ONA Dordrecht (vanaf 1700)

3 jan. 1702: testeren voor notaris J. van Bijwaert Maeijken Gijsbregts, weduwe van Jonas Tobiasz. Toon wolwever, en haar dochters Rebecca Jonasdr. Toon en Petronella Jonasdr. Toon, “bejaerde dogters”, allen wonende te Dordrecht. Maijken Gijsbregts legateert aan haar dochters “alle de weijnige meuble goedertjens, cleederen als anders, dewelke van geen belang sijn”, die zij nalaten zal, op voorwaarde dat haar dochters de kosten van haar begrafenis op zich nemen. Zij legateert aan haar drie getrouwde kinderen, of bij vooroverlijden hun wettige kinderen, een bedrag van 2 gl. 10 st. elk. Rebecca en Petronella benoemen hun moeder tot hun universele erfgenaam, doch indien hun moeder vooroverlijdt zal de langstlevende van hen beiden erfgenaam zijn.Als voogden over hun minderjarige erfgenamen stellen zij aan Jordaen Verstap en Hermanus de Bruijn, beiden burgers van Dordrecht. De moeder tekent met een merkje, de dochters met hun naam. (405, f. 1 e.v.)

28 mrt. 1703: Huijbert Borreth, koopman te Dordrecht, verklaart op 26 april 1701 “bij forme van donatie inter vivos [schenking onder de levenden]” aan zijn oudste zoon, Huijbert Borret, koopman en burger van Antwerpen, geschonken te hebben alle goederen, kredieten en “actiën”, welke hem, Borret senior,toekomen in Cadiz en Sevilla, opdat zijn zoon zich daarmee kan vestigen “tot Spaens handelaer en negotiant.” (722, f. 26 e.v.)

21 febr. 1705: mr. Arend Roeland de Carpentier, heer van Rijsoord, verkoopt aan Samuel Usie Cardose, wonende te Amsterdam, een obligatie ten laste van de West Indische Compagnie, groot 200 gl., staande op naam van de comparant, genummerd 251 en gedateerd 31 dec. 1700. (735, nr. 18, f. 44 e.v.)

26 mrt. 1709: testament van Jannetie Terwen, meerderjarige dochter, wonende te Dordrecht. Zij benoemt tot universele erfgenamen Goris Terwen en Jacobus Terwen, gebroeders, beiden zoons van haar overleden broer Jacobus Terwen en Maria Terwen, dochter van wijlen haar broer Hendrick Terwen, elk voor een gerecht 1/3 deel, op voorwaarde, dat zij ieder 1/3 part daarvan zullen afstaan aan testatrices broer doctor Johannes Terwen, hetgeen door wijlen Cornelis Terwen en testatrice is beloofd in het contract gepasseerd in het jaar 1708 ten overstaan van notaris E. Venloo te Dordrecht en op voorwaarde, dat van haar nalatenschap een somma van 2000 gl. wordt belegd in obligaties op het gemeneland om gedurendehet leven van dr. Johannes Terwente dienen tot zijn jaarlijks inkomen. Maria Terwen zal bovendien mogen “naderen”de wollen en linnen kleren, de gouden en zilveren sieraden, het beste bed en de vier beste kussens, door testatrice na te laten, mits zij zal goedkeuren de scheiding, die is gemaakt van de boedel, nagelaten door Laurens Terwen. Testatrice legateert aan Goris en Jacobus Terwen een somma van 1000 gl., aan de Armen van de Doopsgezinde gemeente van Dordrecht “staende onder de predeking van Dr. Cornelis van Bragt” een somma van 300 gl., aan Johanna van der Heijde, weduwe van Jacobus Terwen een zilveren schenkbord en aan Adriaentie de waster een somma van 100 gl. Tot voogden en executeurs-testamentair stelt zij aan haar neven Lodewijk Terwen en Jeronimus Terwen, kooplieden te Dordrecht en bij vooroverlijden vanLodewijk zijn oudste zoon Francois Terwen. (504, geen folionrs.)

5 juni 1711: boedelscheiding tussen Joosjen Ariens ’t Jongh, meerderjarige dochter wonende onder ‘s-Gravendeel, enerzijds en Willem Ariensz. Reedijck, als man van Adriaentje Ariensdr. ’t Jongh, mede wonende aldaar, anderzijds, beiden kinderen en erfgenamen van Arij Leendertsz. ’t Jongh en Heijltje Bastiaense. (505, akte 35)

13 febr. 1712: voor notaris W. Pasman compareert Johan van Slingeland, inwoner van Dordrecht. Hij verleent procuratie aan Laurens van Loon, schepen van Dongen, om zich tevervoegen bij rentmeester Thomas Claypole, wonende te Dongen en hem te vragen of hij “zigh gedragende is als Erffgenaam van zaliger Juff. Thomalina Claypole, zijne doghter” of wie anders haar erfgenamen zijn, hetzij ex testamento of ab intestato. (813, akte 125)

1 mei 1712: compareren voor notaris G. Mugge Andries Rubbe en Jacobmijntie van der Linden, weduwe van Pieter Holst, wonende onder Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht, beiden van competente ouderdom, die op verzoek van Bastiaen de Leur, als man en voogd van Johanna Jaspers, wonende onder Meerdervoort, “dat sij attestanten op donderdag laatstleden voormiddag sonder het precise uijr onthouden te hebben, sijn geweest ten hujsen van Jasper Leenheer, woonende op Swijndrecht voornoemt, dat aldaer mede present quaem d’Hr. Pieter Cloens, in Dordrecht woonagtig, dat den voorn. Hr. Cloens sig alsdoen niet ontsag ten voors. huijse, selfs in presentie van sijn requirants huijsvrouw, te seggen dat eenen Jenneken Hendrixe, op Meerdervoort woonagtig, hem hadde gesegt als dat hij een clap hadde gecregen vanden requirant omdat den voorn. Hr. Cloens met des requirants huijsvrouw te familiaeren en quaden off onbehoorlijcken omganghoude. En verclaren de attestantenwijders dat de voors. Hr. Cloens, naer ’t voorige gepasseerde, zijde dat de Slingse, alias Pieter Jansz. T’Hart, sulx gesegt zoude hebben voor de deur van Steven Thomas ter presentie en aenhooren van de voorn. Jenneken Hendrixe, ende Jannighien Thomas …” (634, geen folionrs.)

31 jan. 1713: compareren voor notaris A. Blankert Lazarus en Hendrik van Heck, wonende te Dordrecht, kinderen en erfgenamen van wijlen Anna Baten, hun moeder, laatst weduwe van Gerrit van Duijnen, enerzijds en Jan van Heck, wonende te Dordrecht, mede zoon en erfgenaam van Anna Baten, zowel voor zichzelf en als echtgenoot van Cornelia van Duijnen, enige en universele erfgenaam van Gerrit van Duijnen, anderzijds. Zij komen overeen, dat de twee huizen, het ene staande op de hoek van de Stoofstraat in de Vriesestraat en het tweede in de Stoofstraat achter tegen het andere huis, welke huizen zijn nagelaten door Anna Baten, door de notarissen A. van Nievelt en B. van Gelsdorp publiekelijk zullen worden verkocht en dat de opbrengst van die verkoop zal worden aangewend voor het voldoen van de schulden en lasten van hun moeders boedel. (731, akte 3, f. 13 e.v.)

16 febr. 1713: Herman Raets, meester-chirurgijn te Dordrecht, verleent procuratie aan zijn vrouw Cornelia Jacobsdr. van der Meer om te verkopen zekere tuin, gelegen buiten de stad Hoorn, toebehoord hebbende aan Jan Verheij, die getrouwd is geweest met comparants overledendochter, wijlen Cornelia Raets, op welke tuin de comparant met een schuldbrief “staat gevestigt”. Voorts geeft hij haar last om op de verdere goederen van Jan Verheij, hetzij bij de Kamer van de V.O.C. te Amsterdam of Hoorn, hetzij elders, te verhalen “sodanige verdere actie en pretensie als den comparant soo uijt sijn eijgen hoofde en nogh als erffgenaem van sijn voorn. dogter Cornelia Raets, ofte nu wel ten laste van desselfs naergelaten boedel ende goedren te eijsschen ende deugdelijck te pretenderen heeft.” Hij tekent met zijn naam. (609, f. 36 e.v.)

25 mei 1713: huwelijkse voorwaarden van Adriaen Op de Camp Francoisz., koopman te Dordrecht , meerderjarig koopman te Dordrecht, geassisteerd met Adriaen Op de Camp, koopman te Dordrecht, zijn oom en Johan van Someren, secretaris van Schieland etc., zijn zwager en Maria Terwen, jonge dochter, over de twintig jaren oud, geassisteerd met notaris E. Venloo als haar gekoren voogd in deze. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. De bruidegom zal alleen inbrengen de revenuën van zijn goederen en de winsten van zijn negotie en de bruid alleen de opbrengsten van haar goederen. Als zij als eerste overlijdt, zal de bruidegom uit haar goederen een somma van 12.000 gl. ontvangen. Aangezien de voogden van de bruid aan haar inmiddels overleden ouders hebben beloofd, haar op te voeden in de Doopsgezinde godsdienst, is bedongen, dat de bruid de keuze zal blijven houden om in de Doopsgezinde gemeente te blijven. (506, akte 38)

10 aug. 1714: Cornelis van Beveren, heer van De Lindt, wonende te Dordrecht, verklaart verhuurd te hebben aan Leendert Willemsz. Hartogh, wonende tegen de Kil onder ‘s-Gravendeel, de weide van de dijk, “den hack” van het houtgewas en het gebruik en gewas van de gorssinge van ongeveer 7 morgen land, liggende aan de Kil onder ‘s-Gravendeel, voordien gehuurd door Maerten Ariensz. Maesdam. Hartogh tekent met een merk. (611, f. 176 e.v., akte 62)

20 mei 1717: Arij Ponse en Maijke Breevoort, echtelieden, wonende even buiten het Sluisje aan de Noordendijk, benoemen elkaar tot voogd over hun minderjarige kinderen. Hij benoemt tot medevoogdenzijn broer Jan Ponse en zijn zwager Willem Brevoort. (792, akte 59)

16 okt. 1717: mr. Matthijs Beelaerts,lid van de Oudraad te Dordrecht, verhuurt aan Pieter Naacktgeboren, bouwman te Wieldrecht, 18 1/2 morgen wei- en zaailand, gelegen in de elfde en twaalfde kavel van de Wieldrechtse Polder, met uitzondering van de woning van de verhuurder met vijvers, boomgaarden, tuinen en “plantagiën”, gelegen in de elfde kavel, welke de verhuurder aan zich behoudt en op voorwaarde, dat de huurder de schuur en huismanswoning zal mogen gebruiken tot het moment, dat verhuurder voor een andere op het verhuurde land zal hebben gezorgd. Dat alles voor de somma van 36 gl. de morgen jaarlijks. Voorts verhuurt Beelaerts aan Naaktgeboren de gehele vijftiende kavel, groot 12 morgen, voor 35 gl. de morgen jaarlijks en de dijkettingen van de Wieldrechtse dijk, strekkende van de grote sluis van de polder tot aan de Reeweg, voor 40 gl. jaarlijks. Beelaerts tekent met zijn naam, Naaktgeboren met de letters PN. (679, akte 128)

12 febr. 1719: testeren Marcus Ariensz. van der Boot, viskoper te Dordrecht en Trijntie Ariensdr. van der Boot, weduwe van Pieter Cornelisz. Hoeck, in zijn leven viskoper te Dordrecht, broeder en zuster. Zij benoemen tot erfgenaam de langstlevende van hen beiden. De testatrice legateert aan Clara van der Heijden 50 gl., aan Corstiaen van Terneij passementwerker 50 gl. en aan Job van der Heijden 50 gl.. Testateur legateert aan Johannes Wor de Jonge burger van Dordrecht, zijn goede bekende vriend 100 gl. en aan Maijken Wor 50 gl. Hij tekent, zij zet een kruisje. (400, akte 11, f. 30 e.v.)

26mrt. 1719: Mattheus, Sara en Annigie Ariens Kop, de beide laatsten meerderjarige ongehuwde dochters, zijn erfgenamen ab intestato van hun broer Cornelis Ariensz. Kop, die in 1691 is uitgevaren naar Oost-Indiëmet het schip “Saamslag”. (521, akte 39)

30 mei 1725: verklaring door Arij Jansz. van de Graaf, Teunis Ariensz. Bos en Jan Ariensz. Brouwer, allen arbeiders, op verzoek van Jan van der Linden, eigenaar van een steenplaats buiten de Sluispoort van Dordrecht. Zij zijn op diezelfde dag, “werkende, en op ordre vanden Requirant de aerde of slikken willende slegte of effenen opt Erf van den Requirant”, gelegen tussen de volmolen van Tobias Vernes en de zaagmolen van Mattheus Rees langs het Papegat, “daar in … belet gewerden” door voornoemde Vernes en diens oudste zoon Leendert Vernes. De rekwirant heeftde deposantenvervolgensopdracht gegeven hun werk voort te zetten, waarop hij door Vernes en zijn zoon zeer onheus bejegend is “met allerleij scheldwoorden [waar]onder ijsselijke vloekken en dreijgementen, voegende den voorn. soon Leendert Vernes daarbij, en seggende tegens den Requirant, gij kundt staat maken dat, eer het proces, of regt geëindigt is, ik u bij avond of ontijden sal waarnemenen den hals breken, en met een bijl kapot maken, of een arm vant lijf hakken”. De getuigen verklaren voorts, dat de rekwirant door de zoon van Vernes meermalen is uitgedaagd om te vechten, maar dathij daarop niet is ingegaan en van het erf is weggelopen. Akte door comparanten ondertekend met een merkje. (824, akte 10, f. 23 e.v.)

3 nov. 1728: testeert voor P. Venlo Johanna van der Linden, meerderjarige ongehuwde dochter, wonende te Dordrecht. Zij benoemt tot haar universele erfgenaam haar neef Gijsbert de Lengh, koopman te Dordrecht. Zij tekent met een kruisje. (782, akte 39)

30 aug. 1745: testeert voor B. van der Star Jan Scharlijn, oudijzerkoper, wonende in de Kromme Elleboog, eerder weduwnaar van Anna Kluijt en nu getrouwd met Lijsbeth Ferboij. Tot voogden benoemt hij zijn neven Jan van Koijck, koster van de Grote Kerk en Jan Singels. (868, akte 75)

12 okt. 1805 (scheiding beneden de 5000 gl.): compareren voor notaris C. Bax Leendertvan Noort, als echtgenoot van Marija de Vrij en Marija de Vrij zelf, wonende onder Hendrik-Ido-Ambacht, Pieternella de Vrij, weduwe van Barent Draassel, Sijgje de Vrij, meerderjarig en ongehuwd en Gerritte Veldhuis, als echtgenoot van Adriana de Vrij en Adriana de Vrij zelf, allen, behalve de twee eerstgenoemden, wonende te Dordrecht. Marija, Pieternella,Sijgje en Adriana zijn de enige nagelaten kinderen van Elisabeth Ambagtsheer, in haar leven weduwe van Hendrik de Vrij, gewoond hebbende en op 13 sept. 1805 overleden even buiten de stad Dordrecht. Zij hebben, na afbetaling van de begrafeniskosten en andere lasten, onderling de nalatenschap van Elisabeth Ambagstheer verdeeld. Daarbij is aan Marija toegevallen een obligatie van 1000 gl. ten laste van de provincieHolland, aan Pieternella een dito obligatie van 1000 gl., aan Sijgjeeen schuldbrief van 1000 gl. ten laste van de Bataafse Republiek en aan Adriana een ditoschuldbrief van 1000 gl. Akteondertekend door de comparanten, behalve door Sijgje de Vrij, die niet kan schrijven.(ONA Dordrecht inv. 1561, akte 50)

[Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 18 sept. 1805: Elisabeth Ambachtsheer, weduwe van Hendrik de Vreij, in het Papeterspaadje, laat kinderen na.]