Geschiedenis

Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de beklaagde [voormalig keizer van Duitsland Wilhelm II]zowel formeel als feitelijk de mogelijkheid had om de schending van de Belgische neutraliteit te voorkomen. Hij heeft willens en wetens nagelaten om deze mogelijkheid te benutten. Uit de omstandigheid dat hij het opperbevel voerde over de legereenheden die de aanval op België uitvoerden, moet integendeel worden afgeleid dat de schending van de Belgische neutraliteit onder zijn leiding plaatsvond. Dat de beklaagde het niet alleen voor het zeggen had, zoals door de verdediging is betoogd, doet hieraan niets af.” (H. Andriessen e.a., Het proces tegen Wilhelm II. Een vonnis over de schuld van de Duitse keizer aan WO I [Tielt 2016], p. 409)

Stadhouder-koning Willem III (1650-1702) “De Leidse historicus Roorda heeft Willem een ‘raadselachtige man’ genoemd. Dat is een juiste karakterisering aangezien Willem een uiterst gesloten, weinig spontane en terughoudende persoon was, die zijn ware gevoelens slechts aan een heel kleine kring van intimi openbaarde. … Dit gevoelloos ogende en weinig toegankelijke karakter maakte hem in de ogen van buitenstaanders tot een koude kikker. Het tegendeel was echter waar. De prins was in wezen een gevoelig, emotioneel mens, die er echter alles aan deed zijn gevoelens verborgen te houden. … Over de vraag of Willem III homoseksueel was, is al veel geschreven. Noordam, die in zijn studie over de geschiedenis van de homoseksualiteit in Nederland een apart hoofdstuk aan Willem III heeft gewijd, wijst erop, dat de term homoseksualiteit pas in de negentiende eeuw is ontstaan. Hij reserveert deze term voor mensen die zich bewust zijn van hun homoseksualiteit of uit wier gedrag blijkt dat ze een homoseksuele identiteit bezitten. Noordam gebruikt de term sodomiet om aan te geven dat iemand homoseksuele handelingen verricht. … In het leven van Willem onderscheidt Noordam drie levensfasen waarin de prins steeds verder opschoof in de richting van een homoseksueel in de twintigste-eeuwse betekenis, al moet hij toegeven, dat het absolute bewijs ontbreekt. Aanvankelijk was ik niet overtuigd van het feit, dat Willem III homoseksuele betrekkingen heeft onderhouden. Ik deelde het standpunt van Baxter, die beweert, dat Willem III het zo druk had met andere werkzaamheden dat hij geen tijd had voor seksuele relaties. Toch had ik al in 1988 bij de uitgave van een verslag over de tocht van Willem III naar Engeland van 1670-1671 … een citaat daaruit gebruikt om Willems geringe belangstelling voor vrouwen aan de orde te stellen. Iedereen was te spreken over de prins behalve ‘de Engelsche Dames omdat hij niet wercks genoegh van haer en maeckte.’ Deze mening werd meer dan 25 jaar later nog eens bevestigd door Liselotte van de Palts, een achternicht van Willem III. In een brief van 26 aug. 1696 schreef ze, dat Willem III nauwelijks aandacht aan vrouwen besteedde en bijzonder weinig met hen op had. Volgens Noordam is het opvallend dat Willem III en Mary Stuart II geen kinderen kregen en dat Willem III, voor zover bekend, ook geen bastaarden verwekte. … Pas in 1689 kwamen de geruchten over sodomie op gang in Engeland. Daarvoor, in 1682, werd Willem III zo vaak bezocht door een zekere ritmeester van Dorp, dat Huygens jr., de secretaris van Willem III, twee keer bij Baarsenburg, de kamerdienaar, informeerde naar het doel van deze bezoeken. Baarsenburg had zich op de vlakte gehouden, maar wel gezegd, dat de bezoeken al enige tijd onregelmatig plaatsvonden en soms een half uur duurden. De verdenking dat de koning sodomie pleegde, groeide in de jaren ’90. Mij lijkt het inmiddels waarschijnlijk, dat Willem III homoseksuele relaties had, maar dat hij die activiteit goed verborgen wist te houden. Dat is niet zo vreemd bij een man die de karaktertrek ‘fort dissimulé’ bezat.” (Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III, een politieke biografie [Hilversum 2001], p. 35-37) [Opvallend is tevens het tamelijk grote aantal ‘sodomieten’ in Willems directe familie: Henry Darnley, zijn betovergrootvader, Jacobus I van Engeland en Schotland, zijn overgrootvader, Karel I van Engeland en Schotland, zijn grootvader en Philips van Orléans, zijn moeders neef. (ABdH)]

 

“Äccording to almost all written sources, the main income of the Crimean Khanate came from raids upon the territories of adjacent countries and from the trade in slaves captured during these military campaigns. The first major Tatar raid for captives took place in 1468 and was directed into Galicia. According to some estimates, in the first half of the seventeenth century the number of the captives taken to the Crimea was around 150,000-200,000 persons. About 100,000 of them were captured in the period between 1607 and 1617. The Crimean Tatars invaded Slavic lands 38 times from 1654 to 1657; 52,000 people were seized by the Tatars in the spring of 1655 in the course of a raid into the territory of Ukraine and Southern Russia. The number of Tatar raids seems to have diminished in the eighteenth century due to the growth of Russian strength in the southern regions and a few Russo-Turkish wars, which partially took place in the Crimean territory. Nevertheless, in 1758 there were around 40,000 slaves captured during a raid on Moldavia and in 1769, during one of the very last Tatar incursions into Russian and Polish territory, the amount of “live booty” was about 20,000 souls.

The demographic importance of the slave trade in the Early Modern Crimea and Ottoman Empire also should not be underestimated. Thousands and thousands of Christian female slaves and children were converted to Islam annually. Soon these neophytes forgot about their non-Turkic origins and their offspring often would not even be aware of their Christian past.”
noot 11: “When this article was already in print, I received a copy of a study by Dariusz Kolodziejczyk, where the author very convincingly suggested that the whole number of slaves taken from Russia and Poland-Lithuania between 1500 and 1700 might roughly be estimated at two million (Dariusz Kolodziejczyk, “Slave Hunting and Slave Redemption as a Business Enterprise: the Northern Black Sea Region in the Sixteenth to Seventeenth Centuries,”
Oriente Moderno n.s. 25:1 (2006): 149-59, esp. 151).”

(SLAVE TRADE IN THE EARLY MODERN CRIMEA FROM THE PERSPECTIVE OF CHRISTIAN,MUSLIM, AND JEWISH SOURCES.

MIKHAIL KIZILOV

Oxford University)

Henk Feldmeijer, voorman van de Nederlandse SS (1910-1945) “Op een dag in maart 1944 riep Feldmeijer vijftien a twintig SS’ers bijeen op het bureau van de 4e Afdeling van de Germaanse SS … in Den Haag. … De door Feldmeijer opgeroepen mannen waren over het algemeen arm en nauwelijks opgeleid. Hun gemiddelde leeftijd was laag. … Maar het gezelschap telde ook enkele oudgedienden van de SS, met wie Feldmeijer al langer samenwerkte. … Samen vormden zij een nieuwe, geheime formatie: het Sonderkommando-Feldmeijer. … Het … werd berucht als het nieuwe doodseskader ten behoeve van de Silbertanne-acties, dat alle eerdere moordcommando’s verving. … In totaal rukte het Sonderkommando-Feldmeijer minstens elf keer uit. De acties vonden overal in Nederland plaats, van Breda tot Grootegast en van Beemster tot Velp. Het commando vermoordde 21 burgers. Meestal werden de slachtoffers, net als in de eerste fase van de Aktion Silbertanne, geselecteerd door de Sicherheitsdienst. Maar het was Feldmeijer die vervolgens het Sonderkommando opbelde met het bevel dat een aantal leden zich moest vervoegen bij de betreffende SD-Aussenstellenleiter, die hen verder zou instrueren. Ten minste twee keer heeft Feldmeijer eigenhandig ook het slachtoffer aangewezen. [Anje Lok, uit het Friese Ravenswoud, op 19/20 mei 1944, als vergelding voor de dood van de Landwachter Kees Hartenhof,en pastoor F.J. Schoemaker van de Groningse St. Franciscuskerk, motief onbekend, aanslag mislukte, i.p.v. de pastoor werd kapelaan J.G. Böcker doodgeschoten.(25 sept. 1944).] Het Sonderkommando-Feldmeijer moest een groep professionele en koelbloedige killers worden, maar kon de verwachtingen niet waarmaken. … Een van de Silbertanne-akties waarbij commandoleden steken lieten vallen, vond op 15 aug. 1944 plaats in Noord-Limburg. [De burgemeesters van Asten en Someren werden gedood, maar een derde persoon, Frans Eijsbouts, ontsnapte. Het pistool van schutter Sander Borgers werd door Eijsbouts uit zijn handen geslagen. Het werd later door de politie gevonden. De liquidaties werden daarna steeds vaker door Duitse SD-agenten uitgevoerd, zonder gebruikmaking van het Sonderkommando-Feldmeijer.] Eind augustus kwam er een einde aan de Silbertanne-acties. Hitler had op 30 juli 1944 het [Niedermachungsbefehl] …uitgevaardigd. Volgens dit bevel moesten gearresteerde verzetslieden ter plekke zonder vorm van proces worden doodgeschoten. De afschikkende werking van deze maatregel maakte de omslachtige en risicovolle sluipmoorden overbodig.” [B. Kromhout, De Voorman, Henk Feldmeijer en de Nederlandse SS (Amsterdam/Antwerpen 2012), p. 400 e.v.]

In de oostmuur van de kapel van Guy van Avesnes [in de Domkerk van Utrecht] bevindt zich een spitsboognis, waarin een schildering is aangebracht, die de Kruisiging voorstelt De schildering kwam in 1919 tevoorschijn na de verwijdering van een uit kloostermoppen gemetselde omuur) die haar eeuwenlang beschermd had, zodat zij op twee vierkante gaten van 10 cm zijde na, vrijwel gaaf gebleven is. Blijkens de twee toen gevonden draaipunten in het linkerprofiel van de boog en een afgewerkte aanslag in het overeenkomstig profiel aan de rechterkant was er oorspronkelijk een draaibaar luik voor de schildering bevestigd, zoals er ook nu weer een aanwezig is. De hoogte van de boognis is 1,60 m, de breedte 1,65 m. Onder de nis stond eens een altaar, gewijd aan Sint Margriet, dat het eerst in 1438 vermeld wordt. Op de schildering ziet men in het midden Christus aan het kruis, links Maria, die, ineenzijgend, door Johannes ondersteund wordt, rechts de H. Margaretha met haar attribuut, de draak. De achtergrond is dofrood, de Calvarieberg bruin, het gewaad van Maria, die een witte hoofddoek draagt, blauw met een vaalgroene voering, de mantel van Johannes violet, terwijl Margaretha gehuld is in een roomwitte tunica en een donkere mantel, het monster is vaalgroen van kleur. Uit het hele tafereel en de sterk expressieve gezichten en handen spreekt, ondanks de ingetogen gebaren en houdingen, een fel dramatische aandoening. Ook de dagkanten van de boog zijn beschilderd: men onderscheidt nog vaag de kazuifels en mijters van twee bisschoppen en men ziet St. Barbara, herkenbaar aan de toren, die zij in haar hand draagt. De voorstelling van de Kruisiging is aangebracht op een bruinachtige grondkleur, waaronder op beschadigde plekken geel en rose tevoorschijn komen en waarop men sporen van overschilderingen ziet, bij de Christusfiguur de brede omtrek van een andere figuur, links van Margriet resten van een ander, meer naar links gebogen hoofd. De schildering is niet in temperaverven, maar volgens een voor die tijd nieuw procédé vervaardigd, namelijk met een ongewoon bindmiddel, dat uit caseïne of ei, olie en was bestaat en dat, in afwisselende hoeveelheden gebruikt, tot gevolg heeft gehad, dat er malse dikke partijen en heel dunne lagen naast en door elkaar voorkomen en het koloriet ongewoon vol en fors is. Bijvanck acht het waarschijnlijk, dat de schildering van de hand van de ‘meester van bisschop Zweder van Culemborg’ is, werkzaam ca. 1425 toen hij ook de miniaturen van het missale van Zweder (Bissch. Seminarie te Brixen) vervaardigde. Hoogewerff ziet meer stijlverwantschap met miniaturen uit omstreeks 1430-’40, vooral met die van de ‘meester A.’, onder wiens leiding ca. 1430 te Utrecht twee grote bijbels (respectievelijk in de Koninklijke Bibliotheken van Den Haag en Brussel) verlucht werden en die een Nederlands getijdenboek Stockholm, Kungliga Bibliotek) illustreerde. Positief aan de schilder van de Kruisiging in de Avesneskapel schrijft hij een anoniem paneel toe met een Pietà (collectie Gruter van Linden, Antwerpen) in olieverf. + litteratuur. c.h. de jonge, De ontdekkingen in de Domkerk te Utrecht. Utr. Dagbl, 2 oct. 1919; d.f. slothouwer en c.h. de jonge, Enige vondsten in de Utrechtse Domkerk. bull. oudhk. b. 1929, blz. 150-153; j. por, Drie kruisingstaferelen uit de xve eeuw; oudholland 1937, blz. 26-37; g.j. hoogewerff, De Noordnederlandse schilderkunst (‘s-Gravenhage 1936 vlg) 1, blz. 349-358; a.w. bijvanck, De middeleeuwse boekillustratie in de noordelijke Nederlanden (Antwerpen 1943), blz. 29 en 33.

Rogier van der Weyden, portret van Philippe de Croy, ca. 1460 (gezien Mauritshuis sept. 2017) Philip I de Croÿ (1435–1511) was Seigneur de Croÿ and Count of Porcéan. Philip I was a legitimate heir to the powerful House of Croÿ. He was the eldest surviving son of Antoine de Croy, Comte de Porcéan and Margaret of Lorraine-Vaudémont. Philip was raised with Charles the Bold, who arranged Philip’s marriage to Jacqueline of Luxembourg in 1455. The bride’s father, Louis de Luxembourg, Count of Saint-Pol, was extremely against the alliance and attempted to win his daughter back by force, but the Count of Porcéan closed the borders of Luxembourg and announced that the marriage had been consummated. He was also Governor of Luxembourg and Ligny. Philip had determination and a strong force of personality, and was both respected as an administrator and accomplished in battle. The year after his father died he was titled Knight of the Golden Fleece, and later became Governor of Hainault. He is recorded as a participant in most of the battles of Philip the Good and Charles the Bold, during which his fortunes ranged from being knighted for valour to being held hostage.[1] In 1471 he defected to the King of France with 600 knights but returned to Burgundy to fight for Charles during the Battle of Nancy. It was during the battle that he was taken prisoner. Following Charles’s death, Philip helped arrange the betrothal of his heiress Marie with Emperor Maximilian I. Towards the end of his life, he was employed by the Emperor as Governor of Valenciennes, Lieutenant General of Liege, and Captain General of Hainaut. Philippe commissioned a remarkable church in Château-Porcien, in which he was buried upon his death in 1511. (Wikipedia)

Taped conversation between LBJ and Senate Majority leader Mike Mansfield, June 8, 1965: “LBJ: I don’t exactly see the medium for pulling out [of Vietnam]. … [But] I want to talk to you. … Rusk doesn’t know that I’m thinking this. McNamara doesn’t know I’m thinking this. Bundy doesn’t. I haven’t talked to a human. I’m over here in bed. I just tried to take a nap and get going with my second day, and I couldn’t. I just decided I’d call you. But I think I’ll say to Congress that General Eisenhower thought we ought to go in there and do here what we … did in Greece and Turkey, and … and President Kennedy thought we ought to do this. … But all of my military people tell me … that we cannot do this [with] the commitment [of American forces] we have now. It’s got to be materially increased. And the outcome is not really predictable at the moment. … I would say … that … our seventy-five thousand men are going to be in great danger unless they have seventy-five thousand more … I’m no military man at all. But … if they get a hundred and fifty [thousand Americans], they’ll have to have another hundred and fifty. So, the big question then is: What does Congress want to do about it ? … I think I know what the country wants to do now. But I’m not sure that they want to do that six months from now. … We have … some very bad news on the government [of General Nguyen Cao Ky in Saigon] … Westmoreland says that the offensive that he has anticipated, that he’s been fearful of, is now on. And he wants people as quickly as he can get them. … We seem to have tried everything that we know to do. I stayed here for over a year when they were urging us to bomb before I’d go beyond the line. I have stayed away from [bombing] their industrial targets and their civilian population, although they [the Joint Chiefs] urge you to do it.” (M. Beschloss, Reaching for Glory [New York 2001], p. 345-347)

Wilhelm II, tsaar Nicolaas II, tsarina Alexandra en koningin Victoria. [In the spring of 1914 Nicholas II said to the British Ambassador Sir George Buchanan]: “It was commonly supposed that there was nothing to keep Germany and Russia apart. This was, however, not the case. There was the question of the Dardanelles. Twice in the last two years the Straits had been closed for a short period, with the result that the Russian grain industry had suffered very serious loss. From information which had reached him from a secret source through Vienna he had reason to believe that Germany was aiming at acquiring such a position at Constantinople as would enable her to shut in Russia altogether in the Black Sea. Should she attempt to carry out this policy he would have to resist it with all his power, even should war be the only alternative … though the Emperor said that [he] … wished to live on good terms with Germany … at present the vital necessity was for Russia, France an Britain to unite more closely in order to make it absolutely clear to Berlin that all three entente powers would fight side by side against German aggression.” (D. Lieven, Nicholas II, Emperor of All the Russias [Londen 1993, p. 197)