [sic] april 1583 Jan Jacobsz. schiptimmerman, weduwnaar van Dordrecht (1583), overleden na 27 nov. 1599,4e NG Dordrecht 31 jan./14 febr. 1610 Claes Gijsbertsz., kuiper uit Groningerland wonende in de Vriesestraat bij de weduwe van Evert de Coster (1610)

* 14 aug. 1613: Claes Gijsbertsz. kuiper en Susanna Apersdr., echtelieden en burgers van Dordrecht, verlenen procuratie aan Cornelis Witte, wonende in Dirksland, om uit hun naam “naasting” te verzoeken van 11 1/2 gemeten land in Dirksland, gekocht door Cornelis Lenertsz. Steijl van Hendrick Pietersz. Manesee, alsgetrouwd zijndemet Marijken Tonisdr. Hagenaers en die “naasting” verkregen hebbende hen comparanten voorts in de eigendom van dat land te bevestigen en de kooppenningen daarvan te voldoen. (ONA Dordrecht inv. 8, f. 115)

* 17 okt. 1616: Susanna Apersdr., vrouw van Claes Gijsbertsz. kuiper, burgeres van Dordrecht, verklaart, dat zij met Jan Jacobsz. schiptimmerman, haar vorige echtgenoot, nooit enig ander testament of dergelijke heeft gemaakt dan het testament op 27 nov. 1599 gepasseerd voor notaris Van de Corput. (ONA Dordrecht inv. 53, f. 51)

– 26 febr. 1638: comp. voor notaris J.P. Veekemans te Dordrecht Jacob Jansz. van Beverwijck, ongehuwd persoon [zoon van Jan van Beverwijck Philipsz. en Maria Diert , broer van Maria van Beverwijck, eveneens ongehuwd overleden (Balen, o.c., deel II, p. 980)]. Hij legateert aan Claes Adriaensz. van Dongen en Aert Adriaensz. van Dongen, zijn neven, een bedrag van 6000 gl., aan het gasthuis, weeshuis, Heilige Geesthuis ter Grote Kerk en Oudemannenhuis te Dordrecht, elk 200 gl. enaan Anneken Cornelisdr. van Eijck 700 gl. en zijn beste bed, beddengoed etc. Tot erfgenamen van al zijn overigegoederen benoemt hij tot erfgenamen de kinderen van Truijken Claesdr., verwekt door Cornelis Jacobsz. van Eijck, voor 1/4 part, de kinderen en kindskinderen van Joosgen Philipsdr. van Beverwijck, voor 1/4 part, de kinderen en kindskinderen van Dirck Philipsz. van Beverwijck, voor 1/4 part enhet kindskind van Rogier Philipsz. van Beverwijck, genaamd Anneken Cornelisdr. de Raet, voor 1/4 part, met dien verstande, dat Anneken Cornelisdr. van Eijck, zijn nicht, mag aanvaarden op haar erfportie een huis op het Nieuwe Werck, genaamd “den Eijckenboom”, voor een somma van 1500 gl. Susanna Pani, vrouw van Corstiaen de Lange, zal van de goederen, die zij van testateur komt te erven, alleen het vruchtgebruik genieten. Tot executeurs-testamentair benoemt hij Philips Apersz. van Beverwijck en Jacob van der Eijck lakenkoper, zijn neven, die voor de door hen te nemen moeite een bedrag van 150 gl. zullen ontvangen. (Weeskamer Dordrecht inv. 22, f. 42v e.v.)

Kinderen ex 1 (volgorde onzeker):

a. Adriaen Apersz., volgt IVa

b. Lijnken Apersdr., trouwde Aert Eeuwoutsz.

c. Marijken Apersdr., trouwde vóór 31 dec. 1590Adriaen Cornelisz. (Pecklap) schipper, overleden vóór 7 febr. 1618

Geen nakomelingen.

– 7 febr. 1618: Johannes Gijsius, predikant te Streefkerk, voor zichzelf en in deze vervangende Jan Gillisz. van der Horst, zijn zwager en Jacob Ariensz. [van den Brande], huistimmerman en burger van Dordrecht, voor zichzelf en in deze vervangende zijn broer en zusters, Cornelis Willemsz. blokmaker voor zichzelf en Jacob Adriaensz. en Cornelis Willemsz. nog als bloedvoogden van de nagelaten weeskinderen van Marijcken Ariensdr., bij haar verwekt door Daniël Willemsz., allen erfgenamen van Arien Cornelisz. Pecklap zaliger, verkopen voor 1685 gl.aan Willem Dingmansz. van Bergen, burger van Dordrecht, een huis omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis genaamd “Hemert” en het huis waar uithangt “Nieumegen”. Waarborg: Cornelis Willemsz. blokmaker. (ORA Dordrecht inv. 759, f. 11 e.v.)

Kinderen ex 2:

d. Claes Apersz., geboren ca. 1552, trouwde naar schatting ca. 1575 (vóór6 april 1578) Fijken Jansdr.

– 6 april 1578:op verzoek van Jan Philipsz., als gemachtigde van Claes Apersz., als man van Fijken Jansdr., leggen Geerit Govertsz. glasmaker, ongeveer 31 jaar oud, en Jacob Alewijnsz., ongeveer 26 jaar oud, burgers van Dordrecht en getrouwd met de zusters van Fijken Jansdr., een verklaring af. Geerit Govertsz. zegt, dat op 4 febr. 1578 te zijnen huize bijeengekomen zijnhijzelf, Aerjaentgen Jansdr. en Claes Apersz., als man van Fijken Jansdr. en dat hij toen samen met hen en in aanwezigheid van Cornelis Matthijsz., als man van Neeltgen Jansdr., geloot heeft over de verdeling van de goederen, die nagelaten zijn door Jan Jansz. en Marijcke Coenen, de ouders van zijn vrouw. Aan Claes Apersz. zou volgens hem toen toebedeeld zijn een bedrag van 16 Vlaamse ponden, welke het sterfhuis tegoed heeft van wijlen Frans Anthonisz. van Steenhuijs, de voorman van Neeltgen Jansdr. Jacob Alewijnsz. zegt zeker te weten, dat dat bedrag bij blinde loting is toegevallen aan Claes Apersz. en niet aan Cornelis Matthijsz., omdat die pas daarna met Aerjaentgen [sic] Jansdr. getrouwd is. (ORA Dordrecht inv. 1569, f. 238v)

– 19 april 1578: Cornelis Mathijsz. de Loucker bakker is schuldig aan Claes Apelsz. [sic] 30 gl., daarvoor verbindende zijn huis in de Gravenstraat, staande tussen het huis van Cors Jansz. en dat van Janneken Paeijen. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 260v)

– 19 april 1578: Jan Philipsz., als procuratie hebbende van Claes Appersz.[sic], als man en voogd van Fijken Jansdr., transporteert aan Cornelis Mathijsz. de Loucker alle “acte, recht ende eijgendomme” als hij comparant sprekende heeft op Engbert Lijevens te Breda, aan alzulke 16 ponden groten Vlaams als onder Engbert Lijevens berustende zijn. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 260v)

– ORA Dordrecht inv. 734, f.1v: op 3 mei 1578 verkoopt Jan Phillipsz., als gemachtigde van Claes Apersz., als man van Fijchen Jansdr., aan Jacob Alewijnsz. viskoper de helft van een huis omtrent de Hermantijssteiger aan de havenzijde, staande tussen het huis van Cornelis Cornelisz. bosmaker en het huis van Pieter Huijgesz. schiptimmerman. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 350 gl.

– 1580: Cornelis Jansz. en Claes Apersz. betalen 14 gl. 8 st. in de 50e penning van Dordrecht. (Stadsarchief Dordrecht nr 3, inv. 3962, f. 5v)

– ORA Dordrecht inv. 736, f. 189v: op 3 juni 1581 verkopen Fijcken Cornelisdr., weduwe van Jan Wensen Jacobsz., voor de ene helft, en Thomas Thomasz., als man van Machtelt Wenssen, Damas Jobsz., als man van Thoontgen Wenssen, en Jacob Simonsz. de oude, als man van Aerjaentgen Wensen, allen voor zichzelf en samen tevens vervangende Adriaen Jacobsz., als man van Baertgen Wensen, alsmede de overigekinderen van wijlen Jan Wensen, verwekt zowel bij Aerjaentgen van Megen als bij voornoemde Fijcken Cornelisdr., [voor de andere helft], aan Claes Apersz. schipper een huis op de Vogelmarkt, staande tussen het huis van Henrick Jansz. kleermaker en dat van Jacob Willemsz. vleeshouwer. Waarborgen: Pieter Jansz. kuiper en Jacob Simonsz. de oude voor de helft van de weduwe, en Damas Jobsz. en dezelfde Jacob Simonsz. voor de helft van de kinderen. De koper is schuldig aan verkopers 1440 gl. Borgen: Jan Philipsz. en Trijntge Philipsdr., weduwe van Frans Cornelisz.

– 6 okt. 1585: verklaring op verzoek van Damas Sieren, als grootvader van Genefaes Dircxsz., door o.a. Claes Apersz., 32 jaar oud, deken van het Schippersgilde. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 276v)

– 21 mrt. 1588: verklaring t.b.v. Gillis Rees, koopman en burger van Dordrecht, door Claes Apersz., schipper en burger van Dordrecht, ongeveer 36 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 82)

Kinderen:

d-1. Aeltghen Claes Apersdr., gedoopt NG Dordrecht 20 sept. 1584, trouwde NG Dordrecht 24 okt./14 nov. 1604 (procl. Zwijndrecht)Franciscus Leo Johannisz., van Bommel, predikant te Zwijndrecht (1604)

d-2. NN, gedoopt NG Dordrecht 1 aug. 1591

e.Quirijn (Crijn) Apersz., geboren ca. 1557, bakker en pachter van de brandewijnaccijns te Dordrecht

– 25 febr. 1581: Jan Jordensz. bakker verkoopt aan QuirijnApersz. bakker een huis in de Grote Spuistraat, staande tussen het huis van Fransgen Fransdr. en dat van de weduwe van Willem Egbertsz. Waarborgen: Jorden Dircxsz. en Willem Jordensz., beidenbakkers te Dordrecht. (Jan Jordensz. heeft het huis zelf gekocht van Aert Heijmansz.) Koper is schuldig aan verkoper een somma van 442 Rijnse guldens. Borgen: Jan Philipsz. [van Beverwijk] en Cornelis Cornelisz. molenaar. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 121v)

– 23 april 1587: verklaring door Crijn Apersz. bakker, ongeveer 31 jaar oud en Pieter Ariensz., ongeveer 45 jaar oud, op verzoek van Jan Rutten ’s herendienaar. (ORA Dordrecht inv. 739, f. 140)

– 1590 (dagnummer en maand onleesbaar): Quirijn Apersz. bakker stelt zich borg voor Dirck Willemsz., schipper van Gorinchem. (ONA Dordrecht inv. 1, f. 29 e.v.)

– 2 mrt. 1590: verklaring door Cornelis Cornelisz. molenaar, ongeveer 40 jaar oud en Wael foppen, wonende te Lekkerkerk, ongeveer 24 jaar oud, op verzoek van Quirijn Apersz. bakker, pachter van de brandewijnaccijns, c.s., van wege de Staten van Holland. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 3v)

– 2 mrt. 1590: verklaring op verzoek van Cornelis Cornelisz. molenaar door Quirijn Apersz. bakker, ongeveer 32 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 4)

– 17 jan. 1591: Quirijn Apersz. bakker verkoopt aan zijn broer Mattheeus Apersz. en zijn zuster Aelbrechtgen Apersdr. één twaalfde deel in twee huizen, staande bij de Tolbrug tussen het huis van Adriaen Cornelisz. thesaurier en dat van Anthoenis Willemsz. den Bardel, welkeéén twaalfde deel hemis aangekomen bij overlijden van zijn tante Marijcken Adriaensdr. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 186)

– 13 mei 1591: Quirijn Apersz. bakker verkoopt aan Cornelis Ariensz. azijnmaker een huis in de Spuistraat, staande tussen het huis van Fransgen Frans en dat van Hubert Sanders verver. Waarborg: Cornelis Cornelisz. molenaar. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1316 gl. Borgen: Jan Jansz. Fiot en Willem Ariensz. kuiper. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 239v)

– 25 juni 1591: David de Leu, ongeveer 47 jaar oud en Emanuel van der Steen, 30 jaar oud, verklaren, dat Quirijn Apersz. met mr. Gillis Verkerck op 28 sept. 1589 “compaignie gemaeckt” heeft om 1/6 part in de bieraccijns van wege de stad Dordrecht en de Staten van Holland te pachten. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 270)

f. Frans Apersz., geboren naar schatting ca. 1560

g. Cornelis Apersz.

h. Brechtgen (Alebrechtgen)Apersdr., geboren ca. 1562, ongehuwd

– 22 april 1599: op verzoek van Gerit Daniëlsz. Capiteijn leggen Marijken Pietersdr., vrouw van Cornelis Daniëlsz., ongeveer 53 jaar oud, Marijken Dircken, vrouw van HendrickSegersz., ongeveer 43 jaar oud en Brechtken Apersdr., jonge dochter, ongeveer 37 jaar oud, een verklaring af. (ORA Dordrecht inv. 897, geen folionrs.)

i. Truijken Apersdr.

j. Geertruijt Apersdr.

k. Matheeus Apersz. van Beverwijck, geboren ca. 1567, zeilmakervan Dordrecht (1604),trouwde NG Dordrecht 29 aug./12 sept.1604Soetke Rutten, geboren ca. 1567, weduwe van Laurentz Cornelisz., van Dordrecht (1604),dochter van Rut Cornelisz. kleermakeren Grietken Cornelisdr. (Margarieta Rutten)

– 6 dec. 1582: verklaring door Rutger Cornelisz. kleermaker, ongeveer 47 jaar oud, op verzoek van Dirck Jacobsz. van Beveren. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 410v)

– 13 juni 1605: Mattheeus Apersz. zeilmaker en Trijntgen Philipsdr., weduwe van Frans Cornelisz. Wittens, verkopen voor 300 gl. aan Philips Apersz. elkhun 1/5 part in een huis, staande omtrent de Grote Kerk tussen het huis van de Oude Lombert en het huis van de erfgenamen van wijlen Neeltgen Bastiaensdr. (ORA Dordrecht inv.1584 (nieuw), f. 64v)

– 16 sept. 1613: verklaring door Soetgen Rutten, vrouw van Matheus Apersz. zeilmaker, wonende te Dordrecht, ongeveer 46 jaar oud, op verzoek van Andries van Waijenburch, inwoner van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 170v e.v.)

– 1 jan. 1614: Cornelis Crijnen, ongeveer 20 jaar oud en Pouwels Cornelisz., 19 jaar oud, beiden kleermakersgezellen wonende te Dordrecht, verklaren op verzoek van Nicolaes Huijbrechtsz. kleermaker, dat zij op donderdag laatstleden in de winkel van rekwirant hebben zitten werken en dat toen daar gekomen is Margarieta Rutten, de vrouw van Ruth Cornelisz., die naar de rekwirant vroeg en aangezien hij niet thuis was, tegen de vrouw van de rekwirant zei, dat zij daar gekomen was om aan de rekwirant uit naam van haar “zwager” [= schoonzoon] Matheeus Apersz. te zeggen, dat die “wel te vrede was dat den reqt. in zijn huijs zoude blijven woonen indien hij de derthijen ponden Vlaems jaerlijks wilde geven [en] oock dat hij de naeste zoude wesen voor alle andere.” Toen de rekwirant thuis kwam en dit hoorde, is hij onmiddellijk naar Margarieta Rutten gegaan om haar bescheid te geven.Op de vrijdag daarna heeft hij tegen de deposanten verklaard, dat hij de huur had geregeld en dathij in het huis zou blijven wonen. (ONA Dordrecht inv. 53, f. 37 e.v.)

– 12 okt. 1623: verklaring door Matheus Apersz., ongeveer 56 jaar oud en Dirk Jacobsz., ongeveer 52 oud, op verzoek van Jan Meesters, allen zeilmakers te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 13, f. 527v)

– 2 dec. 1623: Frans van Bonckelwaert en Jan Jansz. Coninck, burgers van Dordrecht, voor zichzelf en vervangende Herman Jenefaesz., burger van Dordrecht, verkopen aan Jan van Slingelant Boudewijnsz. en Hendrick van Bladegom apotheker, als testamentaire voogden van Frans Rutten, zoon van wijlen Grietken Cornelisdr., weduwe van Rut Cornelisz., ten behoeve van Frans Rutten en met consent van Matheus Apersz., als man en voogd van Soetken Rutten en Abraham Mortier, als man en voogd van Bastiaentken Jansdr., die een dochter was van Jan Aertsz., echtgenoot van Machtelt Rutten, “sijne vrunden daer toe mede comparerende”, een huis in de Visstraat, genaamd “het Cromhout”, staande tussen het huis van de weduwe en erfgenamen van Huijch Cornelisz. Nout en het huis van Gerrit Goosensz. viskoper, voor 1500 gl. Kopers verklaeren schuldig te zijn “met bewillinge van vercoopers” aan Willem Jansz. Bijl een somma van 750 gl. te betalen met jaarlijkse termijnen van 200 gl. In margine: compareerde Jan Matheusz. van Beverwijck entoonde de originele brief met kwitantie, waarbij bleek, dat de schuld volledig was voldaan.Schuldbrief derhalvegeroyeerd op 14 juni 1657. (ORA Dordrecht inv. 764, f. 87 e.v.)

– 7 dec. 1623: Matheeus Apersz. zeilmaker, als man en voogd van Soetken Ruttendr., Abraham Mortier, als man en voogd van Bastiaentgen Jansdr., verwekt [door Jan Aertsz.] bij Machtelt Rutten, Johan van Slingelant Boudewijnsz. en Hendrick van Bladegom apotheker, allen erfgenamen van Grietken Cornelisdr., verkopen aan Johan Bom van Cranenborch, brouwer en burger van Dordrecht, een huis op de hoek van de Wijnbrug, staande tussen het huis van Wouter Cornelisz. van de Net en de Wijnbrug. Waarborgen: Matheeus Apersz. en Abraham Mortier. Koper kent schuldig aan verkopers 1200 gl., te betalen met jaarlijkse termijnen van 200 gl. (ORA Dordrecht inv. 764, f. 88)

– 28 juli 1625: extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Mattheeus Apersz. en zijn vrouw Soetgen Rutten, gepasseerd voor notaris J. P. Vekemans [wiens protocollen niet bewaard zijn gebleven]op 24 april 1625. (Weeskamer Dordrecht inv. 17, f. 47v)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

k-1. Aper Mattheusz. van Beverwijck, juni 1605, ongehuwd (Balen, o.c., deel II, p. 980)

k-2. Rut, juli 1607

k-3. Jan Mattheusz. van Beverwijck,jan. 1611, trouwde Geertruijd Maertensdr. Verbrouck (Balen, o.c., deel II, p. 980)

– 14 juni 1657: Jan en Aper Mattheusz. van Beverwijck, als erfgenamen van Frans Rutten, verkopen aan Roelant Stevensz. Scheij het huis “de Crimpert Salm” in de Visstraat (zie pagina “Het huis De Crimpert Salm te Dordrecht” van deze website.)

– 30 nov. 1663: Jan Mattheusz. van Beverwijck, zeilmaker en burger van Dordrecht, bevestigt het testament, dat hij heeft gepasseerd voor notaris A. van Neten op 6 jan. 1660, met uitzondering van de clausule, waarin hij heeft bepaald, dat, indien zijn vrouw na zijn overlijden zich met het vruchtgebruik van zijn na te laten goederen niet “eerlijck” zou kunnen onderhouden, “dat sij alsdan oock het capitael soo veel sou mogen af te steecken en verminderen, als sij tot haer noodich onderhout … behoeftich hebben soude”. Hij bepaalt thans, dat zijn vrouw zijn kapitaal mag verminderen, maar daar alleen haar leven lang het vruchtgebruik van zal mogen genieten, tenzij zij gaat hertrouwen. (ONA Dordrecht inv. 96, f. 421)

Kind:

k-3-1. Soetge, gedoopt NG Dordrecht 10 juli 1657

l. Philips Apersz. van Beverwijck, brouwer in “de Voetboog” te Dordrecht,burgemeester van ’s herenwege(1631, 1634), schepen (1629, 1630, 1633, 1634), weesmeester (1634), gecommitteerde ten beleide van stadszaken (1639), veertig (1626) van Dordrecht (Balen, o.c. deel II, p. 980)trouwde Engeltje Jansdr.van der Burch, geboren ca. 1577, overleden 21 jan. 1656, dochter van Jan van der Burch en Trijntken Fransdr.

– 20 juli 1584: een lijfrente gekocht voor Engelken [Jansdr.] van der Burch, 7 jaar oud, overleden 21 jan. 1656,dochter van Trijntken Fransdr. – 6 ponden. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2446)

– 6 mei 1613: Adriaen Jansz., ontvanger van de gemene middelen “over quartier van Dordrecht” en oud-burgemeester van Dordrecht, Nicolaes Jansz. Cruijdenier, Adriaen Repelaer Anthonisz., Aert Dammert en Pauwels Adriaensz., lid van deoudraad te Dordrecht, als Vaders van het Armen-Weeshuis te Dordrecht, tevens vervangende mr. Bartholomeus van Segwaert Meijnertsz., schepen in wette van Dordrecht, “haeren mede broeder”, verkopen aan mr. Francois van der Burch, “gecommitteert op de Reeckeninge van Hollant” en oudraad te Dordrecht, Abraham van Leeuwen, als man en voogd van Sophia van der Burch en Philips Apersz., als man van Engeltgen van der Burch, een huis genaamd “Sint Jacobs huijs”, staande omtrent de Grote Kerk naast het huis van de weduwe van Dirck Jansz. Constapel en het nieuwe huis van Cornelis van Beveren Jacobsz., schepen in wette te Dordrecht, strekkende voor van ’s herenstraat tot achter op de Nieuwe Haven. Kopers zijn schuldig aan het voornoemde Godshuis een somma van 8000 gl., te betalen alle jaren met 1000 gl., daarvoor verbindende het voornoemde huis(ORA Dordrecht inv. 754, f. 45 e.v.)

– 6 mei 1613: mr. Francois van der Burch, Abraham van Leeuwen, als man van Sophia van der Burch en Philips Apersz., als man van Engeltgen van der Burch, verkopen aan Herman Hallingh het huis genaamd “Sint Jacobs huijs” in de Grotekerksbuurt en een kleiner huis, staande achter het voornoemde grote huis tussen de gang, die toebehoort aan verkopers ten oosten en het huis van Cornelis van Beveren ten westen, voor een bedrag van 3050 gl., waarvan 1200 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 754, f. 47)

– 30 dec. 1613: Philps Apersz., brouwer in de “Voetboog”, verleent procuratie aan Henrick van Vreeswijck, secretaris van Besoijen, om alle kredieten te innen, die hij in het “quaerier van de Langstraet” uitstaande heeft, in het bijzonder van Jan Ariensz. Vorster te Loon op Zand. (ONA Dordrecht inv. 52, f. 36 e.v.)

– 28 okt. 1617: Philps Apersz., “commijs ten comptoire van de heere Rentmeester generael van Suijthollant”, als administrateur van de goederen van Cornelis en Nicolaes van Nes Samuelsz., verleent procuratie aan Sebastiaen Stoffelsz., inwoner van Werkendam, om voor schout enheemraden aldaar ten behoeve van Heijman Adriaensz. of Jan Philpsz, mede wonende te Werkendam, te transporteren zekere kade, genaamd de Slicxkade, strekkende van het erf van Thonis Commersz. tot aan de Werkendamse haven, welke kade Cornelis en Nicolaes hebben geërfd van hun vader Samuel Pietersz. (ONA Dordrecht inv. 53, f. 128v)

– 6 nov. 1620: Abraham van Leeuwen, predikant te Rijswijk en Philips Apersz., brouwer en burger van Dordrecht, als echgenoten van resp. Fijtken en Engelken van der Burch, voor zichzelf en zich sterk makende voor mr. Franchois van der Burch, gecommitteerde raad in het college van de Staten van Holland en West-Friesland, transporteren aan mr. Herman Halling oudraad, Maria Buijsen, weduwe van de rentmeester Johan van de Corput en Dirck Pietersz. van de Honaert, raad in wette van Dordrecht, zeker erf met een huis en mouterij daarop staande, gelegen inde Grotekerksbuurt achter het huis van mr. Herman Halling, belend ten oosten door het huis van juffrouw Van den Corput en Dirck Pietersz. van de Honaert, zuid het huis van mr. Herman Halling en Cornelis van Beveren en west de brouwerij en het erf van verkopers. Herman Halling voor zichzelf en vervangende Maria Buijsen en Dirck Pietersz. van de Honaert, bekent schuldig te zijn aan verkopers een bedrag van 2300 gl., te betalen met jaarlijkse termijnen van 400 gl. (ORA Dordrecht inv. 761, f. 129 e.v.)

– 1622: Philips Apersz. is boekhouder van de diaconie van de NG gemeente te Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 763, f. 91)

– 1626: Philips Apersz. van Beverwijck wordt in de 1000e penning van Dordrecht aangeslagen voor een vermogen van 18.000 gl. (zie Bronnenpublikaties -> 1000e penning van Dordrecht, f. 13)

– 4 mrt. 1630: Clementia van Beaumont, weduwe van Arend Maertensz., ambachtsheer van Oost-Barendrecht en Schobbelandsambacht, benoemt o.a. tot haar erfgenaam Engeltgen van der Burch Jansdr., vrouw van Philips Apersz. van Beverwijck. (ONA Dordrecht inv. 16, f. 207v)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

l-1. Aper, mei 1610

l-2. Wouter, sept. 1611

l-3. Katarina van Beverwijck, mrt. 1613,trouwde Johan van Mewen, burgemeester van Dordrecht (1659) (Balen, o.c. deel II, p. 980)

IIIb. Aper Adriaensz., geboren naar schatting ca. 1520, houthaker te Dordrecht, vermoedelijk overleden vóór 17 juni 1578, trouwde NN

– 2 sept. 1560: Lenert Florisz. visser verkoopt aan Jacob Claesz. een jaarlijkse losrente van 3 gl., verzekerd op een huis buiten de Vuilpoort, staande tussen het huis van Aper Adriaensz. en dat van Cornelis Danen. (ORA Dordrecht inv. 702, akte 2)

– 23 mei 1561: Aper Adriaensz. houthaker verkooptJacob Jansz. schipper een huis met een tuin, staande en gelegen buiten de Vuilpoort tussen het huis van Gherit Gheritsz. en dat vanLenert Florisz. Waarborg Arien Heijmansz. schipper.De koper is schuldig aan verkoper een somma van 38 ponden Vlaams. Borg: Ghoris Jansz.(ORA Dordrecht inv. 724, akten 55 en 56)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Adriaen Apersz. van Mariënburch, geboren ca. 1556, volgt IVb

b. Soetgen Apersdr. (vermoedelijk ongehuwd)

c. Henrixgen Apersdr., overleden vóór 17 juni 1578, trouwde Adriaen Jansz. bakker

– 17 juni 1578: scheiding van de goederen, die zijn nagelaten door Henrixgen Apersdr,tussen Adriaen Jansz. bakker, haar weduwnaar, enerzijds, en Soetgen Apersdr., als tante en Adriaen Apersz., als oom, samen voogden over Aper Adriaensz., onmondig weeskind van Henrixgen Apersdr., bij haar verwekt door Adriaen Jansz., anderzijds. Aan de weduwnaar zijn toebedeeld alle roerende en onroerende goederen, geld, goud, zilver, zowel gemuntals ongemunt, een vijfde deel van een huis bij de Vuilpoort, staande tussen het huis van Govert Jansz. olieslager en dat van Grietgen Simonsdr., een vijfde deel van de huisraad en inboedel, alle gereedschappen, die tot de bakkerij behoren, alle kleren, die Henrixgen heeft nagelaten, ongeveer vier hont land in Heerjansdam, gelegen in het weer genaamd “het Smalweer”, een obligatie ten laste van de weduwe van Evert Aertsz. op Zwijndrecht, en alle in- en uitschulden. Adriaen Jansz. belooft het weeskind te onderhouden tot hij 18 jaar is geworden en zal hem dan een somma van 900 gl. uitkeren. (ORA Dordrecht inv. 734, f. 45v e.v.)

Kind:

c-1. Aper Adriaensz.

IVa. Adriaen Apersz., geboren naar schatting ca. 1545, houthaker te Dordrecht (1568), schipper te Dordrecht (vermeld vanaf 1581), overleden ca. 1597, trouwde naar schatting ca. 1575 Grietje Hermansdr. (alias Grietken Apers), geboren ca. 1546, overleden tussen 1620 en 1626

– 15 aug. 1568: Pieter Claesz., gezworen makelaar te Dordrecht, stelt zich borg voor Aper Adriaensz. houthaker, voor het recht, dat Vastart Jansz. Pijck en Stoffel Aertsz. claimen op 2 ponden Vlaams, welke door Meus Cleijsz. en Sijbrant Pouwelsz., vissers te Papendrecht, geconsigneerd zijn onder Wouter Barthoutsz.,tresorier en schepen te Dordrecht, ten behoeve van Aper Adriaensz. (ORA Dordrecht inv. 726, f. 106v)

– 19 mei 1581: Cornelis Geeritsz. van Nispen verkoopt aan Adriaen Apersz. schipper een erf, gelegen achter zijn (verkopers) beide huizen, het ene genaamd “’s Heeren Ghijsen” en het andere “Cleijn Middelborch”, strekkende van de straat op de Nieuwe Haven tot aan het huis van Cors Jansz. wijnkuiper, belend door het huis van Truijcken Robrechtsdr., weduwe van Jan Robrechtsz. en het huis van Jan den Hogaers. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 100 Rijnse gl. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 177v)

– 16 jan. 1589: verklaring op verzoek van Franck Saert van Goch door Grietgen Hermansdr., vrouw van Adriaen Apersz., ongeveer 43 jaar oud en Willem van Dilsen, ongeveer 33 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 276v)

– 1594 (verpondingsregister Dordrecht): Nieuwe Haven: Adriaen Apersz. schipper -11 ponden 5 st.(ontvangen 7 sept. 1594), belenders: Pouwels Hensborch van Maastricht en mr. Huijbert Balis (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 65v en 66r)

– 26 april 1596: Arien Apersz. schipper verklaart, dat ter bevrijding van de borgtocht, die Jacob Cornelisz. en Arien Cornelisz. Pecklap, burgers van Dordrecht, voor hem comparant gedaan hebben ten behoeve van Wouter Roeloffsz., schipper van Amsterdam, voor zeker “craveelschip”,dat hij comparant tegenwoordig is voerende, hij speciaal verbonden heeft zeker huis op de Nieuwe Haven, staande tussen Truij Moers huis en dat van de weduwe van Pouwels van Hensborch (ORA Dordrecht inv. 744, f. 52v)

– 14 mei 1598: Adriaen Cornelisz schipper als man en voogd van Marijcken Apersdr., voor zichzelf en zich sterk makende voor Brechtgen Aertsdr. [sic],zijn vrouws zuster, verkoopt aan Grietgen Hermansdr., weduwe van Adriaen Apersz., de gerechtetwee 1/3delen van een huis, staande op de Nieuwe Haven tussen het huis van Huijbert Balis en het erf van koopster. Aan koopster komt het resterende 1/3 deel van het door haar gekochtehuis toe. Zij kent schuldig aan verkoper een somma van 533 gl. 6 st. en 20 penn., te betalen met 83 gl. 6 st.. en 5 penn. alle jaren op meidag. (ORA Dordrecht inv. 744, f. 265v)

– 2 okt. 1602: mr. Huijbert Balis en zijn vrouw Sophia [sic], wonende te Dordrecht, verkopen aan dr. Carel Baten medicus een losrente van 48 gl. jaarlijks, verzekerd op een huis en erf, genaamd “het Moerjaenshoofd”, staande op de hoek van de Gravenstraat, tussen het huis van Henrick van den Broucke chirurgijn en dat van Margareta Hermansdr., weduwe van Adriaen Apersz. (ORA Dordrecht inv. 746, f. 163v) [Cf. Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965 (verponding 1594),f. 65v-66r: Op de Nieuwe Haven: Pouwels Hensborch van Maestricht – 15 ponden; Adriaen Apersz. schipper – 11 ponden 5 sch.; mr. Huijbert Balis – 18 ponden 15 sch.; In het Gravenstraatje (“van achter innegaende”) : mr. Henrick [van den Broucke]: 10 ponden; Cors Jansz. wijnkuiper – 15 ponden.]

– 10 mei 1612: Grietgen Hermansdr., weduwe van Adriaen Apersz., is borg voor Cornelis Willemsz. blokmaker, die op die datum een huis koopt achter “de Gulden Osch”, over de straat op de Nieuwe Haven, omtrent de Vleeshouwersstraat, strekkende naar de haven, tussen het stadhuis aan de ene en het erf gekocht door Willem Tuenisz.Verelst metselaar aan de andere zijde (ORA Dordrecht inv. 753, f. 53 e.v.)

– 1620 (verpondingsregister Dordrecht): in het Seborijstraatje [’s Heer Boeijenstraat]: Ariaen Apersz.’ weduwe – 11 ponden 5 st. (ontvangen 3 aug. 1621), belenders: Pieter Schiff van Aken en Michiel Pauwelsz. in den Moriaen (Stadsarchief Dordrecht inv. 3, inv. 3969, f. 70)

– 1626 (verpondingsregister Dordrecht): in het Seborijstraatje: Grietken Apersdr. – 11 ponden 5 st. (ontvangen 18 jan. 1628), belenders: Pieter Schiff en de weduwe van Michiel Pauwelsz. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3970, f. 53v)

– 1626 (1000e penning Dordrecht): op de Nieuwe Haven, de weduwe van Adriaen Apersz. aangeslagen voor een vermogen van 4000 gl. Deinschrijving isdoorgehaald, omdat zij is overleden en de erfenis is verdeeld “buijte de Stadt”. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3975, f. 48)

– 13 mrt. 1631: Isaac Adriaensz. kuiper en Jacob Adriaensz.huistimmerman, burgers van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende Cornelis Willemsz., als man van Brechtgen Adriaensdr., en Geertruijt en Janneken Adriaensdr., en nog als ooms en voogden van de weeskinderen van Mariken Adriaensdr., resp. hun zwager en zusters, allen kinderen en kleinkinderen van Grietken Hermansdr., verkopen voor 1800 gl. aan Pieter Schiff, kruidenier en burger van Dordrecht, een huis met een daarnaast staande loods op de Varkenmarkt, strekkende voor van ’s herenstraat tot aan het huis van de weduwe van Jan van Hingen, staande tussen het huis genaamd “het Moriaenshooft” en het huis van de verkopers. De koper is schuldig aan de erfgenamen van Grietgen Hermansdr. een somma van 1000 gl. Borgen: Pieter Schiff de Oude en Servaes Leendertsz., burgers van Dordrecht. De koper verkoopt aan Cornelis Willemsz., Geertruijt Adriaensdr., Janneken Adriaensdr. en de weeskinderen van Mariken Adriaensdr. een jaarlijkse losrente van 25 gl. Borgen: Pieter Schiff de Oude en Servaes Leendertsz. In margine: comp. Dionijs Smack namens de weduwe van Pieter Schiff en toont de originele brief. Hij verklaart de schuld volledig te hebben afgelost, hetgeen ook blijkt uit een kwitantie, die is gedateerd 7 mei 1672 en ondertekend door Catarina van der Heijden, de vrouw van Aper van den Brande [zie VIb]. Schuldbrief derhalve geroyeerd op 3 nov. 1672. (ORA Dordrecht inv. 768, f. 74 e.v.)

– 1633 (verpondingsregister Dordrecht): “wederom op de Nieuwe Haven”: Geertruijt Apersdr. – geen bedrag vermeld, belenders: Pieter Schiff (voor twee huizen), een huisje van Pieter Schiff de jongen, Pieter Schiff de jonge, eigen (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 75v en 76r)

Kinderen uit dit huwelijk (volgorde onzeker):

a. Brechtgen Adriaen Apersdr., geboren naar schatting ca. 1580, van Dordrecht (1604), trouwde NG Dordrecht 3/17 okt. 1604 (beiden van Dordrecht)Cornelis Willemsz. blokmaker jonggezel van Dordrecht (1604)

Kinderen uit dit huwelijk:

a-1. Willem, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1606

a-2. Arent, gedoopt NG Dordrecht april 1608

a-3. Beateris, gedoopt NG Dordrecht dec. 1611

b. Geertruijt Adriaensdr., geboren ca. 1582

– 9 nov. 1618: Gertruijdt Adriaensdr., ongeveer 36 jaar oud, wonende te Dordrecht, verklaart op verzoek van mr. Moijses van den Brouck, chirurgijn en burger van Dordrecht, dat ongeveer zeven of acht jaar geleden, ten huize van haar moeder Grietken Apers, bij wie zij toen nog inwoonde, bijeengekomen waren de rekwirant, Frans Geemansz. en wijlen Adriaen Apersz., diens zwager en dat rekwirant met Frans Geemansz. tot een overeenkomst is gekomen aangaande”seker accident van breucke”, waarvan Frans Geemansz. door rekwirant is genezen. Zij geeft voor reden van wetenschap, dat zij toen het gezelschap enige kannen bier heeft getapt en gehoord heeft, dat zij tot voornoemde overeenkomst zijn gekomen, maar weet niet hoeveel Frans Geemansz. voor de behandeling zou betalen. (ONA Dordrecht inv. 12, f. 325)

c. Janneken Adriaensdr.

d. Mariken Adriaensdr. (overleden vóór 7 febr. 1618), trouwde Daniël Willemsz.

e.Abraham Adriaensz., gedoopt NG Dordrecht juli 1585, vermoedelijk ongehuwdoverleden vóór 7 febr. 1618 (Hij wordt niet vermeld als erfgenaam van zijn aangetrouwde oom Adriaen Cornelisz. Pecklap. [ORA Dordrecht inv. 759, f. 11])

f. Isaack Adriaensz., gedoopt NG Dordrecht sept. 1587, kuiper te Dordrecht (vermeld 1631)

g. Jacob Adriaensz., mogelijk gedoopt NG Dordrecht 13 juni 1590 (naam van de moeder niet vermeld), volgt Va

IVb. Adriaen Apersz. van Mariënburch,geboren ca. 1556 (ONA Dordrecht inv. 1, f. 2, akte dd 14 aug. 1589), bakker te Dordrecht,eigenaar van het huis “Cleijn Marienborch” in de Gravenstraat te Dordrecht, overleden vóór 9 nov. 1618 (ONA Dordrecht inv. 12, f. 325), trouwde NG Dordrecht 8/22 april 1582 (beiden van Dordrecht)Claerken Willem Ockersdr. (Halling), geboren naar schatting ca. 1560, dochter van Willem Hallincg Okkersz. en Alid van Rosendaal. (Balen, o.c., deel II, p. 1074. Balen noemt ten onrechte als trouwdatum 10 sept. 1614.)

– 13 okt. 1584: Jacob Willemsz. voor zichzelf en Adriaen Apersz. bakker, als man van Claertgen Willemsdr., samen vervangende hun broers en zusters, allen erfgenamen van wijlen Willem Ockersz., verkopen aan Henrick Jobsz. een huis, met opslagplaats, tuin en verdere toebehoren, staande aan de Poortzijde [Grotekerksbuurt] in de Houttuin tussen het huis van de erfgenamen van Jan van Slingelant en het huis, waarin Jan de Vries woont. Koper transporteert aan de weeskinderen van Aeffgen Willemsdr. een losrentebrief van 9 gl. jaarlijks, verleden door Neeltgen Thomasdr. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 51v)

– 17 nov. 1592: Bartholomeus Willemsz. tingieter, Baerthout Baerthoutsz. kruidenier, als man van Trijnken Willemsdr., Adriaen Apersz. bakker, als man van Claertgen Willemsdr., allen erfgenamen van wijlen Willem Ockersz. en tevens vervangende diens overige erfgenamen, transporteren aan Neelken Jansdr., weduwe van Simon Simonsz., wonende te Schoonhoven, een rentebrief verleden op 13 jan. 1587 voor schout en schepenen van Hoencop [Honkoop] door Jan Jansz. en zijn vrouw Aechtgen Willemsdr. t.b.v. Willem Ockersz., inhoudende 8 gl. jaarlijks. (ORA Dordrecht inv. 720, f. 177v)

ORA Dordrecht inv. 745, f. 4v: op 13 okt. 1598 verkoopt Ghijsbrecht Jansz. metselaar voor 1200 gl. aan Adriaen Apersz. bakker een huis in de Gravenstraat, staande tussen het huis van dekoper en dat van Hendrick van Riebeeck schrijnwerker, strekkende van ’s herenstraat tot aan de gang van de Lombard. Koper kent schuldig aan verkoper 838 gl.

– 19 juni 1599: Adriaen Apersz. bakker verkoopt Pijeter Bartholomeusz. wijnkuiper een huis in de Gravenstraat, staande naast “Cleijn Mariënburch”, het huis waarin hij. verkoper, woont, aan de ene zijde en het huis van Henrick van Ribeeck schrijnwerker aan de ander zijde, strekkende voor van ‘s-herenstraat tot achter aan het erf van de Lombard. Waarborg: Thonis Thonisz. Elinck. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1228 gl. te betalen met jaarlijkse termijnen van 100 gl. Borg: Pieter Willemsz. wijnkuiper. (ORA Dordrecht inv. 745, f. 88)

Kinderen (vermeld door Balen t.a.p.):

a. Willem

b. Okker

c. Alid

d. Aper Adriaensz. van Mariënburch, volgt Vb

Va. Jacob Adriaensz. van den Brande, geboren naar schatting ca. 1590, huistimmerman wonende op de Nieuwe Haven naast het huis “de Moriaen” (1615), brandewijnbrander, gezworen reetrekker (1662), overleden ca. 1663, trouwde NG Dordrecht 31 mei/ 28 juni 1615 (beiden van Dordrecht)Agneta Gijsbrecht Jansdr. (Hoogerwerff), gedoopt NG Dordrecht jan. 1594, wonende bij “de Twee Vergulde Brandewijnketels” (1615), dochter van Gijsbert Jansz. en Geertruijd Ariensdr.

– 29 mei 1662: comp. voor notaris A. van Neten te Dordrecht Jacob Adriaensz. van den Brande huistimmerman en Anthonij Molier meester-metselaar, beiden gezworen reetrekkers te Dordrecht, die verzocht zijn door de kinderen en erfgenamen van wijlen Neeltgen Arijensdr. Wijcken, in haar leven echtgenote van Jan Pietersz. schipper, te taxeren zekere twee huizen, door Neeltgen nagelaten en staande in de Torenstraat. Zij hebben het ene huis, staande op de hoek van het Hoefijzersteigertje, getaxeerd op 750 gl. en het andere, dat staat naast “het stalleken”, op 375 gl. (ORA Dordrecht inv. 142, f. 297 e.v.)

– 1 okt. 1664: Geertruijt Jacobsdr. van den Brande en Margarita Jacobsdr. van den Brande, gezusters, beiden “bejaarde, ongehuwde dochters” wonende te Dordrecht, geven ten overstaan van notaris A. van Neten te kennen, dat bij de scheiding van de goederen, nagelaten door hun vader Jacob Adriaensz. van den Brande, in zijn leven brandewijnbrander te Dordrecht,aan comparanteno.a.is aanbedeeld een huis en toebehoren, waar uithangt “de Twee Brandewijnketels”, staande op de Varkenmarkt, naast het huis van kapitein Gerrit van Allevrunden, voor de somma van 6560 gl. “ende nademael de comparanten genegen geworden waren ’t voorsz. huijs int geheel imanden alleen toe te leveren, hebben zij na rijp beraad besloten, dat Margarita het huis zal krijgen voor een somma van 6560 gl. contant en een “recognitie” van 600 gl. Akte door beiden ondertekend. Getuigen: Jan Ghijsbertsz., Apert van den Brande, Abraham van den Brande, Isaack van den Brande en Lambert Leendertsz. kuiper en burger van Dordrecht.(ONA Dordrecht inv. 143)

ORA Dordrecht inv. 1620, f. 153v: op 6 okt. 1664 verklaren Geertruijt Jacobsdr. van den Brande, enerzijds, en Margreta Jacbsdr. van den Brande, anderzijds, dat bij de scheiding van de goederen van hun vader aan Margreta van den Brande is toebedeeld een huis met “brandewijn, spolinge, vercken ende gereetschappen”, staande op de Varkenmarkt.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Warnardus van den Brande, jan. 1616, volgt VIa.

b. Adriana van den Brande, mei 1618, trouwde 1e NG Dordrecht 18 sept. 1644 Pieter de Hooch, 2e Wilhelmus van der Weij

– 17 juni 1654: Wilhelmus van der Weij, wonende te IJsselstein, als getrouwd hebbende Ariaentgen Jacobsdr., de weduwe van Pieter de Hooch, verkoopt aan Leendert Willemsz. Kilsdonck, chirurgijn te Dordrecht, een huis staande op Sint Joost [Aardappelmarkt] bij de Rode Brug te Dordrecht, voor welk huis (inclusief de winkel en enkele geschrijnwerkte kasten)koper belooft aan verkoper te betalen een somma van 1200 gl. contant. Comparant verleent procuratie aan zijn schoonvader Jacob Arijensz. van den Brande, burger van Dordrecht, om voor schepenen van Dordrecht te compareren en daar het huis etc. te transporteren. (ONA Dordrecht inv. 91, f. 618 e.v.)

– 17 jan. 1657: Jacob Arijensz. van de Brande, burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Wilhelmus van der Weij, wonende te IJsselstein, als getrouwd hebbende Adriaentie Jacobsdr., weduwe van mr. Pieter de Hooch, blijkens procuratie verleden voor notaris Johan Schoor op 17 juni 1654, verkoopt aan Leendert Willemsz. Kilsdonck, chirurgijn en burger van Dordrecht een huis, staandeop Sint Joost bij de Roobrug tussen het huis van Jan Pietersz. Gront en dat van Arent Pietersz. van Beaumont. Kent betaald. Promittit quitare. Waarborg: Jacob Arijensz. van de Brande. (ORA Dordrecht inv. 781, f. 5)

Kinderen uit het eerste huwelijk:

b-1. Margriet, gedoopt NG Dordrecht 1647

b-2. Lazarus, gedoopt NG dordrecht 1649

c. NN, mrt. 1620

d. Geertruij, dec. 1621, jong overleden

e. Geertruij van den Brande, jan. 1622, trouwde 1e Laurens Ariensz. van der Graaf, 2e Wijnant Pelsert

– 7 jan. 1669: Abraham Matijsz. Schooff, bakker en burger van Dordrecht, verkoopt voor 250 gl. aan Wijnant Pelsser lakendrappier een tuin en beterschap van erf, gelegen in de laan komende achter het huis, genaamd “Yerlant”, tussen de tuin van Spies en die van Wijnant Jaspers. (ONA Dordrecht inv. 209, f. 11 e.v.)

f. NN, aug. 1623

g. Margarieta (Grietje) van den Brande, sept. 1625, trouwde 1e Lambert Leendertsz. kuiper, 2e NG Dordrecht 3 dec. 1673 Pieter Anthonisz. de Bie, 3e NG Dordrecht 8 nov. 1676 Jacob van der Wal

– 11 okt. 1664: Marguarita van den Brande, wonende te Dordrecht, geassisteerd met Lambert Leendertsz. kuiper, haar toekomstige bruidegom, bekent schuldig te zijn aan haar zuster Geertruijt van den Brande, “bejaarde ongehuwde dochter” een somma van 600 gl. wegens geleende penningen (ONA Dordrecht inv. 143, f. 626 e.v.)

– 23 april 1671: testeert voor notaris H. Smits Margrita van den Brande, huisvrouw van Lambert Leendertsz. kuiper, wonende te Dordrecht, ziek in bed liggende. Zij herroept haar eerdere testamenten, in het bijzonder het testament gepasseerd voor notaris P. de Lairesse te Dordrecht [datum niet vermeld] en benoemt tot universele erfgenamen haar man voor de ene helft en haar broers Warnart, Aper, Abraham en Isaack van den Brande, haar zuster Geertruijt van den Brande en de kinderen van Adriaentgen van den Brande, haar zuster, of bij vooroverlijden hun wettige nakomelingen, voor de andere helft. Tot voogden over haar onmondige nakomelingen benoemt zij haar broers Warnart en Isaack van den Brande en haar zwager Laurens van de Graeff. Zij tekent met een merk. (ONA Dordrecht inv. 211, f. 154 e.v.)

– 23 aug. 1673: Grietje Lamberts, vrouw van Jan van Kemp, kuiper te Dordrecht, verklaart op verzoek van Warnaert van den Brande c.s., dat zij acht jaar lang, tot mei 1673, als dienstmaagd gewoond heeft bij Grietje van den Brande, weduwe van Lambert Leendertsz. kuiper, burgeres van Dordrecht, zuster van de rekwiranten en dat zij gedurende die tijd”heeft bevonden dat d’voors hare meesteresse, doorgaens somwijlen twee a drie weecken dach aen dach, sonder eenige intermissie haer in gedistileerde wateren en andere stercken drancken, droncken heeft gedroncken, in sulcker voegen dat zij veeltijts soo onbequaem en stomdroncken was, dat zij noch gaen noch staen, noch spreecken conde, veel min bequaem was haer neeringe ofte huijshoudinge waer te nemen, hebbende zij getuijge haer dickwils uijt de winckel ende voorhuijs naer binnen, half slepende en halff dragende moeten brengen ende alsoo te bedde, op kussen ofte stoelen ter neder leggen, om uijt te slapen, en ongelucken voor te comen.” De attestante verklaart voorts, dat de rekwiranten en hun echtgenotes altijd “met alle minne en vruntschap” geprobeerd hebben Grietje van haar “dronckenschap en quaet en ongeregelt leven” af te brengen en dat half mei 1673, voordat zij, getuige, vertrokken is, Grietje op een nacht “haer als uijtsinnich aenstelde” en dat zij met geweld in bed gehouden moest worden, waarna zij ’s anderendaags op advies van de artsen adergelaten moest worden. Toen zij vervolgens verbonden was, beeldde zij zich in, dat er iemand in de kamer was, terwijl er helemaal niemand te zien was en riep zij “siet daer, siet daer is hij.” (ONA Dordrecht inv. 234, f. 268 e.v.)

h. NN, april 1628

i. Apert van den Brande, okt. 1630, volgt VIb

j. Abraham van den Brande, okt. 1633, volgt VIc

k. Isaack van den Brande, mrt. 1636, volgt VId

Vb.Aper Adriaensz. van Mariënburch, geboren naar schatting ca. 1590, jongman (1620), loodgieter te Dordrecht, overleden Dordrecht 12 april 1636, begravenin de Augustijnenkerk ald. (graf 52: Nelemans, o.c., p.),trouwde Gerecht Dordrecht [onderscheiden gezindten] 1/18 okt. 1620 (de bruidegom geassisteerd met zijn oom Frans Gemansz. en de bruid met Alidt van Beverwijck, weduwe van Dominicus Boot) Aeltgen Cornelisdr. van Beverwijck, jonge dochter (1620), weduwe van Aper Arijensz. van Mariënburch (1638), dochter van Kornelis van BeverwijckDirksz. en Margarita Lubert Revertsdr., trouwde 2e Gerecht Dordrecht 14 mei/3 juli 1638 (de bruidegom geassisteerd met Franchois Sijmensz. in der Velde, zijn neef en de bruid met Wilhelmina van der Steen [getrouwd met Revert Cornelisz. van Beverwijck], haar schoonzuster)Hendrick van den Eijnde, wonende te Utrecht (1638)

Kinderen:

a. Kornelis van Mariënburch (Balen, o.c., deel II, p. 981)

b. Maria Apersdr. van Mariënburch, geboren naar schatting ca. 1625, trouwde Gerecht Dordrecht 10 dec. 1653/7 jan. 1654 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Jan Croonenburch)Willem Jansz. Croonenburch, jongman geboortig van Dordrecht (1653)

VIa. Warnard(us) Jacobsz. van den Brande, gedoopt NG Dordrecht jan. 1616, wijnkoopman, lid van de Veertigen en de Oudraad van Dordrecht, trouwde Sliedrecht 4 april 1649 Tanneken de Hoogh, gedoopt NG Dordrecht aug. 1622, dochter van mr. Lazarus de Hoogh, chirurgijn te Dordrecht en Adriaenke Ariensdr.

– 12 dec. 1610: ondertrouwd mr. Lazarus Pietersz. de Hooge chirurgijn van Breda en Adriaenken Adriaen Hubrechtsdr. van Dordrecht, wonen in “de Munnick” bij het Groothoofd, getrouwd op 2 jan. 1611 (NG trouwboek Dordrecht)

– 22 febr. 1680: Tanneken de Hooch, weduwe van Warnaert van den Brande, koopvrouw te Dordrecht, benoemt tot voogden over haar minderjarige erfgenamen haar broer Alexander de Hoogh, veertigraad van Dordrecht, haar schoonzoon Cornelis Nierharen, koopman te Dordrecht, en haar zoon Adriaen van den Brande, eveneens koopman te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 241, f. 54 e.v.)

– 29 nov. 1685: Elisabeth Verplouch, weduwe van kapitein Bartholomeus de Toutlemonde, koopvrouw en burgeres van Dordrecht, verhuurt voor 35 gl. per jaar aan Tanneken de Hoogh, weduwe van Warnaert van de Brande, koopvrouw en burgeres van Dordrecht, de wijnkelder vanhaar huis, uitkomende in de Vleeshouwersstraat. (ONA Dordrecht inv. 244, f. 129)

– 17 febr. 1705: Tanneke de Hoogh, weduwe van Warnard van den Branden wijnkoper geeft procuratie aan Adriaen van de Brande wijnkoper om voor schepenen-commissarissen van Dordrecht te verklaren, dat zij op 18 jan. 1704 geen 1000 gl. gegoed was en dat zij thans evenmin 1000 gl. gegoed is. (ONA Dordrecht inv. 644, akte 9)

– 28 mrt. 1705: Anneken [sic] de Hoogh, weduwe van Warnard van den Brande, in zijn leven wijnkoper te Dordrecht, verleent procuratie aan haar zoon Adriaan van de Brande, wijnkoper te Dordrecht, om voor schepenen van Dordrecht aan Margrita Mes, weduwe van Adriaan de Haan, burger van Dordrecht, te transporteren een wel beplante tuin, gelegen omtrent de Noordendijk op grond van de ambachtsheerlijkheid de Merwede, tussen de tuin van Adriaan Baan kamerbewaarder en de tuin van David Stevense. De tuin is verkocht voor 200 gl. Comparante tekent met haar initialen (TDH). (ONA Dordrecht inv. 644, akte 13)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Adriana van den Brande, 1 april 1650, jonge dochter van Dordrecht, wonende in de Schrijversstraat (1671), begravenDordrecht (Grote Kerk) 21 juni 1715 (Adriana van den Brande, weduwe van Cornelis Nierhaeren, wonende in de Nieuwstraat, met koetsen),trouwde NG Dordrecht 24 mei/9 juni1671 Cornelis Nierharen (Nierhaven), jongman van Dordrecht, wijnkoper wonende in de Nieuwstraat (1671)

– 15 april 1715: testament van Adriana van den Brande, weduwe van Cornelis Nierharen, wonende te Dordrecht. Zij benoemt tot haar universele erfgenamen haar drie kinderen Jacob Nierharen, Tanneken Nierharen, echtgenote van Barent Regters en Govert Nierharen. Zij wil, dat haar zoon Jacob (of bij vooroverlijden diens kinderen)vóór de scheiding van haar nalatenschap in de gemeenschappelijke boedel inbrengt een somma van 400 gl., die hijhaar schuldig is volgens een onderhandse obligatie dd 20 mrt. 1704, ondertekend door hem en zijn vrouw Anna Verpoorten, voortseen bedrag van 100 gl., volgens de obligatie daarvan zijnde, gedateerd 9 okt. 1704,met de daarop verlopen interesten, die sedert 1708 niet meer betaald zijn en tenslotte een bedrag van 122 gl., die zijvoor haar zoon voorgeschoten heeft. Als hij die bedragen niet in de gemeenschappelijke boedel inbrengt, moet het totaal daarvanaan zijn erfportie gekort worden. Testatrice legateert aan haar zoon Govert een bedrag van 200 gl, een bed met toebehoren, vier paar lakens, vier paar “fluweijnen”, het linnengoed, dat aan haar oveleden man toebehoord heeft,twee dozijn servetten en vier handdoeken. Aan haar dochter Tanneken Regters maakt zij een bedrag van 100 gl. Zij verklaart, dat zij haar zoon Jacob voldaan heeft van zijn “vaderlijk bewijs”,t.w. een somma van 333 gl. en 7 st. Tot voogden en executeurs-testamentair benoemt zij haar zwager Govert Nierharen, die in het Oudemannenhuis te Dordrecht woonten haar broer Adriaan van den Brande, eveneensinwoner vanDordrecht. (ONA Dordrecht inv. 791, akte 17)

ORA Dordrecht inv. 1646, f. 43v: op 20 juli 1715 verkopen Govert Nierhare en Adriaen van den Branden, burgers van Dordrecht, als executeurs-testamentair van Adriana van den Branden, weduwe van Cornelis Nierhare, voor 880 gl. aan Abraham Targier, burger van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat, staande tegenover de Latijnse School tussen het huis van Adriaen van Niewervaert en dat van Jan Klaasz. Catthelijn.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht)

a-1. Elijsabeth, 1 sept. 1673, jong overleden

a-2. Govert, 20 mei 1672, jong overleden

a-3. Jacobus Nierhare, 31 okt. 1674, trouwde Anna Verpoorten

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 98: op 3 okt. 1730 verkoopt Aletta van Rijn, weduwe van Jesaias Dalibert, koopvrouw te Dordrecht, voor 300 gl. aan Jacobus en Cornelis Nierharen, burgers van Dordrecht, een huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van mr. Govert van Slingeland Bartoutsz. en het huis van Jan van Wageningen.

a-4. Elisabet, 5 jan. 1677, overleden vóór 15 april 1715

a-5. Tanneke Nierhare, 17 jan. 1679, trouwde Barent Reghters

ORA Dordrecht inv. 1651, f. 94: op 15 jan. 1728 verkoopt Tanneken van Nierhare, weduwe van Barent Regters, erfgenaam van haar broeder Govert van Nierhare, voor 400 gl. aan Weijnand van Vessem, wonende te Dordrecht, een huis in de Doelstraat, aan één zijde belend door het huis van Pieter en Jan Kloens.

ORA Dordrecht inv. 1651, f. 210: op 3 mei 1729 verkoopt Tanneke Nierhare, weduwe van Barent Regters, wonende Dordrecht, erfgename van Adriaan van den Branden, gewoond hebbende en overleden te Dordrecht, voor 1400 gl. aan Adriaan Onderdelinde, koopman te Dordrecht, een huis in de Boomstraat, staande tussen de ingang naar het Bolwerk en het huis van Marija de Hoogh.

a-6. Govert Nierhare, 10 juni 1681

b. Adriaan van den Brande, 9 dec. 1651, koopman te Dordrecht, regent van het Koningshofje aldaar, ongehuwd overleden in of na 1728.

Geen nakomelingen.

– 16 dec. 1695: comp. voor notaris J. van Bijwaert Jan Fransz. van der Boeff, Johan van Bergen, Melis Cornelisz. van Blesgraeff en Adriaen van den Brande, burgers van Dordrecht. Zij verhuren als regenten van de Hof van Adriaen Dircxsz. Coninck [Koningshofje bij de Mariënbornstraat, door Adriaen Dirksz. Coninck gesticht in 1586 t.b.v. arme oude vrouwen] aan Willem Leenheer en Arie Ariensz. Salij, wonende onder resp. Zwijndrecht en Heerjansdam, een stuk land van 7 morgen, dat ligt onder de jurisdictie van Heerjansdam. (ONA Dordrecht inv. 398, f. 288 e.v.)

– 30 jan. 1702 comp. Adriaen van den Brande, koopman te Dordrecht, “als oudste Gifter en Collatoir van de naer volgende landerijen”. Hij verklaart verhuurd te hebben aan Willem Leenheer en Arien Ariensz. Salij, wonende onder het Volgerland van Zwijndrecht en Heerjansdam, 7 mrg. land, t.w. 4 mrg. weiland en 3 mrg. weiland gelegen onder Heerjansdam, voor zeven achtereenvolgende jaren voor 68 gl. per jaar.(ONA Dordrecht inv. 630, akte 10)

– 23april 1718: comp. Adriaen van den Branden, koopman te Dordrecht. Hij legateert aan zijn zuster Agnita van den Branden, de vrouw van Jacob van den Branden, een bedrag van 300 gl., aan zijn neef Jacob Nierhare 100 gl. en aan zijn neef Govert Nierhare 200 gl. Tot zijn universele erfgenaam benoemt hij zijn nicht Tanneken Nierhare, de vrouw van Barent Reghters, wonende te Dordrecht. Tot voogd over zijn minderjarige erfgenamen stelt hij aan Barent Reghters. Hij tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 680, akte 44)

– 30 april 1718: Adriaen van den Branden, koopman te Dordrecht, verhuurt aan Jan Arentsz., burger van Dordrecht, een huis in de Boomstraat, staande op de hoek van het Bolwerk, voor 125 gl. per jaar. Voorwaarde is, dat verhuurder de beneden-achterkamer van het huis mag blijven bewonen en dat in het voorhuis een schilderij zal moeten blijven hangen, datvoorstelt de Ark van Noach. (ONA Dordrecht inv. 680, akte 47)

– 2 april 1728: voorwaarden, waarop Adriaen van den Branden, wonende te Dordrecht, wil verkopen een “schoone” woning, genaamd “Hooghstee”, bestaande uit een woonhuis, grote schuur, nieuwe keet, tuin en twee boomgaarden, staande en gelegen aan de Waalweg onder de jurisdictie van Sandelingenambacht, belend noord de Waal, oost Heijmen Rost, zuid de weg en west de Waal. (ONA Dordrecht inv. 690, akte 48, f. 128 e.v.)

– 19 april 1728: Adriaen van den Branden, wonende te Dordrecht, verleent procuratie aan Jan Verboor, wonende te Dordrecht, om voor schepenen van Sandelingenambacht te transporteren aan Andries Polderdijck, bouwman te Sandelingenambacht, een woning genaamd “Hooghstee”. Hij tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 690, akte 54, f. 171 e.v.)

– 28 mei 1728: Adriaen van den Branden verhuurt aan Andries Polderdijk, bouwman wonende onder het Ambacht, 16 mrg. wie- en zaailand, liggende onder Sandelingenambacht, voor zeven achtereenvolgende jaren. De huurder zal daarvoor jaarlijks 16 gl. per morgen betalen. (ONA Dordrecht inv. 690, f. 249 e.v.)

c. Marijken, 14 nov. 1653

d. Lazarus, 14 febr. 1655

e. Jacob, 22 jan. 1657

f. Warnard, 22 jan. 1657

g. Agnietje van den Brande, 2 sept. 1658, trouwde Dordrecht 1 jan. 1691 Jacob Apertsz. van den Brande (VIa)

h. Janneken (Tanna, Tanneken)van den Brande,30 jan. 1660, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Schrijverstraat (1691),begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 10 mei 1687 (Nelemans o.c., p. 95), trouwde NG Dordrecht/Sliedrecht 9/23 mrt. 1687 Michiel van der Monde, gedoopt NG Dordrecht 23 mrt. 1661, jongman van Dordrecht wonende bij de Grote Kerk (1687), wijnkoper, zoon van Jeremias van der Monde en Heijltie Staeckmans

– 11 sept. 1687: testament van Machiel van der Monde, koopman te Dordrecht en zijn vrouw Tanneken van den Brande. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zal gehouden zijn de kinderen bij mondigheid of eerder huwelijk een bedrag van 500 gl. uit te reijken. (ONA Dordrecht inv. 548, geen folionrs.)

– 6 okt. 1688: testament van Jeremias van der Monde, gezworen reetrekker te Dordrecht en Heijltge Staeckmans, zijn vrouw. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden, die o.a. gehouden zal zijn hun nog minderjarige dochter Geertruijt van der Monde, wanneer zij gaat trouwen, een somma van 2500 gl. uit te reiken, zoals zij ook aan hun zoon Michiel van derMonde gegeven hebben, toe hij ging trouwen met Tanneken van den Brande. (ONA Dordrecht inv. 172, f. 267 e.v.)

– 23 juli 1696: comp. voor notaris J. van Bijwaert te Dordrecht Michiel van der Monde en verklaart, dat hij krachtens het testament, door hem en zijn inmiddels overleden vrouw Tanneken van den Branden gepasseerd op 11 sept. 1687 voor notaris F. Beudt te Dordrecht, tot voogd over hun minderjarige zoontje heeft gesteld zijn vader Jeremias van der Monden en zijn zwager Adriaen van den Branden, koopman en burger van Dordrecht. (Weeskamer Dordrecht inv. 29, f. 108)

i. Warnard, 7 juli 1661

j. Mr. Pieter van den Brande, 14 jan. 1664, stadschirurgijn te Dordrecht, diaken van de NG gemeente aldaar (1701), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 21 april 1718 (Pieter van den Brande, op de Boom, met één koets boven het getal),trouwde Dordrecht 14 nov. 1689 Johanna de Hoogh, gedoopt NG Dordrecht 19 juni 1661, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 9 mei 1697 (een baar voor de vrouw van mr. Pieter van den Brande op de Boom, twee maal luiden),dochter van Alexander de Hoogh en Elisabeth Pauli

– 23 juni 1692: begraven een kind van Pieter van den Branden chirurgijn op de Boom (begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 20 april 1696: begraven een kind van mr. Pieter van den Branden op de Boom (begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 12 april 1718: (testateur verklaart onder de 4000 gl. in de 200e penning aangeslagen te zijn): Pieter van Brande, stadschirurgijn te Dordrecht, gezond van geest en lichaam, testeert. Hij benoemt zijn broer Adriaen van den Brande, wonende te Dordrecht, tot zijn enige en universele erfgenaam en sluit de Weeskamer te Dordrecht uit van zijn nalatenschap. Testateur tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 830, akte 14, f. 81 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

j-1. Tanneken (Tanna) van den Brande, 31 aug. 1693, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 25 juli 1715 (Tannike van de Brande, jonge dochter, op de Boom, één koets boven het getal)

– 8 mrt. 1715: Tanna van den Brande, jonge dochter wonende te Dordrecht, maakt haar testament. Zij benoemt tot universeel erfgenaam haar vader Pieter van den Brande, meester-chirurgijn te Dordrecht. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 677, akte 25, f. 79 e.v.)

j-2. Elisabeth, 25 okt. 1694, jong overleden

VIb. Apert Jacobsz. van den Brande, gedoopt NG Dordrecht okt. 1630, jongman van Dordrecht wonende bij de Blauwpoort, kuiper (1665), wijnkoopman, tapper, waard in “de Jager”, trouwde NG Dordrecht 12/26 juli 1665 Catharina van der Heijden, van Dordrecht, weduwe van Cornelis van der Kevij, wonende bij het Stadhuis (1665)

– 12 febr. 1685: Apart van den Brande, burger van Dordrecht, verkoopt aan Jan Ariensz. Geervliet, wonende in de polder van Wieldrecht, een stuk land van 6 mrg. en 215 roeden, welk land is gelegen in de Oude Mijlpolder naast de Schenkeldijk, strekkende van de Schenkeldijk tot achter aan de dijk van de Oude Mijlpolder en dat is verpacht aan Abraham van der Linden en Willem Vroman. Hetbetreft een stukleenland, dat leenroerig is aan de ambachtsheer of ambachtsvrouw van de Mijl. Koper zal hiervoor aan verkoper een somma van 1900 gl. betalen, waarvan 1100 gl. contant en de rest te voldoen methet verlijden van een custingbrief. Apart van den Brande verleent procuratie aan Samuel de Heijer van Zevender, thesaurier van het Groot Comptoir der stad Dordrecht, om te compareren voor stadhouder en leenmannen van de ambachtsheerlijkheidde Mijl en daar afstand te doen van het leenland aan Jan A. Geervlieten “behoorlijcke brieven van investiture en verlij” te passeren. Akte door koper en verkoper ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 485)

– 6 mrt. 1698: Apert van den Branden, burger van Dordrecht, laat publiekelijk veilen een hecht, sterk, aanzienlijk en wel ter nering staand huis aan de Groenmarkt, vanouds genaamd “het Jagertie”, staande tussen het huis van de juffrouwen d’Toelemonde en dat van Barent Vonck meester-zilversmid. Het huis heeft een vrije uitgang in de Vleeshouwersstraat. (ONA Dordrecht inv. 593, 55 e.v.)

Kinderen:

a. Jacob, gedoopt NG Dordrecht 8 mei 1666

b. Jacob Apertsz. van den Brande, gedoopt NG Dordrecht 13 aug. 1667, volgt VIIa

VIc. Abraham van den Brande, gedoopt NG Dordrecht okt. 1633,wijnkoper,begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 28 sept. 1675 (Nelemans, o.c., p. 139), trouwde NG Dordrecht 16 mrt. 1658 Harmke (Hermken) Willems, gedoopt NG Dordrecht juli 1638, dochter van Willem Aertsz., Rijnschipper en Joosje Schalcken, trouwde 2e Jacobus van der Heijden, tavernier te Dordrecht

– 9 juli 1660: Willem Aertsz., Rijnschipper en burger van Dordrecht, weduwnaar van Jorisken Schalcken, enerzijds en Jacob Dircxsz. en Abraham van den Brande, als man van Ermken Willemsdr., anderzijds, verklaren overeengekomen te zijn, dat het huis, staande op het Nieuwe Werck tussen het huis van Jan Staessen en dat van [sic], welk huis behoort tot de boedel van Willem Aertsz. en wijlen Jorisken Schalcken, resp. de stief- en behuwd vader en moeder en schoonmoeder van hen, tweede comparanten, toebedeeld zal worden aan Willem Aertsz. Laatstgenoemde is schuldig aan Boudewijn Onderwater, oudraad van Dordrecht, een bedrag van 1400 gl. (ORA Dordrecht inv. 782, f. 119v e.v.)

– 2 okt. 1662: Abraham van den Brande, wijnkoper en zijn vrouw Hermken Willems, burgers van Dordrecht, beiden gezond, benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd, op voorwaarde, dat die langstlevende hun kinderen zal opvoeden, alimenteren etc. tot hun mondigheid of eerder huwelijk of tot het moment, waarop zij in staat zijn zelfstandig de kost te verdienen. Bij hun huwelijk zulllen de kinderen van de langstlevende een bedrag van 300 gl. ontvangen. Beiden zetten hun handtekening. (ONA Dordrecht inv. 141, f. 469 e.v.)

– 10 okt. 1702: inventaris van de goederen nagelaten door Hermken Willems, laatst echtgenote van Jacobus van der Heijden, tavernier en burger te Dordrecht, eerder gehuwd geweest met Abraham van den Branden, gemaakt op verzoek van Jacobus van der Heijden, voor zichzelf, Jacobus van den Branden, burger van Dordrecht, Willem van Dalen, als echtgenoot van Agenietje [sic] van den Branden, Jan Jansz. Vrolijk, als man van Joostken van den Branden, beiden schippers en burgers van Dordrecht en Gosuinus van Beest, wijnkoper te Dordrecht, als voogd over Govert van Vugt, minderjarige zoon van wijlen Jacomijntgen van den Branden, allen kinderen resp. kleinkind en erfgenamen ex testamento van Hermken Willems. De boedel isbeschreven door de Dordtsenotaris J. van Bijwaert op 10 okt. 1702.

Tot de boedel behoort o.a. een huis, genaamd “de Goude Leeuw”, staande bij de Vuilpoort tussen de Vuilpoort aan de ene zijde en het huis van Frans Boon aan de andere zijde. Het is belast met een hypotheek van 1500 gl. t.b.v. Jan van der Kruijs.

In het huis bevindt zich o.a. een “geweer bort daer op leggende een musquet, een snaphaen, twee pistolen en een karbijn.”

Alle bovengenoemde comparanten tekenen met hun naam, behalve Joostken van den Branden, die tekent met een rondje.

(ONA Dordrecht inv. 405, akte 132, f. 394 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Angenietje (Agnita)van den Brande, 17 jan. 1659, begraven in de Augustijnenkerkvan Dordrecht 11 sept. 1727 (Nelemans, o.c., p. 139),trouwde 1e Jan Govertsz., 2e Gerecht/NG Dordrecht 17 april 1698 Willem Willemsz. van Dalen

Kinderen (ex 2, allen NG gedoopt te Dordrecht):

a-1. Willem, 8 febr. 1691

a-2. Neeltjen, 12 mrt. 1693

a-3. Hermken, 18 nov. 1695

a-4. Jacomijna, 6 mei 1700

– 29 sept. 1727: begraven Angenieta van den Brande, vrouw van Willem van Dalen, buiten de Spuipoort op de Hellingen, zonder wezen volgens verklaring van Neeltie van Dalen, haar dochter. (Weeskamer Dordrecht inv. 114, f. 73)

b. Cornelis, 10 mei 1660, vermoedelijk begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 14 febr. 1674 (Nelemans, o.c., p. 139)

c. Joosje (Josina)van den Brande, 10 mei 1662, begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 27 jan. 1748 (Nelemans, o.c, p. 139),trouwde NG Dordrecht 13 april 1684 Jan Vrolijk, schippersgast (1684)

– 29 juni 1736: Jacob van der Sluijs, schipper en burger van Dordrecht is schuldig aan Josina van den Brande, weduwe van Jan Vrolijk de Oude een somma van 1200 gl. wegens geleende penningen. Borgen: Frederik van den Bergh en zijn vrouw Aeltie van Tiel. (ONA Dordrecht inv. 959, akte 47)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

c-1. Elisabeth, 29 juni 1685

c-2. Hermina, 4 mei 1689

c-3. Jenneken, 2 nov. 1693

c-4. Abraham, 24 juli 1695

c-5. Abram, 4 okt. 1699

d. Jacobus Abrahamsz.van den Brande, 26 sept. 1664,jongman van Dordrecht wonende aan de Vuilpoort (1689), weduwnaar van Dordrechtwonende buiten de Sluispoort (1701), meester-schiptimmerman, begraven Dordrecht(Augustijnenkerk) 13 aug. 1723 (Jacob van den Brande, bij de Vuilpoort, met koetsen)trouwde1e NG Dordrecht/Cillaarshoek 8/22 mei 1689 Pieternella (Jansdr.) van Aardenbroek (van Aerlebrock), gedoopt NG Dordrecht 2 okt. 1637,weduwe wonende in de Vriesestraat (1689),begraven Dordrecht (Augustijnenkerk) 29 mrt. 1700 (Pieternelitie van Aerdenbroek, huisvrouw van Jacob van den Brande, achter in de Vriesestraat), dochter van Jan Melsz., meester-linnenwever en deken van het linnenweversgilde te Dordrechten Grietgen Jansdr., trouwde 1eNG Dordrecht 1 mrt. 1671 Claas Hendriksz. Stoop, gedoopt NG Dordrecht juni 1641, wijnkuiper, begraven Dordrecht 28 nov. 1688,zoon van Hendrick Claasz. Stoop en Ariaentgen Dircks. Jacobus van den Brandetrouwde 2e Gerecht/NG Dordrecht 6/21 febr. 1701 Catharina van der Kamp, weduwe van Adriaen Jansz.van Vecht, van Dordrecht, wonende op de Elfhuizen (1701)

Geen nakomelingen.

– 15 mei 1691: Wouter van Hemert, meester-metselaar te Dordrecht, getrouwd met Maeijken Aertsdr. [Smits], weduwe van Isaac Dircxsz. Vermandel, verkoopt aan Pieternella van Aerlebrock [sic], vrouw van Jacob van den Brande, een huis in de Vriesestraat, staande tussen de Armenhof en het huis van ds. Johannes Coxius, emeritus predikant van Molenaarsgraaf, voor een bedrag van 600 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 797. f. 30v e.v.)

– 12 febr. 1692: Johannes van Aerdenbroeck, meester-servetwerker te Dordrecht, als procuratie hebbende van Grietje Jansdr., weduwe van Jan Melsz. van Aerdenbroeck, zijn moeder, verkoopt aan Aert Jaspersz. Visser, burger van Dordrecht, een huis op de Lindengracht [thans Museumstraat], staande tussen het huis van de kinderen en erfgenamen van Jan van der Linde zaliger en het huis van de kinderen en erfgenamen van Willem Pietersz. Nieukerck, voor 560 gl. contant. Johannes van Aerdenbroeck, Jacobus van den Brande, getrouwd met Pieternella van Aerdenbroeck, Mels van Aerdenbroeck en Maria van Aerdenbroeck, bejaarde ongehuwde dochter, verklaren zich te stellen als waarborgen voor de levering van dit huis. (ORA Dordrecht inv. 797, f. 83v)

– 4 mei 1700: compareren Jacob van den Brande, meester-schiptimmerman en burger van Dordrecht, voor zichzelf en als weduwnaar van Pieternella van Aardenbroek, eerder weduwe van Nicolaas Stoop en Hendrik Stoop, burger van Dordrecht, enige nagelaten zoon en met Jacob van den Brande erfgenaam van Pieternella van Aardenbroek, zijn moeder zaliger. Zij verkopen aan Gillis Schuttel, meester-huistimmerman te Dordrecht, een huis met twee separate woningen daarachter en naast, staande in de Vriesestraat omtrent de Mennebrug tussen de Armenhof en het huis van [naam niet vermeld] voor 840 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 802, f. 161 e.v.)

– 4 febr. 1701: Jacob van den Brande, meester-scheepstimmerman,weduwnaar van Petronella van Aardenbroeck en diens aanstaande vrouw Katarina van de Kamp, weduwe van Adriaen van Vecht, passeren huwelijkse voorwaarden. Zij zullen tot “onderstand” van hun huwelijk inbrengen alle goederen, die zij op dat moment bezitten. Daarvan zullen zij te zijner tijd een inventaris op laten maken. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. Hij tekent, zij zet een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 705, f. 44 e.v.)

– 16 dec. 1702: Jacobus van den Branden, tavernier en burger van Dordrecht, en zijn vrouw, Caatje Jansdr. van de Camp, burgers van Dordrecht, verklaren schuldig te zijn aan Aalbertje Verkaag, de vrouw van Gerrit van der Kruijs, een somma van 1500 gl., verbindende een huis buiten de Vuilpoort, waar uithangt “de Gouden Leeuw”,staande tussen die poort en het huis van Frans Boon, burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 1639, f. 161 e.v.)

– 25 nov. 1713: Jacobus van den Branden, deken en boekhouder van het scheeptimmermansgilde te Dordrecht, ziek in bed liggende, testeert ten overstaan van notaris H. van Wetten. Hij legateert aan zijn stiefzoon Gerrit van Vecht al zijn kleren, aan zijn zuster Agnietje van den Branden, vrouw van Willem van Daelen, een bedrag van 500 gl. en aan zijn zuster Joosje van den Brande, vrouw van Johannes Vrolijk, eveneens 500 gl. Tot erfgename van al zijn overige na te laten goederen benoemt hij zijn vrouw Catharina van de Kamp. De testateur stelt als voogden over zijn minderjarige erfgenamen aan zijn “aenbehuwde” vader Jacobus van der Heijden en zijn goede bekende Godesinus [Gosewinus] van Beest. Hij tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 742, f. 774 e.v.)

– 10 jan. 1714: inventaris van alle goederen, welke ten huwelijk zijn ingebracht door Jacobus van den Brande, meester-schiptimmerman en burger van Dordrecht en zijn vrouw Katarina van der Kamp, overeenkomstig hun huwelijkse voorwaarden gepasseerd op 4 febr. 1701 voor de Dordtse notaris C. van Aansurg. Door Jacobus zijn o.a. ingebracht 200 gl. aan contant geld, al zijn kleren, 5 schilderijen, een bedrag van 909 gl., welke hij heeft geërfd van zijn moeder Hermken Willems, een bedrag 203 1/2 gl, geërfd van zijn neef Govert van Vucht en een bedrag van 101 gl., geërfd van zijn oom Wijnant Pels[ert]. Zijn vrouw Katarina heeft ingebracht o.a. een huis in de Voorstraat, staande tussen de Pelserbrug en de Botgensstraat aan de waterzijde, tegenwoordig bewoond door Gillis Maronier, schoolmeester, vier vatenwijn met een toatale waarde van 864 gl., 1000 gl. aan goud- en zilverspecie en beddengoed, linnengoed, huisraad etc., met een getaxeerde waarde van 100 gl. Hij tekent, zij zet een kruisje. (ONA Dordrecht inv. 742, 37 e.v.)

– 13 aug. 1713: begraven Jacobus van den Brande, bij de Vuilpoort, met seclusie van de Weeskamer volgens testament gepasseerd voor notaris H. van Wetten te Dordrecht op 25 nov. 1713 (Weeskamer Dordrecht inv. 113, f. 135)

– 13 sept. 1723: Jacobus van der Heijden en Godesinus van Beest aanvaarden de voogdij over de minderjarige erfgenamen van Jacobus van den Brande. (Weeskamer Dordrecht inv. 32, f. 246v)

e. Willem. 1 nov. 1666

f. Jacomijntje (Jacomina) van den Brande, 24 april 1669, jonge dochter van Dordrecht, wonende buiten de Vuilpoort (1690),begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht 9 mei 1691, trouwde NG Dordrecht 17 sept./2 okt. 1690 Cornelis Govertsz. van Vucht, varend gast, jongman van “Capel”, wonende buiten de Sluispoort van Dordrecht(1690)

– 25 sept. 1689: besluit van het Gerecht op de klachten en het verzoek van Aegie Jans, Annigie Jans en Cornelia Ariense, jonge dochters wonende te Dordrecht, “tenderende ten eijnde Jacomijntie vanden Brande, mede jonge dogter binnen de voorsz. Stadt, omme te recanteren ende t’ herroepen d’onwaragtige ende calumnieuse Beschuldigingen als oft Aegje Jansz opde laeste Westmase kermis tusschen twee moffen, ende Annigie Jans, ende Cornelia Ariens met haar beijden bij een moff, op het bedde hadden gelegen ende haar aangestelt als olike hoeren invoegen als de voorsz. beschuldigingen uijt seecker attestatie, ende haer ontschuldigt een missive hier naar volgende van woorde te woorde geinsereert

Goede vrint Jan Claesz. Sloeth

dese dient om uE. bekent te maken als dat Aechje Jansz ende Annichie Jansen [en] Cornelia Arijens mijn claegelijck te kenne hebben gegeven als dat sij soo eenige menschen gesegt hebben op onse kermis qualijck gecomporteert zoude hebben met het bijslapen ofte anders geseijt kermis bedde te maecken tot mijnen huijs daer ick nogte niemant vande mijne kennisse van hebbe te meer om dat de voorsz. persone hebbe geslapen in een beslote kamer daer niemant bij kost komen. Actum dese getijckent 14 Augustij 1689 was getekent Leendert Gijsen Steenhoeck Westmaes den 14 Augustij 1689.” Na nauwkeurig onderzoek heeft het Gerecht besloten Jacomijntie van den Brande op te dragen al haar beschuldigingen te herroepen en te verklaren, dat zij de drie jonge dochters voor eerbare en fatsoenlijke vrouwen houdt, hetgeen Jacomijntie aanstonds “in plene juditio” gedaan heeft. (ORA Dordrecht inv. 14, f. 99v e.v.)

– 25 juni 1691: in het weesboek een extract ingeschreven van het testament van Cornelis Govertsz. en zijn vrouw Jacobmina van den Brande, gepasseerd voor notaris J. van der Hoop te Dordrecht op 30 april 1691 (Weeskamer Dordrecht inv. 28, f. 322)

Zoon:

a. Govert van Vucht

VId. Isaack van den Brande, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1636, tavernier te Dordrecht, lid van de Veertigen van Dordrecht (vermeld 1679),begraven Dordrecht (Grote Kerk) 3 mrt. 1695 (een zwarte baar voor kapitein Van den Branden bij de beurs, twee maal luiden), trouwde 1e NG Dordrecht 4 mei 1659 Ghijsbertgen Jansdr. Walburch, gedoopt NG Dordrecht juli 1640, dochter van Jan Gerritsz. Walburg en Barbara (Berber) Jans, trouwde 2e NG Dordrecht 29 nov. 1671 Adriana de Hoogh, dochter van Alexander de Hoogh chirurgijn en Elisabeth Pauli

– 1 mei 1664: Teunis Cornelisz. Oudeman, als getrouwd hebbende Anna Barents, die eerder weduwe was van Claes Jansz. Smelser, verkoopt aan Isaac van den Brande, burger van Dordrecht, een huis staande in het opgaan van de Boom [Boombrug], tussen het Groothoofd en het huis van Wessel Sachariasz. de Ram, voor een somma van 5100 gl. Koper kent schuldig een somma van 5000 gl., te betalen met jaarlijkse termijnen van 1000 gl. Schuldbrief geroyeerd op 10 mei 1671. (ORA Dordrecht inv. 784, f. 114)

– 3 juni 1665: Isaack van den Brande, tavernier in de herberg “Enckhuijsen” op de Boom [Boombrug], getrouwd hebbende Ghijsbertje Gerritsdr. [sic], verkoopt aan Willem de Ruijter, burger van Dordrecht, een huis met alles wat daarin aard- en nagelvast is, staande in de Kolfstraat tussen het huis van Lodewijck van der Heijde en het huis van Fransoijs van den Brandelaer, voor 800 gl. contant. Van den Brande tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 144, f. 259)

– 21 sept. 1668: Berbera Jans, huisvrouw van Gerrit Maertensz. schipper te Dordrecht, gezond van lichaam en geest, benoemt tot erfgenamen haar dochter Ghijsbertgen Walburgh, huisvrouw van Isaack van den Brande, voor de helft en het minderjarig weeskind van haar overleden zoon Gerrit Walburgh, door hem verwekt bij Lijntgen Nijssen, zijn weduwe, voor de andere helft. Indien dat kind komt te overlijden voor het bereiken van de mondigheid of eerder huwelijk, zullen de doorhet kind te erven goederen komen aan testatrices schoonzoon Isaack van den Brande en haar dochter Ghijsbertgen Walburgh samen of de langstlevende van hen beiden, of bij vooroverlijden hun wettige kinderen. Zij benoemt Isaack van den Brande totvoogd en executeur van haar testament. (ONA Dordrecht inv. 147, f. 591 e.v.)

– 15 mrt. 1670: Isaack van den Brande, tavernier te Dordrecht, als getrouwd hebbende Ghijsbertgen Walburch en als voogd over de nagelaten kinderen van Gerrit Walburch zaliger, beiden kinderen van Barbera Jans, verleent procuratie aan Dionisius Morees, koopman en Maasschipper, om uit naam van hem comparant, als geïnstitueerde erfgenaam van wijlen zijn tante Maijken Jans, overleden te Maastricht,weduwe van Arijen Hendriksz. Staets, huistimmermanwonende te Maastricht, te treden in haar sterfhuis, de door haar nagelaten goederen te doen inventariseren en aan te nemen, die goederen of een deel daarvan te verkopen, de kooppenningen daarvan in ontvangst te nemen, etc. (ONA Dordrecht inv. 150, f. 344 e.v.)

– 2 dec. 1670: Isaack van den Brande, tavernier te Dordrecht, verkoopt aan Johannes van Bergen, mede tavernier te Dordrecht, een huis, staande in het opgaan van de Boom [Boombrug] naast het Groothoofd, waar uithangt “Enckhuijsen”, tussen het Groothoofd en het huis van Wessel de Ram, voor een somma van 8750 gl. Compareert mede Apert van den Brande, ook tavernier te Dordrecht en verklaart zich bij het doen van het transport door verkoper, zijn broer, te zullen stellen als waarborg. Isaack en Apert van den Brande tekenen met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 151, f. 463 e.v.)

– 1 mei 1671: Isaac van den Brande, burger van Dordrecht is schuldig aan zijn broer Aper van den Brande, burger van Dordrecht, een somma van 2000 gl. wegens geleende penningen. (ONA Dordrecht inv. 211, f. 159)

– 23 mei 1672: Isaack van den Brande, wijnkoper te Dordrecht, verklaart schuldig te zijn aan Arent Sijmonsz., inwoner van Dordrecht, een somma van 4000 gl. wegens geleende penningen. Borg: zijn schoonvader Alexander de Hooch, stadschirurgijn van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 154, f. 467 e.v.)

– 17 dec. 1672: inventaris van de goederen nagelaten door Berbera Jans, laatst weduwe van Geraert Maertensz. Clomp, overleden te Dordrecht, beschreven door notaris A. van Neten op verzoek van Isaack van den Brande als voogd over het weeskind, dat is nagelaten door Gerrit Walburch, ten overstaan van genoemde Van den Brande en de huisvrouw van Adolf van der Linde en opgemaakt in het huis “Nieuwhuijse” in de Kolfstraat, waar Berbera Jans overleden is. (ONA Dordrecht inv. 155, f.. 440 e.v. Op f. 443 van deze akte staat: betaald voor de “gerechtigheid” van het graf in de Augustijnenkerk als bij kwitantie: 21 gl. 10 st. Cf. Nelemans, o.c., p. 164: de vrouw van Gerrit Maartensz. Clomp, [begraven] 21 dec. 1672)

– 30 okt. 1679: Isaack van den Brande, uit de Veertigen van Dordrecht, verhuurt voor twee jaren beginnende op 1 nov. 1679, aan Willem de With en Willem de Nachtegael, kooplieden te Dordrecht, zekere “mouterije” achter “de huijsinge” van de gewezen brouwerij “de Valck” met “de back, est ende alle ’t geene eenichsints totte selve mouterije specterende” is, voor 150 gl. per jaar en een zilveren ducaton jaarlijks voor de dienstmaagd van verhuurder. (ONA Dordrecht inv. 370, zonder folionrs.)

– 16 jan. 1680: veiling van een huis, dat eigendom was van Anna de Dood, weduwe van de zilversmid Johannes de Vries, door haar geërfd van haar broer Cornelis de Dood. Het huis staat in de Vriesestraat, tussen het huis van mr. Alexander de Hoog en dat van Hendrik Geerling, strekkende voor uit de straat tot achter tegen kapitein Van den Brande. Het hoogste bod, 476 gl., is door Isaack van den Brande, brandewijnverkoper te Dordrecht, op 19 jan. 1680 vermeerderd met 6 gl., waardoor hij de koper is geworden. (ONA Dordrecht inv. 443, f. 15 e.v.)

– 10 dec. 1683: Mattheus Rees, koopman te Dordrecht, verklaart zich borg te stellen voor Isaack van den Brande, koopman te Dordrecht, ten behoeve van Adriaan Besemer, pondgaarder te Dordrecht, voor de restitutie van een somma 534 gl. en 16 st., welke Adriaan Besemer op grond van een vonnis van het Gerecht te Dordrecht dd 9 okt. 1683 aan Isaack van den Brandemoet betalen. (ONA Dordrecht inv. 445, f. 175)

– 3 juni 1701: compareert Elisabeth Paulij, weduwe van Alexander de Hoogh, in zijn leven lid van het College van Mannen van Veertigen te Dordrecht. Zij prelegeteert aan haar nog ongehuwde dochter Maria de Hoogh een somma van 1500 gl. (welk bedrag haar getrouwde kinderen reeds bij hun huwelijk gekregen hebben) en enig porseleinen servies, aan Maria Couper, kind van haar overleden dochter Elisabeth de Hoogh, verwekt door Johannes Couper, prelegateert zij haar linnen kleren en al haar overig linnengoed prelegateert zij aan Maria de Hoogh, Maria Couper, Tanneken van den Branden, dochter van wijlen Johanna de Hoogh, verwekt door Pieter van den Branden, meester-chirurgijn te Dordrecht en, indien zij zich houdt aan de na te noemen voorwaarden, Angenita van den Branden, kind van haar wijlen haar dochter Adriana de Hoogh, verwekt door Isaac van den Brande, in zijn leven lid van het College van Mannen van Veertigen te Dordrecht, elk voor een derde resp. vierde gedeelte. Zij begeert, dat haar dochter Maria de Hoogh zal aanvaarden haar huis met alles wat daarin aard- en nagelvast is, staande op de Boom te Dordrecht, het tweede huis van het Bolwerk, tussen het huis van Bartholomeus van der Star en dat van testatrice zelf, voor een somma van 1900 gl. In alle overige na te latengoederen benoemt zij tot haar erfgenamen Maria de Hoogh, Maria Couper enTanneke van den Branden. Zij verklaart de kinderen van haar dochter Adriana de Hoogh zaliger “te institueren inde zimpele, naekte en bloote legitieme portie, haer naer scherpheijt van regten competerende” en dat die kinderen zal worden aangerekend, hetgeen hun ouders al van haar hebben gekregen, “ende in cas deselve kinderen haer komen te gedragen in alle moderaetheijt, ende sonder eenige de alderminste oppositie, door middelen van regt off daer buijten, tegens de voogden bij haren vader, Isaac van den Branden, over haer gestelt, ende specialijk dat sij met de voorn. voogden sluijten de rekeningen van den opgemelten haren vaders boedel, ende deselve voogden gevende soodanige acte van acquit, van haer [en] haren erven en naercomelingen ter zake den voorsz. administratie ende bewint, nimmermeer te moeijen ofte molesteren …., item soo de voorsz. kinderen oock genoege nemen buijten middelen van regten, wegens het kostgelt, vande testatrice, hare dochter Maria de Hoog, ende Maria Couper, nopende de inwooninge ten huijse der voorsz. kinderen, met een somma van een hondert vijftigh gl. voor ider jaerlijx, die sij testatrice met goeden gemoede daer vooren is designerende, soo nogtans, dat de betalinge bij quitantiën daer op gedaen tot afflslagh op de voorsz. somme sullen moeten strecken, (ende geconsidereert dat de testatrice een merckelijke somme soo van eetwaren ende andersints voor de familie heeft verstreckt) ende alle ’t selve in vouge voorsz. bij de voorn. kinderen soo punctuelijcken agtervolgt sijnde”, benoemt zij de kinderen van Adriana de Hoogh samen tot erfgenamen van een vierde deel van haar nalatenschap, verminderd met de eerder genoemde geprelegateerde goederen. Tot executeurs van haar testament stelt zij aan Maria de Hoogh, haar dochter en Adriaen en Pieter van den Branden, welke beide laatsten zij ook benoemt tot voogden over haar minderjarige erfgenamen. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 629, akte 81)

– 5 sept. 1701: compareren Elisabeth Pauli, weduwe van Alexander de Hoog, enerzijds en Wijnant Pelsert en Adriaen van den Branden, als voogden (benevens Elisabeth Pauli) over de minderjarige kinderen en erfgenamen van wijlen Isaac van den Brande, in zijn leven lid van het College van Mannen van Veertigen te Dordrecht, mitsgaders Jacob en Alexander van den Brande, meerderjarige zoons van Isaac van den Branden, anderzijds. Zij verklaren, dat “geconsidereert dat de eerste comparante benevens haer dogter Juffr. Maria de Hoogh, en haer dogters dogter Juffr. Maria Couper eenige jaren hare inwooninge inde kost hadden gehad bij de voorn. kinderen ende erffgenamen van opgemelde Isaac van den Brande, de welcke daer voor in’t geheel nog niet en waren voldaen”, maar daarvoor jaarlijks 100 gl. voor iedere persoon en dus in totaal 300 gl. hadden ontvangen, zij nu zijn overeengekomen dat eerste comparante aan tweede comparanten zal betalen een jaarlijks bedrag van 150 gl. per persoon. Hunnerzijds bedanken de tweede comparanten hun voogden voor de eerlijke en getrouwe administratie, die zij hebben gevoerd over de goederen,welke zijn nagelaten door Isaac van den Brande en verlenen daaraan alsnog hun goedkeuring. (ONA Dordrecht inv. 629, akte 85)

– 6 dec. 1701: voorwaarden, waarop Jacob van den Branden en Alexander van den Branden, meerderjarige kinderen van wijlenIsaac van den Branden, mitsgaders Wijnand Pelsert en Adriaen van den Brande, voogden over de minderjarige kinderen van Isaac van den Branden, op 6 dec. 1701 in het openbaar willen verkopen een heel bekwaam en welgelegen woonhuis, genaamd “de Valck” met de neringrijke branderij, mouterij en korenzolders daarnaast staande, voorzien van ketels, kuipen, bakken en verdere gereedschappen, staande in de Voorstraat bij de Tolbrug, tussen het huis van de erfgenamen van de weduwe Blanckert en een huis van de Doopsgezinde gemeente, hebbende twee uitgangen in de Vriesestraat. Op 13 dec. 1701 verklaart Pieter van den Brande, meester-chirurgijn te Dordrecht, dat hij het huis op de gestelde voorwaarden in koop zal aannemen voor degene die hij daartoe benoemen zal en wel voor een somma van 6500 gl. (ONA Dordrecht inv. 629, akte 108)

– 6 dec. 1707 [sic]: voorwaarden waarop Alexander, Agnita en Joan van den Branden, mitsgaders Wijnand Pelsert en Adriaen van den Branden, beiden wonende te Dordrecht, als voogden van Abraham van den Brande, willen verkopen een zeer “bekwaam” woonhuis, pakhuis met kelder, mouterij en branderij, genaamd “de Valk”, voorzien met drie “sware rouwe” en twee distilleerketels, beslagbakken, kuipen en verder gereedschap “tot een volkomen branderij” behorende, uitgezonderd het vaatwerk. Het huis, de branderij en de mouterij staan bij elkaar tussen de Vriesestraat en de Tolbrugstraat bij de Beurs, belend het huis van Zegert Blanckert vleeshouwer aan de ene zijde eneen huis, dat eigendom is van de Doopsgezinde gemeente aan de andere zijde. Het pakhuis staat in de Vriesestraat naast het huis van Hendrik Geerling en het huis van de erfgenamen van wijlen Isaac van den Brande. (ONA Dordrecht inv. 462, akte 54, f. 150 e.v.)

ORA Dordrecht inv. 1642, f. 62: op 13 dec. 1707 verkoopt Joan van den Brande, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Jacob van den Brande, Alexander van den Brande en Agneta van den Brande, allen wonende te Dordrecht, die zich samen met de comparant sterk maken voor hun broer Abraham van den Brande, wonende te Rotterdam, als erfgenamen van Isak van den Branden, veertigraad te Dordrecht, voor 300 gl. aan Maeijken Pieters, weduwe van Evert Balnkert, mede wonende te Dordrecht, een huisje in de Vriesestraat, staande tussen het pakhuis van de erfgenamen van Isak van den Branden en het huis, waarin de bidder Jan Meesters woont.

Kinderen (ex 2 enallen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Jacob van den Brande, 21 juli 1673, jong overleden, geen nakomelingen.

b. Alexander van den Brande, 20 mrt. 1675, boekhouder in dienst van de VOC, ongehuwd, overleden tussen 1708 en 1714, vermoedelijk in Oost-Indië

– 3 jan. 1714: compareren Pieter Bruijn en Hendrick Onder de Wingert, kooplieden te Dordrecht. Zij verklaren op verzoek van Abraham en Agneta van den Brande, dat zij broer en zuster zijn van Alexander van den Brande, die in 1708 in dienst van de VOC (Kamer Amsterdam) is uitgevaren op het schip “Ammasoone” naar Oost-Indië, dat Alexander inmiddels ongehuwd is overleden, dat zijn ouders enige jaren geleden zijn gestorven en hij geen andere broers of zusters (of broers- of zusterskinderen) heeft nagelaten dan de rekwiranten, zodat zij zijn enige en universele erfgenamen zijn. (ONA Dordrecht inv. 651, akte 1, f. 7 e.v.)

– 3 jan. 1714: Abraham en Agneta van den Brande verlenen procuratie aan Evert de Marre, boekhouder van de VOC (Kamer Amsterdam), om te ontvangen de gage die hun overleden broer Alexander van den Brande nog van de VOC tegoed had. (ONA Dordrecht inv. 651, akte 2, f. 3 e.v.)

c. Agnieta van den Brande, 22 okt. 1677, ongehuwd

– 19 okt. 1762: Jan van Vucht, Jan Pelkman en Gerard Lockemeijer, burgers van Dordrecht, als executeurs van het testament van wijlen Agnieta van den Branden, in haar leven bejaarde en ongehuwde persoon, overleden te Dordrecht, verkopen aan Abraham Wattie, commies ter recherche te Dordrecht, een huis op de Boom omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van Johannes Bruijninga en dat van Herman van der Star en zijn zusters. Koper betaalt met 1353 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 827. f. 104v e.v.)

d. Johannes (Johan) van den Brande, 30 dec. 1681, notaris te Dordrecht (1704-1710, geadmitteerd op 25 juli 1704 [Inventaris van ONA Dordrecht, bijlage 2]), overleden in 1710. Geen nakomelingen.

e. Abraham van den Brande, 2 dec. 1683, koopman te Rotterdam, trouwde Rotterdam 30 april 1709 Anna Baals

– 26 dec. 1711: compareert voor notaris P. van Son te Dordrecht Abraham van den Brande, koopman te Rotterdam, mede-erfgenaam ab intestato voor 1/3 part in de nalatenschap van zijn broer Joan van den Brande, in zijn leven notaris te Dordrecht. Hij geeft te kennen, dat zijn zuster Agnieta van den Branden, die de boedel en goederen van hun broer na diens overlijden heeft beheerd, hem daarvan behoorlijke rekening, bewijs en reliqua heeft gedaan en hem zijn aandeel daarin heeft voldaan en betaald, met uitzondering van zijn aandeel in 16 1/2 morgen land met huis en schuur in Sandelingenambacht, hun aangekomen uit de boedelvan hun grootmoeder Elisabeth Pauli, weduwe van Alexander de Hoogh, veertigraad en chirurgijn te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 466, akte 87, f. 231 e.v.)

– 26 dec. 1711: codicil (gepasseerd voor notaris P. van Son te Dordrecht) bij het testament, dat Abraham van den Brande, koopman te Rotterdam, heeft gemaakt op 31 jan. 1710 ten overstaan van de Rotterdamse notaris Jan de Gelder. Hij legateert aan zijn zuster Agnita van den Brande, wonende te Dordrecht, 1/4 part in 1/16 part van het voorgaande akte genoemd land in Sandelingenambacht, benevens 1/3 part in 1/16 part in hetzelfdeperceelland, dat hij heeft geërfd van zijn broer Johan van den Brande. (ONA Dordrecht inv. 466, akte 88, f. 233 e.v.)

– 15 juni 1719: compareren Maria de Hoogh en Agnita van den Branden, bejaarde ongehuwde dochters wonende te Dordrecht en Abraham van den Branden, koopman te Rotterdam, enige en universele erfgenamen van wijlen Nicolaas Paulij, overleden te Dordrecht, “sijnde Pieter van den Branden die den voorn. Nicolaas Paulij tot sijn mede erfgenaam hadde geïnstitueert voor den gemelten Nicolaas Paulij overleden”. Zij verlenen procuratie aan Albertus Ockers, koopman te Amsterdam, om voor hen te verkopen een obligatie ten laste van het gemeneland van Holland en West-Friesland, gedateerd 1 juni 1689 en groot in kapitaal 3000 gl. Akte door comparanten ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 681, akte 73, f. 224 e.v.)

– 13 juli 1719: Maria de Hoogh, Agnita van den Branden en Abraham van den Branden hebben de boedel, nagelaten door Nicolaas Paulij, onderling verdeeld. Aan Maria de Hoogh is toebedeeld een obligatie van 3000 gl.ten laste van het gemeneland van Holland en West-Friesland, dd. 1 juni 1689 ende helft in een losrentebrief van 2000 gl., gedateerd 10 febr. 1672. Aan Agnita van den Branden is toebedeeld 1/4 part in een huis te Amsterdam, staande op de hoek van de Lijnbaansteeg “op Singel”, bestaande uit twee woningen onder één dak, waarvan de overige 3/4 parten toebehoren aan Andries Gallus, inwoner van Amsterdam en de wederhelft van voornoemde losrentebrief. Aan Abraham van den Branden is toebedeeld, onder last van fideïcommis, een losrentebief, staande op naam van Abraham de Reus, gedateerd 16 dec. 1635 en groot in kapitaal 1500 gl., een losrentebrief op naam van Cornelis van Son, gedateerd 16 dec. 1635 en groot in kapitaal 200 gl. en de helft in 16 gemeten en 111 roeden land, gelegenin het Land van Vlakkee tussen Oude en Nieuwe Tonge, waarin de wederhelft toekomt aan voornoemde Andries Gallus. Comparanten tekenen met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 681, akte 81, f.253 e.v.

VIIa. Jacob Apertsz. van den Brande, gedoopt NG Dordrecht 13 aug. 1667, jongman van Dordrecht wonende bij de Vleeshouwersstraat (1690) trouwde NGDordrecht/Overschie 17 dec. 1690/1 jan. 1691 Agnietje van den Brande jonge dochter van Dordrecht wonende in de “Schrevelstraat” (1690)(Va sub g)

– 9 febr. 1700: voorwaarden, waarop Jacob van den Brande, burger van Dordrecht, wil verkopen een huis in Wijnstraat omtrent de Vleeshouwersstraat, waar uithangt “de Jager”, staande tussen het huis van de erfgenamen van kapitein Toutlemonde en dat van Barent Vonck meester-zilversmid. (ONA Dordrecht inv. 628, akte 31)

– 24 juli 1700: Jan Jansz. van Evelingen, meester-timmerman en burger van Dordrecht, verkoopt voor 1560 gl. aan Jacob van den Brande Apertzoon, burger van Dordrecht, een huis in de Visstraat, waar uithangt “den Ouden Zeehondt”, staande tussen het huis van de weduwe Scheij en dat van Teunis Jansz. smid. Jacob van den Brande Apertzoon en zijn vrouw Angenita van den Brande Warnardsdr. , burgers van Dordrecht, zijn schuldig aan ds. Francois Valentijn, een bedrag van 800 gl. daarvoor verbindende het voornoemde huis. De schuld isvolledig voldaanop 10 nov. 1703. (ORA Dordrecht inv. 802, f. 70v e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Catharina, 2 nov. 1691

b. Warnard van den Brande, 30 aug. 1693, trouwde ca. 18 april 1716 (huwelijkse voorwaarden Dordrecht) Catharina Waelpot, trouwde 1e Joost Berbiers

– 18 april 1716: compareren voor notaris A. Cant Warnard van den Brande, jongman wonende te Dordrecht, geassisteerd met zijn vader Jacob van den Brande en Catharina Waelpot, weduwe van Joost Berbiers, mede wonende te Dordrecht, om huwelijkse voorwaarden te maken. De bruidegom zal tot onderstand van het huwelijk al zijn goederen inbrengen, “waertegens de bruijt verclaerde van hare sijde niet wes ter weereld ten huwelijken te sullen aenbrengen, als geene goederen hebbende, maer belast sijnde met schulden en alimentatie van haar voorkindt.” Er zal geen gemeenschap van goederen zijn en bruid en bruidegom zullen niet aansprakelijk zijn voor elkaars schulden, voor zover zij die vóór hetpasseren van de huwelijkse voorwaarden gemaakt hebben. Van de winsten en verliezen, staande het huwelijk te vallen, zullen zij elk de helft genieten resp. dragen.Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 792, akte 19)

c. Aper, 5 nov. 1696

d. Anna, 18 okt. 1699