ORA Dordrecht 1544-1556

Een selectie uit ORA Dordrecht inv. 694, inv. 695, inv.698, inv. 721, inv. 1532 (nieuw), inv. 1534 (nieuw),inv. 1535 (nieuw), inv. 1536 (nieuw)

14 dec. 1544: “Wij [burgemeester, schepenen en raden] der Stede van Dordrecht doen condt allen den ghenen dien desenonsen openen brieff gethoent zal werden dat ons kenlick is als dat suster Lijntgen van Denremonde vuijt Brabant mitter wonen gecomen is tot Dordrecht int convent van den zwarte susters [celle-, brood- of zwarte zusters in het klooster Bethlehem in de Lange Breestraat] binnen de voersz. stede ter selver tijt als Maerten van Rossem viantsgewijs vuijt het lant van Gelre over die riviere vanden Maze gecomen was brandende ende rovende ende dat de voersz. suster Lijntgen tot Dordrecht int voersz. convent gewoent heeft tot na bamisse [1 oktober] toe lestleden ende dat de selve suster Lijntgen nu onlanx vuijt het voersz. convent heeft moeten schijden nijet om enige quade feijten wil maer alleen deur dien dat zij haer nijet en wilde ofte en coste reguleren inde obedience ende eendrachticheijt als dandere conventualen inden convente voersz. woenachtich zijnde … “(694, f. 63)

23/25 juni 1546: op verzoek van Jan Meijnertsz. alias Langstraet verklaren Arien Jansz. Boender, 40 jaar oud enPieter Gielis, 38 jaar oud, schippers te Dordrecht, als arbiters in een geschil tussen Jan Meijnertsz. van wege en uit naam van diens zoon Matheus Jansz., enerzijds en Tijsge van der Tholen, anderzijds, wegens een kwetsuur, welke Matheus Tijsge heeft toegebracht, dat Tijsge gezegd heeft, dat hij met een vriendelijke dronk Matheus de verwonding zal vergeven zonder dat Matheus hem “voer sijne smarte ofte verlet” enige penningen zal moetenuitreiken. (695, f. 4v)

28 febr. 1547: Cornelis Adriaensz. Roerom, Jan Zijbrechtsz., en ClaertgeJacobsdr., de weduwe van Cornelis Bogaert, verlenen aan mr. Tielman Scoeck procuratie ad lites contra Jan Gheritsz. de Heer. (ORA Dordrecht inv.695, akte 419)

18 mrt. 1550: verklaring op verzoek van Cornelis Lambrechtsz. schipper door Herman Jerefaes alias Cuijlenborch, schipper, 40 jaar oud. (1532 (nieuw), akte 157)

26 mrt. 1550: Pieter Ghijsbertsz. schoenmaker, als man van Grietgen Dircxdr., en Willem Claesz., voor zichzelf en tevens vervangende Jacob Claesz., hun broer, verklaren, dat Grietgen Jansdr., weduwe van mr. Cornelis Jacobsz. van Oudewater, hun tante, hen allen betaald en voldaan heeft van hetgeen hun aanbestorven is bij overlijden van hun tante Marichen Blocx. (1532 (nieuw), akte 168)

28 mrt. 1550: verklaring op verzoek van Cornelis Jacobsz. schipper door Herman Jerefaesz., poorter van Dordrecht. (1532 (nieuw), akte 170)

26 nov. 1551: op verzoek van Heijnrick Willemsz. schoenmaker voor zichzelf en namens zijn broers en zusters verklaren Aelbert Lucasz., 60 jaar oud, en Quirijn Thielmansz. houtzager, 53 jaar oud, dat zij goed gekend hebben wijlen Zeger Heijndricxsz., leertouweren ookhoutzager, en dat hij, Quirijn Thielmansz., met Zeger wel ongeveer een jaar het ambacht van hout zagen heeft beoefend, “ende … dat de zelve Zeger een houten kegge springende vvt het hout dat hij stont te saegen in zijn oege gesprongen es geweest, sulcx dat hij door faulte ende quade toesicht vanden meesters die hem tselve wech zoude meesteren met beijde zijn oegen blint geworden es. Ende zijne goeijken dat zeer zober was heeft hij doer dien vermeestert verteert ende verrecht zoe dat hij tot groete miserie ten leste gecomen es geweest ende heeft buijten der stede van Dordrecht lancx de goede luijden huijsen gaen spoelen met een lier biddende zijn broet om also de cost te gecrijgen”. (1534 (nieuw), akte 159)

13 febr. 1552: Cornelis Aertsz., Ariaentgen Aertsdr., Aeltgen Aertsdr., en Jan Lauwen, als man van Aechtgen Aertsdr., elk voor zichzelf en samen vervangende hun zuster Willem Aertsdr., verlenen procuratie aan Cornelis Aertsz., hun broer, om voor het Gerecht van Dordrecht te procederen tegen Claes Aertsz., hun broer, tot scheiding van de goederen, die hun zijn aangekomen bij overlijden van Aert Willemsz. Ket en diens vrouw Neeltgen, hun ouders zaliger. (1534 (nieuw), akte 234)

19 mrt. 1552: Adriaentgen een vondeling tot Delft zoe zij bekent Om dat zij haer vervordert heeft te plegen diverse dieverien ende sonderling onlancx leden alhier buijten die Vuijlpoert een waerdinne gestolen heeft twee gouden realen ende daer mede enige rabauwen onderhouden ende met haer rabautsgewijs geloepen, na tuijch ende waerheijd ende na haer selffe beleden dat zij haer voer scepenen ende raedt beleden heeft zoe zal zij daer voir gode ter eeren ende den heere ende den stede tot beteringe alhier voerder waech wel strengeliken gegeselt werden ende binnen daechs licht vuijten stede te gaen ende binnen den derden dach vuijt Zuijthollant ewelick gebannen wezen ende daer nijet weder inne te comen ende dit al op haer lijff. (698, akte 296)

15 okt. 1552: op verzoek van [NN] ’s herendienaar, wonende in “den Draeck”, verklaren Marigen Gheritsdr., de vrouw van Michiel Michielsz. zakkendrager, en Zijghen Henricxsdr. van Wezel, dat zij gezien hebben, dat Neel Jaffa zeker “vuilnis en assen” in de gracht gegooid heeft, “meer dan eens noch geen maent tijts geleden”. (1534 (nieuw), akte 558)

1 dec. 1552: Claes Baerthoutsz. koolmeter verkoopt aan Sijmon Sijmonsz. kuiper, als voogd van Jan Cornelisz. en Sijmon Cornelisz. van Gesel een jaarlijkse losrente van 20 st. op een huis [achter aan de stadsvest] tussen het Pelserstraatje en het Stijn Thomasstraatje [Ruitenstraat], staande tussen het huis van Lijs Coppendullen en dat van Pier Boen. (1534 (nieuw), akte 596)

23 dec. 1552: Ariaentge, weduwe van Floris Baertoutsz., transporteert aan Gerit Jansz. comen een rentebrief van één Vlaams pond jaarlijks. (1534 (nieuw), akte 611)

26 jan. 1553: Mariken Henricxdr., weduwe van Gherit Damasz. schoenlapper, verklaart “binnen den derden daghe nae dat zij die wete gehadt heeft”, dat haar man in de oorlog overleden is en nagelaten heeft drie kinderen, namelijk Herman Geritsz., “vierdalff” jaar oud, Digna Geritsdr., “negen vierendeel” jaar oud, en Aeltgen Geritsdr., een half jaar oud. (1534 (nieuw), akte 636)

3 febr. 1553: op verzoek van Anna, weduwe van Wouter Schilmansz., verklaart Franck Ghijsbertsz. van den Nes, 44 jaar oud, dat, toen wijlen Thonis Cornelisz. ziek te bed lag, aan welke ziekte hij is overleden, hij naar Thonis is gegaan en hem gezegd heeft, dat hij gehoord had, dat Thonis borg stond voor de pacht van de woning van Huijbert Adriaensz., die overleden is. (1534 (nieuw), akte 641)

3 febr. 1553: (roerende de dood van Pieter Maertensz. en Lijntgen Lambertsdr.) Heijnrick Willemsz., weduwnaar van Lijntgen Lambertsdr., die als voorman gehad heeft Pieter Maertensz., enerzijds en Maerten Pietersz., Neeltgen Pietersdr. en Lambertgen Pietersdr., samen vervangende Pietertgen Pietersdr., met toestemming van Jacop Melisz. schipper, hun oom, anderzijds, verdelen de nalatenschap van Pieter Maertensz. en Lijntgen Lambertsdr. Aan Henrick is o.a. toebedeeld de helft van een koggeschip, waarvan de kinderen de andere helft krijgen. (1534 (nieuw), akte 643)

16 okt. 1553: Barthout Barthoutsz. verkoopt Beatris [sic] een jaarlijkse losrente op een huis achter aan de stadsvest tussen het Stijn Thomasstraatje en het Pelserstraatje, staande tussen het huis van Jan Yevensz. en Henrick Jacopsz. (1535 (nieuw), akte 172)

13 jan. 1554: Jacob Willemsz. schipper verklaart, dat Meijnsgen Tonisdr., weduwe van Willem Coenen, zijn vader, hem volledig voldaan en betaald heeft van hetgeen hem aanbestorven is bij overelijden van zijn vader. (1535 (nieuw), akte 247)

3 febr. 1554: huwelijkse voorwaarden tussen Aernt van Nuijs Cornelisdr. enerzijds en Marichen Aert Buijssendr., anderzijds. De ouders van de aanstaande bruidegom, Cornelis van Nuijs Cornelisz. en Lucia Willem Croeckgendr., hebben hem als huwelijksgiftgegeven een huis op de Riedijk, genaamd “de Keijser”, staande tussen het huis van Cornelis van Nuijs, in welk huis Tijs de vogelkoper woont, en het huis van Jaepgen, de weduwe van Govert Adriaensz. De aanstaande bruid brengt in de goederen, die zij geërfd heeft van haar ouders. Haar grootmoeder, Marichen, de weduwe van Rijck Heijnricxsz., geeft tot onderstand van het voorgenomen huwelijk een somma van 200 gl. (1535 (nieuw), akte 236)

8 febr. 1554: Cornelis Willemsz. schipper verklaart, dat Mensgen Thoenis appelkoopster, weduwe van Willem Coenen, zijn “schoonmoeder”, hem volledig voldaan en betaald heeft van een somma van 7 Vlaamse ponden, die hem aanbestorven zijn bij overlijden van Willem Coennesz. havenmeester, zijn vader. (1535 (nieuw), akte 289)

30 mrt. 1554: Aernt van Nuijs Cornelisz., als man van Mariken Aert Buijssendr., transporteert aan Pieter Gerritsz. op Tscherlaecken en Petronella Cornelisdr. een rentebrief van 1 pond Vlaams jaarlijks. Borg: Cornelis van Nuijs Cornelisz. (1535 (nieuw), akte 365)

21 mei 1556: Jacob Willemsz. de Jonge bakker verklaart, dat zijn vader Willem Willem de Jong bakker hem volledig voldaan heeft van hetgeen hij geërfd heeft van Mariken Jacopsdr., zijn moeder, en van Geertgen Beentgens, zijn bestemoeder. (1536 (nieuw), akte 90)

10 juni 1556: Cornelis Andriesz. Stoep, als man van Melsgen Thonisdr., die eerder gehuwd was met Willem Florisz., verkoopt aan Pieter Jansz. Schots schipper een huis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Steven Thonisz. schipper en dat Grietge Thonisdr., weduwe van Aertvan den Berch. Waarborg: Maerten Screvel Dircxsz. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 47 Vlaamse ponden. Borgen: IJchgen Jacopsdr., weduwe van Michiel Pietersz., en Pieter Michielsz. schipper. (1536 (nieuw), akte 141)

17 juli 1556: Anna Florisdr., weduwe van Cornelis Jansz. Noeij, enerzijds, en Jan Jansz. Bruijn, Mariche Jansdr., en Meeus Goebelsz., als vader en voogd van Goebel, Pieter, Fijken, en Heijltgen Meeusdr., verwekt bij Truijken Jansdr., allen erfgenamen van Cornelis Jansz. Noeij, anderzijds, verdelen de goederen, die Cornelis heeft nagelaten. Daarbij is aan de weduwe o.a. toebedeeld de helft van een huis in de Kolfstraat, staande op de hoek van de Dwarsgang tussen die Dwarsgang en het huis van Pieter Cornelisz. (1536 (nieuw), akte 206)