De Haan II

I. Mattheus de Haen, geboren naar schatting ca. 1645, jongman van Dordrecht wonende in de Torenstraat (1671), bakker, trouwde NG Dordrecht/Zwijndrecht 27 sept./11 okt. 1671 (per schrijven van de Waalse kerk) Jeannette (Jenneken) Francot, geboren naar schatting ca. 1645, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Varkenmarkt (1671), vermoedelijk dochter van Abraham Francot en Lijsbeth Karis

Mattheus was mogelijk een zoon van Cornelis Gerritsz. de Haen, sergeant in dienst van de WIC, overleden in Brazilië op 1 mei 1648, en Maijken Jansdr. de Ridder, trouwde 2e Cornelis Pietersz. Brant:
NG trouwboek Dordrecht 21 aug. 1639: Cornelis Gerritsz. de Haan, jong gezel wonende in de Augustijnenkamp en Maijken Jansdr. de Ridder, wonende op Nieuwe Gracht, beiden van Dordrecht, getrouwd op 4 sept. 1639
ONA Dordrecht inv. 85, f. 361: op 24 dec. 1646 verklaring door Cornelis Gerritsz. de Haen, gewezen sergeant in dienst van de WIC onder kapitein Louwijs Hachmeester, op verzoek van Grietgen Thijsdr., wonende te Dordrecht. De getuige verklaart, dat hij goed gekend heeft Joost Hendriksz. Francken, gewezen sergeant in dienst van de WIC onder majoor Cornelis Beijert, welke Joost Francken ongeveer acht maanden tevoren is overleden in het fort “het Clooster”, liggende tegenover Recife de Pernambuco.
ONA Dordrecht inv. 87, f. 266: op 12 sept. 1648 verklaren Romke Wepkes van Harlingen en Cornelis Volckersz. van Embden, varende lieden of soldaten van de WIC, nu onlangs gekomen uit Brazilië, op verzoek van Maeijken Jansdr. de Ridder, weduwe van Cornelis Geeritsz. de Haen, dat hen zeer goed bekend is, dat Cornelis Geeritsz. de Haen op 1 mei 1648 in Brazilië in de rivier tussen Mauritsstad en het Recife de Pernambuco van de brug is gevallen en verdronken.
ONA Dordrecht inv. 88, f. 28: op 29 jan. 1649 verklaart o.a. Grietge Jansdr., weduwe van Boudewijn Dirksz., op verzoek van Marijken Jansdr. de Ridder, weduwe van Cornelis Gerritsz. de Haen, dat zij een brief gekregen heeft van de broer van haar man, Gillis Dircxsz., die een behuwde broer van De Haen was, waarin hij haar vertelde, dat De Haen op 1 mei 1648 van de brug in de rivier tussen Mauritsstad en het Refice de Pernambuco is gevallen en verdronken,
ONA Dordrecht inv. 99, f. 482: inventaris dd 17 mrt. 1650 van de goederen, die zijn nagelaten door Janneken Jansdr. de Ridder, ongehuwde persoon, beschreven door notaris Johan Schoormans, op verzoek van Cornelis Pietersz. Brant en Maeijken Jansdr. de Ridder, diens vrouw en zuster van de overledene, in aanwezigheid van Jan Laurensz. de Ridder, Jan Jansz. Verlooven en Johannes Melanen
ONA Dordrecht inv. 235, f. 70: op 12 mrt. 1674 verhuren Johannes de Groot, koopman te Rotterdam, en Johannes van Bree, burger van Dordrecht, namen Jopken Sandersdr. van der Lemp, weduwe van Willem Ariensz. van Driel voor 130 gl. per jaar aan Mattheus de Haen, bakker en burger van Dordrecht, een huis in de Gravenstraat, staande tussen het huis van de glasmaker Schul en de gang van de Bank van Lening.
ONA Dordrecht inv. 746, f. 573: op 5 sept. 1715 leggen Lijsbet Hendriksdr. Toele, de vrouw van Jan Visschers, twijnder en burger van Dordrecht, ongeveer 44 jaar oud, en Grietje Hendriksdr, van Peeren, ongehuwde persoon, ongeveer 24 jaar oud, wonende buiten Dordrecht, op verzoek van Mattheus de Haan en diens vrouw, Jenneken Franckot, wonende te Dordrecht, een verklaring af. Zij getuigen, dat zij op 17 aug. 1715 voorbij het huis van de rekwiranten kwamen en toen hebben gezien en gehoord, dat de weduwe Van Loon tegen Jenneken Franckot en haar dochter Jeneneken de Haan “met een groote boosaerdigheijt, kijvende sijde, dat de huijsvrouw van … Mattheus de Haen was een ondeugende vuijle hoer, als mede dat de selve twee Heeren op haer kaemer hadde gehoudem, die sij voor haer pollen gebruijckt hadde [en dat de weduwe Van Loon] nog tegens de … huijsvrouw van Mattheus de Haen gesegt, en verweten heeft, dat de selve in vorige tijden soo goddeloos hadde geleeft, dat er liedjes van op de straet sijn gesongen gewerden; maeckende de … wed. van Loon op de straet wijders een groot geraes ende getier, seggende tegens … Jenneken Franckot hoer ende ondeugdende beest, denckt gij bij ue selve dat gij met sulcken schuijm van volck te doen hebt als gij met den andere bent; licht ue rock maer eens op, dan sal men de snee sien, die gij ondeugende hoer, van ue pollen in uwe gad hebt gecregen”. Op welke scheldwoorden zij, attestanten, Mattheus de Haan en zijn vrouw hebben horen zeggen: “Wel soo buur vrouw schelt al maer aen, sonder dat imant van … de Haen, de … wed. van Loon daer op eenige de minste vuijle of quaedaerdige woorden toegesproocken” hebben. Verklaren beide attestanten verder nog, dat de weduwe Van Loon tegen de rekwiranten zei: “ondeugende beesten durft gij nog hier voor den dag comen onder fatsoenlijcke lieden, daer ge een soon ende dogter hebt, die banqueroet sijn gespeelt ende die tot Rotterdam vele duijsenden schuldig zijn gebleven”. Laatstgenoemde getuige verklaart tevenes, dat de weduwe Van Loon haar op 31 aug. 1715 heeft laten ontbieden bij haar thuis te komen “omme getuijgenisse der waerheijt van de gepasseerde rusiën en questiën te willen geven”en dat zij zou getuigen, dat de dochter van Mattheus de Haan in de tijd, waarin de voornoemde ruzie zich had voorgedaan, had gezegd, dat de dochter van de weduwe Van Loon een “quaede” kraam had gehad, waarop de attestante heeft geantwoord, dat zij in waarheid zulks niet kon getuigen, en, als zij zou moeten getuigen, dat zij niet anders kon zeggen dan dat Mattheus de Haan, zijn vrouw of hun kinderen “geen de minste scheldwoorden hebben uijtgesproocken”. Daarop heeft de weduwe Van Loon gezegd, dat zij wel andere getuigen zou kunnen krijgen en “wat leijd uw aen sulcken ondeugend volck gelegen, ende voornamentlijck aen soo een hoer, als die oude beest, die een wackkere snee van haer pollen in haer gad heeft gecregen ende die haer man een snee in sijn beck hebben gegeven, dat is immers al de werelt genoeg bekent, ende soo gij maer eens wilt vernemen wat voor ondeugende kanaalje van volck dat is, soo sult gij nog al vrij wat meerder van haer hoore als ik ue van haer gesegt hebbe … Wel ik seg u dat gij niet wel doet dat gij tegen sulcken leelijcken volck niet wilt getuijgen, die ik al bij den officier hebbe gehad, de welcke mij selfs seijde, wel vrouw van Loon, dat ik in uw plaetse waere, ik soude mij aen sulken ondeugenden schuijm van volck niet willen stooren, maer ik soude haer maer laeten loopen, ick soude mij als officier aen sulcken ondeugend volck wel beter gelegen laeten sijn, maer, wat soude men er mede uijthaelen, als ick se nu al uijt de stad geholpen hadde, dan soud gij immers daer over een quaede naem crijgen, en de menschen souden seggen, dat gij de oorsaeck daer van was, dat dese menschen uijt de stad gebannen waeren”.
ONA Dordrecht inv. 750, f. 299: op 14 mrt. 1718 testeren Mattheus de Haan, mr. bakker en burger van Dordrecht, ziek te bed liggende en Jenneken Franckot, zijn vrouw. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen, welke langstlevende gehouden zal zijn aan hun drie getrouwde kinderen, Gerit, Marijcke en Jenneken de Haen, of bij vooroverlijden hun nakomelingen, uit te reiken de goederen, die zij bij het aangaan van hun huwelijk al aan hen gegeven hebben, en daarenboven nog tot een “gedagtenisse” ieder een somma van 6 gl. Aan hun zoon en dochter, Cornelis en Elisabeth de Haan, zal de langstlevende dan moeten uitreiken zijn of haar goederen, “die sijluijden door suijnigheijt bij den anderen hebben gesamelt; en met kennisse van … testateuren in een kast ijder apart hebben gelegt” en daarenboven nog aan elk van hun een bedrag van 300 gl., op voorwaarde, dat de langstlevende van de testateuren daarvan zijn of haar leven lang het vruchtgebruik zal hebben. Aan hun zoon Mattheus de Haen legateren zij alle goederen, die door zuinigheid bijeen verzameld heeft en daarenboven een somma van 6 gl.
ORA Dordrecht inv. 1753, f. 54v: p 19 nov. 1722 verkoopt Jan Ariensz. Wor, sledenaar wonende even buiten Dordrecht, voor 400 gl. aan Mattheus de Haan de oude, mr. bakker en burger van Dordrecht, een huis en tuin, genaamd “Yrland”, staande en gelegen bij de Dubbeldamseweg tussen de Boerenkil en het huis van Barent van Landregt.
17 febr. 1726: compareren voor notaris R. Nolthenius te Dordrecht Elisabeth de Haan, Cornelis de Haan, Gerrit de Haan, Marijke de Haan, weduwe van Cornelis Goutsbergen, Nicolaas Bours, getrouwd met Jenneke de Haan, Jenneke de Haan zelf, in deze geassisteerd met haar voornoemde man en Mattheus de Haan, allen meerderjarige kinderen en erfgenamen van wijlen Mattheus de Haan, in zijn leven meester-bakker te Dordrecht, onlangs overleden. Zij geven te kennen, dat hun vader heeft nagelaten een huis, erf en tuin, staandeen gelegenop de hoek van de Boerenkil [liep ten zuiden van de Singel] bij de Dubbeldamse weg, genaamd “Yrland”, de Boerenkil aan de ene zijde en het huis van Barent van Lendregt aan de andere zijde en dat zij comparanten “in min en vrientschap” dat huis etc. hebben aanbedeeld aan voornoemde Cornelis de Haan en Nicolaas Bours, die het zullen aannemen voor een somma van 460 gl. (ONA Dordrecht inv. 902, akte 5)
Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Abram, 7 nov. 1672
b. Lijsbeth (Elisabeth) de Haan, 20 nov. 1674
c. Cornelis de Haan, 20 sept. 1677
d. Gerrit de Haan, 21 jan. 1680, volgt IIa
e. Maria de Haan, 20 april 1682, trouwde Cornelis Goudsbergen
f. Jenneken de Haan, 18 aug. 1685, trouwde Nicolaas Bours
Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):
f-1. Anna, 7 febr. 1719
f-2. Ida, 30 nov. 1723
f-3. Jenneke, 5 jan. 1731
g. Mattheus de Haan, 15 okt. 1687
ORA Dordrecht inv. 1650, f. 270: op 7 nov. 1726 verkoopt Theunis van Ammeroij aan Mattheus de Haan een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van Nicolaas Hooglander en dat van Willem Booms.
ORA Dordrecht inv. 1654, f. 42V: op 26 juli 1735 verkoopt Matttheus de Haen, wonende te Rijsoord, voor 650 gl. aan Pieter van der Swits, burger van Dordrecht, een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van Willem Booms en dat van Isak van der Heng.
h. Isack, 9 april 1690
II. Gerrit (Gerard) de Haan, gedoopt NG Dordrecht 21 jan. 1680, jongman van Dordrecht wonende aan de Sluispoort (1701), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 22 mei/12 juni 1701 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Mattheus de Haen, de bruid met haar nicht Jenneken Francot) Lijsbeth Maessen, jonge dochter van Stockem wonende aan de Sluispoort (1701)
Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):
a. Mattheus de Haen, 21 febr. 1702, volgt III
b. Ida, 21 mei 1703
c. Abraham, 18 jan. 1708
d. Cornelis, 9 okt. 1711
e. Jenneken, 13 mei 1715
f. Marijke, 28 sept. 1717
g. Elisabeth, 5 juni 1720
III. Mattheus de Haen, gedoopt NG Dordrecht 21 febr. 1702, jongman van Dordrecht wonende bij de Sluispoort (1724), overleden Ridderkerk 4 nov. 1780, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 21 april/7 mei 1724 (de bruidegom geassisteerd met zijn moeder Lijsbeth Maesse en mondeling consent van zijn vader Gerard de Haen, de bruid geassisteerd met haar moeder Bergijna Lugten en met mondeling consent van haar vader Cornelis de Nuijver) Regina de Nuijver (den Uijver), gedoopt NG Dordrecht 27 okt. 1704, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Vuilpoort (1724), dochter van Cornelis Gerritsz. de Nuijver en Bergijna Dingemansdr. Lugte
Kinderen (o.a.; a. t/m e. NG gedoopt in Dordrecht):
a. Cornelis de Haan, 19 dec. 1724
b. Mattheus, 4 mei 1728
c. Elisabeth, 18 april 1729
d. Gerrit, 9 mrt. 1731
e. IJda, 27 juni 1733
f. Dingeman de Haan, 4 okt. 1735
g. Johannes de Haan, 27 aug. 1737
h. Mattheus de Haan, gedoopt NG Rijsoord 13 dec. 1744, overleden Ridderkerk 21 april 1817
i. Isaak, gedoopt NG Rijsoord 29 jan. 1746
j. Abraham, gedoopt NG Rijsoord 7 febr. 1747