Diversen

Gegevens uit archivalia en andere bronnen betreffende de geschiedenis van Dordrecht.

Arent Maaertenshof

ORA Dordrecht inv. 1602, f. 120: op 5 dec. 1627 doen kond burgemeester, raden, oudraden en lieden van de Achten van Dordrecht, een ieder, dat op het rekest gedaan door Arend Maartensz., ambachtsheer van Barendrecht en Schobbelandsambacht, schepen in wette van Dordrecht op 5 mrt. 1624 “ter saecke van een pieus gesticht bij den voors. ambachtsheer voorgenomen te doen maecken binnen [Dordrecht] … voor behouftige vroupersoonen alsmede voor vrouwen ende mannen te saemen met ofte sonder kinderen welck gesticht bestaen soude in acht en dertich distincte wooningen, ider te giften met eenen schellinck ter weecke Paessen en kermisse dubbel gelt ende een ijder jaerlijcx in Julio oft Augusti te geven noch ses gulden voor brant oft twintich tonnen turff daer voor tot optie goet vinden ende discretie vande stichter desselffs erffgenamen, sijnde Zijne wettige descendenten, dat mede de selve ambachtsheer voor hadde te fonderen seker institutie van twee ofte meer Beurssen te samen tot ses hondert gulden jaerlijks tot onderhout van eenige stuijdenten te oeffenen inde heijlige Theologie ten dienste van Godes kercke”, zij, de stadsbestuurders van Dordrecht, genegenzijndit toe te staanop voorwaarde, dat Arend Maartensz. binnen 4 of 5 jaar op de stad Dordrecht zalbeleggen een somma van 23.097 gl. 12 st. tegen de penning 16, om door Arend Maartensz. en zijn nakomelingen verdeeld te worden onder de bewoners van de 38 woningen en de theologie-studenten. Aangezien een deel van het erf, waarop de woningen zullen staan, een leen is van he huis van Polanen en de Lek, en indien de Prins van Oranje, als heer van Polanen, niet zal kunnen besluiten het leen te veranderen in een allodiaal leen, zal het leen gesteld worden op naam van Abraham vanBeveren, de zoon van een dochter van Arend Maartensz. Indien er geen wettige nakomelingen vanArend Maartensz. meer zullen zijn, zal het gesticht vervallen aan de stad Dordrecht. De ambachtsheer heeft inmiddels de 38 woningen en een regentenkamer laten bouwen tussen de Nieuwstraat, Kolfstraat, stadsvest en stadsgracht. Het wordtsedert Baafmis 1625 bewoond door oude vrouwen en mannen.

Als bewoonsters worden in 1705 vermeld: Pietertie Pieters, Willemijntien Rem, Geertruijt Kemp, Elisabeth Slippenbeeck, Elisabeth Stamraed, Mechteltie Jans van Wamelen, Catarina van Beeck, Anneken Wijers, Elisabeth Trompers, Belia Plienix, Catarina Fredericx, Hillena Olinckhoff, Sara Schouten, Maria Jacobs Bijl, Maria Jordaens, Clara Rijsers, Belia van Wijngaertstraten, Helena Monseur, Maria van Dijck, Maria Asmaer, Griettien Pieters, Maria Jans Abberdaen, Cornelia Jans de Bust, Adriaentien Claes, Pouwelientien Jans, Anna Maria van den Berch, Janneken Hermans van Burch, Maria Hacquet, Wijna van Oldenbarnevelt, Catarina Pieters Hesta, Eva de Vrede, Anna van Heijcoop, Maria van Elsbergen, Neeltien Jans, Angnieta van Beeck, Alida Lengle, Aeltien Henssen en Geertruijt Cornelis, De comparanten “alle woonende op den armenhoff gesticht bij den heer Arent Maertens za. ged. in zijn Ed. leven heer van Barendrecht en Swindrecht mij notaris bekent, enverclaerden in der bester forme geconstitueert machtich gemaeckt en volcomen procuratie gegeven te hebben bij desen Lambert Vijffhuijsenprocureur postulerende voor den Ed. Hove van Holland specialijcken omme uijten name en vande voorn. comparanten wegen als conventialen op den voors. hoff waer te nemen defenderen en vervolgen sodanigen proces als sij comparanten inde voorsz. qualité genootsaackt sijn te entameren voor den gemelten Hove van Hollandt ten eijnde sij comparanten bij continuatie mogen genieten alsulcke ses stuijvers ter weeck als vrouwe Clementia van Beaumont za. ged. in haer leven vrouwe van voorn. heer Arend Maertens za. ged. aen 38 vrouwen indertijt op den voorsz. hoff woonende sijnde jegenwoordich d’voorsz. comparanten gemaeckt en gelegateert heeft volgens den testamente bij de voorn. vrouwe Clementia van Beaumont za. ged. metterdoot geconfirmeert gepasseert voor den notaris Daniël Eelbo en seeckere getuijgen alhier geresideert hebbende opden 10en februarij 1640 welkc legaet van ses stuijvers ter weeck bij de maent met een gulden door de Boeckhouder inder tijt van [de] gemeene huijsarmen binnen deser stede (als bij den voorn. testamente totte distributie geauthoriseert sijnde) sij comparanten en hare voorsaten sonder eenige internissie ontfangen en genoten hebben sedert het overlijden vande voorn. vrouwe Clementia van Beaumont za. ged. totte maent van April lestleden deses jaers 1705 incluijs ’t welck ick notaris als jegenwoordige rentmeester van voorn. hoff en hetselve over de dertich jaren bedient hebbende oock verclaere alsoo waer en waerachtich te wesen, sijnde alleen daer aen gecort den 100[e] penning ter concurrentie vant capitael staende ten laste vant gemeene land van welckers intresse het voorn. legaet successievelijcken is betaelt gewerden te bedingen te vervolgen en te verantwoorden te litis contesteren alle dagen en termijnen van rechten te observeren ende sake te vervolgen totten diffinitive toe. Oock met machte omme imanden ad litis te mogen substitueren en voorts generalijcken etc. gelovende etc. sonder fraude. Aldus gedaen en gepasseert binnen Dordrecht voornoemd ter presentie van Justus van Campen en Pieters [sic] Willems van der Sijde als getuijgen versocht. Doort groot getal der comparanten ende meeste niet connende schrijven, is dese bij de voors. comparanten niet onderteijckent”.(ONA Dordrecht inv. 291, f. 149, akte dd 2 nov. 1705)

Augustijnenkerk (grafboek)

“Notitie gehouden ende gemaeckt van de gelegentheit van graeven in den Augustinenkercke binnen Dordrecht soo en gelick tselve soo nae de geleegentheijt vande plaessen bevonden oft geopenbaert int opneemen ende repereren van de graeven ende geheele vloer vande verschreve kercke begonnen den 15 febernarij Ano 1611, als op het blick van brijeven bij de luiden geëxhibeert mitschaerders [= mitsgaders] op het onderrecht [= onderricht] oft aenwijsen bij monde van overluiden van graeven daer van geen breiven [sic] en waeren.” (SA Dordrecht, archief 27, inv. 1582, f. 1)

Battus, Carolus (Karel Baten)

Stadsarchief nr. 3, inv. 3965 (verponding 1594), f. 227v: doctor Karel Baten, betaalt nihil voor zijn huis in de Visstraat.

Karel Baten werd ca. 1540 in Gent geboren. In 1569 promoveerde hij in Rostock (Duitsland) als arts met een proefschrift over syfilis. In 1585 was hij stadsgeneesheer in Antwerpen. In dat jaar vluchtte hij vanwege het geloof naar Dordrecht. Drie jaar later werd hij stadsgeneesheer in het sacramentsgasthuis aan de Visstraat. Hij woonde zelf ook in de Visstraat. In Dordrecht begon Baten te publiceren onder zijn Latijnse naam Carolus Battus. Hij vertaalde medische publicaties van bekende Europese artsen uit het Frans, Duits en Latijn naar het Nederlands. In 1589 verscheen bij de Dordtse drukker Canin een vertaling van een Duits boek met eigen aanvullingen. Het telde maar liefst 800 pagina’s. Bij de tweede druk, die in 1593 verscheen, voegde Battus aan het einde een “Coc-boeck” [kookboek] toe, dat 28 blz. telde. Battus publiceerde minstens zes medische boeken die allemaal de eerste druk en een aantal latere drukken in Dordrecht hadden bij de familie Canin. Het meest bijzondere was het “Secreetboek” uit 1591, een soort handboek van kleine weetjes in de geneeskunde en het huishouden. In 1602 verhuisde Battus naar Amsterdam. Schrijven deed hij daar niet meer. Al zijn boeken hadden in Dordrecht de oorsprong. (Dordt Eigen-Aardig, in AD Drechtsteden 10 mrt. 2021)

Begrafenissen

31 mrt. 1661 (Grote Vergadering van de Kerkeraad van de NG gemeente te Dordrecht): “Middelen tot redres der diaconye … 2. Als de kerckeraed een lijck draegt, dat het sterfhuys sal vereeren aen den armen der diaconye minstens 12 guldens. … 4. Dat die gene, die blasoenen en wapenen in de begravingen sullen willenhangen in de kercken, niet alleen eens iets daer voor vereeren aen den armen, maer oock sekere erkentenisse jaerlicks daer over aen den gemelten armen doen … 12. Dat voor begraeffenissen, die des nachts geschieden, aen den armen werde vereert 25 guldens.” (T.W. Jensma, De Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk van Dordrecht [Zwolle 1987], p. 150)

Cholera in Dordrecht

Aantal personen overleden aan cholera in Dordrecht in de negentiende eeuw:

1832 116

1833 139

1848 196

1849 364

1853 88

1854 59

1855 37

1859148

1866 400

1867 91

(J.A.S.M. Olvers, Cholera en gemeentebeleid in Dordrecht in de negentiende eeuw [Dordrecht 1982], p. 14 en 25)

Meestal worden de cholerabacteriën overgebracht doordat zieken of bacillendragers met hun faecaliën water verontreinigen dat door anderen als drinkwater wordt gebruikt.Pas betrekkelijklaat in denegentiende eeuw kwam men tot het inzicht dat er een verband was tussen verontreinigd drinkwater en besmetting met cholera. (Olvers, o.c., p. 2)

“Enige invloed van gemeentewege op de oprichting op de oprichting van de Cholera Commissie in 1866, is niet te bespeuren. Er is bij deze commissie sprake van een zuiver partikulier initiatief, waarbij op uitnodiging van een dominee 12 personen [o.w. twee artsen]de “Commissie tot leniging der rampen, door de Cholera reeds veroorzaakt en nog te veroorzaken” oprichtten. … Er werd op verschillende manieren ondersteuning verleend. Al naar gelang de omstandigheden werd er kontant geld gegeven, werden er bonnen voor vlees, brood, bouillon, brandstof e.d. afgegeven en werd er voorzien in de behoefte aan “dekking en ligging”. Maar ook werd in de voorkomende gevallen geld gegeven om bijv. de uitoefening van een bedrijf voort te kunnen zetten.” (Olvers, o.c., p. 23-24)

De Choleracommissie te Dordrecht (1866), derde van links (zittend) Marie Adrien Perk, Waals predikant, vader van de dichter Jacques Perk.

Dobbelspelen

ORA Dordrecht inv. 1534, akte 637 dd 26 jan. 1553 (deze akte is doorgehaald): Alzoe die [Goede Luiden] vander stede geadverteert zijn dat enige vervorderen te houden zekere vergaderinge van dobbelspelen zoe inde doelen ander stede veste opte galerien ofte enige huijsen twelck nijet ongeremedieert ende ongepunieert en behoert te gescien soe interdiceren ende verbieden die G.L. vander stede enen ijgeliken van geliken vergaderinge van dobbelspelen ofte speelbanen te houden opte galerien inde doelen in enige huijsen. Oeck mede interdicerende enen ijegelijck hem selven daer bij te vougen daer zulx gedobbelt ofte gespeelt wort ende tselve spul antesien”.

Van Godewijck

Pieter Govertsz. van Godewijck, geboren Dordrecht 1593, studeerde oude talen aan de Latijnse School te Dordrecht, in 1619 benoemd tot “duytse meester” (leraar Nederlands) aan die school, woonde toen bij zijn moeder, Janneken Rochus, in de dwarsgang tussen de Nieuwstraat en de Kolfstraat [RA Dordrecht, archief 98, inv. 1, f. 21], schreef gedichten en een blijspel, auteur van een niet uitgegeven kroniek van Dordrecht, overleden te Dordrecht 11 aug. 1669, zoon van Govaert Pietersz. en Janneken Rochusdr.

(W.M. van der Schouw, Dese heerlicke Stad. Een zeventiende-eeuwse kroniek van Dordrecht, door Pieter Govertsz. van Godewijck (1593-1669) [Dordrecht 2006], p. 13 e.v)

NG trouwboek Dordrecht 29 mrt. 1626: Pieter Govertsz. van Godewijck stadsschoolmeester wonende bij de weduwe van Frantz van Bonckelweert met Sara Cornelis Pijpelaersdr. wonende in de Nieuwe Breestraat in ” de Toren van Remunde”, beiden van Dordrecht.

23 nov. 1627: “zijn de tsestich gulden komende van het huijs staende in de Nieustraate bij de caetsbaen, bij de heeren Scholarchen toegeleijt mr. Pieter Godevaertsz. mits dat cesseren de sesendertich gulden die hij voor desen voor huishuire plach te genieten, ende sal dese selvige verbeteringen van sijn tractament ingaen den eersten Maij deses loopenden jaers 1627”. (Erfgoedcentrum DiEP, archief 98, inv. 1, f. 53)

Kinderen uit het huwelijk met Sara Cornelis Pijpelaersdr.:

a. Margaretha van Godewijck, gedoopt NG Dordrecht 1627

27 okt. 1677: testeert Margareta Godewijck, ongehuwde dochter wonende te Dordrecht, ziek in een stoel zittende. Zij legateert aan haar neven Thomas Thomasz. en Jacob Thomasz. Gravendijck elk een somma van 50 gl., aan haar neef Samuel van der Heijden, wonende te Dordrecht “haer alderbeste, ende grootste stucken borduurwerck bij haer testatrice gemaeckt … [en] haers papiers teijckenkonst, prenten ende ’t gunt tot de voorsz. teijckenkonst gehoort”, aan Matthijs Baelen Jansz., haar goede vriend, een stuk borduurwerk, zijnde een landschapje, door haar gemaakt in 1673 en aan de kinderen van Willem de Keijser, Londenvaarder, als zij bij haar overlijden nog bij hem inwoont, drie van haar kleinste borduurwerken. In al haar overige na te laten goederen benoemt zij tot haar enige erfgenaam haar nicht Margrieta Thomasdr. Gravendijck. Als executeur-testamentair stelt zij aan haar neef Samuel van der Heijden, die zorg moet dragen voor de verkoop van haar kunst en boeken. (ONA Dordrecht inv. 471, f. 176 e.v.)

Margareta van Godewijck (1627-1677). Haar handtekening onder haar testament.

b. Cornelia van Godewijck

Grote Kerk (avondmaalsstel)

Het gouden avondmaalsstel van de Grote Kerk.

Het werd bekostigd uit een legaat van de koopman Philippe Diodati. Hij werd geboren in Dordrecht op 19 sept. 1686 als zoon van de koopman Jean Didodati en Aldegonda Trouwers. Het gezin vertrok in 1697 naar Batavia, waar Philippe werd opgeleid tot koopman. Later werd hij eerste administrateur van het graanmagazijn aldaar. Zijn exacte overlijdensdatum is niet bekend, maar het zal in januari of februari van het jaar 1734 zijn geweest. Hij liet een aanzienlijk vermogen na, dat, aangezien hij geen kinderen had,volgenstestamentaire wilsbeschikking dd 26 jan. 1733, behoudens een aantal legaten, o.a. ten behoeve van zijn broer Salomon Didodati,toekwam aan zijn zuster, Johanna Aldegonda Diodati, echtgenote van mr. Johan Francois de Witte van Schooten, raad van Nederlands-Indië. Van al die legaten is, vanuit cultuur-historisch oogpunt bezien, het belangrijkste het legaat van 15.000 Rijksdaalders aan de Grote Kerk te Dordrecht,waarbij hij “ootmoedig” aan het stadsbestuur van zijn geboortestad verzocht, dat daarvan gemaakt mochten worden gouden schotels en bekers, bestemd tot het uitdelen van des Heren Heilig Avondmaal in de Grote Kerk. Later, in december 1733, maakt Diodati, als erfgenaam van Isabella Cornelia Diodati, nog eens een bedrag van 400 Rijksdaalders over aan de kerk in Dordrecht.Het stads- en kerkbestuurwilligde het verzoek in, en naar ontwerp van de kunstschilder Aart Schouman, werd door de goudsmid Dirk Woreen avondmaalsservies vervaardigd, bestaande uiteen aantalgouden bekers, één grote eneen paarkleine schalen. Er schoot nog een flink bedrag over, waarvan twee zilveren serviezen werden gemaakt, het ene bestemd voor de Augustijnenkerk en het andere voor de Nieuwkerk. Inmiddels was er 22.340 gl. van het legaat besteed en dus was er nog ruim 15.000 gl. te besteden. Burgemeesters en kerkmeesters besloten toen, op 8 mrt. 1737, het resterende geld te gebruiken voor het vervangen van het oude koorhek in de Grote Kerk. Het moest een koperen hek worden, versierd “met ornamenten”. Men kwam ongeveer 2000 gl. tekort, dat werd aangevuld door mr. De Witte van Schoten, die in ruildaarvoor rechtkreeg op een grafkelder in de kerk. Vóór het nieuwe koorhek ligt dan ook nu een grafsteen, waarop vermeld staat dat daar in 1758 begraven is Johanna Aldegonda Didoati, weduwe De Witte van Schoten. Het koorhek, uitgevoerd in rococo-stijl, werd voltooid in 1744. Het ontwerp was van Michiel van Kalraet, het koper werd gegoten door Adriaan Crantsen, en het marmer voor de borstwering, waarop het hek rust, alsmede de twee pijlers, die de vorm van een obelisk hebben, werd geleverd door Jan Oosthout. Het familiewapen van Diodati prijkt in de stijl boven de deuren. (H.A. van Duinen, Dordrecht, Dordtse Canon en het geslacht Diodati, Oud Dordrecht 2008, nr. 1, p. 18 e.v.)].

De grafsteen van de weduwe De Witte van Schoten in de Grote Kerk.

Grote Kerk (koorhek)

Het koorhek van de Grote Kerk (foto: D. Maliepaard)

Het koorhek werd voltooid in 1744 enbekostigd uit het legaat-Diodati en een gift van diens zwager, Johan Francois de Witte van Schoten (zie hierboven).

8 mrt. 1737: “Vergadering van Heeren Borgemeesteren ende Kerkmeesteren in de Grootekerk op vrijdag den 8en maart 1737. Ter vergadering voorgedrage zijnde door d’Heer presiderende borgermr Govert van Slingelandt datter zeekere somma van penn. zoude komen over te schieten van’t legaet, ’t welck door d’Heer Deodatie aan de Groottekerk binne deze stadt is gemaeckt, naer betaelinge van de gemaakte goude schotels en de beekers tot bedieninge van ’t Hijlig Avondtmael. Voor welcke overschietende penn. Heeren Borgermeesteren geerne zaegen dat gemaeckt wier in plaets van het oude heck voor het koor een kooper heck met desselfs ornamenten en vervolgens dat aan Heeren Kerkmeesteren in consideratie gevende. … [Is door de vergadering besloten] Heeren Borgermeesteren voor Haer Ed. goede propositie te bedanken, dewijl zulx zal strecken tot groot cieraet van de selve kerk, en verders gunstigh geresolveert.” (T.W. Jensma, De Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk van Dordrecht [Zwolle 1987], p. 153)

Grote Kerk (torenklok)

ORA Dordrecht inv. 10, zonder datum (tussen 20 april en 2 mei 1624): de Oudraad van Dordrecht geeft opdracht om “een clocke geslag [te stellen] … op de Groote kerckstoorn, met vier wijsers omme te dienen aen ’t quartier aldaer, ende passanten ter waeter ende te lande voor bij de stad, ende is tot dien eijnde den Burgermr., ende Gecommitteerde geordonneert den Heeren Pompen Thesaurier vande fabricque te subsidieren met de somme van ses duijsent gl. ofte dat den voors. Thesaurier bij faute van dien vermogen sal tot maakinge van’t voors. werck te negotieren voor den tijd van een jaar de voors. somme van ses duijsent gl., met belofte hem den interest den penn. sestien in’t jaar in Rekeninge te doen valideren”.

Grote Kerk (preekstoel)

Preekstoel in de Grote Kerk(1756), bekostigd uit een legaat van de koopman en suikerraffinadeur Hendricus van der Vught (gedoopt Bleskensgraaf 9 juni 1675, overleden Dordrecht1 nov. 1744, begraven in de Grote Kerk ald. 7 nov. 1744 [1]). De marmeren stoel is gemaakt door de beeldhouwer Asmus Frauen te Amsterdam, de mahoniehouten kap door de erven Hermanus Boogmaker, naar de vinding van Jan van der Linden. Ds. Adrianus Verster, de oudste dienstdoende predikant, beklom op 10 okt. 1756 als eerste de nieuwe preekstoel.

(T.W. Jensma, De Preekstoel in de Grote of Onze Lieve Vrouwekerk van Dordrecht [Dordrecht 1984].Zie ook: J. L. van Dalen, De Groote Kerk te Dordrecht [Dordrecht 1927], p. 135; T.W. Jensma, De Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk van Dordrecht [Zwolle 1987], p. 93)

foto: http://www.grotekerk-dordrecht.nl/bezienswaardigheden/bezienswaardigheid:preekstoel/language:nl

12 juni 1732: testament van Hendricus van der Vught, koopman te Dordrecht, gepasseerd voor notaris A. Cant te Dordrecht.Hij verklaart”te maken en legateren …, ten behoeve van de groote kerk binnen dese stadt, de somme van vijftien duijsent guldens, alsmede t’geene bij publijcque verkopingh van t’huijs, waarinne hij testateur woont [2], sal komen te provenieren, welke voorsz. somme van vijftien duijsent gl. sijn testateurs compagnon d’heer Barent Broekhuijsen, agtjaaren, te reekenen van sijn testateurs sterffdagh af, onder sigh sal vermogen te behouden, mits daarvan gevende intrest tegens vier percent int Jaar, dogh sal den selven in sijn vermogen hebben ijder jaar soo veel gelden daarop af te leggen, als het hem goet dunken ende gelieven sal, mits drie maendente vooren waarschouwende en passerende op t’overlijden van den testateur behoorlijke obligatie van de voorsz. vijftien duijsent gl., sonder dat den selven gehouden salsijn daarvoor te stellen eenige de minste cautie ofte andere securiteijt, alles volgens den contracte tussen den testateur en den voorn. hr. Broekhuijsen gepasseert voor den notaris Pieter de Ruijter en getuijgen binnendese stadt residerende in [dato] den 4 Januarij 1730. Ende welke voorsz. somme van vijftien duijsent gl., alsmede de intresten daarop jaarlijks verschijnende, mitsgaders t’provenue van’t voormelde huijs door de naer te melden executeurs [t.w. Cornelis van Hombroek, Gijsbert de Lenghen Pieter Vernimmen, of bij overlijden hun naaste bloedverwanten] sal moeten werden gespendeert en geämploijeert tot het naergemelte gebruijk, als namentlijk, dat hij testateur wel expresselijk wilt ende begeert, dat daer uijt ofte daer voor eerstelijk in de gemelte kerk sal moeten werden gestelt ende gemaakt een nieuwe predikstoel, mitsgaders een nieuw hek daerom met desselfs banken en gestoeltens daerin, alsmede een nieuw gestoelte voor heeren Borgemeesteren, scheepenen en de vrouwe-bank ofte gestoelte voor de selve Regenten-bank, alsmede alle verdere gestoeltens ofte banken, daar des verder nodigh wesen sal, werden verniewt ofte andersints naer behooren werdengerepareert; dat wijders ook sal moeten werden gemaakt een geheel nieuw hek voort Choor [3] bij de krijgsraadsbank staande regt over den orgel, sullende de naergemelte executeurs de voorsz. somme van vijftienduijsent gl., mitsgaders intresten, en t’provenue vant voorsz. huijs respectivelijk soo naauw en precies tot het maaken van alle het voorsz. werk moeten aenleggen en besteeden, dat genoegsaam niets daarvan sal komen over te schieten, ende sulkx nergens aldus toe sal mogen werden gebruijkt, ende mitsdien dat alle het selve daartoe geheelijk sal moeten werden geëmploijeert, sullende de voorn. executeurs van de voorsz. respective gelden van haare gedane kosten en uijtgaef, aan den heer kerkmeester, off daar des behoort, moeten doen reekeningh en t’geene overschieten mogt, onder quitantie, demanueren en overhandigen.Nogh maakt en legateert den testateur ten behoeve van de gemelte groote kerk een somme van een duijsent gl., waarvoor door de executeurs sal moeten werden aangekogt een obligatie ten laste van ’t gemeeneland van Holland ende Westvrieselant, ter comptoire binnen dese stadt, uijt welkers jaarelijkse intresten sijn testateurs graft in de selve kerk (sijnde op de serk gehackt ofte uijtgehouden N: 57A) [4]behoorlijk sal moeten werden onderhouden ende waerover de opsigt sullen hebben de naer te noemen executeurs ende bij overlijden van ijmand van haar, der selver naeste in bloede bestaende, en soo successivelijk en bij continuatie, welker alsoo tellekens mits desen werden gesurrogeert, sullende ook de selve obligatie alsoo onder haar altijt blijven berusten, en daerop genoteert, dat die noijt magh werden verkogt ofte veralieneert hoe of op wat manier sulks mogte wesen ende indien bevonden word, dat de jaarlijkse intresten meerder komen te bedragen dan den uijtgaef daartegens gedaan, sullen de gemelte executeurs ofte haare successeuren in der tijdt, t’surplus (onder quitantie) aan den kerkmeester in der tijdt moeten overgeven.”(ONA Dordrecht inv. 806, akte 41)

Noten.

[1] Hendrik, zoon van Jan Hendriksz. ter Vught en Maeijken Cornelisdr. van der Weijden, gedoopt NG Bleskensgraaf 9 juni 1675

NG trouwboek Oud-Alblas 4 sept. 1668: getrouwd Jan Hendricksz. ter Vught jongman van Oldenzael en Maijken Cornelisdr. van der Weijde jonge dochter van Alblas

Hendrik van der Vught is overleden op 1 nov. 1744 (ONA Dordrecht inv. 812, akte 3 dd 11 jan. 1745)

Begraafboek Grote Kerk Dordrecht 7 nov. 1744: Hendrik van der Vugt op de Nieuwe Haven, met 7 koetsen extra, de eerste boete, ongehuwd

[2] Het genoemde huis stond op de Nieuwe Haven bij de Lange Houten Brug (thans het huis Nieuwe Haven nr. 32).

Cf. ONA Dordrecht inv. 812, akte 13: inventaris van de goederen, nagelaten door Hendricus van der Vught, koopman te Dordrecht, beschreven op 5 nov. 1744 door Andries Cant, notaris te Dordrecht,op aangeven van Gijsbert de Lengh en Pieter Vernimmen, kooplieden te Dordrecht en executeurs van zijn testament, gepasseerd op12 juni 1732. Tot de nalatenschap behoort o.a. een huis op de Nieuwe Haven bij de Lange Houtenbrug, staande op de hoek van de straat tussen de straat aan de ene en het huis van Adriaan van Loon aan de andere zijde.

“Van der Vught bewoonde het huis Nieuwehaven 32, het patriciërshuis op de oostelijke hoek met de Lange IJzerenbrugstraat (toen nog Lange Houtenbrugstraat geheten).”

(http://boezeman3.tripod.com/B20.pdf. [p. 5])

[3] Toen Van der Vught in november 1744 overleed was het nieuwe koorhek waarschijnlijkal geplaatst. Het was bekostigd uit een legaat van Philippe Diodati, die in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie een fortuin had vergaard. Diodati overleed in 1733.In 1738 werd er eenontwerp voor het koorhek gemaakt.Het moet dusna 1738 envermoedelijk vóór 1744 zijn vervaardigd. (Jensma, o.c. [1987], p. 93; Herman A. van Duinen, Dordrecht, de Dordtse Canon en het geslacht Diodati, in Oud-Dordrecht jg. 26 (2008), nr. 1, p. 22-23). Van Dalen (o.c., p. 135) beweert, dat het in 1744 werd voltooid, maar geeft geen bronvermelding.

[4] Van der Vught is echter in graf 29 A begraven. Mogelijk heeft er tussen 1732 en 1744 een hernummering plaatsgevonden. (Jensma, o.c. [1984])

Hanneken van Dort

“In de 16de eeuw stond bij de stadsmuur bij het Bolwerk een reuzegroot beeld dat de naam Hanneken van Dordt had. Kunstenaar Gerhard Lentink pleit ervoor om Dordrecht dit iconische herkenningspunt terug te geven, maar dan op de kop van Stadswerven. Het plan hield de gemoederen de afgelopen week behoorlijk bezig.

Al in 2003 maakte Lentink voor een Belgische kunstmanifestatie in De Panne een 7 meter hoog beeld, Christophorus, een legendarische reus die pelgrims over een wijde, gevaarlijke rivier droeg. Hans Spigt, toen cultuurwethouder van Dordrecht, opperde het idee om dat beeld op de uiterste westpunt van de nog te bouwen wijk Stadswerven te plaatsen, waar Beneden-Merwede en Wantij elkaar raken.

Lentink vond het beeld eigenlijk te klein voor die plek en daarom maakte hij een grote sokkel waarop het beeld geplaatst zou kunnen worden. Voor één en ander werkelijkheid kon worden, werd het kunstwerk gekocht door de gemeente De Panne. Maar daarmee was de moderne reuzin (de oude Hanneken schijnt een vrouw geweest te zijn) nog niet van de baan. In 2012 nam wethouder Piet Sleeking al contact op met Lentink voor een beeld dat als een vriendelijke Lorelei voorbijgangers zou groeten en bezoekers moest aantrekken. Een landmark te vergelijken met de Eiffeltoren in Parijs, dat zou kunnen uitgroeien tot icoon van de stad, zoals de Kleine Zeemeermin dat voor Kopenhagen is of het Vrijheidsbeeld voor New York.

Maar wie of wat was die Hanneken van Dordt, die wellicht een moderne variant krijgt? Hanneken moet een gigantisch beeld geweest zijn, net als er in zoveel andere Europese steden ooit stonden. Al in de 13e eeuw had de Spaanse stad Pamplona drie stadsreuzen, evenals de Portugese stad Alenquer. In 1398 kreeg Antwerpen de eerste stadsreus, Barcelona in 1424 en Bergen op Zoom in 1447.

In dat illustere rijtje hoort ook Dordrecht: de stad had in 1545 een reus, of liever gezegd een reuzin. In Vlaanderen zijn nog meer dan 1700 stadsreuzen die vaak in processies worden rondgedragen. Vanaf de Franse Revolutie (1789) werden veel stadsreuzen verboden en een groot aantal werd vernietigd. Maar de Dordts stadsreuzin Hanneken haalde dat niet eens De reusachtige houten Hanneken stond in Dordrecht op het Bolwerk bij het Groothoofd aan de Merwede en hield hoog boven haar hoofd het stadsvaandel en overzag het drukke scheepvaartverkeer. Van Hanneken zijn geen afbeeldingen bekend en ze komt alleen voor op een plattegrond van de stad, die werd gemaakt door de betrouwbare kaartenmaker Jacob van Deventer.

Deze van Deventer tekende tot het midden van de 16de diverse nauwkeurige kaarten van steden en gewesten. Hij gebruikte als een van de eersten driehoeksmeting, een wiskundige methode om afstanden te bepalen. De plattegrond van Dordrecht maakte hij in 1545. De verblijfplaats van deze originele kaart is onbekend, maar een anonieme cartograaf maakte ruim een eeuw later, in 1674, een kopie. Dat exemplaar is in het stadsarchief Dordrecht bewaard gebleven.

Hanneken moet werkelijk heel groot geweest zijn, want op de kaart is zij niet veel kleiner dan de Groothoofdspoort en een toren naast haar. Er is verder nauwelijks wat bekend over de reuzin aan het water. De toegang tot de Voorstraatshaven was in die tijd veel breder dan tegenwoordig. De Boombrug bestond uit een aantal bogen en Hanneken stond op de meest oostelijke boog. Af en toe werd Hanneken genoemd in akten, meestal in combinatie met de toren of de brug en daarmee is in ieder geval aangetoond dat ze werkelijk heeft bestaan.De toren werd meestal Hanneken van Dordtstoren genoemd. In 1590 werd gesproken van ‘een booch onder Hanneken van Dort’. Zelfs de Groothoofdspoort werd in 1588 naar haar ‘de poorte bij Hanneken van Dordt’ genoemd.

De Hanneken van Dordtstoren werd gesloopt toen de Boom in 1617 met huizen werd betimmerd. Ook Hanneken zelf zal toen, of kort daarvoor, weggehaald zijn. De Groothoofdspoort werd in die tijd ook verbouwd en kreeg aan de waterzijde een beeldhouwwerk, de Maagd van Dordrecht. Misschien is deze stadsmaagd wel de opvolgster van reuzin Hanneken. Hanneken speelt nog wel (maar dan als man) samen met de reus Bamberg een rol in een legende over het graven van de Dordtse Kil. Bijzonder, want het is eigenlijk helemaal niet zo zeker dat Hanneken wel een vrouw is geweest. Hanneken zou dan afgeleid zijn van Jan, Johannes of Hans.

Het nieuwe beeld, als het er al komt , stelt een vrouw met een offerschaal voor die als personificatie van de stad een offer brengt aan de rivier. Het zal inclusief sokkel zo’n 22 meter hoog zijn. Kritiek is er ook. Wordt te duur, vinden velen. En volgens immer verongelijkte vrouwen lijkt de offerschaal die de nieuwe Hanneken zal dragen, erg veel op een dienblad. Het beeld zou door dat dienblad de ondergeschikte rol van de vrouw benadrukken. Tja. Lentink noemt zijn beeld tongverstuikend Choëphore, uit een Griekse tragedie. Maar Dordtenaren zullen haar gewoon Hanneken noemen.Of het beeld er komt? Volgend jaar wellicht een crowdfunding.” (Dordt Eigen-Aardig in AD 25 sept. 2019)

Huizen van ontucht

1758:

5 okt. 1758: “Gedelibereert zijnde op de Propositie van den Heer Hoofd officier mr. Gerard van Haerlem [aangaande] … ’t slegt gedrag van zekeren …. [sic] Schieva en desselfs huijsvrouw, mitsgaders derzelver wijse van bestaan en kostwinninge als zig geneerende met openbaar Hoerhuijs te houden, en daar door veele Luijden te debaucheren”, heeft het Gerecht van Dordrecht besloten de stadhouder van de schout op te dragen zich te begeven naar het huis van Schieva en hem, zijn vrouw en allen die zich daar bevinden aan te zeggen, dat zij allen de stad Dordrecht en haar jurisdictie binnen drie maal 24 uur moeten verlaten, en dat zij anders bestrafd zullen worden op zodanige wijze als het Gerecht zal menen te behoren. (ORA Dordrecht inv. 18)

[Trouwboek Gerecht/NG Dordrecht 16 okt. 1755: Willem Schieva jongman hebbende schriftelijk consent van zijn moeder Geertruij Kelderman weduwe van Jan Jansz. Schieva en Ariaantje Lemkus jonge dochter wonende even buiten Dordrecht beiden van Dordrecht geassisteerd met haar moeder Geertruij van Buuren weduwe van Jacobus Lemkus, getrouwd 2 nov. 1755]

1890:

De Burgemeester en Wethouders van Dordrecht doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den 19den April 1890, is vastgesteld de volgende Verordening:

Politie-Verordening voor Dordrecht: (…)

Hoofdstuk VII. Huizen van Ontucht.

Artikel 91.

Huizen van ontucht zijn alle verblijven, waar gelegenheid wordt gegeven tot het plegen van ontucht. Alle vrouwen welke, hetzij op zichzelve, hetzij gezamenlijk met anderen, van de prostitutie haar beroep maken of zich daaraan overgeven, zijn publieke vrouwen.

Artikel 92.

Het is verboden, zonder schriftelijke vergunning van den Burgemeester, eenig huis van ontucht te houden, op te richten of te verplaatsen.

Artikel 93.

Deze vergunning, welke ten allen tijde kan ingetrokken worden, zal slechts geldig zijn voor den persoon, die haar bekomen heeft en voor het huis, daarbij bepaald.

Artikel 94.

De houders of houdsters van huizen van ontucht zullen voorzien moeten zijn van een boek of register, waarin door den Commissaris van Politie worden ingeschreven de namen van alle in het huis inwonende vrouwen; zij zullen dit steeds voorhanden moeten hebben en, op de eerste aanvraag, aan de Politiebeambten vertoonen.

Artikel 95.

Elk houder of houdster van een huis van ontucht zal, wanneer eene publieke vrouw bij hem of haar komt inwonen of uit zijne of hare woning vertrekt, binnen 24 uren, daarvan aangifte bij den Commissaris van Politie moeten doen. Bij het doen dezer aangifte, zal men verplicht zijn mede te brengen het boek of register, vermeld in artikel 94.

Artikel 96.

Elke publieke vrouw zal verplicht zijn, zich als zoodanig te doen inschrijven op het Commissariaat van Politie, in een daartoe bestemd register. Bij haare inschrijving zal zij overleggen hare geboorte-akte.

Artikel 97.

Elke publieke vrouw is verplicht, van elke verandering van woning kennis te geven aan den Commissaris van Politie, op den dag, dat de verandering geschiedt.

Artikel 98.

Het is aan publieke vrouwen verboden, zich op onbetamelijke wijze in het openbaar te vertoonen of voorbijgangers aan te houden of aan te spreken of door woorden of gebaren aan te lokken, of zich anders dan behoorlijk gekleed binnenshuis aan de voorbijgangers te vertoonen.

Artikel 99.

De met syphilis of welke andere besmettelijke ziekte ook aangedane publieke vrouw, en ook de houder of houdster van het huis van ontucht, waarin zij woont, zijn verplicht, daarvan onmiddellijk na de ontdekking aangifte bij den Commissaris van Politie te doen.

Artikel 100.

De houder of houdster van een huis van ontucht mag eene met syphilis of andere besmettelijke ziekte van dien aard aangedane publieke vrouw niet in zijn of haar huis laten verblijven.

Artikel 101.

De Commissaris van Politie is bevoegd, ten allen tijde een onderzoek door eenen deskundige te doen instellen, omtrent den gezondheidstoestand eener publieke vrouw; zij mag dit geneeskundig onderzoek niet weigeren. Indien de publieke vrouw niet verschijnt ter plaatse, waar bedoeld onderzoek moet plaats hebben, wordt zij geacht dat onderzoek te hebben geweigerd.

Artikel 102.

Elke overtreding van een der bepalingen van dit Hoofdstuk wordt gestraft: die van de artikelen [94 t/m 97] en 101 met een geldboete van ten hoogstef. 10, – , die van de artikelen 92 en 98-100 met eene geldboete van ten hoogste f. 25, -.

[Als Dordrecht ooit aleen “red light district” heeft gehad, dan is dat zeker de Riedijk geweest.Reeds in 1637 deden bewoners van de Riedijk hun beklag over de overlast, die zij ondervonden van de”oneerlijke” herbergen, die in hun straat waren gevestigd. * In het midden van de negentiende eeuw was het pand Riedijk C:318 een huis van ontucht, waar, zo blijkt uit hetBevolkingsregister van 1850-1860,een hele reeks vrouwenwoonden, diein de twintig of vóór in de dertig waren en van wie een aantal geregistreerd stonden als publieke vrouw.De hoofdbewoner van Riedijk C:318 was sinds juli 1856 de tapper Willem Sikkens. (BR Dordrecht 1850-1860, deel 7, blad 411 en 412)

* RAD archief 27, inv. 5, acta NG kerkenraad Dordrecht dd 7 dec. 1637: “Sr. Swanenburch heeft aengedient hoe dat de bueren aenden Riedijk seer clagen over de groote onordentelijck[heid] dwelcke gehouden wordt in meest alle de herberghen aldaer staende, soo dat nauwelijcks ergens een eerlijck man logeeren can, alsoo het meest alle oneerlijcke huijsen geworden sijn. D. Wassenburgius heeft aengenomen de Heer officier hier van aen te spreecken.” ]

Jaarmarkt

13 juni 1689: “Op t’versoeck van seecker persoon, omme geduerende dese jaermarct eenige marionettes, ende andere aardigheden te vertonen, is goetgevonden tot beneficiering van de voorsz. marct ende meer andere consideratien hem t’selve toe te staen ende te accorderen”. (ORA Dordrecht inv. 14, f. 72)

Jenning van Tijenen

Stadsarchief Dordrecht nr. 1, inv. 461 (thesauriersrekeing van de reparatie 1544), f. 20: “Jennij van Thienen voir vier frijzen bij hem gesneden inde raemte vant secreet ende vertreck vant nieuwe stadthuijs dairover hij gewrocht heeft XIX dagen hem tzaemen betaelt” 21 schellingen Vlaams.

ORA Dordrecht inv. 1553, akte 187: op 15 nov. 1553 verklaren op verzoek van Cornelis van Alblas Adriaensz. [doorgehaald is “Jenning van Tijenen”] Willem Jansz. de Vries, Jan Maessen en Aert Wenssen, dat zij ongeveer zes weken tevoren met andere broeders van de Heilige Grafsteen ontboden zijn geweest om te komen naar de kapel “ende aldaer te besien ende op te nemen seecker werck dat … Jenning aldaer gemaect hadde”, waarop zij, deposanten, met acht of negen andere broeders het werk bezichtigd hebben, “naer welcke besichtinge … Jenning zijne clachte aen henluijden gedaen heeft hoe dat hij int aennemen van tvoirs. werck te veel luttel bedongen hadde ende dat tselve werck te zwaer gevallen was zulcx dat hij tselfde werck om sulcken prijse nijet en mochte maecken. Gehoirt welcke clachte hebben zij mette … anderen onderlinge communicatie gehouden ende considerende het zwaer werck dat … Jenning gemaect hadde hebben onderlinge … Jenning wat meer willen toevougen … zulcx dat zijluijden gesamenderhant geresolveert zijndatmen … Jenning boeven zijn bedingt loen noch zoude geven ende betaelen zoe veel meer hij twerck volmaeckt hadde ende dat hij de pilaeren buijten staende binnen brengen zoude de somme van hondert karolus guldens daertoe zijluijden geordonneert hebben twee [sic] vande deeckens te weten Cornelis Willemsz. Stercke, Evert Gerritsz. ende Aert Wenssen die … Jenning hun resolutie ende oevercoemste verclaeren zoude. Twelck gedaen sijnde hebben onderlinge woerden gehadt [wanneer men] dvoirs. penningen zoude funeren daer op … Evert Gerritsz. ter stont zeijde dat hij te vreden was de voirs. penningen te betaelen mits datmen hem een rentbrief op des voirs. gilde ofte capelle goeden zoude oeverdraegen daermede zij luijden onderlinge te vreden waeren. Verclaerende voirts zij deposanten dat zij consenteren de voirs. hondert kar[olusgulden] als twerck voldaen is mits dat hij de pilaeren van bijn beschien zal als hij dambochtsheer ende Willem Jansz. gewesen heeft.”

Kindermoord

“Er is vandaag de dag heel wat kritiek op de moderne rechters. ,,Ze straffen te licht, geven al dan niet tbs, laten gestraften te vroeg vrij. Nee, vroeger werd er gewoon goed en streng gestraft zonder die onzin van strafvermindering en verzachtende omstandigheden.”
Wie dat meent, vergist zich. Dat wijst een zaak uit 1745 uit over een van de ergste misdaden die iemand kan plegen: een moeder had haar kind vermoord. En sociale controle was ook ver te zoeken. Oplettende buren hadden het misschien kunnen voorkomen. In het stadsarchief liggen delen van het proces-verbaal.

Elisabeth Kerkstroo woonde met haar gezin in de Gevulde Gracht, een armoedig, inmiddels verdwenen straatje tussen Vriesestraat en Kolfstraat. Zij was rond 1740 getrouwd met de raffinadeursknecht Jan Slootman. Elisabeth was een vreemde volgens haar buren. Ze praatte in zichzelf. Volgens buurvrouw Hermina van Ooyen sloeg zij vaak wartaal uit, maar minuten later was zij volkomen helder. Dan leek het alsof er met haar niets aan de hand was.

Tegen iedereen vertelde Elisabeth dat zij liever dood was. Zij ging zelfs naar de beul om te vragen haar te doden. Volgens de buurvrouwen was zij ‘een seer onagtsaem mensch dat nergens agt op sloeg’. Zij bekommerde zich niet om haar kinderen.

Eigenlijk zou Elisabeth opgesloten moeten worden of op zijn minst deskundige hulp moeten krijgen. Maar in de 18de eeuw waren er voor dit soort (geesteszieke?) mensen geen hulpverlenende instanties. En het enige dat de buurvrouwen deden, was roddelen over hun gekke straatgenote die volgens hen ‘seer getroubleerd in haer harsenen’ was.

Elisabeth werd tijdelijk opgesloten in een cel bovenin het stadhuis.

Elisabeth werd tijdelijk opgesloten in een cel bovenin het stadhuis. © Bouman Jaap

Met Elisabeth ging het steeds verder bergafwaarts. Buurvrouw Gretie van Hoogendonk werd op een ochtend geroepen door het oudste kind van Elisabeth, dat huilend om hulp vroeg. Gretie ging met haar mee. In huis trof ze de moeder aan, met een touw om haar nek geknoopt. Blijkbaar wilde Elisabeth zich van het leven beroven. Toen Gretie probeerde het touw los te krijgen ontstak Elisabeth in razernij. Met grote moeite lukte het de strop weg te halen. ’s Middags liep Elisabeth in de stad rond alsof er niets was gebeurd.

Na die wanhoopsdaad, die tegenwoordig door psychiaters ongetwijfeld uitgelegd zou worden als ‘een schreeuw om aandacht’, raakte Elisabeth nog meer bezeten van de dood. Zij dacht allerlei opdrachten van boven te krijgen. Het tragische was dat zij ook besefte dat zij krankzinnig was. Tegen buurvrouw Jannetje Stout, de enige vrouw met wie zij nog een beetje contact had, bekende zij dat zij zo graag een normaal mens zou willen zijn, ‘sonder al die dwaasheit in haere hooft’.

In februari 1745 later pakte Elisabeth Kerkstroo haar drie maanden oude baby op, liep naar achteren, duwde het kind in een ton en wachtte tot het verdronken was. Daarna riep ze haar dochter van 12 om het lijkje te laten zien en vervolgens een buurvrouw, die de politie liet komen. Later zou Elisabeth verklaren dat zij niet gevlucht was omdat haar oudste dochtertje zo huilde en haar man niet thuis was om het kind te troosten.

Johan van Beverwijck (1594-1647), verlicht arts. Hij schreef over de 'siekte des hoofts'.

Johan van Beverwijck (1594-1647), verlicht arts. Hij schreef over de ‘siekte des hoofts’. © Regionaal Archief Dordrecht

Elisabeth werd opgesloten in het stadhuis. De zaak was overduidelijk: Elisabeth had de moord bekend en de getuigenverklaringen spraken voor zich. Op moord stond de doodstraf. Elisabeth was opgelucht en hoopte ‘dat de menschen haer dood zouden doen’. Maar de man die het proces-verbaal schreef, waarschijnlijk de schout, een combinatie van politiecommissaris en officier van justitie, raadpleegde allerlei boeken, onder andere het toen honderd jaar oude Schets der Gesonheyd van Johan van Beverwijck. Deze voor zijn tijd briljante Dordtse arts beschreef in dat boek de ‘siekte des hoofts’. Iemand die zo handelde kon volgens Van Beverwijck niet voor de daden verantwoordelijk gesteld worden. Ook de Bijbel is barmhartig voor geesteszieken. Het proces-verbaal staat bol van de Bijbelteksten die betrekking kunnen hebben op het misdrijf.

De schout kwam tot de conclusie dat Elisabeth op het moment van de misdaad volkomen ontoerekeningsvatbaar was, om eens een misbruikte moderne kreet te gebruiken. Hoewel ze zelf opgehangen wilde worden, ontsloeg de schout haar van rechtsvervolging. Letterlijk schreef hij ‘dat haer uytsinnigheyd haer welexcuseert van straffe’.

Maar Elisabeth werd niet vrijgelaten. Niet om gestraft te worden: ‘Geensins tot straffe maer om daerdoor te verhoeden dat sij haer selfs of andere geen onheijl meer toebrenge’. Zij kreeg met andere woorden levenslange ter beschikkingstelling van de regering en werd opgesloten in het Leprooshuis aan de Vriesestraat, waar zij vermoedelijk op 8 april 1758 overleed.”

(Jaap Bouman, Dordt Eigen-Aardig, AD 13 juni 2018)

30 sept. 1741: Victor Johan Slootman van Nardinker in Pruisen wordt op attestatie lidmaat van de Lutherse kerk in Dordrecht (DTB Dordrecht nr. 76)

23 mrt. 1742: Vigter Jan Slootman en Elisabeth Kerkstroom late dopen (Luthers Dordrecht) een dochter Elisabeth (getuigen: Gerrit Slootman en Elisabeth Glamblug)

Kijck over den Dijck

17 mrt. 1637: op verzoek van de pachters [van het gemaal] van wege de Staten van Holland over de stad Dordrecht en de drie omliggende eilanden, tevens pachters van de accijns van stadswege over Dordrecht, leggen Jan Cornelisz., 59 jaar oud,”opsiender” van de rekwiranten op het huisje, staande omtrent de molen “Kijck over den Dijck” in de heerlijkheid van de Merwede en Sijmon Pauwelsz. van Granaden, deurwaarder van de gemene middelen, een verklaring af. Jan Cornelisz. verklaart, dat op 12 mrt. 1637 Pieter Pietersz. Viffue, een van de molenaars op de “Kijck over den Dijck”, met zijn wagen is komen rijden voor het huisje, waar hij, getuige, “zijne sitplaets is houdende”, dat Viffue vervolgens bij hem twee zakken roggemeel, bestemd voor Henrick Jansz. Bodt, bakker te Dordrecht, heeft aangegeven, welke hij, Jan Cornelisz., in het register, dat hij voor de pachters van het gemaal bijhoudt, heeft ingeschreven en dat Viffue daarna de stad is ingereden. Beide deposanten verklaren samen, dat zij diezelfde dag met een van de rekwiranten naar genoemde molen zijn gegaan en daar een aantal zakken rogge, roggemeel, tarwe en tarwemeel hebben aangetroffen, die volgens verklaring van Jan Vermont, eveneens molenaar op de “Kijck over den Dijck”, toebehoorden aan de bakkers Henrick Gerritsz., Henrick Jansz. Bodt en Cornelis Schoormans. (ORA Dordrecht inv. 908)

Latijnse School

1585: “Die rector mette drie meesters inden Latijnschen scholen hebben tsamen jaerl. over heurl. sallaris vande kinderen te leeren de somme van sesshondert ponden van XL grooten Vlaems tpondt, daeromme hijer over een jaar wedden, henluijden verschenen den eersten Aprilis Julij Octob. [1585] ende Januarij [1586] bij vier quitantien diemen hijer overlevert inhoudende samen … [100 Vlaamse ponden]”.

(Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2607 [thesauriersrekening Dordrecht 1585], f. 86)

1587: de stad Dordrecht betaalt aan de schoolverzorgers van de Latijnse School 40 ponden 10 schellingen van 40 groten het pond over de betaling van 509 ponden 1 sch., door de regeerders van Dordrecht “te coste geleyt ende verrepareert aende voorsz. Schole”. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3 inv. 2961 [rekening thesaurier van de reparaties], f. 48)

1594: door het stadsbestuur aan Henrick Gheij betaalt 550 ponden 9 schellingen van 40 groten het pond “over de voldoeninge van diversche teercosten tsijnen huijse gedaen”, w.o. 59 p. 5 sch., welke door twee gecommitteerden van de stad Amsterdam zijn verteerd, “ende hier gecomen waren omme den Conrector van dese stadslatijnsche schole [mr. Cornelis de Reeckenaar] tot haeren rector te versoecken den XVII tot den XXen augustij die bij mijne heeren sijn vergeselschapt gewerden ende gedefroijeert”.

(Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2616 [thesauriersrekening Dordrecht 1594], f. 72)

1595: “Mijne heeren de regeerders deser Stede hebben tot onderhout vande schole geaccordeert de meesters vandijen betaelt te werden derthien hondert tweendartich ponden te XL grootendaervuijt… over een Jaer weddens betaelt wort”:

dr. Franchoijs Nantius, prof. van de Griekse taal 300 ponden

Adrianus Marcellus rector 300 ponden

mr. Cornelis de Reeckenaer conrector 250 ponden

de derde latijnse meester 153 ponden 6 sch. 8 d.

de eerste “duijtschen” meester [leraar Nederlands]150 ponden 6 sch. 8 d.

de tweede “duijtschen” meester 103 6 sch. 8 d

en de meester, die de kinderen komt leren schrijven 30 ponden

de voorn. schrijfmeester en de dienaar van de schoolverzorgers nog 42 ponden jaarlijks als supplement van hun wedde volgens besluit van het stadsbestuur dd 10 juni 1595, maakt samen over een jaar wedde, vervallen ultima decemb. 1595, 1332 ponden.

Aangezien echter Dr. Nantius overleden is in juli 1595 en hem niet meer betaald is dan een half jaar wedde, “met oock Cornelius de Reeckenaer die den eersten octob. van hier vertrocken is naer Amstelredamme ende aldaer tot rector gestelt is, dan de negen maendenende de schrijffmeester metten dienaer vande schoolversorgers, de ses maenden verloops vande voorsz. [42 ponden] tisiaers vervallen ultima decemb. [1595] coomt hier alleenlijk volgende de drie quitantiën van Dr. Johan Berck pensionaris ende secretaris deser Stede diemen overlevert de somme van 1098 p. 10 sch.”

Het stadsbestuur heeft sedertdien besloten prof. Nantius nog een 1/4 deel uit te betalen van zijn wedde over het jaar, waarin hij overleden is, ingaande 1 juli 1595 ,t.w. 75 ponden, waarvan kwitantie van zijn zoon Franchoijs Nans, doctor in de medicijnen.

(Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2616 [thesauriersrekening Dordrecht 1595], f. 103 e.v.)

Lodewijk XIV, koning van Frankrijk

5 mrt. 1686: gelezen zijnde zekere missive van de Staten van Holland, geschreven te Den Haag op 28 febr. 1686, hebbende als bijlage een resolutie van de Staten van Holland dd 28 febr. 1686, “verbiedende het snijden maken drucken vercoopen ende debiteren van alderlij soorten van figuren ende beeltenissen oock van rijmen ende versen off andere geschriften die dienen tot vilependie ende smaetheijt van Sijne maijestijt van Vranckerrijck ende dat deselve figuren ende beeltenisse mitsgaders versen ende geschriften voor soo veel die gemaeckt soude mogen sijn te doen ophalen ende de platen vande selve figuren ende beeltenissen te doen verbreecken mitsgaderstegens de autheuren druckers distributeurs, ende vercoopers vandien te procederen volgens de placaten daertegens geemaneert”, heeft het Gerecht van Dordrecht besloten, dat genoemde missive en resolutie zullen worden gesteld in handen van de schout te Dordrecht “omme sich na den inhouden van dien te reguleren ende de contraventeurs na behoren te calangeren”. (ORA Dordrecht inv. 14, f. 4 e.v.)

Munters

ONA Dordrecht inv. 177, f. 309: op 19 sept. 1655 verklaren Laurens van Duijnen, provoost van de Munt van Holland te Dordrecht, en Johannes Bastiaensz. van Houwelingen en Staes Geeritsz. van Wageningen, gezworen munters, allen burgers van Dordrecht, op verzoek van de gezellen van de Munt van Zeeland, dat allen gezellen van de Munt in Dordrecht, vrijdom genieten van de navolgende imposten en accijnzen, t.w. van de impost van het gemaal, van de bieren en wijnen en van het bestiaal, zowel van wege de stad als van de Staten, en voorts nog van de impost van boter, zout en zeep en wat er nog zoude mogen zijn, alsmede vrijstelling hebben van tocht en wacht,

Nieuwjaarsbriefje

26 jan. 1584: verklaring op verzoek van Jacob Jansz. alias Robosch schoolmeester, door Jan Lambertsz. bierdrager, 50 jaar oud. Hij verklaart, dat op Nieuwjaarsavond laatstleden hij, “hebbende de wachte voor [als] eenen schutter op [het] Stadthuijs deser stede, de ronde gedaen heeft gehadt met Henrick Reijersz. ontrent tusschen XII ende een ure inden nacht ende dat hij comende ontrent den huijse vande Bouck hij deposant gesijen heeft datter drie jongens die Nieuwe Brugge op geloopen zijn ende hij deposant comende met zijnen voorsz. medegesel bij t Steechoversloot alwaer haer ontmoetende een ander ronde heeft hij deposant daertegens geseijt daer ontrent de Nieubrugge es wanraet, ende deselve ronde zulcx met henlieden wederom keerende ende comende ontrent de Nieubrugge voorsz. ende hij deposant zijende dat de voorsz. drie jongens comende loopen vande voorsz. brugge int Willem Oskenstraetgen es hij deposant met … dandere bij hem zijnde dzelve al lopende gevolcht ende zijlieden dzelve achterhalende ende twee vandien vindende ontrent de Weeskinderspoorte aldaer ende henlieden vraegende was soe laete op de straete te doe hadden hebben geantwoort dat zij met eenen lijmpot hadde geweest vvt schilderen, ende hij deposant met zijne medegesellen bemerckende aende spraecke dat het geen borgerssoonen en waeren ende dat sij een halve bloote cortelas sonder scheijde bij hen hadden heeft hij deposant dzelve cortelas henluijden affgenomen ende met zijne medegesellen dzelve twee jongens op t stadhuijs gebracht ende die gelevert [aan] Dirck Moelen als commissie hebbende vande deecken”. Compareert mede Dirck Moelen Fransz., 35 jaar oud, die verklaart, dat hij in diezelfde nachtwachtdienst heeft gehadop het stadhuis en dat bij hem tussen 12 en 1 uur door degenen, die de ronde gelopen hadden, zijn afgeleverd twee jongens, “de welcke hij deposant ondervraegende wat zij soe spaede op de strate te doen hadden heeftden outsten van henlieden geantwoort dat hij ontrent de Nieubrugge een nieuwe jaersbrijeffken hadde wesen op de deure plecken ende hij deposant alsdoen dzelve vraegende waer zijlieden woonden, daerop zijlieden antwoordende ontrent de veste aende Linbaen heeft hij deposant henlieden met een officier ofte lantarendraeger naer huijs toe gebracht ende zijlieden comende ontrent de voorsz. brugge heeft den outsten jongesel hem tvoorsz. belget [biljet] gewesen verclaerende voorts dat als hij met dzelve in huijs zijnde ende hij de dochter die de deure open gedaen hadde vraegende off zij die jongeluijden wel kende zij geantwoort [heeft] Jae het zij mijn broeders ende hij deposant alsdan wederom comende end sijende tvoorsz. nieuwe jaers brijeffken heeft tzelve affgetogen waer van het inhout was Deze meestersse is quaet van gronde want zij heeft een fenijnige tonge sij spreeckt quaet eer zij quaet sijet al swijcht sij stille sij en misdede nijet maer zij es van zulcke natuijre dat zij altijts haeren clegel moet rueren. Welck brijeffken hij deposant ontrent V of VI daegen daer naer in een geselschap thoonende bij Aert Claesz. goutsmit vvt zijn hand genomen int vuijr geworpen es geweest”. (ORA Dordrecht inv. 715, f. 150 e.v.)

Nieuwkerk

19 mrt. 1681: compareert voor notaris G. de With te Dordrecht Alexander de Hooch, veertigraad van Dordrecht, “als waerachtighe patroon van sekere vicarije ofte prebende op Ste. Catharinen autaer in de Nieuwe Kercke deser stede, daer dat heijlighdom van heer Daniël van de Merwede op te staen plach, eerst aengeleijt bij wijlen Jan Jacobsz. ter begeerte van sijnen broeder wijlen Herbaren Jacobsz. inden jare 1407 ende naderhant voltrocken ende volcomelijck gefundeerd bij Arent Beuckelaer priester ende Canonick inden Dom tot Utrecht, Hugo Willem Louissoon, voor haer selven, ende Henrick Snouck ende Claes Schrijver, als momboirs ende voochden over Barthout Louis, mondige en onmondige kinderen ende oiren vande voorn. Jan Jacobsz., volgens de brieven daer van sijnde, in date den xii Novemb. [1480]”, en verklaart, dat hij de vicarie, aangezien die door het overlijden van Jan Claesz. Eijck vacant is geworden, overgedragen heeft aan Adriaen Dircxsz. Koninghshoff. (ONA Dordrecht inv. 242, f. 40 e.v.)

NSB

Aantal stemmen uitgebracht op de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB) in Dordrecht:

Dordrecht Landelijk

1935 (Provinciale Staten) 1839 (6,7 %) 7,9 %

1937(Tweede Kamer) 1026 (3,4 %) 4,2 %

1939(Provinciale Staten) 787 (2,6 %) 3,9 %

(Drs. C. Weltevrede, De opkomst van het fascisme en nationaal-socialisme in Dordrecht 1932-1935 [doctoraal scriptie, Dordrecht z.j.])

De WA marscheert over de Visbrug naar hun vergaderlokaal aan de Groenmarkt (1941; foto: Erfgoedcentrum DiEP)

Oudraad.

De Oudraad van Dordrecht werd ingesteld op 18 april 1467.Dit college bestonduit alle regeringspersonen, dienende en oude (behalve de Veertigen) en regelde het algemene bestuur van de stad, zoveel als een vroedschap, een naam die in Dordrecht echter zeer zelden gebruikt werd. (J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, deel I, p. 162-163)

Pest in Dordrecht.

Jaren, waarin de pest in Dordrecht heerste.

1450

1452

1458

1469

1482

1484

1509

1530

1564

1574-1575

1579

1584

1587

1599

1600

1602-1604

[Mogelijk in verband met deze epidemie is de volgende verklaring afgelegd:

19 nov. 1602: Pieter Cornelisz., ongeveer 50 jaar oud en Jacob Willemsz. Keijser, 36 jaar oud, beiden schrijnwerkers te Dordrecht, verklaren op verzoek van de pachters van het gemaal te Dordrecht, dat zij in de voorgaande zomer [d.w.z. de zomer van 1602]geweest zijn boekhouders “vande kisten daer de dooden inne begraven zijn”, dat zij toen opgetekend hebben hoeveelmensen er in die zomer overleden zijn en dat naar hun schatting “binnen den voorsz. tijt wel ontrent drije en twintich hondert menschen soo jonge als oude gestorven ende begraven sijn, eer meer als minder, behalven de gene die buijten haere weeten bij nachte ende sonder kiste begraven sijn.” (ORA Dordrecht inv. 898, geen folionrs.)]

1618

1623

163[6]-1637

[“In Leiden brak in 1635 de pest uit en hoewel andere steden maatregelen namen om de pest buiten de poorten te houden, verspreidde de ziekte zich snel door het gewest Holland … Dordrecht bleef … niet verschoond van de ‘haastige ziekte’, want die werd in juli 1636 op Dordtse bodem vastgesteld. In enkele maanden stierven er duizenden personen aan de pest. De pesthuizen en het leprooshuis hadden een onvoldoende capaciteit om de zieken, die opgenomen moesten worden, te herbergen. Het stadsbestuur liet daarom buiten de Sint-Jorispoort een loods bouwen om de ziekenzorg enigszins te kunnen waarborgen. … In juni 1637 was de pest uit Dordrecht verdwenen. Nog een drietal malen zou de stad door de pest worden bezocht, maar de epidemie van 1664 bleek de laatste.” (Frijhoff, o.c.) Er stierven in deze periode tussen de 3533 en 4131 inwoners aan de pest, dat isongeveer 20 % van de totale Dordtse bevolking. (M. de Jongh, De roede der pestilentie. Dordrecht en de pestuitbraak van1636-1637, in:Oud-Dordrecht sept. 2012, p. 120)

ORA Dordrecht inv. 10, f. 162 e.v.: op 6 sept. 1636 wordt door het Gerecht van Dordrecht “geordonneert publicatie gedaen te werden van de honden van de strate te houden”.

[“Nogal wat beesten [duiven, katten, konijnen, varkens etc.] werden ervan verdacht de pest te verspreiden en allerlei maatregelen konden hen dientengevolge treffen … Maar het waren vooral onze trouwe viervoeters, die tijdens epidemieën ware hondsdagen beleefden.”[Meestal kregen hondenbezittersdan het verbod om hun honden op straat te laten gaan, waarbij het stadsbestuur aan een hondenslager opdracht kon geven om honden, die toch op straat liepen, af te maken.] (L. Noordegraaf en G. Valk, De Gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middeleeuwen. (Bergen, 1988), p. 173 e.v.)]

Item geene dode lighaemen langer als tweemael vierentwintig uuren boven der aerden te houden op poene van vijfftich gls. voor den armen.

Item geene lijckhuijsen met laeckenen te behangen op poene van hondert gls. ende verbeurte van het laecken, te weten de boete voor den armen, ende een derde van het laecken voor ’s Heeren Dienaers, ende ’t vordere vandien mede voor den armen.

[Dit verbod kwam waarschijnlijk voort uit de vrees, datop diedoeken zichpestvlooien zouden zetten, die voor een verdere verspreiding van de ziekte zouden zorgen. (ABdH)]

Ten selven daage de Bamismerckt voor den jegenwoordige jaere verlengt, ende geschort, veerthien daegen, ende daer van billetten geordonneert uijtgesonden te werden.”

ORA Dordrecht inv. 10, f. 164v e.v.: op 7 okt. 1636 wordt door het Gerecht van Dordrecht besloten, “dat de costen die gelegt sal werden aen de lootsen gestelt werdende op het Bolwerck buiten de St. Joris Poorte tot commoditeijt van de siecken van de peste niet connende logeren inde Pesthuijsen, mitsgrs. ’t gene meerder tot de voors. saecke sal werden aengelegt, sal gedraegen werden bij ’t Hijlig Geesthuijs, so verre het innecomen van het voors. Godshuijs sal connen streckken, ende ’t cort gedragen werden bij de Stad, des en sal niemand in de voors. lootse ontfangen werden, als de genen, die binnen de huijsen niet en connen werden ondergebracht”.

ORA Dordrecht inv. 10, f. 165 e.v.: op 7 okt. 1636 wordt door het stadsbestuur van Dordrecht besloten, dat “Burgemeester ende Gecommitteerde ten Beleijde deser Stede saecken sullen benoemen een meerder getal van extraordinaris cellebroeders , omme de lijcke uijtte huijsen op de bare te stellen, ende dat voortaen geduurende den jegenwoordige tijd van de sterfte niemand anders als de voors. cellebroers daer toe sullen werden geadmitteert, dat mede sullen overleggen off den voors. extraordinaris cellebroeders haar niet en sal connen gevonden werden tot laste van de sterfhuijsen, ende hoe’t selvige te innen”. Op de zelfde dag wordt door het Gerecht bevolen “publicatie gedaen te werden, dat niemand voortaen ter begraeffenisse sal komen, als met korte mantels, als alleen d’ouders, kinderen, oomen, broeders, ende derselver kinderen, ofte andere erfgenamen van de overleden[en], op een boete ses Car. gl., d’eene helfte voor den huijsarmen, ende d’andere helfte voor ’s Heeren Dienaars, die de bekeuringe sullen doen … [en] mede,dat van nu voortaen geen cleen ’t sij eijgene geheurden ofte van gilden over de kisten van de doode en sullen werden geleijt, die uijt de lijckhuijsen sullen werden gebracht, nemaar deselve buijtenshuijs daar op werden gelegt op de verbeurte van’t cleet, ende een boete van ses Car. gls., t’appliceren als vooren”.

1655-1657

1664-1665

ORA Dordrecht inv. 12, f. 13: “Opten [vier]den Septemb. 1664 het Gerechte Collegialiter vergadert sijnde, is goetgevonden ende geresolveert dat oft gebeurde, dat iemant vande Bierdragers, Sackedragers, Boomsluijters ofte andere Officieren deser Stede, met de contagieuse sieckte der peste soude mogen werden besocht, in sulcken gevalle bij desen t’ ordonneren ende te gelasten, den selve resp. confraters in offitie, de plaetse voor soodanige besmette persoonen waer te nemen ende te bedienen den tijt van ses weecken. Is voorders bijden Gerechte voornt. geresolveert dat de respective Doctoren ende Chirurgijns mitsgaders Pestmeesters binnen desen voors. Stede, soo wanneer de selve ofte ijder vandien, in eenige huijsen soude mogen werden versocht, omme aldaer eenige siecken te visiteren, ende dat de selve alsdan soude mogen bevinden, de selve siecken met de peste besmet te sijn, zijluijden in sulcken cas bij desen t’ injungeren, de voors. huijsen waer inne soodanige siecken zijn, aenstonts te sluijten ende aende mindere Officieren sulcx bekent te maecken, ten eijnde mijn heeren van den Gerechte voornt., daerdoor kennisse souden mogen becomen wat huijsen met de voorn. contagieuse sieckte soude mogen werden besocht. Van alle t’ welcke voors. staet, kennisse sall werden gegeven aende bovengemelte respective personen door een Camerbewaerder, op dat de selve haer naer den innehoude deser punctuelijck ijder in sijn reguart souden connen reguleren ende gedragen”.

Pestmeester (foto: Erwin Olaf). “[De pestmeesters] droegen, evenals pestdragers, een rode stok en ook wel speciale kleding, die ze na hun werk op een aparte plaats moesten opbergen. De bekende ‘snavel’ met kruiden zijn, zover ons bekend, in onze contreien nooit gedragen.” (Noordegraaf/Valk, o.c., p. 209)

ORA Dordrecht inv. 12, f. 21v e.v.: “Opten Xen November 1665 is op ’t geproponeerde vande heere Borgemeester bij mijn E: heeren vande Gerechte goetgevonden … dat de Schrobsters, ofte andere Luijden hen latende gebruijcken tot assistentie van de geenen die mette contagieuse sieckte der peste besocht werden, bij de Vrunden ofte Erffgenamen van de overledenen sullen onderhouden moeten werden, den tijt van ses achtereen volgende weecken, naer dat de laetste gestorven wesen sal, ende dat ter plaetsche dat die overleden is”.

(Bovengenoemde pest jaren zijn ontleend aan W. Frijhoff e.a. (red.), Geschiedenis van Dordrecht 1572 tot 1813 [Hilversum1998], p. 256 e.v.)

ORA Dordrecht inv. 726, f. 60v e.v., akte dd 5 juli 1568: op verzoek van Pieter van de Poel verklaart Marijcken van Suijlen, ongeveer 40 jaar oud, dat zij op zondag na Half Vasten is ontboden te huize van Anna Schouten, staande buiten de Vuilpoort, “omme aldaer als scrobster [schrobber of schrobster = iemand die pestlijders verzorgt en na hun overlijden zorgt voor het afleggen van de doden en het schoonmaken van het huis, waar de pestlijder is overleden; in dit geval misschien alleen gebruiktmet de betekenis”schoonmaakster”] te dienen inde beeste [?] inden zelffden huijse zijnde. Ende dat dinxdaechs daernae de twee kinderen vande voorn. Anna Schouten beijde sieck geworden sijn soedat sij deposante alle den nacht den voorsz. twee kinderen heeft moeten waecken overmits dat zij zeer zieck ende cranck te bedde laegen vande peste zoe dat sij deposante op sanderendaechs smorgens vuijten voorsz. huijse gegaen es opten houck vande Vriesestraet om ongepijnden honig om daermede de voorsz. kinderen te smaeijen. Ende weder thuijs gecomen sijnde heeft zij deposante beijde de voorn. kinderen doot gevonden de welcke haer aensaijt alle beijde bebloet waeren ende becrabbelt ende dat zij deposante de sellebroeders gehaelt hebbende omme de selve kinders te beschouwen heeft bevonden dat de voorsz. kinders swart, blau, paers ende andere coleuren hadden ende seer vuijtgeslegen waeren overmits tgroot vier ende dat het één kint de tonge heel swart was. Verclarende voorts sij deposante dat terwijlen sij vuijt gegaen was nijemant meer aldaer in huijs geweest en is dan den voorn. Pieter ende noch een kint dat mede sieck lach.”

Politieke Politie (1942-1943)

De NSB-agent Theodoor Reinhard Gerhard Lukassen werd in de loop van 1942 door de Aussenstelle Rottterdam belast met de oprichting van een politieke recherche, de Politieke Politie, kortweg PoPo. Lukassen vroeg hiervoor de opperwachtmeesters Johan Vink en Herman Geerard Feodor Wolsink, alsook Harry Evers. In januari 1943 nam Arie den Breejen de leiding over van Lukassen die door de Aussenstelle wegens wangedrag naar Schiedam werd overgeplaatst. “Hij leidt aan de Dordtse kant een van de grootste operaties, waarbij [Harry] Evers betrokken is geweest. Ze start op maandagmorgen 25 oktober 1943 en duurt tot dinsdagavond vroeg. Er nemen acht rechercheurs aan deel, [twee uit Den Haag, twee uit Leiden] …, en vier van de Dordtse PoPo, Den Breejer [sic], Wolsink, Vink en Evers. … Op het adres Vlak 7 bij de Nieuwe Haven zouden onderduikers zitten, maar het blijkt om maar één jongen te gaan, de achttienjarige Jaap Bachrach; de anderen hebben kort tevoren het huis verlaten. Kaptein [C.J. Kaptein, rechercheur van de Haagse Documentatiedienst], die de leiding heeft, neemt de bewoonster, Cornelia de Jong *, mee naar de zolder en vraagt haar daar naar het schuiladres van de ouders van de jongen. Hij wil ook weten wie als de contactpersoon van de onderduikers optreedt en wie haar aan bonkaarten heeft geholpen. De vrouw weigert in eerste instantie iets te zeggen, maar als hij haar bedreigt met de buis van een stofzuiger, noemtze naam van Hendrik den Engelsen, een stoker bij de plaatselijke gasfabriek: hij zou haar de bonkaarten hebben verschaft. Ze arresteren de man, die algauw bekent dat de opperwachtmeester Gijs van Bemmelen voor de bonkaarten zorgt. [Van Bemmelen wordt gearresteerd en naar het hoofdbureau gebracht.] …En dan verrichten de jodenjagers op grond van informatie die Kaptein uit de arrestanten slaat – “gezwollen gezichten, bloed in de mond”, vermeldt een proces-verbaal – de ene arrestatie na de andere. …In totaal pakten de jodenjagers in één etmaal eenendertig mensen op, van wie achttien Joden [o.w. de metaalhandelaar Jacob van Dam, de zesjarige Bennie Cohen, die ondergedoken zat bij de familieVan As aan de Vlietweg, de twaalfjarige Esther Velleman en André Lezer, 24 jaar oud.]” (Sytze van der Zee, Vogelvrij.De jacht op de joodse onderduiker (Amsterdam 2010), p. 213-218)

Harry Evers haalde samen met Den Breejen en Theo Lukassen vele joden op. “Plaatsgenoten die goederen in bewaring hadden genomen, werden gearresteerd en onder grote druk gezet om informatie over ondergedoken joden en joodse spullen te verschaffen. … Na de arrestatie keerden de agenten vaak terug naar de woningen waar ze joden hadden weggehaald. … Zo verklaarde de onderduikgeefster van de familie Braadbaart: “De dag volgende op de arrestatie kwamen Evers en Den Breejen weer in mijn woning en deelden mij mede, dat volgens de heer Braadbaart nog 2.500 gulden in mijn woning moest zijn en gingen tot huiszoeking over. Ik zag dat Den Breejen een herenhorloge met ketting en een dameshorloge wegnam en in zijn zak stak.” (Ad van Liempt, Jan H. Compagnie, Jodenjacht [Amsterdam 2011], p. 174-175)

* Bevolkingsregister Dordrecht 1918-1937 (1e serie):

Cornelia de Jong, geboren 1 okt. 1903 in Ridderkerk, godsdienst: geen, beroep: Rijkstelefoniste, woont sedert 19 okt. 1937 Vlak 7 rood, vorige adres: Lombardstraat 27a rood

Bevolkingsregister Dordrecht 1918-1937:

Henricus [Harry] Maria Evers, geboren 20 mei 1918 in Tilburg, godsdienst: RK, burgerlijke staat: ongehuwd, DSK47090, nationaliteit: Nederlands, beroep: agent van politie, adres: Prinsenstraat 10, opneming in het Bevolkingsregister: 24 aug. 1940, komende uit Breda (Vierwindenstraat 3), ouders wonen in Tilburg, aantekening: GD

Harry Evers

(Zie ook: Zie ook: A. van Liempt (red.), De jacht op het verzet. Het meedogenloze optreden van de Sicherheitsdienst en Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog [Amsterdam 2013], p. 117, 118, 125, 285; www.verzetinenomdordrecht.nl

Evers was ook betrokken bij de arrestatie op 18 april 1944 van verzetsman Sytze Roelof Beinema, sinds 1943 dictrictsleider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers, afdeling Dordrecht. Beinema werd op 11 aug. 1944 in kamp Vught gefusilleerd. (W. van Wijk, Dordrecht 40/45, Zwolle 2014, p. 89)

Bevolkingsregister Dordrecht 1918-1937 (1e serie):

Theodorus Reinhard Gerhard Lukassen, geboren 3 okt. 1898 in Elten (Duitsland), godsdienst; (RK doorgehaald) Mattheus 18 vers 20), beroep: agent van politie, woont vanaf6 sept. 1935 in de Boeroestraat nr. 40,gehuwd op 22 okt. 1925 in Zwijndrecht met Adriana Christina Landsmeer, geboren 29 febr. 1892 in Zwijndrecht

Burgerlijke Stand Zwijndrecht, huwelijksregister, akte 78, 22 okt. 1925: Theodor Reinhard Gerhard Lukkasen [sic], 27 jaar, agent van politie, geboren te Hüthum (Elten) in Duitsland, wonende te Dordrecht, zoon van Gerhard Lukkasen, manufacturier en Theodora Hendriksen, zonder beroep, beiden wonende te ‘s-Heerenberg en Adriana Christina Landsmeer, 33 jaar, zonder beroep, dochter van Paulus Landsmeer, broodbakker en Wilhelmina Hendrika Sjerp, zonder beroep, beiden wonende te Dordrecht. In margine: dit huwelijk door echtscheiding ontbonden bij vonnis van de Arondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage dd 21 dec. 1948, waarvan akte ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van Zwijndrecht op 25 febr. 1949.

Bevolkingsregister Dordrecht 1918-1937 (1e serie):

Johann Vink, geboren Rheine (Duitsland) 20 okt. 1895, godsdienst: (NH doorgehaald) Mattheus 18 vers 20, beroep:agent van politie 1e klasse, vestigtzich te Dordrecht op 11 juli 1919, komende uit Veenendaal, woont sedert 16 nov. 1938 aan de Weeskinderendijk nr. 37c,gehuwd op [22] jan. 1920 te Dordrecht met Aartje Gaasbeek, geboren13 juni 1894 in Ede, 4 kinderen.

Burgerlijke Stand Dordrecht, huwelijksregister, akte 19, 22 jan. 1922: Johann Vink, 24 jaar, agent van politie, geboren Stadt Rheine (D.), wonende te Dordrecht, zoon van Jan Vink, overledenen Christiana Lammers, zonder beroep, wonende te Veenendaal en Aartje Gaasbeek, 25 jaar, zonder beroep, geboren te Ede, wonende te Dordrecht, dochter van Hendrik Gaasbeek, grondwerker en Dirkje van der Poel, zonder beroep, beiden wonende te Veenendaal.

Pontiaanstoren

De St. Pontiaenstoren werd gebouwd in 1429 en afgebroken in 1647. In 1617 was er sprake van “den thooren opte Gaelderye achter de Grootekercxthooren”. De toren staat afgebeeld op de kaart van Braun en Hogenberg (ca. 1575). Zie foto hieronder (zwarte P).

Op 30 mei 2018 werden bij het herstel van de kademuur aan de Lange Geldersekade de resten van deze toren gevonden. Tot dan was weinig bekend over de toren.Archeoloog Marc Dorst: “We weten nu dat het gaat om een D-vormige toren van ongeveer zes meter lang”. (AD Drechtsteden 1 juni 2018; Van der stede muere (Jaarboek van de Vereniging Oud-Dordrecht 2000), p. 88)

Prostitutie

13 juni 1689: “Mijn Ed. heeren vanden Gerechte ten genoegen gebleecken sijnde dat Marija Jacobs en Catarina Wouters bijde woonende in d’Augustijne kamp haer met hoererije droncke drincken, ende andere ongeregeltheden dagelijcx misgrijpen, hebben goetgevonden haer t’ordonneren ende te gelasten … binnen den tijt van drijmael vier en twintigh uijren de Stad te ruijmen sonder daer uijt wederom in te comen op pene van swaerder straff”. (ORA Dordrecht inv. 14, f. 72)

Puttoxtoren

Op 29 juni 1581 compareren voor schepenen van Dordrecht Leenaert Willem Adriaensz., Cornelis Willemsz. Jongkindt, Lenaert Adriaensz., inwoners van Ridderkerk en Willem Jacobsz., wonende in Kijfhoek. Zij stellen zich borg voor Cornelis Willem Jacobsz. van Ridderkerk, gevangene op de Puttocxtoren te Dordrecht, voor een somma van 1000 gl., “volgende den appoinctemente van den Camere Juditiale der Stede van Dordrecht tusschen Johan Wensen baeliiu van Zuijthollant ende den voorsz. Cornelis Willem Jacobsz. gegeven opten XXII Junij anno 1581.” (ORA Dordrecht inv. 736, f. 203)

De Puttoxtoren, waarvan de oudste vermelding dateert van 1367, stond ten westen van de Boombrugbij het Groothoofd. Merkwaardig genoeg ontbreekt zij op de plattegrond van Dordrecht van Braun en Hogenberg (ca. 1575), maar staat wel op de kaarten van Van Deventer (1545/1558). De naam is ontleend aan Boudewijn Puttock, die in 1307 schepen van Dordrecht was. De toren diende in de zestiende eeuw als “Gijsel-huys”. In de gijzelkamers werden lieden opgesloten, die hun schulden niet konden betalen. In 1607 zou de toren “van ouderdom” zijn omgevallen, maar in 1616 wordt er nog melding gemaakt van twee woonhuizen, die in de voormalige Puttoxtoren werden gevestigd.Hetgaat hier misschien om het restant van dein verval geraaktetoren. (“Van der stede muere”, Jaarboek Oud-Dordrecht 2000, p. 77-78)

Schoolmeesters

26 nov. 1628 (resolutie van de Scholarchen te Dordrecht): “is Jan Hendrixsz. Schoolmeester die hier van Claeswael gekomen was, ende begonnen hadde, sonder voorweten vande HH Scho[o]versorgers, schoole te houde, verbot gedaen daer in te continueren, also men van die vande kerckenraet van Claeswael verstaen heeft, dat hij de jonge meiskens in presentie van andere kinderen oneerbaerlijck op verscheijden tijden hadde aengetast, ende oorsaeke gegeven hadde, dat d’ouders haer kindere te huijs hielden”. (Erfgoedcentrum DiEP, archief 98, inv. 1, f. 53)

Schrootambacht

Schrootambachten waren bedieningen, bestaande in het verwerken van koopmansgoederen uit de schepen op den wal of naar de kelders en pakhuizen der kooplieden. Daarbij werd gebruik gemaakt van een windas of kraan, die aan den Graaf toebehoorde. Deze stelde ook de personen aan, die met de bediening der kraan belast waren en den naam droegen van schrooders of schrootmeesters. De inkomsten, aan een schrootambacht of plaats verbonden, vormden een leen, dat door den vorst aan gunstelingen voor het leven werd geschonken, soms met bepaling van den opvolger. Het waren dus onversterfelijke leenen, maar in 1601 werden 12 van de 13 bestaande schrootambachten op verzoek der Dordtsche Regeering door de Staten van Holland van het leenverband ontheven, en veranderd in allodiale goederen. Hij die met een schrootambt begiftigd was, deed den arbeid niet zelf,

[p. 138]

maar liet dien tegen vast loon door een ander, knaap, later kraankind genoemd, verrichten (zie Van de Wall, Handv. blz. 47, 48 en 487).

Serment van de Munt van Holland

Samuel van Hoogstraten en Anthony Vreem, De leden van het Serment van de Munt van Holland te Dordrecht 1674/1679. Anthony Vreem heeft aan het schilderij van Van Hoogstraten in de bovenste rij een aantal portretten toegevoegd. Onderste rij van links naar rechts: Adriaen Braets (gezworene), Bartholomeus van der Mandele (geworene), Samuel van Hoogstraten (provoost), Johan van Wageningen (provoost), Adriaen van Blyenburg (waardijn), Pompejus Berck (griffier). Middelste rij van links naar rechts: Daniël Drapentier (stempelsnijder), Hendrik van Ringen, Cornelis Th. Dencker, Henrik de Vos, Lodewijck de Coene (essayeur), Arent Boon, dr. Johan de Jong. Bovenste rij van links naar rechts: onbekend, Johan van der Linden (door A. Vreem), Jacob Roskam (idem), Cornelis van As (idem), Willem Jac. Goudriaen, Wierick Bouf, Dirk van Nooy, onbekend (Bron: W. Dolk, “Het serment van de munt van Holland te Dordrecht,” Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 5 [1951])

15 juni 1680: Mattheus Sonnemans, muntmeester van de Munt van Holland te Dordrecht, verklaart op verzoek van Hendrick van Heumen, muntmeester van de provincie Zeeland, dat hij en de leden van het Serment te Dordrecht “soo van Staten als van Stadtswegen genieten den vrijdom van alle imposten en exchijnsen, van alle waren van consumptie, namentlijck Eet en drinckwaren, mits halende telckens een Billiet ofte munterbrieffken, bij den persoon, wegens het Serment daertoe gestelt, daermede dan ’t geene men wil inslaen ofte consumeren op ’s Lants en Stadts comptoiren wert aengegeven, ende aldaer een ander Billiet verleent, voor ’t schrijven en ’t zegel van’t welcke, twee stuijvers en vier penningen wert betaelt, sonder meer. Boven allet welck voors. genott, ten behouve vande munte noch genoten wert vrijdom van Turff, kolen, en zout, en alles anders inde munte gebruijckt werdende”. (ONA Dordrecht inv. 241, f. 141 e.v.)

Sint-Nicolaasfeest.

15 nov. 1683: “vertoonen de regerende deeckens ende agtmannen vant backersgilde [te Dordrecht] hoe dat haer predecesseurs abominerende de superstitiën vant pausdom ende de jaerlijxe gewoonten daer van o[v]erig sijnde specialijk ten tijde van St. Nicolaes omtrent het backen van steene beeldekens ende beentjes ende gefigureert beeldwerck van deeg in koecken en wittebroodt door die vant backersgilde, ende koeckebackers binnen deser stede,van haer pligt hebben geoordeelt gehad daerinne te voorsien ende oversulx haer selve geaddresseerdtaen U Ed. Gr. Achtbaarheden ende versogt behoorlijcke correctie ende prohibitie van dien gelijck oock dan op derselver remonstrantie bij deselve U Ed. Gr. Agtbn. het backen van dergelijcke specie specialijk ten tijde van St. Nicolaes aen die van het gilde voornoemd ende aen alle koeckebackers binnen dese stadt ende t resort vandien is geïnterdiceert eerstelijk op een boete van twee gl. 10 st. ende naderhand sub presidio vande Ed. Heeren Borgemr. Stoop op een boete van vijf ende twintig gl. te verbeuren telckens bij de contraventeurs van dien als apud acta te sien is ofwel deselve resolutiën ende ampliatiën van keuren resoluties aende gemeene gildebroeders ende koeckebackers indertijd behoorlijck sijn genotificeerdt soo is egter sulx dat daer tegens diverse overtredingen sijn gepleegt, versoeken derhalve mits desen seer onderdaniglijck dat van nu voortaen niemandt vande gemeene gildebroeders misgaders vande coeckebackers binnen deser stede ten tijde van St. Nicolaes ofte ook voor ofte na dato vandien sal vermogen te backen, te vercoopen eenige beentjes steene beeldekens of gefigureerd beeldewerck van deeg in koecken wittebroodt ofte anders op verbeurte van 25 gl. daertoe hier voorens gestatueerd soo meenigmael ijmand sal werden bevonden hier tegens gedaen te hebben ’t appliceren ten behouve vant voorsz. gilde. [De Kamer Judicieel besluit dit te verbieden. De boete bedraagt 25 gl.] (ORA Dordrecht inv. 73, f. 221v)

Slagroede (venduhuis)

Stadsvenduhuis (voor insolvente boedels). Opgeheven in 1864.De vendumeester werd elders ook stokhouder genoemd, naar de door hem gedragen stok (“slagroede”). In Dordrecht heette hij vendumeester van de slagroede.

In 1714 en 1715 wordt als vendumeester vermeld Jan de Haen (zie “De nakomelingen van Abraham Klaasz. de Haan” op deze website).

Openbare verkopingen werden in de achttiende eeuw te Dordrecht gehouden in herberg “de Gouden Molen” in de Hoge Nieuwstraat, dat ongeveer stond op de plek, waar nu de panden Hoge Nieuwstraat 85 en 87 staan. “Het gebouw bestond uit een volumineus huis achter twee gevels met de hoofdingang op de Hoge Nieuwstraat, de zijgevel aan de tegenwoordige Lange IJzerenbrugstraat en de achtergevel aan de Binnen Walevest. Het geheel werd in twee etappes gebouwd, het eerste pand vermoedelijk kort na 1585 en het tweede rond 1611.” Als herbergier van de “Gouden Molen” wordt in 1689 Matthijs Paradijs vermeld, de man van Henrica van Lottum. In 1700 kocht hij “de Gouden Molen” van het Stadsbestuur, die het toen ruim 30 jaar in bezit had gehad. zijn weduwe, Hendrica van Lottum, verkochti n 1727 aan Cornelis Bax en diens echtgenote Adriana Brooshooft de herberg “de Gouden Molen” met alle daartoe behorende voorrechten en prerogatieven, zowel van het koffie en chocolade schenken, als “het houden der vendutiën” (ONA Dordrecht inv. 824, f. 63, akte dd 23 juni 1727). Vast staat derhalve dat de “Gouden Molen” tenminste vanaf 1727 gebruikt werd als venduhuis. Behalve stukgoederen werden er ook schepen, huizen e.d.. geveild. Toen Adriana en Cornelia Bax, ongehuwde dochter van het echtpaar Bax en Brooshooft, kort na elkaar in 1824 kwamen te overlijden, besloten de erfgenamen het in staat van verval verkerende venduhuis niet te laten renoveren, maar voor de sloop te laten veilen. De koper was Levinus de Groot, die de grond met de te slopen opstallen kocht voor een somma van 1720 gl. (Oud-Dordrecht 2003, nr. 3, p. 33 e.v.)

Nicolaes Snellaert, kunstschilder

Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 2960, f. 59v: door de stad Dordrecht in 1586 betaald aan “Nicolaes Snellaert schilder de somme van tnegentich ponden X schellingen van XL grooten tpondt over de betaling van diversche schilderijen bij hem int Hoff geschildert, als alle de cosijnen deuren veijnsters galerije balcken ribben poorten zoo van binnen als buijten”.

Sodomietenvervolging.

15 mrt. 1770: [Mr. Hugo Repelaer, hoofdofficier der stad Dordrecht contra Aart Schouten] “dat … uit al ’t hiervoren geconfesseerde vanden gedetineerde genoegzaam overtuigent aan den Regter gebleken is, dat den gedetineerde veeltijts zijn werk gemaakt heeft om gelegentheit te zoeken, en door woorden, gebaarden en hantgrepen, onder pretext van stoeijen en dertelen, aanleiding te geven tot ’t plegen van gruwelike ontugtigheit met verscheide manspersonen, en jongelingen [Jan Meijer, Gijsbert Slijp, Herman de Bruijn, schipper, Arij Blok, scheepstimmerman, Gerrit van der Kaa, vlaskopersknecht, Isaac Rogge, gruttersknecht, Jan Schaap en Wouter Schaap, resp. tweede en derde zoon van Pieter Schaap, schipper, Jan Kuiter, Cornelis Kriekestijn, lijfknecht te Utrecht, Joost van der Sluis, waardgelder of soldaat te Den Haag, allen behalve de twee eerstgenoemden thans voortvluchtig en dat, toen hij, Aart Schouten,15 of 16 jaar oud was en nog timmermansjongen was, ontucht heeft bedreven met de spekslager Aart van de Water], dat hij gedetineerde ook zomtijts in de aanzoeking of aanleiding, die door anderen daartoe aanden gedetineerde mogten zijn gedaan of gegeven, heeft toegestemt en bewilligt, en dat voorts hij gedetineerde de gemelde ontugtigheit op verscheide wijze in minder of meerder graat met de hiervoren genoemde manspersonen heeft bedreven, zodanig dat hij gedetineerde zig active en passive meermalen heeft schuldig gemaakt aan het allerverfoeijelikste crimen van Sodomie … in welke verfoeijelike levenswijze den gedetineerde reets van zijne vroege jeugt af heeft voortgegaan, ter verschoning van’t welke den gedetineerde alleen heeft geallegueert, dat hij zedert vijf jaren aan den drank geraakt is, en dikwils daardoor bedwelmt is geweest, en dus dat hij gedetineerde daartoe door den drank is vervallen, en te voren door jonkheit en dertelheit. … [Eis: dood door wurging, verbranding van het lichaam en de as in zee geworpen, of het lichaam op het Galgenveld opgehangen of tentoongesteld, “als den begraaffenisse onwaardig”]

Vonnis: “De Camere gesien en geëxamineert hebbende den crimineelen eijsch en conclusie van wegen den Heer Eijsser R.O. [ratione officii] op ende jegens den gedetineerde [Aart Schouten, 55 jaar oud, geboren en wonende te Dordrecht, kaarsenmaker] gedaan en genomen, mitsgaders de confessie van den gedetineerde buijten pijn van banden of ijser gedaen, en voorts gelet, waarop in dezen te letten stonde, ende eenigsints konde ofte mogte moveren, doende recht in den naem en van wegens … de Heeren Staten van Holland en Westvriesland, condemneert den gedetineerde dat denzelven zal worden gebragt ter plaatze, alwaer men gewoon is crimineele justitie tte doen, en dat denzelven aldaer andere ten exempel, aen een pael met een bord boven ’t hoofd, waerop staet Sodomiet, zal worden gewurgt, en geblaakt, zoo dat er de dood nae volgt. Weiders dat het doode lichaam in zee zal worden geworpen [doorgehaald zijn de woorden: op Galgoort op een rad aen een staak met het voorsz. bord boven het hoofd zal worden gestelt] en condemneert voorts den gedetineerde in de kosten van de procedures, mitsgaders in de kosten en misen van de justitie. Aldus gearresteert den 15: Maert 1770, en gepronuntieert en geëxecuteert den 27: daeraenvolgende. (ORA Dordrecht inv. 174, f. 46v-52)

[Aart Schouten, gedoopt NG Dordrecht 16 sept. 1714, zoon van Willem Schouten en Philippina Fenix, trouwde Gerecht Dordrecht 21 april 1753 Adriana Thierens]

15 mrt. 1770: [Mr Hugo Repelaer, hoofdofficier der stad Dordrecht, contra Jan Meijer] “dat …blijkt dat den gedetineerde meermalen tot ’t bedrijven van schandelikheit met den meergemelde Schouten heeft bewilligt, en ’t zelve in minder of meerder graat met denzelven heeft gepleegt in zo verre dat den gedetineerde zig zo active als passive ten vollen heeft schuldig gemaakt aan’t afschuwelik crimen van Sodomie … [eis: dood door wurging, publiekelijk verbranden van het lichaam en het gooien van de as in zee, of het lichaam op Galgenoord ophangen of tentoonstellen, “als den begraaffenisse onwaardig”]

Vonnis: “De Camere gesien en geëxamineert hebbende den crimineelen eijsch en conclusie van wegen den Heer Eijsser R.O.jegens den gedetineerde [Jan Meijer, 33 jaar oud, geboren en wonende te Dordrecht, metselaarsknecht “en des winters gewerkt hebbende inde kaarssemakerij vanden mede gedetineerde Aart Schouten] gedaen en genomen, mitsgaders de confessie van den gedetineerde, buijten pijn van banden of ijser gedaen …. condemneert den gedetineerde, dat denzelven voor den tijdt van dertig eerstkomende en achtereenvolgende jaeren op een afgesonderde plaets in een tuchthuijs binnen deze Provincie zal worden geconfineert, om aldaer met deszelfs handen arbeid de kost te winnen. Enbant weiders den gedetineerde sijn leven lang gedurende uijt den lande van Holland en Westvriesland, sonder daerinne wederom te mogen komen op poene van swaerder straffe. Ontzegt voorts den Heer Eijsser R.O. sijnen verderen eijsch en conclusie jegens den gedetineerde gedaen en genomen, en condemneert niet te min denzelven in de kosten van de procedures, mitsgaders in de kosten en misen van de justitie. Aldus gearresteert den 15: Maert 1770, en gepronuntieert den 27: daeraenvolgende (ORA Dordrecht inv. 174, f. 52v-54)

“In januari 1730 houdt de Utrechtse rechtbank een man aan die ze ervan beschuldigt met een ander sodomie te hebben gepleegd. Zijn bekentenis leidt tot nieuwe arrestaties. Vooral uit de verhoren van een van de arrestanten, Zacharias Wilsma, blijkt dat er een circuit van sodomieten bestaat, dat in het hele land vertakkingen bezit.*Terwijl de rechtbank de eerste slachtoffers in het geheim laat terechtstellen, neemt ze de tijd om uit de zeer coöperatieve Wilsma zoveel mogelijk informatie te halen. Eerst op 5 mei 1730 richt de Utrechtse magistratuur zich tot andere stedelijke rechtbanken, alsook tot het Hof van Holland, om hen te informeren over lieden die zich met Wilsma en anderen hebben schuldig gemaakt aan sodomie, en die zich onder de jurisdictie van deze rechtbanken bevinden. Vanaf dat moment nemen de in Utrecht begonnen vervolgingen landelijke afmetingen aan. Voordat het jaar ten einde is, zijn de vervolgingen over hun hoogtepunt heen. Als in september 1731 nog tweeëntwintig mannen en jongens in het Groningse Westerkwartier door de grietman Rudolf de Mepsche geëxecuteerd worden, heeft dat slechts zijdelings te maken met de vervolgingen elders in het land. De geëxecuteerden hier hebben niets uit te staan met het ‘Wilsma circuit’. In 1731 lopen de vervolgingen geleidelijk af, omdat ‘de bronnen’ uitdrogen. Diegenen over wie de rechtbanken informatie hebben verzameld, zijn gearresteerd, en veroordeeld of gevlucht. Tegen dezen gevluchten, evenals tegen personen die zich door langdurige absentie verdacht hebben gemaakt, kunnen de rechtbanken weinig anders in stelling brengen dan het ontoereikende wapen van openbare dagvaarding en verbanning bij verstek. In 1732 vinden nog enkele procedures plaats en die brengen het totaal aantal vervolgden in de Republiek op 289. Van hen zijn er zeventig ter dood veroordeeld en honderzeven bij verstek verbannen. … [In 1811] komt aan dit soort veroordelingen een eind omdat Nederland dan ingelijfd wordt bij Frankrijk. De dan van kracht wordenden Code Pénal bevat geen anti-sodomie-bepalingen. Overigens verdwijnen ook daarna nog sodomieten naar het gevang, maar dan vanwege schennis van de openbare eerbaarheid. Het Amsterdamse gerecht voert tussen 1730 en 1811 234 procedures tegen 227 bij sodomie betrokken personen. Van die procedures vinden er 115 bij verstek plaats. Het overgrote deel van de procedures komt na 1732. De jaren 1764-1765 vormen met 80 vonnissen over 78 personen een hoogtepunt; tussen 1791 en 1811 verschijnen er meer mensen dan ooit in persoon voor het Amsterdamse gerecht op beschuldiging dat ze sodomie zouden hebben gepleegd of daar gelegenheid toe zouden hebben gegeven: 65 mannen en vrouwen tegen 53 mannen in de periode van 1730 tot 1791.” In totaal werden er in genoemde periode 16 mannen wegens sodomie (anaal contact)terechtgesteld,de meestendoor wurging, twee door verdrinking,twee door verhanging. In 1730 vijf, in 1743 twee, in 1746 één, in 1764 zes, in 1765 twee. De soldaat Jacobus Hebelaar, die in 1764 werd opgehangen, had zich ook schuldig gemaakt aan beroving. De overige veroordeelden kregen een lange gevangenisstraf, die zij moesten uitzitten in het Rasphuis, of werden veroordeeld tot verbanning.

De terechtgestelden waren:

1730

Cornelis Boes, 27 jaar, knecht, verdronken

Johannes Keep, 42, bloemist, gewurgd

Pieter Martijn, 36, beunhaas, gewurgd

Maurits Schuring, 33, herenknecht, verdronken

Lourens Hosponjon, 33, commies, gewurgd

1743

Pieter Didding, 22, weeshuiskind, gewurgd

Willem Knieland, 23, weeshuiskind, gewurgd

1746

Pieter J. Smit, 29, matroos, verhangen

1764

Jacobus Hebelaar, 26, soldaat, verhangen

Jan Heemskerk, 34, waterverkoper, gewurgd

Hermanus Smit, 45, koornharper, gewurgd

Andries te Boekhorst, 32, pruikemaker, gewurgd

Willem Leske, 28, hoenderverkoper, gewurgd

Hermanus van Werven, 30, boekverkoper, gewurgd

1765

Hendrik Eelders, 40, verkoper van couranten, gewurgd

Jan Kemmer, 24, goudsmid, gewurgd

(Th. van der Meer, De wesentlijke sonde van sodomie en andere vuyligheden. Sodomietenvervolgingen in Amsterdam 1730-1811 [Amsterdam 1984], p. 7-8 en 201-209.)

* Wilsma noemde o.a. de naam van baron van Meeuwen van Heinsberg uit Dordrecht. (D.J. Noordam, Riskante relaties: vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733, p. 215)

Toverij

9 juni 1561: op verzoek van Gillis Cornelisz. lijndraaier verklaart Job Govertsz. kalkmeter, 30 jaar oud, dat hij twee jaar tevoren met “die gemeen kalckmeters” geweest is op de Nieuwe Toren op de Nieuwe Haven om daar te gaan werken. Hem is toen verteld door Jan Cornelisz. kalkmeter, dat Emmeken Anthonisdr. gezegd zou hebben tegen Nijs van Dilsen: “Zijt ghij dese vrouwe wat schuldich, ziet dat ghij haer (denoterende Aeriaentgen Adriaensdr.) betaelt ofte ick zal u betoeveren.” (ONA Dordrecht inv. 702, f. 208)

11 juni 1561: verklaring op verzoek van Gillis Cornelisz. lijndraaier door Pieter van de Graeff, wonende in “’t Claverblat” op de Nieuwe Haven, 50 jaar oud. Hij getuigt, “dat zeeckere tijde geleden … hij deposant staende voor sijn doere is Emmechen den Hoechaers gestaen voir haer dochters doere staende alder naest den huijse van hem deposant, ende heeft hem deposant geroupen. Waer op hij deposant gevraecht heeft wat wilt ghij mij hebben? Daer dvoersz. Emmechen op zeijde Ick wil u hebben van stonden aen, ofte indien dat ghij nijet en comt zoo zall ick u huijs zoo vol duijvelen toeveren, als het gras opter aerden.” (ORA Dordrecht inv. 702, f. 207v e.v.)

11 juni 1561: verklaring op verzoek van Gillis Cornelisz. lijndraaier door Gillis Adriaensz. wijnsledenaar, 53 jaar jaar oud. De deposant getuigt, dat ten tijde dat Jan Henricxsz. Hoechaers, de man van Emmechen den Hoechaers, aan Henrick Govertsz. pottenbakker een huis met een pottenbakkerij, staande op de Nieuwe Haven, verkocht had, hij, deposant, gehoord heeft, dat Emmechen tegen Henrick Govertsz. zei: “ten is mijnen wille nijet dat mijn man u thuijs vercocht heeft ende indien ghij daer inne trect ick zall u betoveren dat ghij geen welvaert daer inne hebben en zult, ende dat ghij vergaen zult die sneeu vergaet inde sonne”, zonder dat hij, Gillis Adriaensz., verder nog meer weet te verklaren dan dat hij gezien heeft dat Henrick Govertsz. “wel gestelt is geweest ende namals tot armoede gecomen ende int gasthuijs gestorven is”. (ORA Dordrecht inv. 702, akte 571)

“Actum in camera den lesten Novembris anno [1569]. Ter instantie van Borchgen Gerritsdr. requirante. Sijchen Claesdr., oudt [26] jaren ende Janneken Adriaensdr., oudt [26] jaren, [verklaren onder ede], eerst d’voersz. Janneken dat geleden den tijt van ontrent zesthien weecken zij getuijgen wonende ten huijse vande requirante gesien ende gehoert heeft dat eene Anna Jans, de snaer [snaar = schoondochter, schoonzuster of schoonmoeder] vande requirante zeijde tegens de requirante: Borch ick kenne dat ick u vervlouct hebbe ende ick begere vrientscap met u, zeggende ick hebbe inde kercke int gasthuijs op mijn knijen gelegen ende gebeden dat God geen wraeck over u kint doen en zoude overmits ick u vervlouct hadde dat ghij een kint baeren zoude zoe swart als een scoersteen, twelck gehoert de requirante zeijde ick en begeer geen vrientscap met u te hebben ende naer dat d’selve Anna wech gegaen was zeijde de requirante tegens haer getuijge ende andere [leden van]haer huijsgesin: zij mach mijn betoovert hebben, ick en begeer met haer geen vrientscap te houden ende d’voersz. Sijchen [Claesdr.] verclaert dat daer naer zij getuijge comende bij Sijchen Jansdr., wonende ten huijse vande requirante d’selve Sijchen Jansdr. tegen haer getuijge zeijde: daer gaet de toevenaerster henen, scijtpieren [schijtpier = aarsworm] hoer, al won mijn man noch zoe veel, zoe is tgelt wech, als zij hier in huijs compt.” (ORA Dordrecht inv. 709, f. 11)

24 jan. 1572:”ter instantie” van Henrick Evertsz. van Oisterwijk, rekwirant, verklaren Cors Jansz., ongeveer 36 jaar oud, en Jacob Jansz., ongeveer 28 jaar oud, dat zij onlangs met enige andere personen op verzoek van de rekwirant bijeen geweest zijn in de herberg “’t Jopenvat”, en dat Willem Hendricxsz. brouwersknecht toen ten overstaan van notaris Dirck Jansz. van den Burch en hen, deposanten, als getuigen, een verklaring heeft aflegd, eveneens op verzoek van Henrick Evertsz., welke verklaring hij heeft gedaan “sonder eenich bedwanck” en niet dronken zijnde. Nadat Willem de verklaring had ondertekend, heeft hij tegen de rekwirant gezegd: “Henrick wilt ghij den ghenen zien diet gelt genomen heeft ick zall u in een spiegel thoenen”, waarop de rekwirant antwoordde: “Ick wil met u duvelerijen geen doene hebben … Ick wil met u eeten noch drincken”. Willem heeft voortstegen de deposanten gezegd, dat Jan Cornelisz. het geld zelf “verspeelt hadde”, en ook heeft hij hen gevraagd: “Wildij hem noch eens zien in eenen spiegel ick zall hem noch eens thoenen gelijck hijt verspeelt heeft”. De deposanten hebbenlaten weten, dat zij met zulke praktijken niet van doen wilden hebben, maar Cors Jansz. heeft wel aan Willem gevraagd “waer mede doet ghij die consten”, waarop Willem antwoordde: “Ick hebbe daer boecken off mair ick hebse althans vuijtgeleent”. De deposanten en de rekwirantzijn diezelfde avond naar het huis van Jan Cornelisz. olieslager gegaan, waarJande rekwirant “verloff” gegeven heeft, zeggende:”gaet vuijt mijn huijs ick en wil u nijet langer zien”. De vrouw van Jan Cornelisz. heeft de rekwirant bij de arm genomen en hemnaar buitengeleid, waarna zij de deur op slot heeft gedaan, “presenterende nijet te min hij requirant zijn werck te doen”. (ORA Dordrecht inv. 728, f. 299v e.v.)

27 mrt. 1587: op verzoek van Steven Willemsz. in de Griffoen [sic] verklaren Philips Peijman, ongeveer 38 jaar oud en Jan Govertsz. van Beaumont olieslager, ongeveer 23 jaar oud, burgers van Dordrecht, “dat sij deposanten geleden ontrent drie jaeren ontrent de maent van martij … present … sijn geweest ten huijse vande selven Philips Peijman, alwaer ter selver tijt sieckelijck te bedde was leggende de huijsvrou vande selven Philips. Ende dat doen ter tijt aldaer ontboeden is geweest de dochter van … Lenertgen [de vrouw van Pieter Claesz. kraankind (een kraankind was iemand – niet noodzakelijkerwijs een jeugdig persoon -, die een hijskraan bediende, welke door middel van een tredmolen bewogen werd)]. Dwelcke aldaer gecomen wesende, is de voorsz. Lenertgen daer naer mede gevolcht. Ende dat de voorsz. Lenertgens dochter deur begeerte vande selven Philips Peijman de huijsvrou vanden selven Peijman heeft gesegent, twelck haer bij haer moeder belast worde, dat sij dat doen soude. Waer van de selve dochter voor haer loon vant segenen vanden voorsz. Peijman genoten ende ontfangen heeft gehadt vijftalven stuver, te weten drie twee blancx penn. in specie.” (ORA Dordrecht inv. 739, f. 128)

27 mrt. 1587: op verzoek van Steven Willemsz. in de Griffoen verklaren Cornelis Dircxsz. schoenlapper, 28 jaar oud en Sander Sandersz. bakker, ongeveer 28 jaar oud, burgers van Dordrecht, “dat sijluijden opten 14 Januarij lestleden geweest sijn ten huijse van Adriaen Gijsbrechtsz. backer ende aldaer gesien hebben eene Lenertgen, de huijsvrou van Pieter Claesz. craenkint, met haer dochter ende dat de selve Lenertgen ende haere voorsz. dochter aldaer maeckten een groot getier van roupen, crijten ende baeren, stellende henluijden seer ongeschickelicken aen ende slouch de dochter vande voorsz. Lenertgen den requirant op sijn lijff soe dat de voorsz. requirant haer wederomme heeft geslaegen.” (ORA Dordrecht inv. 739, f. 128)

27 mrt. 1587: op verzoek van Steven Willemsz. in de Griffoencomp. voor schepenen van Dordrecht Aerjaentgen Govertsdr. van Alblas, wonende in “den Osch”, ongeveer 76 jaar oud en Neeltgen Willemsdr. uit Wijngaarden, ongeveer 70 jaar oud, beiden wonende te Dordrecht en “hebben opt inhouden van seeckere interrogatoir, hen ten versoucke vande requirant voorgelesen wesende, getuijcht … ende eerste opte eerste articule inhoudende ten versoucke van Steven Willemsz. inden Griffoen te horen ende examineren Aerjaentgen Govertsdr. van Alblas ende Neeltgen Willems vuijt Wijngaerden, off sij getuijgen nijet en kennen Lenertgen, de huijsvrouwe van Pieter Claesz. craenkint ende dat de selve Lenertgen geboeren is inden dorpe van Alblas, ende offsij ende haere moeder nijet berucht ende befaempt sijn geweest van veele personen dat sij met toverie omgingen, warachtig te sijn dat sijluijden wel gehoert hebben dat de voorsz. Lenertgen ende haere moeder sulcx wel nae [ge]gheven is maer off sijluijden daer schult toe hebben oft nijet en weeten sij deposanten nijet te verclaeren. Opt [tweed]en inhoudende … off sij binnen den dorpe van Alblas ende Wingerden nijet genaempt en werden die melcken trecxsters, hebben bij eede als boven geaffirmeert ende verclaert daervan nijet weetende dan dat hier anderluijden sijn geweest daer de faem vant melcktrecken van gegaen is.” (ONA Dordrecht inv. 739 f. 128v)

11 juli 1667: compareren voor notaris J. Melanen “Pieter Jansz. vander Klock metselaer borger deser Stede, Geertruijt Reijniers weduwe van zaliger Jan Hermansz. cleermaecker ende Stijntgen Andries huijsvrouw van Jan Maertensz. schuijtevoerder, woonende binnen deser Stede, dewelcke ter Instantie ende ten versoecke van Annichien Pieters huijsvrouw van Cornelis Cornelisz. van Houwerden tegenwoordich ten dienste vanden Lande op zee sijnde, gesamentlijck hebben geattesteert … hoe dat sij attestanten op verscheijde tijden sijn geweest ten woonhuijse vande requirante alwaer oock woonachtich is seecker vrouwspersoon genaempt Grietgen [Michiels] huijsvrouw van Jan Masson, tegenwoordich mede op zee sijnde, alswanneer sijluijden de voorn. Grietgen meenichmael veel vuijle calumnien ende scheltwoorden van ende tegens de requirante hebben hooren seggen ende verwijten seggende dat sij eene toovenaerster, duijveljaeghster ende waerseghster was; alsmede dat sij een tooverboeck ende negen poppen hadde, waermede sij haere tooverije ende duijvelste kunst int werck stelde, waeromme sij tot Rotterdam uijtgebannen was, presenterende t’selve tot allen tijde te sullen waermaecken. En off sij attestanten de voorn. Grietgen wel verscheijde maelen afgeraeden [bedoeld is uiteraard: aangeraden] hebben dat sij sulcke oft diergelijcke scheltwoorden soude naerlaten, want sulcke dingen beswaerlijck te bewijsen soude wesen, soo bleeff de voorn. Grietgen echter daerbij persisteren seggende Ick wenste wel, dat ick eens soo geluckig was, dat sij mijn daertoe eens met recht quaem te vorderen, Ick meen dat ick t’dan wel sal doen blijcken ende haer de Stadt Dordt. uijthelpen. Vorders verclaerden de voorn. Stijntgen Andries alleen dat sij de voorsz. Grietgen oock verscheijde malen heeft hooren seggen tegens veele persoonen die gewoon sijn om haer bijde requirante te laten Coppen ende naer deselve quaemen vraegen, wat compt ghij hier bij sulcke duijveljaeghster ende toovenaerster ende veel andere vuijle calumnien ende scheltwoorden meer, waermede sij de ordinaris Calanten vande requirante van daer heeft verdreven. Eijntelijck verclaerde den voorsz. Pieter Jans alleen, dat hij de voorn. Grietgen oock heeft hooren seggen, dat de requirante de dochters, die bij haer te Coppen quaemen in een spiegel liet sien ende daerinne te voorschijn brachte wat voor vrijers off mans sij souden hebben.” (ONA Dordrecht inv. 181, f. 674 e.v.)

De kopster, door Cornelis Dusart (1695)

Vondelingen en verlaten kinderen

ORA Dordrecht inv. 16, f. 12,resolutie van het Gerecht dd 20 nov. 1703: “Alsoo ter kennisse van mijn Ed. heeren van den Geregte der stad Dordregt is gecomen dat op den 19 deser des morgens in een borgers stoep is gevonden een kint ontrent out sijnde een jaer, ’t welck malitieuselijk ende tegens pligt van ouders ofte andere geabandonneert wert, ende dat egter het selve kint behoort te werden gealimenteert ende onderhouden, soo hebben mijn Ed. heere van den Geregte voornt. goetgevonden ende geresolveert dat het voors. kint bij provisie tot dat de ouders ofte naeste vrienden sullen wesen ondeckt sal moeten komen tot laste van het heijlige geesthuijs”.

ORA Dordrecht inv. 16, resolutie van het Gerecht dd 19 dec. 1705: “… op den 12 Novemb. [1705] [zijn] malitieuselijk, en tegen plight … geabandonneert ende verlaeten twee kinderen, waervan moeder is Geertruij Danen, ende nadien deselve kinderen eghter behoorden te werden gealimenteert en onderhouden, ’t gene alreede bij Zara Danen omtrent vijff weecken is geschiedt, ende nu geerne daervan soude sijn ontlast, [heeft het Gerecht besloten], dat de voorscreve twee kinderen bij provisie ende ter tijdt en wijlen de moeder wederom sal sijn gecomen sullen moeten komen tot laste van de duijtsche diaconie deser stadt”.

ORA Dordrecht inv. 16, resolutie van het Gerecht dd 22 juli 1728: er is een pasgeboren jongetje gevonden, dood liggende ongeveer anderhalf of twee voeten aan de buitenkant van de stadsmuur tegenover de poort van het laatst gemaakte kerkhof bij het kleine sluisje [bij de Torenstraat]. Het is onzeker, of het dode kind is gevonden op de grond van de stad Dordrecht of op de grond van de heerlijkheid van de Merwede, en derhalve is niet duidelijk of het geval behoort tot de jurisdictie van de schout van Dordrecht of de baljuw van de Merwede. Het Gerecht besluit daarom aan beide officieren te verzoeken te doen wat dienaangaande vereist is, in het bijzonder omte zorgen voor de lijkschouwing van het kind.

Vuurwerkhuis (geëxplodeerd in 1652)

“In’t selve Jaer 1652 op den 2 July smorgens ontrent vyf uren is binnen Dordrecht opgesprongen en[de] in de lucht gevlogen, het landtsvuyrwerkhuys en[de] kruyt toren, met honderden granaden, soo datter van’t huys naeulicx ijet bleef staen, de granaden vlogen hier en daer door de Stadt, den hof vande Oude Vrouwen was aen d’een syde ’t geheele dack af gesmeten, daer bleven doot vier menschen, te weten Mr. Frits Busbyn, met syn Nicht Ermgardt, en Mr. Joost Busbyn, met syn Soon Gerrit Busbyn, alle drye s Lands vuyrwerckers; men kan niet wel weten door wat Oorsaeck dit ongeluck geschiet is. T’opspringen van’t huys geschiede smorgens doen dese Persoonen daerin wrochten.” Het vuurwerkhuis stond aande Vest achter de Arend Maartenshof bij de toren Luchtenburg. In een gedicht van Margaretha van Godewijck wordt vermeld, dat er nog een slachtoffer was, nl. Lijsbet Jacobs, “een vrijster op den Arend Maertenshof”. (W.M. van der Schouw, Dese heerlicke Stad. Een zeventiende-eeuwse kroniek van Dordrecht, door Pieter Govertsz. van Godewijck (1593-1669) [Dordrecht 2006], p. 160)]

1633: Frederick Bisbinck huurt een huis in het Steegoversloot van Michiel Cotermans (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, verponding Dordrecht 1633)

Begraafboek Grote Kerk, 27 jan. 1652: eenbaar voor het Bagijnhof voor de vrouw van Frits Bisbinck, één maal luiden, een pondgraf

Idem, 2 juli 1652: een baar “op den Bom” voor mester Frijst [Frits Bisbinck], een pondgraf, twee maal luiden, een wapen

Idem, 4 juli 1652: een baar voor [Ermgardt] de nicht van Frijest [Frits Bisbinck]”op den Bom”, een pondgraf

De Minderbroeders- of Kruittoren, die stond oostelijk naast de Vriesepoort,”werd in 1446 gebouwd en in 1504 bestemd als opslagplaats voor het stedelijke buskruit, onder de hoede van buskruitmakers of vuurwerkers, die het gebouw eerst huurder, maar na 1599 in eigendom hadden. Er werd een batterij aangelegd waarvan de kanonnen in 1675 werden verkocht. In 1833 werd de toren afgebroken en vervangen door een kruithuis [in 1871 afgebroken]. … De omwonenden klaagden over de nonchalance bij het verwerken van het kruit en vreesden elk moment een ontploffing, zoals in 1652 gebeurd was bij het vuurwerkhuis in de nabijheid van de toren Luchtenburg [achter de Arend Maartenshof aan de Vest.] (“Van der stede muere”, Jaarboek 2000 van de Vereniging Oud-Dordrecht, p. 53 e.v.)

Waalse gemeente

“In de 18de eeuw was het mode onder de gegoeden, in de Fransche of de Engelsche kerk te trouwen tot schade der Hervormde kerk, waarom de Regeering in 1736 daartegen voorzieningen trof.” (J. L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, (Dordrecht 1931/1933), deel II, p. 797)

Waldenzen

“In de 16e eeuw sloten veel waldenzen in Frankrijk alsook in Piëmont zich aan bij de Reformatie, vooral onder invloed van Guillaume Farel. Waldenzen werd de naam voor protestanten in Noord-Italië. Ze verloren toen voor een groot deel de voor hun voorgangers in de middeleeuwen kenmerkende trekken. In 1530 werden ze in Frankrijk door de Inquisitie ontdekt en 10 jaar later sprak het parlement van Aix-en-Provence, opgericht in 1501, het ‘arrest van Mérindol‘ uit tegen negentien ketters. Koning Frans I probeerde tijd te winnen en bepleitte een opschorting, maar toen de waldenzen in 1544 de abdij van Sénanque aanvielen, deels verwoestten en een groot aantal monniken verhingen, kreeg parlementsvoorzitter Meynier d’Oppède van de koning toestemming het bewuste arrest toe te passen en een strafexpeditie te organiseren in de Luberon. Dit geschiedde van 15 tot 20 april 1545, waarbij sommige plaatsen in brand werden gestoken. Drieduizend burgers werden gedood en zeshonderd tot de galeien veroordeeld. Ze werden nogmaals teruggedrongen naar Piëmont.

In de 17e eeuw werden ze ook uit Piëmont verdreven door de Savoyaardse Waldenzenoorlogen. Ze zochten hun toevlucht onder andere in Zwitserland.”  (Wikipedia)

“In 1730 werden de Waldenzen ook [in Piëmont] vervolgd en vluchtten zij naar het veilige Zwitserland. Een kleine vierhonderd vluchtelingen gingen hiervandaan naar het godsdienstig tolerante Holland. … De Waldenzen werden na verloop van tijd verdeeld over diverse Hollandse steden met een Waalse kerk. Deze mensen voelden zich het meest verwant met dit Franse kerkgenootschap. Zo kreeg de Dordtse Waalse kerkgemeenschap 25 vluchtelingen toegewezen”. (H. Mesman, Zwitsers in Dordrecht, in Dordt Centraal 12 okt. 2022)

Burgerboek Dordrecht: 12 dec. 1737 “Geeven reverentelijk te kennen Daniël Villiot de Oude, Daniël Villiot de Jonge en Jan Villiot, vader en soonen, Piemontoise vlugtelingen wonende binnen dese stad, dat zij supplianten tot nog toe door den Walsche diaconij Armen binnen dese stad sijnde geadsisteert. geerne tot dischargie van denselven Armen en haere kostwinning sig souden begeven in de gilden van haere resp. Ambachten, dan aengesien haer sulks geweigert wert, om dat deselve geen Borgers sijn, soo keeren de supplianten sig tot [het Gerecht van Dordrecht] … gans ootmoedig versoekende appointement waer bij deselve met het voors. Borgerschap mogen werden gebeneficeert, onder alsulke vrijdommen, als in de resolutie van … den Outraet deser stad in dato den 6 decemb. 1681 ten desen annex breder staet uijtgedrukt.” Op 17 dec. 1737 besluit de Camere Juditieel  “de supplianten het Borgerregt” van Dordrecht te verlenen” en daer benevens vrijdom van de wagten, en stadsimpostien voor den tijd van twaalff jaeren”.