Ronaer

Literatuur.

J. Scheltema, Rusland en de Nederlanden beschouwd in derzelver wederkeerige betrekkingen. Kompleet in 4 delen. (Amsterdam 1817-1819)

Ronaer (Ronaar)

I. Meus Jacobsz., schout van Zwijndrecht, overleden vóór17 febr.1569, trouwde Grietgen Jansdr., geboren ca. 1514, overleden tussen 24 juni en 31 dec. 1574 (Onze Voorouders, Kwartierstaten en Stamreeksen, deel II (Leiden 1994), p. 63, kwartieren 2172 en 2173)

ORA Dordrecht inv. 700, f. 22, akte dd 19 mei 1556: Jacob Jansz. schipper verkoopt aan Jacob Jansz. alias Hoeijcaes een huis, staande buiten de Vuilpoort tussen het huis van de weduwe van Gheeman Pouwelsz. en dat van Cornelis Joesten molenaar. Waarborg: Meus Jacobsz. schout. Koper kent schuldig 34 ponden 6 sch. 8 penn. groten Vlaams. Borgen: Ariaentgen schipper Jannen weduwe, zijn moeder en Jacob Lauwen in Zwijndrecht.

ORA Dordrecht inv. 727, f. 23v: op 17 febr. 1569 comp. Aernt van der Mijle Cornelisz., ambachtsheer van De Mijl, Dubbeldam etc., als kerkmeester van de Grote Kerk te Dordrecht, en stelt zich “appellant vande concessie van zeeckere mandaat penael vanden Hoeve van Hollant geïmpetreert zijnde” door Grietken Jansdr., weduwe van Meus Jacobsz., schout van Zwijndrecht.

ORA Dordrecht inv. 727, akte 111: op 8 mrt. 1569 is “onder mij [sic] geconsigneert” van wege Margrieta Jansdr., weduwe van Meus Jacobsz., in Zwijndrecht, een somma van 6 gl. ten behoeve van Aernt van der Mijle, als kerkmeester van de Grote Kerk.

ORA Dordrecht inv. 708, f. 163, akte dd 22 april 1569: op verzoek van Marijken Lenertsdr., weduwe van Jacob Aertsz., uit Zwijndrecht, verklaren Digna Jansdr., 60 jaar oud, burgeres van Dordrecht en Grietgen Jansdr., weduwe van Meus Jacobsz., schout van Zwijndrecht, 55 jaar oud, dat 13 of 14 jaar geleden ten huize van Digna Jansdr. bijeengekomen zijn o.a. Jacob Aertsz. enerzijds en de rekwirante anderzijds om “met malcanderen te vergaderen in huwelijken ende echten state” en dat de rekwirante toen gezegd heeft: “Om het hijlick achter te blijven zoe begeer ick die zeven mergen lants leggende naest de Steene camer in Swijndrecht voer vuijt te hebben ende behouden indien dvoersz. Jacob Aerts oflijvich werde voer dvoersz. Marijcken requirante”. Jacob Aertsz. heeft daarop tegen Marijken gezegd: “Eer het hijlick daerom achter blijven zoude zoe ben ick te vreden dat ghij dselve zeven mergen lants houdt voor vuijt ende gunne u die met allen mijn harte.” Waarna het huwelijk voltrokken is.

Kinderen:

a. Jacob Bartholomeusz., volgt II

b. vermoedelijk: Marigen Meusdr., trouwde Cornelis Claes Huijgen

SA Dordrecht, Weeskamer Nieuw-Lekkerland inv., 28 dec. 1596: Cornelis Willemsz. Jonckijnt van Ridderkerk, als voogd van het weeskind van Cornelis Claes Huijgen, genaamd Claes Cornelisz., verwekt bij Marigen Meusdr., heeft ten overstaan van de schout en heemraden van Nieuw-Lekkerland en in aanwezigheid van JacopMeusz., schout in Zwijndrecht en Ariaen Cornelisz., geassisteerdmet Jan Huijgen, beiden wonende in Laag Blokland, als medevoogden van het voornoemde weeskind, rekening gedaan van de uitgaven en inkomsten, gedaan en verkregen sedert 13 dec. 1590 van de goederen van het weeskind, t.w. de landpacht van 5 morgen en anderhalve hont land in Nieuw-Lekkerland in een buurt of gehucht, genaamd Telshout, waarvan 2 1/2 morgen gelegen is in een “weertgen lants” van 5 morgen, genaamd “Heijne Corsseland” en de andere 2 1/2 morgen land in de Hoffsteede en het “weer lands”van 9 morgen, waar Claes Huijgen op placht te wonen. De eerste 2 1/2 morgen land wordt gebruikt door Cornelis den Langen en de andere 2 1/2 morgen en anderhalve hont land door Jan Lenertsz. als huurders.

Kind:

b-1. Claes Cornelisz.

II. Jacob Bartholomeusz. (Meeusz.), geboren ca. 1552, overleden eind 1614, schout van Schobbelandsambacht (Zwijndrecht) ca. 1582-1614, trouwde NN (Onze Voorouders, deel II, p. 60, kwartier 1086)

ORA Dordrecht inv. 737, f. 352,akte dd1 febr. 1584: verklaring door Jacob Meeusz., schout van Zwijndrecht, ongeveer 32 jaar oud.

ORA Zwijndrecht inv. 2: op7 febr. 1586 verkopen Pieter Heijmandtsz., als man van Anna Meeusdr., Adriaen Koos [sic], als man van Jannetgen Meeusdr., Margarita Pietersdr., weduwe van Cornelis Meeusz., met Pieter Boogarts als haar gekoren voogd, en Pieter Adriaensz., voor zichzelf en tevens als voogd van Heijman Adriaensz., zijn broer, aan Jacob Bartholomeusz., schout van Schobbelandsambacht, een huis, staande aldaar buitendijks bij het hoofd van het Zwijndrechtse veer, welk huis isgenaamd “de Drie Coningen” en wordt belenddoor het huis van Pieter Heijmandtsz. aan de westzijde en de rivier de Merwede aan de oostzijde. Jacob Bartholomeusz. schout, als oom, en Pieter Adriaensz., als voogd en broer van Heijman Adriaensz., beloven de heemraden van Schobbelandsambacht “te bevrijen, costeloos en schadeloos [te houden], tontheffen, ende te indempneren noopende de successie ende besterfenisse vande voorn. Heijman Adriaensz.”.

Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2613, f. 73 (thesauriersrekening Dordrecht 1591): de stad Dordrecht betaalt aan Jacob Bartholomeusz., schout op Zwijndrecht, 3 ponden 18 schellingen van 40 groten het pond, “over tgunt bij mijnen heeren is toegeleijt voorde wagenvracht van vijff wagens”, die op 26 april 1591 op last van de regeerders van Dordrecht zijn gereden van Zwijndrecht “opt Houcksche Veer” om Zijne Excellentie Graaf Maurits vandaar te vervoeren naar Zwijndrecht, alsmedevan de “wagenvracht” van een wagen, dieop diezelfde dag is gereden naar IJsselmonde, waarmee zijn vervoerd een trompetter en vier andere personen van “thoffgesin” van Graaf Maurits, zoals in zijn verklaring staat vermeld.

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Adriaen Jacobsz. Ronaer, volgt IIIa.

b. Adriaentken Jacobsdr., trouwde vóór 16 april 1620 Aert Cornelisz. de Leur.

ONA Dordrecht inv. 8, f. 16 e.v.: op 16 april 1620 comp. voor notaris W. van den Brouck Aert Cornelisz. de Leur en Adriaentken Jacobsdr., echtelieden wonende onder de jurisdictie van Hendrik-Ido-Ambacht, hij ziek, zij gezond. Zij benoemen elkaar tot voogd en tot medevoogden zijn broer Jan Cornelisz. de Leur en haar broer Adriaen Jacobsz. Ronaer, schout van Schobbelandsambacht.

c. Grietken Jacobsdr., geboren naar schatting ca. 1585, overledenca.1648, trouwde NG Zwijndrecht 28 jan. 1607 Jorden Jacobsz. Wor, gedoopt NG Dordrecht maart 1585, zoon van Jacob Jordensz. Wor en Mariken Jansdr. Bouquet

ORA Zwijndrecht inv. 3: op 27 nov. 1629 comp. voor heemraden van Schobbelandsambacht “dat men noemt ’t Swindrechsche Veer” Grietgen Jacobsdr., weduwe van Jorden Jacobsz. metselaar, met haar zoon Jacob Jordensz. als haar gekoren voogd in deze en bekent schuldig te zijn aanhaar broers Adriaen Jacobsz. Ronaer, schout van Schobbelandsambacht en Goris Jacobsz. Ronaer, burger van Dordrecht, een somma van 600 gl. wegens geleende penningen. Zij belooft die schuld af te lossen “vande eerste penningen vanden dienst die hare twee wagens ende paerde int leger vande E. Heeren State ende sijne exelentie [de Prins van Oranje] dese voorleden somer hebben gedaen, metten intrest vandien, den penning sestien int jaer”, daarvoor verbindende alle penningen, die zij wegens haar voornoemde dienst zal ontvangen.

ORA Zwijndrecht inv. 4, f. 237: op 8 dec. 1650 comp. Pieter Jordensz., Cornelis Arijensz. [Weijman] als man en voogd van Neeltgen Jordensdr., Pieter Jansz. (Wor), als man en voogd van Geertjen Jordensdr. en Hendrick Arijensz. Smits als man en voogd van Lijsbit Jordensdr., allenkinderen van Jorden Jacobsz. en Grietgen Jacobsdr. Comparanten hebben van hun ouders geërfd het huis genaamd “het Witte Paert”, staande in Zwijndrecht aan “’t diep ofte water” en verklaren “hoe dat zij kinderen voornoemt in den jaere [1648] naert overlijden van haer moeder bij den anderen vergadert zijn geweest” en besloten hebben, dat Lijsbit Jordensdr., de echtgenote van Hendrick Arijensz. Smits, het huis zou krijgen. Aangezien hun broer Gijsbert Jordensz. in het testament van hun moeder was toebedeeld 10 hond land, gelegen aan de Langeweg in het Volgerland van Heeroudelandsambacht, was hij uitgesloten van de verdere verdeling van de goederen, diewarennagelaten door hun ouders.

ORA Dordrecht inv. 63, f. 52 e.v.: op 27 maart 1657 verklaren de erfgenamen van Grietgen Jacobsdr., weduwe van Jordaen Jacobsz., in zijn leven metselaar te Zwijndrecht, dat Grietgen Jacobsdr. van Cornelis Hoogeveen gekocht heeft 2 morgen land in het Volgerland van het Ambacht. Hoewel de koopsom volledig is voldaan, is bij het vertrek van Hoogeveen in zijn boedel de originele schuldbrief gevonden. Rekwiranten verzoeken derhalve, dat het Gerecht van Dordrecht aan de curator van Hoogeveens boedel opdracht geeft de schuldbrief over te leveren. Verzoek toegestaan op 19 april 1657.

Kinderen:

c-1. Jacob Jordensz., gedoopt NG Dordrecht jan. 1608

c-2. Neeltghen, gedoopt NG Zwijndrecht 4 juni 1609

c-3. Neeltgien Jordensdr., gedoopt NG Zwijndrecht 18 juli 1612, trouwde Cornelis Arijensz. Weijman

c-4. Catrijn, gedoopt NG Zwijndrecht 30 nov. 1614

c-5. Marijken, gedoopt NG Zwijndrecht 11 dec. 1616

c-6. Lijsbeth Jordensdr., gedoopt NG Zwijndrecht 3 okt. 1621, trouwde Hendrik Arijensz. Smits

c-7. Pieter Jordensz.

c-8.Geertgen Jordensdr., trouwde NG Dordrecht 1650 Pieter Jansz. Wor

c-9. Gijsbert Jordensz.

d. Goris Jacobsz. Ronaer, volgt IIIb.

IIIa. Adriaen Jacobsz. Ronaer, geboren naar schatting ca. 1580, schout van Schobbelandsambacht/Zwijndrecht (1617, 1620, 1625, 1629), trouwde NG Zwijndrecht 28 sept./12 okt. 1608 Cornelia (Neeltgen) Lambrechtsdr., dochter van Lambrecht Lenartsz. schiptimmerman te Zwijndrecht. en Adriaentgen Jacobsdr.

Adriaen Jacobsz. Ronaertesteert met zijn vrouw op 7 okt. 1617 voor een Dordtse notaris. (ONA Dordrecht inv. 53, f. 14 e.v.)

Hij was in 1626 3000 gl. gegoed (1000e penning Zwijndrecht) [zie Ons Voorgeslacht 2006, p. 401-402]

– 11 aug. 1625: Adriaen Meus verkoopt voor 1850 gl. aan Aert Jansz. Vogel een huis, staande omtrent de Grote Kerkvan Dordrecht tussen het huis van Pieter Sijmonsz. pondgaarder en dat van Rogier Quirijnen, belast zijnde met 1300 gl. kapitaal. Waarborgen: Corstiaen Meus en Arijen Jacobsz. Ronaer, schout van Zwijndrecht. (ORA Dordrecht inv. 765, f. 123)

Zoon:

a. Bartholomeus Adriaensz. Ronaer, geboren ca. 1610, jongman van Zwijndrecht wonende bij de Grote Kerk te Dordrecht (1638), pondgaarder te Dordrecht (1638-1663), trouwde (huwelijkse voorwaarden Dordrecht 5 jan.) 1638/NG Dordrecht 31 jan./14 febr. 1638 (proclamatieZwijndrecht) Catherina Adriaen Hubrechtsdr. Verveer, geboren naar schatting ca. 1600, van Dordrecht wonende bij het Groothoofd (1625), weduwevan Willem Gijsbrechtsz. pondgaarder wonende bij de Grote Kerk (1638),trouwde 1e NG Dordrecht 5 jan./4 mrt. 1625 Willem Gijsbrechtsz., jong gezel van Dordrecht wonendebij Willem Zieren(1625), pondgaarder te Dordrecht,dochter van Adriaen Huijbrechtsz., schipper te Dordrecht, en Agneete Hermans (Heerman Daniëlsdr.)

– 5 jan. 1638: comp. Bartelmeeus Arijensz. Roonaer, jongman, geassisteerd met Adriaen Jacobsz. Roonaer, schout van Zwijndrecht, en Neeltgen Lambrechtsdr., zijn vader en moeder, enerzijds en Catherina Adriaensdr. Verveer, weduwe van Willem Gijsbrechtsz., pondgaarder te Dordrecht, geassisteerd met Huijbrecht Arijensz. Verveer, haar broer, Mattijs Paus, [gehuwd met Elisabeth Adriaensdr.],haar zwager, en Herman Heerman, haar oom van moederszijde, anderzijds, om huwelijkse voorwaarden te maken. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. De aanstaande bruidegom zal inbrengen een bedrag van 2000 gl. in contant geld, welke zijn ouders beloven hem ten huwelijk tezullen meegeven, boven zijn “uitzetting” van kleren e.d. De aanstaande bruid zal inbrengen alle goederen, die zij op dat moment bezit. Als de bruidegom en zijn ouders komen te overlijden zonder wettige kinderen na te laten, zullen zij aan de bruid of het kind, dat Willem Gijsbrechtsz. bij haar heeft verwekt, een bedrag van 2500 gl. nalaten, uit te keren na het overlijden van de langstlevende van hen drieën. Akte is door de comparanten ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 81, f. 138 e.v.)

ONA Dordrecht inv. 40, f. 95: op 15 nov. 1641 compareertvoor notaris G. de Jager Bartelmees Adrijaensz. Ronaer, ongeveer 31 jaar oud, pondgaarder wonende te Dordrecht, zoon van Adrijaen Ronaer, gewezen schout van Zwijndrecht.

ORA Dordrecht inv. 65, f. 102 e.v.: rekest van Bartholomeus Roonaert, pondgaarder te Dordrecht aan de regeerders van Dordrecht. Hij geeft te kennen, dat hij na 25 jaar pondgaarder te zijn geweest afstand wil doen van die functie ten behoeve van Johannes van Hellemondt, zoon van Gillis van Hellemondt, burgerkaptein en lakenkoper. Johannes is een jongman enheeft het pondgaarderschap nu al enige jaren beoefend. Verzoek toegestaan op 15 nov. 1663, mits Johannes van Hellemondt cautie stelt voor de”gerequireerde” somma van 3000 gl. en ten overstaan van de schout de eed aflegt.

– 3 jan. 1664: Bartholomeus Roonaer, burger van Dordrecht, verkoopt aan Wijnant van Hoochstraten, zeilmaker en burger van Dordrecht, een huis omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van Abraham van de Water en dat van Cornelis Willemsz. van de Graeff. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1400 gl. Op 8 febr. 1666 compareert Wijnant van Hoochstraten, die verklaart, dat de schuld volledig is voldaan, hetgeen mede blijkt uit de door B. Roonaer ondertekende kwitantie. Schuldbrief derhalve op genoemde datum geroyeerd. (ORA Dordrecht inv. 784, f. 95v e.v.)

– 1 nov. 1664: Matthijs Paus en Bartholomeus Roonaer, burgers van Dordrecht, verkopen voor 1800 gl. aan Corstiaen van Hattum, chirurgijn en burger van Dordrecht, een huis omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van de weduwe van Martinus van Sassen en de Grafelijkheidstol. (ORA Dordrecht inv. 784, f. 157v e.v.)

Kinderen uit Catherina Verveerseerste huwelijk:

a. Agneta Gijsbrechtsdr., gedoopt NG Dordrecht dec. 1627

b. Emmeken, id. aug. 1631

[Zie Ons Voorgeslacht 2006, p. 402]

IIIb. Goris Jacobsz. Ronaer, geboren naar schatting ca. 1590, jongman van Zwijndrecht wonende te Dordrecht (1621), deurwaarder van de “gemene middelen” te Dordrecht (1622, 1630),begraven Dordrecht (Grote Kerk) 7 aug. 1652 (een baar in de Nieuwstraat voor Goris Jacobsz. Roonaart, twee maal luiden), trouwde NG Dordrecht 21 maart/13 april 1621 Elizabet Theunisdr. Schut, gedoopt NG Dordrecht jan. 1602,jonge dochter van Dordrecht wonende aldaar (1621), dochter van Teunis Gerritsz. Schut en Tanneke Jan Lodewijcxdr.

NG trouwboek Dordrecht 8 mei 1588: (ondertrouwd) Anthonis Gherijtsz. Schut kuiper van Dordrecht en Tanneken Jan Lodewijcxdr. van Antwerpen, getrouwd te Dordrecht op 29 mei 1588

Kinderen uit dit huwelijk (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Maeijken, juni 1590

b. Fijcken, mei 1596

c. Elisabeth, jan. 1602

ORA Dordrecht inv. 763, f. 25: op 26 april 1622comp. Marijcken Jansdr. Boucquet, weduwe van Jacob Jordensz. metselaar, geassisteerd met Jorden Jacobsz., haar zoon en gekoren voogd, en verkoopt aan Goris Jacobsz. Ronaer, deurwaarder “ten comptoire van de gemene middelen”, wonende te Dordrecht, domum cum suis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van Jan Cornelisz. bezemmaker en hethuis van Cornelis Reijersz. metselaar. Waarborg: haar zoon Jorden Jacobsz. (In margine: “om 1310 gl., 40e penning 33-8-0, Armen 8-8-0”). De koper verkoopt aan Marijcken Jansdr. Boucquet in mindering van de kooppenningen 37 gl. 10 st. jaarlijkse losrente, verzekerd op het voornoemde huis en erf, waarvan de eerste betaling zal zijn op meidag 1623.

ORA Dordrecht inv. 768, f. 38 e.v.: op 6 juli 1630 compareert Goris Jacobsz. Ronaer, deurwaarder van de gemene middelen “ten comptoire deser stede” en bekent schuldig te zijn aan Jacob Jacobsz. een bedrag van 1000 gl. wegens geleende penningen, daarvoor verbindende een huis, erf en toebehoren in de Nieuwstraat, tussen het huis van Janneken Jans, weduwe van Cornelis Reijers en Pieter Tonisz. leestmaker. In margine: compareert Goris Jacobsz. Ronaer en toont de originele brief, die hij volledig voldaan heeft, derhalve geroyeerd op 12 juli 1634

ONA Dordrecht inv. 61, f. 211 e.v.: op 10 okt. 1644 compareren voor notaris D. Eelbo Jan Anthonisz. Schut en Gerrit Anthonisz. Schut, gebroeders, beiden wijnkopers en burgers van Dordrecht. Zij transporteren aan hun zwager Goris Jacobsz. Ronaer, mede burger van Dordrecht “alle soodanige macht, actie, recht ende eijgendom als de voorsz. comparanten tesamen ende elcx int besonder eenigsins aencomende en competerende is aen sekeren bemetselde graffstede, met den gevolge vandien”, welke toebehoord heeft aan en op 30 okt. 1599 aangekocht is door wijlen Josina de Jonckheer, gewezen huisvrouw van wijlen kapitein Brans, gelegen in het Hoogkoor van de Grote Kerk van Dordrecht, waarin de vader van de comparanten begraven is, lang 9 voeten en breed 5 voeten, met de muur strekkende met het hoofdeinde aan het graf van Ghijsbertgen Jansdr., weduwe van Gerrit Walburch en met het voeteneinde aan het graf van Jan Govertsz. van Beaumont, met de zuidzijde aan het zuidelijk gestoelte en met de noordzijde aan het graf van Karel de la Faille. Akte door comparanten en Goris Jacobsz. Ronaer ondertekend.

ONA Dordrecht inv. 62, f. 936 e.v.: testament dd 4 sept. 1649 van Marijken Willemsdr., weduwe van Cornelis Jacobsz., wonende op Zwijndrecht in Schobbelantsambacht. Zij benoemt tot voogden over haar minderjarige erfgenamen Goris Jacobsz. Ronaer en Adriaen en Jan Schalcken, wonende omtrent de steenplaats, haar neven.

ORA Dordrecht inv. 778, f. 44 e.v.: op 20 juni 1651 compareert Grietgen Claesdr., als lasthebbende van Goris Jacobsz. Ronaer, volgens procuratie gepasseerd voor burgemeester, schepenen en raden van Dordrecht op 19 juni 1651 en verklaart in die hoedanigheid schuldig te zijn aan de weduwe en erfgenamen van Johan Cools een somma van 5000 gl., daarvoor verbindende een huis bestaande uit twee gevels, staande in de Nieuwstraat tussen het huis van Pieter Anthonisz. leestmaker en ’s herenstraat.

DTB Dordrecht nr. 20, 16 juni 1652: attestatie van deNG gemeente te Dordrecht voor Goris Jacobsz. Roonaer en zijn vrouw, gewoond hebbende in de Nieuwstraat, vertrokken naar Hendrik-Ido-Ambacht

ONA Dordrecht inv. 69, f,. 205 e.v.: op 6 aug. 1652 compareren voor notaris D. Eelbo Goris Jacobsz. Ronaer en Elisabeth Schut Antheunisdr., echtelieden wonende onder Hendrik-Ido-Ambacht op de hofstede genaamd “Waelnes”, hij ziek in bed liggende, zij gezond. Zij herroepen eerdere testamenten, codicillen etc. en benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en tot voogd over de minderjarige erfgenamen van de eerststervende. De langstlevende zal gehouden zijn hun nog ongetrouwde kinderen Bartholomeus, Joannes, Elisabeth en Anthonij Ronaer (de laatstgenoemde verblijft op dat moment te Moskou) te onderhouden, alimenteren, te laten lerenetc. Als die kinderen tot mondigheid zijn gekomen of gaan trouwen, dientde langstlevende hem of haar “vvtte setten, gecleet en gereet, naer staet, believen en discretie vande voorsz. langstlevende” en daarenboven aan elk kind “tot sustentatie ende onderstant” van hun huwelijk een somma van 1000 gl. uit te keren, ter compensatie van hetgeen hun getrouwde kinderen Anthonette, Cornelia, Maria, en Lucia Ronaer, evenalshun gehuwde zoon Jacobus Ronaer bij zijn vertrek naar Moskou, van testateurenhebben gekregen en dat in plaats van de legitieme portie.Gepasseerd op de hofstede “Waelnes, liggende omtrent Hendrik-Ido-Ambacht, in tegenwoordigheid van Cornelis Janssen en Pleun Leendertsz., “lantsaten” van voornoemd dorp. Akte door beide testateuren ondertekend.

De hofstede “Waelnes”.

ONA Dordrecht inv. 64, f. 198: op 16 aug. 1652 compareert voor notaris D. Eelbo Elisabeth Schut, weduwe van Goris Jacobsz. Ronaer. Zij verleent procuratie aan Isaack van de Wall en Hendrik van Slingelandt, haar “swagers” [= schoonzoons] om voor haar waar te nemen al haar “zaken en affaires”, geen uitgezonderd enin het bijzonder om te kunnen verkopen zodanige goederen, hetzij huizen, landerijen, rentebrieven of anderszins, die zij, comparante, in de toekomst zal willen verkopen. Zij tekent met haar naam.

Weeskamer Dordrecht inv. 22, f. 173v: extract van het testament van Goris Jacobsz. Ronaer en Elisabeth Schut Antheunisdr., zijn huisvrouw, gewoonde hebbende onder Hendrik-Ido-Ambacht, gepasseerd op 6 aug. 1652 ten overstaan van notaris D. Eelbo te Dordrecht, gecollationeerd op 16 nov. 1652.

ONA Dordrecht inv. 69, f. 214 e.v.: op 28 aug. 1652 compareert voor notaris D. Eelbo Elisabeth Schut Antheunisdr., weduwe van Goris Jacobsz. Ronaer, wonende op de hofstede “Waelnes” onder de jurisdictie van Hendrik-Ido-Ambacht, ziek in bed liggende. Zij prelegateert aan haar jongste dochter Elisabeth Ronaer “tot een gedachtenisse” haar beste laken huik met haar dubbele gouden “hoeprinck”, aan haar gezamentlijke dochters, of bij vooroverlijden hun wettige nakomelingen, haar overige kleren, juwelen en zilverwerk, tot haar lijf behorende, aan haar zoons, of bij vooroverlijden hun wettige nakomelingen, de kleren en wapens, die ten lijve van haar man zaliger behoord hebben enaan haar drie jongste kinderen, genaamd Bartholomeus, Joannes en Elisabeth Ronaer elk een somma van 1500 gl. voor hun “uitzetting” en ter compensatie van hetgeen haar gehuwde kinderen gekregen hebben en dat boven de 1000 gl., die hun toekomt wegens hun vaderlijke goederen. Aan haar absente zoon Anthonij Ronaer, die in Moskou verblijft, prelegateert zij een bedrag van 1000 gl. en aan haar dochter Lucia Ronaer, getrouwd met Samuel Villers een bedrag van 1000 gl., voor haar vaderlijke goederen, dieaan haar bij huwelijkse voorwaarden beloofd zijn. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt detestatrice haar gezamenlijke kinderen in gelijke porties, met dien verstande, dat Lucia Ronaer gedurende het leven van haar voornoemde echtgenoot de van haar moeder te erven goederen niet mag verkopen of belasten, maar daarvan alleen haar leven lang het vruchtgebruik zal mogen genieten, waarna de eigendom van die goederen zal vererven op Lucia’s kinderen of bij ontbreken daarvan op testatrices overige kinderen. Comparantebenoemt tot voogden haar zwager Aert Cornelisz. de Leur en Isaack van de Wall en Hendrick van Slingelandt, haar schoonzoons. Gepasseerd in aanwezigheid van Cornelis Corssen, schout en Cornelis Adriaensz., secretaris van Hendrik-Ido-Ambacht. Akte door testatrice ondertekend.

ONA Dordrecht inv. 64, f. 410v e.v.: op 26 maart 1653 compareren voor notaris D. Eelbo Elisabeth Schut, weduwe van Goris Jacobsz. Ronaer en Daniël Oem Daniëlsz., die verklaren overeengekomen te zijn, dat eerste comparant aan tweede comparant zal “overlaten” de huur vaneen hofstede of woning met circa 18 morgen en 275 roeden land, gelegen achter en naast voornoemde woning, in Waelnes en de Spiegel, anders gezegd Hendrik-Ido-Ambacht, welke hofstede met bijbehorendlanddoor comparantes overleden man isgehuurd van de voogden van jonkheer Aelbrecht Snockert de Schouburch volgens eenhuurceduldd 28 jan. 1652.

– 1 april 1655: Elisabeth Schudt, weduwe van Goris Jacobsz. Ronaer, verkoopt aan Maeijken Goossensdr. Redij, weduwe van Reijnier de Vos, die mede compareert en wordt geassisteerd door Aert Jochemsz. van Gent, koopman en burger van Dordrecht, ten behoeve van degene, die zij als koper zal aanwijzen, voor 1800 gl.een huis in de Nieuwstraat, staande tussenhet huis van Willem Heijndricxsz. Ruijter en het huis, dat onlangs is gekocht door Nicolaes de Vries boekdrukker. (ONA Dordrecht inv. 177, f. 212 e.v.)

– 11 juni 1675: Jan Masson hoedenmaker en zijn vrouw Maria Harbijn, burgers van Dordrecht, verkopen voor 600 gl. contant aan Elisabeth Schut, weduwe van Goris Jacobsz. Roonaert, een huis op de Riedijk, vanouds genaamd “Geertruijdenbergh”, staande tussen het huis van Cornelis van IJsel en dat van Joris Roelantsz. Londenvaarder. (ORA Dordrecht inv. 789, f. 37)

– 26 jan. 1677: Gregorius de Rave, “luijtenant ter wachte ’t eijnde de sgravendeelsche Kille”, als procuratie hebbende van Elijsabeth Schut, weduwe van Goris Jacobsz. Roonaer, verkoopt voor 500 gl. aan Joris Roelantsz. een huis op de Riedijk, staande naast het huis van de koper. (ORA Dordrecht inv. 790, f. 2)

Kinderen van Goris Ronaer en Elizabet Schut (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Tannetta (Tannetge, Tanneke, Anthonette) Gorisdr. Ronaer (Ronaert), mei 1622, “van Dordrecht”, wonende in de Nieuwstraat (1644), trouwde NG Dordrecht 29 mei/14 juni 1644 Isaac van de Wal, gedoopt NG Dordrecht april 1622, jongman van Dordrecht wonende teAmsterdam (1644), zoon van Dirck van der Wal (van der Walle) en Hester Jans

ORA Dordrecht inv. 782, f. 133 e.v.: op 18 sept. 1660 compareert Isaac van de Wal, pasteibakker en burger van Dordrecht, als voogd van de minderjarige kinderen van wijlen Elisabeth van der Wal en in deze vervangende Cornelis van Schoonhoven, schipper en Quirinus Schaeck, zijn medevoogden. Hij verkoopt met “approbatie” van het Gerecht van Dordrecht, blijkens de akte gesteld achter de koopvoorwaarden dd 2 sept. 1659, aan Jan Jansz. Booch, schoenmaker te Dordrecht, een huis voor in het Steegoversloot, staande tussen het huis van de weduwe van Abraham van de Wal en dat van Geertruijt Jansdr. Koper kent schuldig aan verkopers een somma van 300 gl., verzekerd op het voornoemde huis. In de marge van deze akte staat: comp. Jan Jansz. Boogh en toonde de originele brief met kwitantie, waaruit bleek, dat de schuld volledig was voldaan. Derhalve geroyeerd op 11 juni 1674.

ONA Dordrecht inv. 150, f. 371 e.v.: op 31 mrt. 1670 comparen voor notaris A. van Neten Johannes van Sleij, meester-kleermaker en burger van Dordrecht, jongman, toekomstige bruidegom geassisteerd met Willem Raelhoff, koopman, zijn goede bekende, enerzijds en Francina van der Wal, jonge dochter wonende te Dordrecht, toekomstige bruid, geassisteerd met Isaack van der Wal en Anthonetta Ronaer, haar vader en moeder, anderzijds, om huwelijkse voorwaarden te maken. De toekomstige bruidegom zal tot onderstand van hun huwelijk al zijn goederen inbrengen, bestaande uit 400 gl. in contante gelden, 400 gl. aan bruikschulden, 300 gl. aan op interest uitgezette penningen en zijn aandeel in een huis te Wesel. Francina van der Wal zal inbrengen – gelijk haar ouders beloven te zullen geven – een somma van 1000 gl., waarvan de helft uit te keren bij het aangaan van het huwelijk en de overige 500 gl. wanneer de aanstaande echtelieden een huis kopen. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. Akte ondertekend doorJohannes van Sleij, Francina van der Wal, Isaack van der Wal, Anthonetta Ronaer en Willem Raelhoff.

b. Cornelia Ronaer, okt. 1624, jong overleden

c. Jacob (Jacobus) Ronaer, okt. 1626, verbleef in 1652 in Moskou, trouwde NN

Kind:

c-1. Elisabeth Ronaer, trouwde vóór 1686 Patrick Leopold Gordon of Auchleuchries, geboren Auchleuchries in Schotland 31 mrt. 1635, generaal, schout-bij-nacht in Russische dienst, vriend van Peter I de Grote, overleden Moskou 29 nov. 1699, trouwde 1e 1663 Catherine von Bockhoven

d.Cornelia Roonaert Gorisdr., dec. 1628, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Nieuwstraat (1646), trouwde NG Dordrecht 18 maart/3 april 1646 Willem Willemsz. de Raven (de Rouw) de jonge, jongman van Dordrecht, kapitein wacht houdende op de “’s Gravendeelse Kille” (1646), zoon van kapitein Willem Willemsz. de Rave en Maria Adriaens

ONA Dordrecht inv. 69, f. 214 e.v.: op 1 sept. 1652 compareren voor notaris D. Eelbokapitein Willem Willemsz. Raven en zijn vrouw Cornelia RonaerGorisdr., burgers van Dordrecht, hij ziek te bed liggende en zij gezond, om te testeren. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen te alimenteren, op te voeden etc. en als die kinderen gaan trouwen “onder hen allen” een somma van 600 gl. uit te reiken. Akte door beiden ondertekend.

ORA Dordrecht inv. 787, f. 117 e.v.: op 1 aug. 1671 verkoopt Adriaen de Bie, wijnkoper te Dordrecht, als man van Catharina de Raven en tevens als voogd over de kinderen van Willem de Rave de jonge, verwekt bij Cornelia Roonaer, alsmedede kinderen van kapitein Adriaen de Rave, en de kinderen van Cornelis de Rave, verwekt bij Maria Boeff, samen kinderen en kindskinderen van wijlen Maria Adriaens, weduwe van kapitein Willem Willemsz. de Rave, voor 1900 gl. aan voornoemde Maria Boeff de helft van een huis buiten de Vuilpoort, genaamd “de Orainghenboom”, staande op de hoek van de steiger tussen die steiger en het huis van Herman van der Beeck. Koopster is schuldig aan verkoper in zijn voornoemde hoedanigheid t.b.v. haar kinderen, verwekt door Cornelis de Rave, een bedrag van 1024 gl. Borg: haar broer Wierick Boeff, wijnkoper te Dordrecht.

ORA Dordrecht inv. 790, f. 115: op 12 nov. 1678 verkoopt notaris Hugo van Dijck, die samen met notaris Hans Smits curator isover de boedel van Constantia van Alenborgh, weduwe van kapitein Adriaen de Raven, voor 1460 gl. aan Cornelia Ronaer, weduwe van kapitein Willem de Raven een huis in de Wijnstraat tegenover de Mattensteiger, staande tussen brouwerij “de Swaen” en het huis van Pieter Hellu. Het huis komt aan de achterzijde met een gang uit op de Nieuwe Haven.

e. Antoni Roonaer, jan. 1631, verbleef in 1652 in Moskou

f. Maria Roonaer, april 1633, jonge dochter wonende in de Nieuwstraat (1650), trouwde NG Dordrecht 19 juni/5 juli 1650 Hendrick van Slingelant (van Slingeland)landmeter jongman wonende op de Nieuwe Haven (1650)

g. Lijsia (Licia, Lucia)Roonaert, nov. 1634, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Nieuwstraat (1652), weduwe van Samuel de Vileers, van Dordrecht, wonende op de Boom (1668),trouwde 1e NG Dordrecht 28 april 1652 (ondertrouw, proclam. in Den Haag) Samuel Vileers (Vilairs),jongman van ‘s-Gravenhage en aldaar wonende (1652), overleden tussen 1660 en 1668, zoon van Jacob Vileers en Maria Schinckels,2e NG Dordrecht 2 sept. 1668 (ondertrouw; 3 okt. 1668 attestatie gegeven om elders te trouwen, nadat “blijck” getoond was uit ‘s-Gravenhage) Quijrijn van Lobbrecht, “ingenier” van de generaliteitsfortificatiën en kwartiermeester, jongman van ‘s-Gravenhage en aldaar wonende (1668)

ONA Rotterdam inv. 358. f. 777: op 7 dec. 1654 testeert Johanna Schinckels, weduwe van jonkheer Gijsbert van Ophemert, wonende te Rotterdam. Zij benoemt tot haar erfgenamen mr. Dirck Verburch, zoon van haar oudste zuster Agniesken Bruijnen Schinckels, voor een derde part, de kinderen van haar overleden broer mr. Harman Schinckels, voor een derde part, en haar zuster Maria Schinckels, de vrouw van Jacob Vileers, voor een derde part. Over hetgeen Maria Schinckels zal erven moet de executeur-testamentair, die zij later zal azal anstellen, het beheer hebben en uit de opbrengsten ervan zal hij moeten uitkeren aan Maria of na haar overlijden aan haar zoon, Samuel Vileers, elk kwartaal een vierde deel. Zij wil dat die inkomsten door Samuel niet worden besteed aan drinkgelagen of “voor quantselen [knoeien], spelen off diergelijcke zulcx dat wijff ende kinderen mochten gebreck lijden”. De executeur-testamentair zal Samuels erfportie mogen aanwenden tot onderhoud van diens kinderen, alsmede “omme hem op een schip ofte in eenich huijs daer men hem mits sijn quaet comportement zouden mogen resolveren te besteden, zal vermogen aen te leggen”. Indien Samuel Vileers komt te overlijden en kinderen zal nalaten, zullen die kinderen, mits zij zich naar behoren gedragen en overeenkomstig het advies van hun verwanten en voogden zullen trouwen, de eigendom van de erfportie van hun vader verkrijgen.

ONA Dordrecht inv. 277, f. 448: op 4 dec. 1679 verklaart Cornelia Ronaer, weduwe van kapitein Willem de Raven, dat Johanna Schinckels, weduwe van Ghijsbrecht van Ophemert op 22 april 1667 bij akte, gepasseerd voor notaris Servaas Harmot te Rotterdam, krachtens een clausule in het testament, dat zij heeft gepasseerd voor notaris Jacob Delphius te Rotterdam op 7 dec. 1654, nadrukkelijk begeerd heeft, dat haar executeur-testamentair Pieter Arijensz. verwer ten behoeve van Bruno Vileers uit haar boedel “in sijn bewaringe”zou nemen een somma van 5000 gl., zonder evenwel, dat Bruno dat geld aan zijn moeder, haar verwanten of iemand anders zou mogen legateren. Datgenoemde kapitaal daarentegen, in het geval Bruno komt teoverlijden zonder wettige nakomelingen na te laten,zou moeten vererven op de naaste verwanten van Johanna Schinckels. Indien hij echter gaat trouwen, moet de genoemde executeur het kapitaal in bewaring houden en Bruno daarvan onderhouden. Wanneer Johanna Schinckels zou komen te overlijden,zou Pieter Adriaensz. verwer het kapitaal in bewaring moeten houden en moest Bruno Vileers aan de Staten van Holland verzoeken of hij uit de genoemde 5000 gl. een bedrag van 1000 gl. mag opnemen en dat, toegestaan zijnde, moest hij uit de interest het kapitaal aanvullen tot het weer 5000 gl. zou bedragen. Indien hij dit vervolgens heeft gedaan en als zijn moeder Lucia Ronaert [sic], laatst weduwe van Quirijn Lobbrecht, zuster van de comparante en voogdes van Bruno Vileers, die tegenwoordig in “Moscovië” [Rusland] verblijft, bij haar verwekt door haar eerste man Samuel Vileers, wel gaarne de jaarlijkse interest van het kapitaal, tot een somma van 500 gl., zou willen trekken, omdat zij aanmerkelijke sommen geld aan haar zoon heeft voorgeschoten en hij bovendien heeft verzocht, dat genoemde interest aan zijn moeder zal worden uitgekeerd, zouden de naaste bloedverwanten van Johanna Schinckels dit niet kunnen doen wegens hetgeen bepaald is in haar testament dd 22 april 1667, tenzij zij door de nakomelingen van Bruno Vileers van genoemde uitkering, mits niet hoger dan 500 gl., schadeloos zullen worden gehouden.

Kinderen (ex 1):

g-1. Elisabeth, gedoopt NG Dordrecht 19 mei 1656

g-2. Bruno Vileers, verbleef ca. 1679 in “Moscovië”, ging daarheen in 1675 met het gezantschap Van Klenck (Scheltema, o.c., deel II, p. 53)

h. Elisabeth Ronaer, nov. 1636, jong overleden

i. Bartholomeus Ronaer, febr. 1638

j. Joannes Ronaer, dec. 1639

k. Elisabeth Ronaer, maart 1641,