ORA Dordrecht 1567-1571

Een selectie uit ORA Dordrecht inv. 706-709 en726-728.

21 febr. 1567: Elijsabeth Jansdr., weduwe van Jan Pietersz., legateert aan haar zoon Pieter Jansz. een huis aan het Groothoofd, staande tussen het huis “’s Graevenhaech” en het huis “den Engel”. (ORAD inv. 706, f. 140 e.v.)

8 aug. 1567: Jacob Jansz., viskoper en burger van Dordrecht, heeft geen wettige kinderen en benoemt derhalve tot universele erfgenaam zijn zuster Marijchen Jansdr., de vrouw van Gijsbrecht Jansz. [van Haarlem]. Hij legateert aan zijn natuurlijke dochter, Jannechen Jacobsdr., door hem verwekt bij Fijken Gerritsdr. te Asperen, een jaarlijkse losrente van 12 Vlaamse ponden. (ORAD inv. 707, f. 33 e.v.)

[22 dec. 1565: Jacob Adriaensz. en Gijsbert van Haerlem Jansz., schepenen van Dordrecht, oorkonden dat voor hen compareerde Ghijsbrecht Jansz., als man en voogd van Marijchen Jansdr.,die bekende volledig voldaan en betaald te zijn door zijn zwager Jacob Jansz. viskoper van de goederen, erfenis en besterfenis, die hem in voornoemde hoedanigheid zijn aangekomen door overlijden van Hans van Nieumechen en Jannechen Cornelisdr., de ouders van Marijchen Jansdr., zijn vrouw. (ORA Dordrecht inv. 705, f. 11v)]

26 aug. 1567: ter instantie van Anna Jacobsdr. rekwirante. Adriaenken Claesdr., weduwe van Claes Michielsz., 52 jaar oud en Annechen Jorisdr., vrouw van Jan Henricxsz. smid, 33 jaar oud, verklaren, dat zij ongeveer 14 dagen geleden gezien en gehoord hebben, dat Lijnken Gijsbrechtsdr., de schoonmoeder van Jacob Huijgensz. kuiper “staende voir de doere van den voirsz. Anna Jacobsdochter requirante voirnoemd riep met luijder stemmen totten requirante voirnoemd ende haer dochter die binnen haeren huijse sat ende hekelde, ghij hoeren coempt daer vuijt, ghij cruijpt in u schelpen, hadt ghij geen reden daer toe, ghij zout u zich wel verantwoirden van tgeen dat mijn swaeger [schoonzoon] (denoterende den voirsz. Jacob Huijgensz. kuijper)u aengeseijt heeft. Compt daer vuijt, ick heb op elcke cousse steeckende een opsteecker daer mede zall ick u doersteecken”. Deposanten verklaren voorts, dat zij gisteravond gezien en gehoord hebben, dat Jacob Huijgensz. voor de deur van de rekwirante is gekomen “zeer kijfvende ende qualicken spreeckende totten zelven requirante die voir harer doere sat all stille ende sonder een quaet woert sprecckende ende dat terstont daernae d’voirsz. Jacob Huijgensz. wech gegaen zijnde is onlancx daernae wederomme voir de doere van den zelven requirante gecomen hebbende een lanck rappier onder zijn zijde die welcke ten aenhoeren van haer getuijgen zeijde totten voirsz. requirante die daer ter tijt met haeren man sat ende clapte voir haer doere, segt nu dat ghij vlusch zeijde ende dat tselve gehoert die man van den requirante vraechde, meent hij mijn, is dzelve requirante mit haeren man in haer huijs gegaen ende heeft haer doere toegesloten, twelck siende d’voirsz. Jacob Huijgensz. heeft openbaerlicken met luijder stemmen geroupen totten requirante voirn., ghij sacramentshoer compt daer vuijt ende hebben zij deposanten ter zelfden tijde gesien dat die schoenvader van de voirsz. Jacob Huijgensz., die daer omtrent woenende is, mede quam loepen vuijt zijn huijs met een hout in zijn hant.” (ORAD inv. 707, f. 43 e.v.)

26 aug. 1567: ter instantie van Arijs Woutersz. uit de Achten van Dordrecht van wege en uit naam van zijn zoon Bartholomeus Arijsz., rekwirant. Marijchgen Aertsdr., 52 jaar oud, verklaart, dat zijongeveer 5 jaar geleden in Vlissingen is geweest en daar buiten de poort heeft zien zitten Zeer Croepel, die haar vroeg of zij “nijet en kende een vrouwe tot Dordrecht wonende omtrent het Sacramentsgasthuijs aldaer, genaempt Marijchen Arijsdochter (denoterende de huijsvrouwe van den requirant voornoemd) waer op zij deposante geantwoordt hebbende, jae ende dat zij dezelve Marijchen Arijs wel kende, heeft dzelve Croepel weder tot haer deposante geseijt, segt dezelve Marijchen Arijs, dat haer snaer (denoterende die huijsvrouwe van de voirsz. Bartholomeus Arijsz.) bij een paep kint draecht, ende dat zij deposante thuijs gecomen zijnde dzelve boetschappe den voirsz. Marijchen Arijs gedaen heeft gehadt. (ORAD inv. 707, 44 ev.)

26 aug. 1567: ter instantie als boven[zie vorige akte]Heer Jacob Pouterius, pastoor van de Onze Lieve Vrouwe Kerk [Grote Kerk] te Dordrecht, 36 jaar oud, verklaart bij zijn priesterlijke woorden, dat hij op 13 mei laatstleden in de Grote Kerk “openbaerlicke staende aen t wijwaetersvat aldaer, vercondicht heeft voir all t volck die geboeden van t huwelick dat Bartholomeus Arijsz. doen ofte aengaen zoude met Lijsbet Willemsdr. ende dat ten zelven tijde geen oppostie ofte impedamente gevallen en is geweest, ende dat hij deposant zulcx den voirsz. persoenen solemnelijken in sacre ecclesia getrout heeft gehadt”. (ORAD inv. 707, f. 44v)

26 aug. 1567: ter instantie als boven. Jan Dircxsz., korenkoper te Dordrecht, 29 jaar oud, verklaart, dat hij op heden omstreeks 8 uur, staande omtrent de Wijnkoperskapel bij een zekere Willem van Bergen, heeft gehoord dat deze Willem tegen hem zei, dat zekere tijd geleden Bartholomeus Arijsz. bij hem gekomen is “vraegende nae zijn huijsvrouwe (denoterende die dochter van den zelven Willem) ende dat dzelve Willem daerop voir antwoirde geseijt hadde totten voirsz. Bartholomeus, Ick en weet nijet waer dat zij is ende Ick en weet nijet off zij is doot.” (ORAD inv. 707, f. 44v)

26 aug. 1567: Henrick Jansz., in wonende poorter van Dordrecht, als “facteur” van Gerrit Pelgrom, koopman van wijnen te Keulen, verklaart, dat Marijchgen Anthoenis Bomsdochter aan hem schuldig is een bedrag van 5 ponden groten Vlaams, resterende van een grotere som, wegensdoor haar gekochte Rijnse wijnen. (ORAD inv. 707, f. 45v e.v.)

27 aug. 1567: ter instantie van Arijs Woutersz. uit de Achten van Dordrecht, van wege en uit naam van Bartholomeus Arijsz., rekwirant. Herman Adriaensz., ongeveer 60 jaar oud, verklaart dat hij ongeveer een jaar geleden hier binnen Dordrecht heeft horen zeggen, dat de vrouw van Bartholomeus Arijsz. gestorven zou zijn in de stad “Valenchijn”. (ORAD inv. 707, f. 46)

27 aug. 1567: testament van Hendrick van de Wreecker en Marijken Jansdr., echtelieden. Zij maken aan elkaar het vruchtgebruik van de goederen, die de eerststervende van hen beiden zal nalaten, op voorwaarde, dat na het overlijden van de langstlevende alle goederen van hen testateuren zal verdeeld worden onder hun resp. voor- en nakinderen. (ORAD, inv. 707, 46 e.v.)

27 aug. 1567: ter instantie van Arijs Woutersz. van wege en uit naam van Bartholomeus Arijsz. Marijchen Jansdr., 45 jaar oud, verklaart, dat ongeveer een jaar geleden, toen zij op de Vismarkt stond, bij haar gekomen is een vrouwspersoon, van wie zij de naam is vergeten, die tegen haar zei, “Weet ghij wel dat die huijsvrouwe van Bartholomeus Arijsz. doot is”, waarop zij getuige heeft geantwoord, dat zij dat niet wist en tegen de vrouw heeft gezegd, “God zij gelooft, datter eens tijdinge off is, waer dat zij gebleven is.” (ORAD inv. 707, f. 47)

28 aug. 1567: mr. Jacob Pauli, secretaris van Dordrecht, stelt zich borg voor Henrick Snouck, zijn oom, voor het gewijsde, door het Gerecht van Dordrecht uitgesproken en de uitspraak, die gedaan zal worden in het proces tussen Henrick Snouck als eiser en Anna Jansdr., weduwe van Jan Cornelisz. als gedaagde. (ORAD inv. 707, f. 49)

27 aug. 1568: Dirck de Leuw verleent volmacht aan Dirck Berck, burger te Duisburg, om voor hem te innen al hetgeen Henrick Seijl, thans verblijvende te Meurs, aan hem schuldig is. (ORAD inv. 726, akte 376)

23 okt. 1568: Joost van Bij [kamerbewaarder] verklaart, dat hij op verzoek van Guilliam de Vela van Utrecht, als echtgenoot van de weduwe van mr. Huijman Jansz., rechtelijk geïnsinueerd heeft Balten Cornelisz., ambachtsheer van Alblas, vragende of hij Guilliam wil betalen hetgeen hij hem schuldig is volgens een obligatie van 10 mei 1564. Balten heeft daarop geantwoord, “dattet noch in de merct was ende van geen sins en was om te betalen”. (ORAD inv. 708, akte 180)

5 nov. 1568: op verzoek van Jan Joesten uit Papendrecht leggen Jan Huge van Alblas, 60 jaar oud, Maerten Adriaensz. secretaris, 63 jaar oud, Cornelis Meus, 63 jaar oud en Adriaen Damasz., 60 jaar oud, een verklaring af. (708, f. 94 e.v.)

9 dec. 1568: Adriaen van Blijenborch Adriaensz. schout, Arent heer Cornelisz. burgemeester en Willem Boucquet Blasiusz. schepen in wette van Dordrecht, als kerkmeesters van Onze Vrouwe Collegiale Kerk [Grote Kerk] te Dordrecht, verkopen aan Jan Bartholomeusz., waard in “’t Vosken”, voor hem en zijn erfgenamen, een graf liggende in de Grote Kerk “inden trent” bij de Ververskapel [St. Stevenskapel] inhet midden, “recht voer tglas westwaerts bij ende aen metten hoefde aen [de] muijer”. (ORAD inv. 708, f. 113v)

15 jan. 1569: op verzoek van Willem van Hamborch, ’s herendienaar te Delft, verklaren pater Michiel van de Linde van het Cellebroedersklooster te Dordrecht en broeder Jan Jansz., Cellebroeder van hetzelfde klooster, 26 jaar oud, dat zij in sept. 1568 ontboden zijn geweest buiten de Vuilpoort om daar te “visiteren” Cornelis Cruijtboeling, “die aldaer met de peste begaeft zijnde zieck lach in zekere loetse”. Broeder Jan Jansz. is bij hem gebleven tot hij gestorven was. Jan Jansz. verklaart, dat Cornelis “wel II oft III daegen te voeren vande voorsz. siecte uijt geslegen was”, zodat hij zeker weet, dat de patiënt aan de pest overleden is. (727, f. 2v)

15 jan. 1569: Dirck Jacobsz. schipper, 38 jaar oud en Joachim Jacobsz., 32 jaar oud, verklaren, dat zij vande in de voorgaande akte genoemdebroeder Jan Jansz. gehoord hebben, dat Cornelis Adriaensz., die op Bamisdag 1568 buiten de Vuilpoort gestorven is, niet aan de pest leed, maar gestorven is door een verwonding aan zijn hand. (727, f. 2v-3)

3 sept. 1569: op verzoek van Gerrit Adriaensz. uit Zwijndrecht verklaren Henrick Jansz., ongeveer 65 jaar oud, Jan Jansz. snijder, 48 jaar oud enJacob Aertsz., 40 jaar oud, allen uit Zwijndrecht, dat genoemde Jan Jansz. en Jacob Aertsz. buren van de rekwirant zijn. (708, f. 241v)

10 sept. 1569: Laurens Adriaensz., biersteker wonende “op den Doul”, 50 jaar oud, verklaart op verzoek van Adriaen Jacobsz. van Papendrecht, dat “geleden inde voorleden dijckagie vande Doele” Anthonis Jacopsz. Leutering van Rotterdam borg voor hem geworden is ten profijte van Dirck Adriaensz., brouwer te Rotterdam. (708, f. 245v)

30 sept. 1569: Jan Bartholomeusz., waard in “’t Vosken” te Dordrecht, verleent procuratie aan Pieter Jansz. Kinderen procureur. (708, f. 250v)

23 jan. 1570: op verzoek van Willem Willemsz. lijndraaier verklaren Adriaen Ockersz. muntenaar, 49 jaar oud en Aert Jansz. van de Graeff timmerman, 52 jaar oud, dat zij de rekwirant al van jongs af kennen, dat hij geboren is te Dordrecht, van goede en eerbare ouders is, en dat hij “hem geenerende is met ’t ambacht van lijndraeijen [en] altijt gehouden is geweest voer een goet jonckgeselle met eeren, staende ter goede name ende fame.” (709, akte 89)

26 febr. 1570: Pouwels Cornelisz. Pot schipper, Janneken Cornelisdr., weduwe van Jan Cornelisz. Pot, Pieter Jansz. Braber, als man en voogd van Jaepken Cornelisdr. en Daen Aertsz. Zager, als man en voogd van Neeltgen Cornelisdr., samen erfgenamen van Thonis Cornelisz. Pot, verklarendoor diens weduwe Digna Thonisdr.volledig voldaan en betaald te zijn van de goederen, die hen zijn aangekomen bij overlijden van hun voornoemde broer Thonis Cornelisz. Pot. (ORAD inv. 709, akte 113)

11 aug. 1570: op verzoek van Willem Jansz. van Berckou verklaren Fop Cleijsz. [van Driel], schout van Ridderkerk, 47 jaar oud, Adriaen Woutersz. Vinck, schout van de Linde, 42 jaar oud, en Cornelis Heijmansz., schout van Schobbelandsambacht in Zwijndrecht, 38 jaar oud, “dat binnens bans onder [hun] … bedrijven geen hooger boeten zijn tot behouf vande schoudt aldaer dan vijf stuvers elcke boete ten ware van weteringen ofte kuijetuijnen. Ende dat men oeck mede binnens bans geen keuren ende ordonnnantiën maecken en mach buijten expres consent ende voergaende ordonnantie van mijn heeren van Dordrecht ofte voergaend consent van baelliu ende mannen van Zuijdthollandt. Verclaerende voerts dvoersz. Fop Cleijsz. ende Cornelis Heijmansz. zoe veel meer dat zeeckere tijde geleden binnen den dorpen van Rijderkerck ende Swijndrecht de peste wesende zijlieden getuijgen consent gevraecht hebben te weten dvoersz. Fop Cleijsz. aende baelliu van Zuijdthollandt ende Cornelis Heijmansz. aen mijn heere de schoudt [van Dordrecht] Adriaen van Blijenborch wat zijlieden doen zouden inde zaecke vande peste. Ende dat dselve henlieden daer van ordonnantie gegeven ende geseijt hebben dat zijlieden eenen stroijen hoedt daer vuijthangen zouden voerde huijsen vande peste ende dat dselve personen met een wit teenen roeijken vuijtgaen zouden”. (ORAD 709, akte 289)

17 okt. 1570: Jacob Cornelisz. Croeswijck, als daaraan gekomen zijnde bij vertichting, gemaakt door de erfgenamen van wijlen Cornelis Croeswijck Jansz., zijn vader, op 9 nov. 1566, transporteert aan mr. Jacob Paulij 1 pond 10 groten Vlaams losrente, welke door Cornelis Croeswijck is “gecoft op de meijnen van de Co. Mat. [Koninklijke Majesteit], en stelt als onderpand een jaarlijkserente van 9 gl. 10 st. 5 penn. Hollands, die hij sprekende heeft op het huis van de erfgenamen van Cornelis Croeswijck, staande bij het Groothoofd en voorts al zijn goederen, “present ende toecomende”. (ORAD inv. 728, f. 10)

28 okt. 1570: Jacob Croeswijck Cornelisz. verklaart ontvangen te hebben uit handen van Jan Croeswijck, voor hemzelf, Gerrit de Heer Jansz., als man van Soetken Croeswijck Cornelisdr., Aert Pietersz., als man van Emmichen Cornelisdr. en Neeltgen Croeswijck Cornelisdr., weduwe van Claes Euwoutsz. een aantal brieven, nl. 1e een koopbrief van 7 morgen land in Nieuw-Rijderwaert in een weer land van 18 morgen, gepasseerd voor schout en heemraden van Rijderambacht door de erfgenamen van Henrick Snouck ten behoeve van Jan Eelantsz. op 28 mrt. 1523, 2e een koopbrief van 2 morgen land in Nieuw-Rijderwaert in een weer land genaamd “de Diercoop”, gepasseerd voor schepenen en heemraden van Rijderambacht door Rochus Aertsz. ten behoeve van Cornelis Croeswijck Jansz. op 28 april 1546 (na Pasen), en 3e een koopbrief van het huis te Crooswijck met “vierdalfve” morgen land in het ambacht van Hillegersberg, gepasseerd voor schout en buurluiden van dat ambacht door Jan van Cralinghe ten behoeve van Willem van Cralingen op 18 dec. 1454. (ORAD 728, f. 18)

4 april 1571: op verzoek van Mercelis Jorisz. Sampson, geboren burger van Dordrecht, doch thans wonende te Aalst in Vlaanderen, verklaren Ghijsbrecht Jansz. glaesmaecker, 45 jaar oud, en Barthout Barthoutsz. hoogconter [zanger], 34 jaar oud, inwonende poorters van Dordrecht, dat zij de rekwirant zeer goed gekend hebben en dat zijkunnen getuigen, dat hij zich altijd gedragen heeft zoals het een “vroom persoene” betaamt, en dat hij nooit beschuldigd is geweest van “heresie ofte andere gereprobeerde secten”. (ORA Dordrecht inv. 728, akte 460)