Van Hattum

I. Ludolf van Hattum (van Hattem), geboren naar schatting ca. 1610, jongman van Antwerpen, wonende bij de Nieuwbrug te Dordrecht (1637), koordenwerker (1637), sledenaar/bierdrager te Dordrecht (1655, 1656, 1659), overleden ca. 1660, trouwde NG Dordrecht 31 mei 1637Lijsbeth van Dilsen, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1615, jonge dochter van Dordrecht, wonende naast Mijnsherenherberg [in de Voorstraat] (1637), dochter van Christiaen (Corstiaen) Jansz. van Dilsen en Susanna Wiltens (zie genealogie Van Dilsen op deze website)

ORA Dordrecht inv. 62, f. 197 e.v.: rekest dd 13 nov. 1655 van Ludolff van Hattem aan de burgemeester en regeerders van Dordrecht: “Geeft … te kennen … Ludolff van Hattem Slenaer ende Borger deser Stede hoe dat hij suppliant belast is met huijsvrouwe ende seven kleijne kinderen ende daer bij noch het achste alst Godt belieft te verwachten staet, dewelcke hij suppliant bij dese conjuncture van tijt op de kleijne sobere ende gerijnge verdiensten met het rijden vande slede niet machtich ofte mogelijk is, langer den soberen cost te connen verdienen, ende nochtans omme der eeren wille niet geerne daer toe imanden moeijelijck ofte lastich soude vallen soo lange dadt de Heere hem gesontheijt ende gelegentheijt belieft te verleenen omme eenen stuijver met eeren te connen verdienen, tis nu alsoo dat metten affsterven van Govert Verhoeven, doen hij leeffde bierdrager binnen deser Stede, is comen te vaceren d’selve plaetse ende waer toe hij suppliant sich selver wel geerne met believen van Uw E. agtb. soude laten emploijeren, omme alsoo door dat middel betere gelegentheijt te becomen omme een stuijver tot voorstant ende onderhout sijner voors. familie in dese bedroefde tijden te connen gewinnen. Tot welcken eijnde soo keert hij suppliant [zich] … tot Uw. Ed. achtb. gansch ootmoedich biddende ende smeeckende … met compassie ende mededoegentheijt tot hem suppliant, sijne huijsvrouwe ende onnosele kinderkens ontsteecken sijnde hem suppliant mette voors. vacerende bierboom te beneficeren. Gelovende hij suppliant inde bedieninge vandien sich … soo eerlijk ende getrouwelijk te sullen quijten, ende comporteeren dat … Uw Ed.agtb. ende eenen iegelijcken alle goet genoegen ende contentemente genieten sullen.” Stond voor apostille: het Gerecht van Dordrecht, “gehoordt de goede rapporten” en gelet op het verzoek van de suppliant, vergunt hem in plaats van Govert Verhoeven “het officitie van den geheelen bierboom”, mits hij de daarvoor geldende eed aflegt ten overstaan van de schout of diens plaatsvervanger.

ORA Dordrecht inv. 63, rekest dd 17 mei 1656: Ludolf van Hatton, bierdrager en burger van Dordrecht, geeft te kennen, dat hem enige tijd geleden vergund is het “officie van den bierboom”, endat,”naer dien hij suppliant hem nu twee a drie reijsen merckelijck heeft verseert ende te beduchten stont hem suppliant doort voorsz. verseeren geheel inhabiel te werden”, hij het stadsbestuur van Dordrecht verzoekt afstand van deze functie te mogen doen ten gunste van Hendrick Ariensz., “onder conditie van uijtreijckinge vande derden penning”. De Kamer Judicieel staat hem dit toe op de door hem gevraagde voorwaarde.

Bierdragers

ONA Dordrecht inv. 138, f. 364, akte dd 8 juli 1659: Ludolff van Hattum, sledenaar en burger van Dordrecht is aan Anthonij Moliers, mr. metselaar en burger van Dordrecht, een bedrag van 220 gl. schuldig wegens reparatie van een gevel, “puije” en anderszins in en aan zijn huis in de Doelstraat, staande tegenover de poort vanhet Weeshuis naast het huis van Cornelis Dircxsz. van Oosterwijck.

ONA Dordrecht inv. 140 ,f. 680 e.v., akte dd 20 dec. 1661: Corstiaen van Hattum, chirurgijn, jongman wonende te Dordrecht, verklaart, dat zijn vader, Ludolff van Hattum, in zijn leven “hebbende het offitie vanden inslach van bieren”, onlangs is overleden en dat het voornoemde ambt daardoor vacant is geworden. Zijn moeder, Elisabeth van Dilsen, is “weduwe gebleven … met vijf kinderen, behalven den comparant, sonder eenige middelen ofte immers gansch weijnich waer vvt zij d’voorsz. kinderen soude alimenteren.”Men heeftaan het Gerecht te Dordrecht verzocht, of de comparant met het ambt begunstigd zou mogen worden en Corstiaen heeft vervolgens de toezegging gekregen, dat hem dat toegestaan zal worden. Hij belooft nu aan zijn moeder tot haar overlijden de helft van de winsten, die hij uit het ambt zal verkrijgen, te zullen afdragen, mits zij zich verplicht om voor hem, wanneer hij de “pruve” als chirurgijn gaat doen, de onkosten daarvan te betalen, in het bijzonder die van het “proefmaal”. Hij tekent met zijn naam.

– 29 april 1665: Susanna van Hattum, Corstiaen van Hattum en Catarina van Hattum, mondige kinderen van Elisabeth van Dilsen, weduwe van Ludolff van Hattum, alsmede Anthonij Moliers, voor zichzelf en vervangende Jan Aertsz. de Gelder, als voogden over de drie onmondige kinderen van genoemd echtpaar, verkopen voor 900 gl. aan Barent van Radesteijn, burger van Dordrecht, een huis in de Doelstraat, staande tussen het huis van Jan Pauwelsz. en dat van Cornelis Dircxsz. van Oosterwijck. (ORA Dordrecht inv. 785, f. 17)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Susanna, mrt. 1638

b. Johannes, 1639, jong overleden

c. Corstiaen van Hattum, geboren naar schatting ca. 1640, jongman van Dordrecht, wonende in de Doelstraat (1663), chirurgijn te Dordrecht, trouwde NG Dordrecht 23 sept./9 okt. 1663 Catharina van Bonckelwaert, van Dordrecht, wonende aan het Groothoofd (1663), weduwe van Amsterdam, wonende bij het Groothoofd te Dordrecht (1677), trouwde 2e NG Dordrecht 19 sept. 1677 (ondertrouw; bescheid gegeven om op Papendrecht te mogen trouwen) Henrijck Pietersz. Penning, mandenmaker, weduwnaar van Gorinchem (1677)

– 1 nov. 1664: Mattijs Paus en Bartholomeus Roonaer, burgers van Dordrecht, verkopen voor 1800 gl. aan Corstiaen van Hattum, chirurgijn te Dordrecht, een huis omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van de weduwe van Martinus van Sassen en de Grafelijkheidstol. (ORA Dordrecht inv. 784 (oud), f. 157v e.v.)

– 23 juni 1678: Hendrik Penningh, mandenmaker en burger van Dordrecht, als weduwnaar van Catharina Bonckelwaert, eerder weduwe van Corstiaen van Hattem, verkoopt aan Willem de With, ontvanger van de Grafelijkheidstol van Geervliet, voor 1100 gl. een huis in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van koper en dat van Govert Matthijs riviervisverkoper. (ORA Dordrecht inv. 1651, f. 101v)

d. Ludolf van Hattum, febr. 1641, volgt II

e. Jan, 1642, jong overleden

f. Catharina van Hattum, 1644

ORA Dordrecht inv. 383, f. 344: op 11 aug. 1677 testeert Catharijna van Hattum, ongehuwde persoon, ziek in bed liggende. Zij prelegateert aan haar zuster Susanna van Hattum haar fulpen mantel, Tourse rok, Tours schortekleed, beste rode onderrok en beste kaper, aan haar nicht Jannetta van Hattum haar zilveren sleutelriem, met een zilveren schaar en ketting, een zilveren naaldenkokertje met een ketting, een gouden haarnaald, het kastje, dat zij al in gebruik heeft, en een “tabbert”, aan haar zwager Pieter Poterman haar gouden diamanten ring, aan haar neef Arent van Hattum, de zoon van haar broer Adolff van Hattum, een zilveren klater met een ketting, aan haar broer Johannes van Hattum haar testament met zilverbeslag, aan haar broer Maerten van Hattum al haar lijnwaat en kleren met een kast, een aan haar behuwd zuster Catharijna van Bonkelwaar de eigendom van de winkel, die zij met haar in gemeenschappelijk bezit heeft. Tot erfgenamen van al haar overige na telaten goederen benoemt zijhaarzuster en broer en haar nicht Jannetta van Hattum. Tot executeur-testamentair en voogd over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar zwager Pieter Poterman.

g. Johannes van Hattem, 1645, trouwde Lydia Davall, begraven Austin Friars 17 jan. 1721

Kinderen:

g-1. Johan van Hattem, geboren 1688, begraven Dinton (Buckinghamshire) 1747, trouwde 1725 Elisabeth Ongly

g-2. Lydia Catharina van Hattem, geboren 1693, OSP 1750, trouwde 1e Sir Thomas Davall, overleden in 1714, Member of Parliament *,2e18 april 1736 (zijn derde huwelijk) James Brydges, (1673-1744),1st duke of Chandos, betaalmeester in het Engelse leger onder Marlboroughtijdens de Spaanse Successie-oorlog(Arianne Baggerman, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823 (Den Haag 2000), p. 15-16) (Baggerman noemt haar ten onrechte een tante van Elizabeth van Hattum, echtgenote van Pieter Blussé; De Nederlandsche Leeuw 1956, kol. 101)

Nahaar overlijden ontvingen Adolph van Hattum, Abraham Blussé en Adolph Blussé uit haar nalatenschap een bedrag van 500 pond sterling om onderling te verdelen. (Baggerman, o.c., p. 16)

James Brydges, 1st duke of Chandos, ca. 1725 (of eerder), door Herman van der Mijn.

h. Maerten van Hattem, geboren naar schatting ca. 1650, trouwde NG Dordrecht 13 jan. 1675 Marija Abrahamsdr.de Koninck

ONA Dordrecht inv. 236, f. 101: 27 febr. 1675 verkoopt Andries Jansz. Craijevelt, schipper en burger van Dordrecht, voor 690 gl. aan Maerten van Hattem, schipper en burger van Dordrecht, een smalschip. Van de koopprijs zal de koper een somma van 300 gl. betalen aan de weduwe van kapitein Van Convent wegens “’t geene haer vant voorsz. schip is comende”. Pieter Jacobsz. Poorterman, mr. metselaar en burger van Dordrecht, stelt zich borg voor zijn zwager Maerten van Hattem.

ONA Dordrecht inv. 238, f. 66: op 19 febr. 1677 testeren Maerten van Hattem schipper en zijn vrouw Maria Abrahamsdr. de Coningh. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige kinderen. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen bij mondigheid of eerder huwelijk elk een bedrag van 25 gl. uit te reiken.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

h-1. Christiaan, 13 nov. 1675

h-2. Johannis, 26 dec. 1681

h-3. Abraham, 9 nov. 1685

i. Hendrick, 1651

j. Niclaes, 1652

k. Sara, 1654

l. Sara, 16 febr. 1658

II. Ludolf Ludolfsz. van Hattum, gedoopt NG Dordrecht febr. 1641,viskoper en loodgieter, begraven Dordrecht (Augustijnenkerk) 1 sept. 1701 (Ludolff van Hatthem, bij het Steegoversloot), trouwde NG Dordrecht 25 mei 1676 Margriet (Grietie) Ariensdr. Borstel (Bootsman), geboren naar schatting ca. 1650, dochter van Arent Arentsz. Borstel en Barbara Jacobs (Ruigendrager/Rouwendrager) [Zie De Ned. Leeuw1963, kol. 392.]

– 12 okt. 1655 (ondertrouw): Ariaen Adriaensz. Huijser, jongman van Zwijndrecht wonende aldaer, en Barbara Jacobs, van Aken, weduwe van Arent Arentsz. Borstel, wonende aan de Riedijk, procl. te Zwijndrecht, bescheid gegeven om op Zwijndrecht te trouwen (NG trouwboek Dordrecht)

– 23 juni 1677: Ludolph van Hattum, loodgieter en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Dirck Jansz., timmerman te Leiden, zoon en erfgenaam van Jan Dircxsz., in zijn leven arbeider en burger van Dordrecht, verkoopt voor 250 gl. aan Cornelis Willemsz., schipper te Dordrecht, een huis op de Riedijk, staande tussende huizen van Thomas Hendricxz. Wittingh aan weerszijden. (ORA Dordrecht inv. 790, f. 31v)

– 1 nov. 1679: Jacobus van der Wael, wonende te Heusden, zoon en mede-erfgenaam van Govert van der Wael en Geertruijt de Clauw, in hun leven gewoond hebbende te Dordrecht, verkoopt voor 710 gl. contant aan Ludolff van Hattem, burger van Dordrecht, een huis op de Nieuwbrug aan de waterzijde, staande tussen het huis van de kinderen en erfgenamen van Dirck van Dooren en het huis van Maria van Oosden. (ORA Dordrecht inv. 791, f. 68 e.v.)

-2 okt. 1684: Thomas Hendrixsz. Wittingh, meester-kuiper en burger van Dordrecht, verkoopt aan Ludolff van Hattem, loodgieter en burger van Dordrecht, een huis aan de Voorstraat, staandetegenover de Munt tussen het huis van ds. Henricus Francken en dat van de weduwe [van Jacob]Stoop [bakker]. De koopsom bedraagt 1400 gl. van 40 groten Vlaams het stuk. Akte door beiden ondertekend. (ONA Dordrecht inv 260 [notaris A. Meijnaert], f. 131; ORA Dordrecht inv. 1629, f. 111v, akte dd 19 okt. 1684)

– 16 aug. 1687: testament van Arien Ariensz. Huijser en Barbara Jacobsdr., echtelieden, burgers van Dordrecht, hij gezond en zij ziek. De testateuren legateren aan hun dochter, Barbara Huijser, o.a. een kast, die staat op de voorkamer van het huis, waar uithangt “de Bieman”, in welk huis de testateuren wonen. De testatrice benoemt tot erfgenamen Margrieta Arentsdr. Borstel, de vrouw van Ludolf van Hattum, en Maeijcken Arentsdr. Borstel, echtgenote van Cornelis Willemsz., ieder in de legitieme portie ofwel een tiende deel van haar nalatenschap, waarbij aan elk van hen, in het bijzonder aan Ludolf van Hattum en zijn vrouw,”geïmputeert” zal worden hetgeen zij aan de testatrice schuldig zijn. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen stelt zij aan haar drie nakinderen, bij haar verwekt door Arien Huijser. Tot voogden benoemende testateurende langstlevende van hen beiden. Hij tekent met zijn naam, zij met een merkje. (ONA Dordrecht inv. 357, f. 306 e.v.)

– 4 mrt. 1688: Ludolff van Hattum, loodgieter en burger van Dordrecht, verkoopt aan Machtelt Jans, burgeres van Dordrecht, voor 800 gl. een huis op de Nieuwbrug, staande tussen het huis van juffrouw [Maria]Van Oosen en dat van Geerit Olinckhoff. Hij tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 244, f. 305; ORA Dordrecht inv. 1631, f. 97v, akte dd 6 mei 1688)

– 5 juni 1691: voorwaarden, waarop Arent van Hagen, voor zichzelf en als voogd van de twee weeskinderen van wijlen Willem van Hagen, en Ambrosius Wiggers en Boudewijn Balen, als voogden van genoemde weeskinderen, willen verkopen een huis, waar uithangt “de Vergulde Fonteijn”, staande [in de Voorstraat] bij de Grote Vismarkt tussen het Viskopershuis en het huis van wijlen Matthijs Balen Jansz. Het wordt gekocht door Ludolf van Hattum voor 1170 gl. (ONA Dordrecht inv. 192, f. 185 e.v.)

– 2 okt. 1696: Johannes Melanen, notaris te Dordrecht, als gemachtigd door het Gerecht van Dordrecht tot het verkopen van de goederen, die zijn nagelaten door Maddaleentje Jansdr., laatst weduwe van Jan Jacobsz. Snoeck glasmaker, verkoopt voor 500 gl. aan Ludolf van Hattum, loodgieter en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat omtrent het St. Jans-gasthuis, staande tussen het huis van Pieter Arent kruidenier, waar uithangt “het Kasteel van Gent” en huis Hendrik van Bemmel goudsmid. (ORA Dordrecht inv. 799, f. 174v e.v.)

– 11/12 okt. 1706: inventaris van de goederen, nagelaten door Grietie Arijens, weduwe van Ludolff van Hattum, in zijn leven viskoper en loodgieter enburger van Dordrecht. De inventaris is op 11 en 12 okt. 1706 gemaakt door Cornelis van Aansurg, notaris te Dordrecht, op verzoek van Paulus Emond en Jordaen Damisz. Verstappen, die samen met Arent van Hattum, de zoon van de overledene, executeurs van haar testament en voogden over haar minderjarige erfgenamen zijn, alsmede op verzoek van Pieter Blussé, als echtgenoot van Elisabeth van Hattum, dochter van de overledene en op aangeven van voornoemdeArent van Hattum en zijn zusters Elisabeth, Johanna en Katarina van Hattum.

Tot de nalatenschap behoren o.a.:

1. een huis omtrent de Grote Vismarkt, bewoond door Arent van Hattum, staande aan de landzijde [Voorstraat]tussen het Viskopershuis en het huis van Johannes Balen. De overledene heeft in het testament, dat zij op 8 okt. 1704 heeft gepasseerd voor notaris J. van Dijck, de wens geuit, dat haar zoon Arent dit huis op zijn erfdeel zal aannemen voor een somma van 1800 gl. Arent van Hattum verklaart het huis voor het genoemde bedrag te aanvaarden,

2. een huis, waarin de overledene met haar man zaliger heeft gewoond en waarin zij ook zijn overleden, staande in de Voorstraat omtrent de Munt aan de havenzijde tussen het huis van Jan Groenewegen en dat van Kristoffel van der Heijden. Overeenkomstig hetgeen bepaald isin het eerder genoemde testament van haar moeder aanvaardt Elisabeth van Hattum, met toestemming van haar man, Pieter Blussé, dit huis voor een somma van 1500 gl.

3. een huisje omtrent Mijnsherenherberg aan de landzijde [Voorstraat tussen Nieuwstraat en Kolfstraat], dat aan één zijde wordt belend door het huis van de weduwe van Michiel la Ban (de andere belender wordt niet vermeld), welk huisje wordt aangenomen door (de nog minderjarige) Johanna van Hattum, met toestemming van haar voogden, voor een bedrag van 500 gl.

4. de vrijdom van een visstal (één van de vijftig) op de Grote Vismarkt, zijnde nr. 49, door de overledene gekocht in 1698 van de erfgenamen van Abraham de Both, staande op naam van Arent van Hattum, maar door haarzelf betaald. Deze visstal is op 2 nov. 1706 voor 768 gl. en 15 st. verkocht aan Johannes Sickinga.

(ONA Dordrecht inv. 711, f. 495 e.v)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Arendt van Hattum, 28 mrt. 1677, volgt III

b. Korstiaen, 8 juli 1680, jong overleden

c. Lijsbeth (Elisabeth) van Hattum, 25 juli 1681, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 21 okt. 1703 Pieter Blussé, gedoopt NG Dordrecht 30 mei 1683, bakker, later boekbinderte Dordrecht, zoon van Abraham Blusse en Hester Francken

– 15 sept. 1704 (testateuren staan niet in de 200e penning): voor notaris J. van Bijwaert testeren Pieter Blussé, bakker en burger van Dordrecht en zijn vrouw Elisabeth van Hattum, hij gezond, zij ziek. Zij benoemen de langstlevende van beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen op te voeden en te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan “onder hen allen” een bedrag van 12 gl. uit te keren. Akte door beiden ondertekend.(ONA Dordrecht inv. 407, f. 254 e.v.)

– 14 dec. 1723: Pieter Blusee, burger van Dordrecht, als man van Elisabeth van Hattum, dochter en erfgename van Rudolph van Hattum, loodgieter te Dordrecht, verkoopt voor 450 gl. aan Jacob van Ratingen, winkelier en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat, staande tussen het huis van de koper en dat van Cristoffel van der Heijden. (ORA Dordrecht inv. 1650, f. 75)

– 1742: in de hoofdelijke belastingheffing (van welke inkomstenbelasting 80 % van de Nederlandse bevolking was vrijgesteld)betaaltPieter Blussé6 gl. (ter vergelijking: burgemeester Johan Gevaerts betaalt 250 gl.)(Arianne Baggerman, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823 (Den Haag 2000), p. 16)]

Kinderen (o.a):

c-1. Adolph Blussé, gedoopt NG Dordrecht 30 okt. 1705, mr. loodgieter te Dordrecht

c-2. Hester Blussé, gedoopt NG Dordrecht 4 april 1707

c-3. Abraham Blussé, geboren Dordrecht 16 febr. 1726, overleden ald. 4 febr. 1808, vestigde in 1745 te Dordrecht een boekverkopers- en uitgeverszaak. Vanaf april 1797 gaf zijn firma (de sedert dec. 1789 verschijnende) Dordrechtsche Courant uit. [NNBW (internet); Arianne Baggerman, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823 (Den Haag 2000)]

Abraham Blussé, boekhandelaar,kocht op 20 juli 1745 voor 2210 gl. van Pieter Hordijk, banketbakker,een bedrijfspand aan de Voorstraattegenover de Beurs, staande tussen het huis van Adriaan Borgers en dat van Jan van der Rijk. (ORA Dordrecht inv. 821, f. 88) Het kapitaal hiervoor leende hij van zijn oudere broer Adolph, die meester loodgieter was. “In dit vroegere banketbakkerspand werd de boekbinderszaak van zijn vader, waar incidenteel ook wel boeken werden verkocht, voortgezet en uitgebreid tot een boekhandel en boekbinderij met de naam Laurens Koster.” (Baggerman, o.c., p. 16)

d. Johanna van Hattum, 10 dec. 1683

e. Catharijntje (Catharina) van Hattum, 28 aug. 1688

– 9 sept. 1713 comp. voor de Dordtse notaris S. de Moraaz Catarina van Hattum, meerderjarig en ongehuwd, dochter en mede-erfgenaam van wijlen Grietie Ariens, weduwe van Ludolph van Hattum, viskoper en meester-loodgieter te Dordrecht, te kennen gevende, dat van de nalatenschap van haar moeder op 11 okt. 1706 door de gewezen notaris Van Aansurg een inventaris is gemaakt, dat de goederen, die haar vervolgens bij de boedelscheiding zijn toebedeeld, gedurende haar minderjarigheid zijn beheerd door haar broer Arent van Hattum meester-loodgieter, die samen met Poulus Emonden Jordaen Damisz. Verstappe haar voogd is geweest en dat, nu zij meerderjarig is geworden, haar voogden hetgeen zij geërfd heeft aan haar hebben overgedragen.Zij bedankt haar voogden voor de goede zorgen en het beheer van haar goederen en ondertekent de akte met haar naam. (ONA Dordrecht, f. 229 e.v.)

f. Susanna van Hattum, 6 nov. 1693, jong overleden

III. Arendt van Hattum, gedoopt NG Dordrecht 28 mrt. 1677, mr. loodgieter, trouwde Gerecht/Dordrecht 8 sept. 1709 Pieternella Kunsius (Kumsius)

ORA Dordrecht inv. 1753, f. 61v: op 13 april 1723 verkoopt Govert van der Linden, burger van Dordrecht, voor 200 gl. aan Arent van Hattem een huis en tuin buiten de Vriesepoort, staande tussen de Vriese- en St. Jorispoort naast het [laken-]raam van Matthijs Tousijn.

ORA Dordrecht 1651, f.285v: op 6 dec. 1729 verkoopt Adriaan op de Kamp, koopman te Dordrecht, voor 300 gl. aan Arent van Hattem, mr. loodgieter en burger van Dordrecht, een pakhuis staande in de Kleine Spuistraat omtrent de brug tussen het huis en pakhuis van Justus Marcel en brouwerij “de Bel” aan de achterkant.

ORA Dordrecht inv. 1655, f. 44v: op 20 mei 1738 verkoopt Pieternella Cumsius, weduwe van Arent van Hattem, burgeres van Dordrecht, voor 310 gl. aan Aalbert Nieuwenhuijse, burger van Dordrecht, een tuin “ter zijden het Bagijnhoff”, liggende tussen het huis van Damis Voorstappen en dat van de weduwe Terreijn. De koper is schuldig aan de verkoopster een somma van 200 gl.

ORA Dordrecht inv. 1655, f. 115v: op 5 mei 1739 verkoopt Willem de Monchij, koopman te Rotterdam, als procuratie hebbende van Wilhelmina Geertruij de Monchij, voor 220 gl. aan Pieternella Kumsius, weduwe van Arendt van Hattem, wonende te Dordrecht, een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van Geertruij van der Waard en dat van Klaas van der Valk.

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Ariaentie, 24 febr. 1712

b. Jan, 29 okt. 1713

c. Margrieta, 18 sept. 1715

d. Adolph van Hattem, 16 mrt. 1717, mr. loodgieter, OSP,overleden tussen 21 jan. 1782 en 3 dec. 1783, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 9 nov. 1743 Margarita Kumsius, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 5 mrt. 1754 (Maghrita Kumsius, de vrouw van Adolf van Hattum, op de Voorstraat bij de Grote Vismarkt, laat geen kinderen na, met één koets extra)

ORA Dordrecht inv. 1664, f. 10v: op 22 febr. 1763 verkoopt Adolph van Hattem, mr. loodgieter en burger van Dordrecht, voor 210 gl. aan Simon Schoenmakers, mr. grutter en burger van Dordrecht, een huis voor in de Kolfstraat, staande tussen het huis van de koper en dat van Cornelis Neering.

Weeskamer Dordrecht inv. 37, f. 145v: op 3 dec. 1783 extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Adolph van Hattem, dat hij heeft verleden voor notaris J. van der Star te Dordrecht op 21 jan. 1782. Hij heeft daarin tot voogden benoemt Abraham Blussé en Gerardus ’t Hooft.

ORA Dordrecht inv. 1758, f. 188: op 6 mei 1784 verkoopt Abraham Blussé, wonende te Dordrecht, die door wijlen Adolph van Hattem, overleden te Dordrecht, is aangesteld tot diens universele erfgenaam, voor 810 gl. aan Gijsbert van Mourik, wonende te Dordrecht, een tuin met een huis erop, liggende in het Matena’spad even buiten de St. Jorispoort en dicht bij de Noordendijk tussen de tuin van Johannis Dekker en die van de erfgenamen Van Laren.

Kind:

d-1. Jacob, gedoopt NG Dordrecht 29 jan. 1745

* Sir Thomas Davall

(http://www.historyofparliamentonline.org/volume/1690-1715/member/davall-sir-thomas-ii-1682-1714)

Constituency

Dates

1713 – Apr. 1714

Family and Education

bap. 25 Oct. 1682, o. surv. s. of Sir Thomas Davall I*. m. c.1713, Lydia Catherine, da. of John Van Hatten, of St. Swithin’s, London, 2s. suc. fa. 1712; kntd. 17 June 1713.1

Offices Held

Biography

Davall’s career was very much overshadowed by that of his father, and little is known about his early life, or the extent of his involvement in business ventures, although it may have been he who built a wharf for the family’s lime kiln at Grays Thurrock. His father had hoped to secure a Harwich seat for him as early as 1704, but it was not until he had inherited the manor of Dovercourt, and been knighted in 1713 for having presented an address of thanks for the peace, that he was successful at the polls. Although three candidates had in fact been returned on two indentures, Davall’s name was common to both and on 6 Apr. 1714 the House confirmed his election. He had been marked as a Tory on the Worsley list, but died later the same month leaving no trace of any activity in the Journals. He bequeathed £4,000 to his mother, all his Essex estates passed to his eldest son, Thomas, and all other property to a new-born infant; but, perhaps because he had married his first cousin, the two boys were sickly, the younger dying soon after his father and the elder being buried in June 1718. The deaths of all Davall’s direct heirs gave rise to a legal suit over the terminology of his will, in which he, or an amanuensis, had used a confused form of words. The case was heard in Chancery between 1719 and 1722, and judgment was given in favour of Sir Thomas’ cousin, Daniel Burr, who thereby gained the Essex and Middlesex properties, though a subsequent settlement gave Davall’s widow her jointure of £800, as well as her late husband’s personal estate. This was enough to attract the attention of her second spouse, the Duke of Chandos (Hon. James Brydges*) though she was considered to have married above herself, often being ‘reproached with her being bred in Burr Street, Wapping’.2

Ref Volumes: 1690-1715

Author: Mark Knights

Notes

  • 1. IGI, London, and Berks.; The Gen. n.s. xxxi. 237–8.
  • 2. VCH Essex, viii. 43, 45; Add. 28927, f. 176; London Gazette, 16–20 June 1713; Boyer, Pol. State, vii. 412; Folger Shakespeare Lib. Newdigate newsletter 29 Apr. 1714; PCC 65 Aston; Morant, Essex, i. 492; Swift Corresp. ed. Williams, iv. 476.