Ouboter

I. Cornelis Thonisz. Ouboter, geboren naar schatting ca. 1570, weduwnaar (1602) schipper, schippersgezel van Dordrecht kapitein (1626), kapitein op een oorlogsschip (vermeld 1628/1629), overleden tussen 1 juni 1629 en 7 sept. 1629, trouwde 2e NG Dordrecht 20 jan. 1602 (ondertrouw) Neelken Pieter Cornelisdr., van Dordrecht (1602)
– 18 april 1619: Adriaen Willemsz., schipper en burger van Dordrecht, verkoopt voor1010 gl. aan Cornelis Theunisz., schipper en burger van Dordrecht, een huis in de Wijngaardstraat, staande tussen het huis van Willem Adriaensz. en dat van Grietken Teeuwen. Waarborg: Aelbrecht Sijmonsz. Braet, schipper en burger van Dordrecht. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 860 gl. Borgen: Jan Ariensz. timmerman en Frans Jansz. schipper, burgers van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 1598, f. 23v)
– 26 mei 1628: verklaring door Corstiaen Cornelisz, gewezen provoost op het oorlogsschip van kapitein Cornelis Thonisz. Ouweboter. (ONA Dordrecht inv. 56, f. 404v)
– 1 juni 1629: testament van Cornelis Thonisz. Oubutter, kapitein op een oorlogsschip “binnen slands”, en zijn vrouw Neeltgen Pietersdr., burgers van Dordrecht, hij ziek in bed liggende, zij gezond. Zij benoemen de langstlevende van hen tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan onder hen allen een bedrag van 1200 gl.. uit te keren. (ONA Dordrecht inv. 56. f/ 680)
– 7 sept. 1629: Geerid Cornelissen, notaris wonende te Gorinchem, verklaart op verzoek van de weduwe van kapitein Cornelis Oubutter, dat een jaar tevoren gedurende Dordtse kermis hij, tijdens het varen van Dordrecht naar Gorinchem, aan kapitein Oubutter gevraagd heeft of hij zijn schrijver nog in dienst had, waarop de kapitein antwoordde: “Neen – ick hebbe mij den fielt al overlang quit gemaeckt ende hem sijn rest cedulle thuijs gesonden ende seijde voorts noch dat hij hem sedert nijet gesprocken en hadde ende als hij hem tegen quamp dat den voors. schrijver alsdan een andere strate inne ginck ende hem vermijde, affirmerende [hij getuige] dat … den voors. capiteijn in sijn sieck bedde heeft horen seggen dat hij nijets op sijne herte en hadde anders als t’gene hij sijn huijsvrouw hadde bekent gemaeckt”. (ONA Dordrecht inv. 32, f.. 169)
– 3 april 1630: Neeltgen Pietersdr., weduwe van kapitein Cornelis Thonisz. Oubutter, verkoopt voor 2500 gl. aan Wouter Geeritsz. Leijten een huis omtrent het Groothoofd, waar uithangt “het Wapen van Veere”, staande tussen het huis van de diakenen van de huisarmen en het huis van Willem Digmansz. van Bergen. Waarborgen: Henrick Willemsz. en Jan Adriaensz. De koper is schuldig aan verkoopster een somma van 1900 gl. Borg: Corstiaen Hermansz., burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 1604, f. 19 e.v.)
– 17 okt. 1630: Arijen Jacobsz. Oudenhals, wonende te Papendrecht, verkoopt voor 40 gl.aan zijn broer Willem Jacobsz. Bijl een tiende part in twee huizen, het ene staande in de Wijngaardstraat tussen het huis van de weduwe van kapitein Oudeboter en het huis van Cornelis Francken en het andere in de Torenstraat, staande tussen het huis, genaamd “den Leijhamer”, en het huis, genaamd “de Luijpaert”. (ORA Dordrecht inv. 1604, f.52 e.v.)
– 1633: de weduwe van Cornelis Thonisz. Ouboter betaalt in de verponding van Dordrecht voor haar huis in de Wijngaardstraat 5 ponden 5 s. Belenders: Melis Cornelisz. slijkwerker en Willem … (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 130v)
– op 10 sept. 1636 verklaren Hendrick Gijsbertsz. den Ronden, ca. 52 jaar oud, en Leendert Theunisz., ca. 24 jaar oud, kuipers en burgers van Dordrecht, dat zij die dag geweest zijn ten huize van Neeltgen Pietersdr., weduwe van kapitein Cornelis Oubutter, wonende in de Wijngaardstraat, die ziek aan de pest lijdende te bed lag, om met haar haar testament te maken.

Zij legateert aan haar zoon Pieter Cornelisz. voor zijn huwelijksgoed en uitzet een bedrag van 800 gl., twee pakken nieuwe kleren met een nieuwe laken rouwmantel, en aan haar dochter Anneken Cornelisdr. een bedrag van 700 gl., een bed met toebehoren, twee paar “fluwijnen” [kussenslopen], al het zilverwerk tot haar lijf behorende, een zwarte laken rouwrok met een “benijen”, en dat alles ter compensatie van hetgeen haar overige kinderen van haar gehad hebben, toen zijn gingen trouwen. Zij prelgateert aan haar getrouwde zoons Theunis en Abel Cornelisz. een paar zwarte laken rouwkleren met een rouwmantel. Tot haar erfgenamen benoemt zij haar vier kinderen en tot voogden over haar minderjarige erfgenamen Gerrit Cornelisz. Coot en Jan Arijensz. Buer. (ONA Dordrecht inv. 59, f. 270)
ONA Dordrecht inv. 136, f. 323: testament dd 3 sept. 1657 van Anneken Barents, weduwe van Nicolaes Jansz. Smetser, tavernier en burger van Dordrecht, ziek in bed liggende. Zij legateert aan haar verwanten van vaderszijde, t.w. aan Theunis Oubutter schipper een somma van 500 gl., aan de kinderen van Abel Oubutter onder hen allen een somma van 500 gl., aan het weeskind van Pieter Oubutter een somma van 500 gl., aan Anneken en Aertjen Koten samen een bedrag van 500 gl., aan Adriaentgen Dircx, een bedrag van 500 gl., aan haar zuster Neeltgen Dircx, een bedrag van 500 gl., aan Esaijas Mesjan een bedrag van 300 gl., aan Judith Ghijsaerts, de vrouw van Jan Aertsen, een bedrag van 300 gl., en aan Judith Jansdr. van de Lemp, de vrouw van Adriaen Huijbrechtsz. Verveer, een bedrag van 300 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Anneken en Aeltgen Abrahams, haar nichten van vaderszijde.
Kinderen:
a. Thonis (Toenis) Cornelisz. Ouboter, gedoopt NG Dordrecht april 1605, schipper, trouwde Neeltgen Arijensdr. Wijcken, mogelijk dochter van Adriaen Wijcken en Iken Pietersdr., gedoopt mrt. 1610, trouwde 2e Jan Pietersz., schipper
– 25 jan. 1645: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Anthonis Jansz. van Drongelen metselaar, beschreven door notaris Johan Schoormans op verzoek van IJken Jacobsdr., zijn weduwe, geassisteerd met Theunis Cornelisz. Ouboter en Neeltgen Arijensdr., haar aangetrouwde neef en nicht, Sander Anthonisz. van Drongelen en Jan Anthonisz. van Drongelen, voor zichzelf en als door hun vader aangestelde voogden over Pieter Anthonisz. van Drongelen, hun minderjarige broer. (ONA Dordrecht inv. 99, f. 26)
– 11 nov. 1645: Maria van der Eijck, weduwe van Dirck van Slingelant, verkoopt aan Thonis Cornelisz. Oudebutter, schipper en burger van Dordrecht, een huis in het Torenstraatje, staande tussen de oliemolen van Willem van der Elst en de gang van het huis, genaamd “het Houffijser”. Waarborg: Jacob van Dijck, lakenkoper en burger van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 775, f. 72v)
– 16 dec. 1647: testament van IJchgen Jacobsdr., weduwe Theunis Jansz. van Drongelen, ziek te bed liggende. Zij legateert o.a. aan Neeltgen Theunisdr. Oubutter, oudste dochter van haar nicht Neeltgen Arijensdr., haar bed met hoofdpeluw en verdere toebehoren, of indien Neeltgen Oubutter vóór haar komt te overlijden, moet het bed komen aan het oudste kind, na Neeltgen, van haar nicht Neeltgen Arijensdr. Zij legateert aan de kinderen van Neeltgen Arijensdr. een somma van 800 gl., waarvan Neeltgen en haar man Theunis Oubutter hun leven lang het vruchtgebruik zullen hebben. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij Neeltgen Arijensdr. en haar man Theunis Oubutter of bij vooroverlijden hun nakomelingen. (ONA Dordrecht inv. 62, f. 1049)
– 25 okt. 1658: Neeltgen Arijens, weduwe van Theunis Cornelisz. Ouboter, beurtschipper van Dordrecht op Veere, verklaart, dat zij volgens het testament, dat zij samen met haar man gepasseerd heeft voor notaris S. Muijs op 27 nov. 1636, gehouden is haar kinderen te onderhouden tot hun mondigheid en hun dan onder hen allen een somma van 400 gl. uit te keren. Haar man heeft nagelaten drie kinderen, bij haar verwekt, waarvan de oudste, Neeltgen Theunis, nog tijdens zijn leven getrouwd is met Wessel Zachariasz. Ram, schipper en burger van Dordrecht, die niet alleen aan huwelijksgoed een geld een somma van 100 gl. heeft gekregen, maar ook een “eerlijcke” uitzet van kleding, “reding”, zilverwerk en huisraad en zulks tot een bedrag van 300 gl. Om haar overige twee kinderen, t.w. Anneken, 17 jaar oud, en Cornelis Theunisz. Ouboter, 15 jaar oud, daarvoor te compenseren belooft zij aan hen, wanneer zij mondig worden of gaan trouwen een somma van 100 gl. uit te keren en hen bovendien uit te zetten in kleding, “reding”, huisraad etc. Daarenboven schenkt zij aan haar kinderen haar huis in de Torenstraat op de hoek van de gracht, staande tussen het huis van Johannes van Ghilde en dat van Joris Jansen, alsmede een huis in de Torenstraat, staande tussen het huis van Pieter Vincken en de loods, die haar toebehoort, op voorwaarde, dat zij haar leven lang de jaarlijkse opbrengsten van die huizen behoudt. (ONA Dordrecht inv. 522)
– 29 mei 1663: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Neeltgen Arijensdr. Wijcken, laatst echtgenote van Jan Pietersz. schipper.
Tot de boedel behoren:
– een groot huis in de Torenstraat, dat bij publieke verkoping is verkocht voor 1435 gl., waarvoor het is aangenomen door Anneken Oubutter, dochter van de overledene,
– een huis in Torenstraat, staande recht tegenover het bovengenoemde huis op de hoek van het Hoefijzerstraatje, dat aanbedeeld zal worden aan Cornelis Oubutter, zoon van de overledene, voor 750 gl.,
– een huis in de Torenstraat, staande naast het stalletje, dat zal aanbedeeld worden aan Cornelis Oubutter, zoon van de overledene voor 375 gl.,
– een schip met al zijn toebehoren, aangenomen door Wessel Zachariasz. Ram, als man van Neeltgen Oubutter, dochter van de overledene, voor 1100 gl.
Na aftrek van de lasten resteert aan baten 3372 gl. 4 st. 4 penn., waarvan afgetrokken moet worden een somma van 600 gl., welke Neeltgen in haar testament aan haar twee ongetrouwde kinderen heeft beloofd. Resteert: 2772 gl. 4 st. 4 penn., welk bedrag verdeeld moet worden onder de drie erfgenamen, t.w. 924 gl. 1 st. 6 penn. voor elk van hen. Wessel Zachariasz. Ram, als man van Neeltgen Oubutter, Jan Pietersz. en Adriaen Cornelisz. de Veer, als voogden over Anneken en Cornelis Oubutter, verklaren hiermee de nalatenschap van Neeltgen Arijensz. Wijcken verdeeld te hebben. (ONA Dordrecht inv. 142, f. 298)
Kinderen:
a-1. Neeltgen (Cornelia) Theunisdr. Ouboter, gedoopt NG Dordrecht juni 1636, jonge dochter van Dordrecht wonende in het Torenstraatje (1656), trouwde NG Dordrecht 20 aug./3 sept. 1656 Wessel Sacharisz. (de) Ram, gedoopt NG Dordrecht febr. 1633,jongman van Dordrecht, wonende aan het Groothoofd (1656), beurtschipper van Dordrecht op Veere
ONA Dordrecht inv. 206, f. 156: op 15 juli 1666 komen Wessel Zachariasz. de Ram, als man van Neeltgen Teunisdr. Ouboter, voor zichzelf en tevens vervangende zijn zwagers, Jan Pietersz. Sterck, voor zichzelf en tevens vervangende zijn broer en zusters, Cornelis Abelsz. Ouboter, Cornelis Pietersz. Ouboter, Henrick Reijniersz. van den Plaet, wonende te Maaslandssluis, als vader en voogd van zijn minderjarige kinderen, door hem verwekt bij Susanneken Jansdr. van den Houten, allen erfgenamen van Neeltgen Pietersdr. van Bree, enerzijds en Willem Pietersz. Nieukerck, als man van Maijken Jansdr. van Houten, erfgenaam van Neeltgen Pietersdr. van Bree, anderzijds, overeen, dat Nieukerck aan de eerste comparanten zal voldoen een somma van 650 gl. en bovendien aan Willem Hendriksz. de Haen “tot een gedachtenisse” een gouden ring zal geven. Daarvoor zal Nieukerck behouden alle goederen, die Neeltgen Pietersdr. heeft nagelaten, op voorwaarde, dat hij “tot securiteijt” van de eerste comparanten aan Cornelis Pietersz. Ouboter zal overhandigen drie obligaties van resp. 100, 300 en 300 gl.
ONA Dordrecht inv. 352, f. 35: op 8 april 1673 testeren Wessel de Ram, beurtschipper van Dordrecht op Zeeland, en zijn vrouw Neeltgen Thonisdr. Ouboter, hij gezond, zij ziek in bed liggende. Tot hun erfgenaam benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk. Als hun kinderen komen te overlijden voor hun mondigheid of huwelijk, zal de langstlevende van de testateuren verplicht zijn aan de erfgenamen ab intestato van de eerststervende van hen beiden een bedrag van 400 gl. uit te keren. Tot voogden benoemen zij de langstlevende en de broer van de testateur, Vastert de Ram.
Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):
a-1-1. Antoni, 30 april 1659
a-1-2. Zacharias, 17 nov. 1660
a-1-3. Yda, 2 juli 1662
a-1-4. Theunis, 25 jan. 1665
a-1-5. Cornelia, 13 febr. 1667
a-1-6. Anna, 20 jan. 1670
a-1-7. Adriana, 31 jan. 1672
a-1-8. Petronella, 14 aug. 1673
a-1-9. Wouwter, 1 jan. 1675
a-1-10. Cornelis, 8 mrt. 1676
a-1-11. Vaster, 29 aug. 1678
a-2. Anneken Theunisdr. Oubutter, geboren ca. 1641, trouwde trouwde Jurriaen Cornelisz. van der Lip, vleeshouwer
a-3. Cornelis Theunisz. Oubutter, geboren ca. 1643, beurtschipper van Dordrecht op Veere, trouwde Maeijcken Reijnssen
ONA Dordrecht inv. 353, f. 39: op 9 april 1677 comp. Maeijcken Reijnssen, weduwe van Cornelis Theunisz. Ouboter, beurtschipper van Dordrecht naar Veere, geassisteerd met Cornelis Reijnssen, schipper en burger van Dordrecht, enerzijds, en Wessel de Ram, beurtschipper van Dordrecht op Veere, als man van Cornelia Theunisdr. Ouboter en Jurriaen Cornelisz. van der Lip, vleeshouwer en burger van Dordrecht, erfgenamen ab intestato van Cornelis Theunisz. Ouboter, hun zwager en diens overleden kind, genaamd Cornelia, welk kind ongeveer 10 maanden na haar vader is overleden, anderzijds. De eerste comparante meent, dat zij krachtens het testament, dat zij met haar man heeft gepasseerd voor notaris A. van Neten op 27 aug. 1675, mag volstaan met het uitkeren aan de erfgenamen ab intestato van haar man een bedrag van 25 gl. Waartegen de tweede comparanten van mening zijn, dat de weduwe gehouden is aan hen als erfgenamen ab intestato te voldoen de legitieme portie van het overleden kind. Door intercessie van notaris S. van der Heijden zijn zij met elkaar overeengekomen, dat eerste comparante aan de tweede comparanten zal betalen een bedrag van 55 gl., bovenop de voornoemde 25 gl.
ONA Dordrecht inv. 353, f. 48: op 15 mei 1677 verklaart Maeijcken Renssen, weduwe en enige erfgename van Cornelis Theunisz. Ouboter, beurstschipper van Dordrecht op Veere, dat zij van Cornelis Dircxs een bedrag van 200 gl. geleend heeft, verbindende haar huis in de Torenstraat, staande tussen het Pompstraatje en het huis van Gerrit Gillisz. Moijweer.
Kind:
a-3-1. Cornelia Ouboter, overleden ca. 1676
b. Jacob, gedoopt NG Dordrecht dec. 1607, jong overleden
c. Abel Cornelisz. Ouboter, volgt II
d. Anneken Cornelisdr.
e. Pieter Cornelisz. Oubutter, trouwde Dingentgen Arijensdr., weduwe van Dordrecht wonende in de Wijngaardstraat (1646), trouwde 2e NG Dordrecht 17 juni/1 juli 1646 Job Jansz. [Kuijter], weduwnaar van Dordrecht wonende in de Torenstraat (1646), schipper
– 29 dec. 1642: Antheunis Cornelisz. Ouwbutter en Jan Hubertsz. den Baes, schippers en burgers van Dordrecht, verklaren zich borg te stellen voor de voldoening van een schepenenschuldbrief van 2200 gl., verleden door hun broer resp. zwager Pieter Cornelisz. Ouwbutter t.b.v. Bouwen Pietersz., schepen en schipper van Ameijden, wegens de koop van een “craveelschip”. (ONA Dordrecht inv. 60, f. 704v)
– 3 sept. 1645: testament van Pieter Cornelisz. Ouwebutter, schipper en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Dingentgen Arijensdr., hij ziek in bed liggende, zij gezond en zwanger. Zij benoemen de langstevende van hen beiden tot erfgenaam, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan samen een bedrag van 200 gl. uit te keren. Tot voogden benoemen zij Antheunis Cornelisz. Ouwebutter, zijn broer, en Jan Hubertsz. Baes, haar zwager. (ONA Dordrecht inv. 68, f. 249)
– 6 aug. 1647: Dingentgen Arijensdr., weduwe van Pieter Cornelisz. Ouweboter en vrouw van Job Jansz. schipper, verklaart, dat zij met haar eerste man ten overstaan van notaris D. Eelbo op 3 sept. 1645 een testament heeft gemaakt, waarin is bepaald, dat zij, als zij de langstlevende zou zijn, hun kinderen tot hun mondigheid of huwelijk zou onderhouden en hun dan een bedrag van 200 gl. zou uitkeren. Zij wenst nu dat bedrag van 200 gl. te vergroten tot 400 gl. t.b.v. haar zoon Cornelis Pietersz., ongeveer 4 jaar oud, en uit te keren wanneer hij mondig wordt of gaat trouwen. (ONA Dordrecht inv. 62, f. 190)
ONA Dordrecht inv. 135, f. 415: op 28 sept. 1656 testeren Job Jansz. Cuijter schipper en zijn vrouw Dingentgen Arijens, burgers van Dordrecht. Hij legateert aan het voorkind, dat hij heeft verwekt bij Willemijntgen Otten, zijn eerste vrouw zaliger, een bedrag van 600 gl. Zij legateert aan haar voorkind, bij haar verwekt door haar eerste man zaliger Pieter Oubutter een bedrag van 1000 gl. Tot erfgenaam van al hun overige goederen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, op voorwaarde dat die langstlevende hun kinderen zal onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en hun dan onder hen allen een bedrag van 1400 gl. zal uitkeren. Tot voogden stellen zij aan de langstlevende van hen beiden, Adriaen Jansz. Loeff en Jan Huijbrechtsz. den Baes, resp. hun broer en zwager.
ONA Dordrecht inv. 136, f. 522: op 11 dec. 1657 testeren Job Jansz. Cuijter en zijn vrouw Dingentgen Arijensdr. , burgers van Dordrecht. Zij herroepen een eerder testament, dat zij gepasseerd hebben voor notaris A. van Neten te Dordrecht op 28 sept. 1656. De testatrice verklaart, dat zij, indien zij vóór haar man komt te overlijden, aan haar voorzoon Cornelis Oubutter, bij haar verwekt door Pieter Oubutter, maakt een somma van 1000 gl. en dat bovenop de fideïssaire goederen, die zijn gekomen van wijlen Hadewij Jans, en bovenop de somma van 400 gl., die haar zoon toekomt als zijn aandeel in zijn vaderlijke goederen. Haar man zal de opbrengsten ervan mogen genieten, en zal in compensatie daarvoor haar voorzoon onderhouden. Tot erfgenaam van hun overige goederen benoemen de testateuren de langstlevende van hen beiden, op voorwaarde, dat die hun kinderen zal onderhouden tot hun mondigheid, huwelijk of het moment, waarop zij in staat zijn hun eigen kost te verdienen, en hun dan onder hen allen een bedrag van 2200 gl. uitkeren. Indien al hun kinderen vóór hun mondigheid of huwelijk komen te overlijden, zal dat bedrag verdeeld worden als volgt: 200 gl. gaat naar de moeder van de testateur Maijken Arijens, en 2000 gl. naar zijn erfgenamen ab intestato. Zijn moeder zal dan haar leven lang het vruchtgebruik van de helft van die 2000 gl. krijgen. Als de testatrice als eerste en zonder kinderen na te laten komt te overlijden, moet de testateur aan haar voorzoon of bij vooroverlijden zijn nakomelingen of bij ontbreken daarvan aan haar erfgenamen ab intestato een somma van 1400 gl. uitreiken. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij zijn broer Adriaen Jansz. Cuijter en haar aangetrouwde neef Willem Cornelisz. van Dijck.

Dingentgen Arijensdr. met haar tweede man, Job Jansz. Cuijter, en hun kinderen, door Nicolaes Maes.

Kind (ex 1):
e-1. Cornelis Pietersz. Ouboter, geboren ca. 1643, zeilmaker
ONA Dordrecht inv. 263, f. 132: op 18 febr. 1695 compareren Cornelis Ouboter zeilmaker, zoon van Digna Adriaensdr., bij haar verwekt door Pieter Ouboter, haar eerste man zaliger, Abel Ouboter, getrouwd met Catharina Verweijden, die eerder weduwe was van Cornelis van Dijck, enige zoon en erfgenaam van Dingentien Aelbertsdr., bij haar verwekt door Willem Cornelisz. van Dijck, en Aernout de Ree, koopman en garentwijnder, als man Cornelia van Dijck, die samen met Albertus van Dijck, kind en erfgenaam is van Cornelis van Dijck, allen wonende te Dordrecht. Zij verklaren, dat Hadewij Jansdr., weduwe van Bartholomeus Gillisz. van Oosterhout, bij testament, gepasseerd voor notaris D. Eelbo op 8 febr. 1653, Digna Adriaensdr. en Dingentien Aelbertsdr., tot haar mede-erfgenamen heeft benoemd met last van fidei-commis op hun kinderen of verdere nakomelingen. Zij heeft dat testament met haar overlijden bevestigd, in welk testament Dingentien Aelbertsdr. is aanbedeeld aan een losrentebrief ten laste van het gemeneland van de provincie Holland, gedateerd 5 dec. 1646, staande op naam van Hadewij Jansdr. en inhoudende 1600 Vlaamse ponden. Na het overlijden van Dingentien Aelbertsdr. is deze rentebrief zonder belasting van fideï-commis aanbedeeld aan Aelbertus van Dijck, vermits het vooroverlijden van zijn vader Cornelis van Dijck. De comparanten verklaren geen aanspraak meer te maken op genoemde rentebrief.
II. Abel Cornelisz. Ouboter, geboren naar schatting ca. 1610, jongman van Dordrecht, schippersgast wonende in de Wijngaardstraat(1634), trouwde NG Dordrecht 3 dec. 1634, Neeltgen Aelbrechtsdr. (Aelbert Sijmonsdr.) Braet, jonge dochter van Dordrecht wonende in het Torenstraatje (1634), weduwe wonende in het Torenstraatje (1642), trouwde 2e NG Dordrecht 20 juli 1642 (ondertrouw) Nicolaes Catmans Jansz., jongman van Klundert, bakker wonende in de Kannenkopersbuurt [deel van de Voorstraat te Dordrecht] (1642)
ORA Dordrecht inv. 1607, f. 20: op 27 mei 1637 verkoopt Abel Cornelisz. Oudeboter, schipper en burger van Dordrecht aan Balten Baltensz. Salibosch, burger van Dordrecht, een huis in de Wijngaardstraat, staande tussen het huis van de erfgenamen van Willem Adriaensz. en dat van Melis Cornelisz. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 500 gl.
ONA Dordrecht inv. 60, f. 135: op 30 juni 1640 testeren Abel Cornelisz. Oubutter, schipper en zijn vrouw Neeltgen Aelbrechtsdr., burgers van Dordrecht, hij ziek in bed liggende, zij gezond. Tot erfgenamen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot mondigheid of huwelijk en dan onder hen allen een somma van 400 gl. uit te keren. Tot voogden stellen zij aan de langstlevende van hen beiden, Theunis Cornelisz. Oubutter en Willem Cornelisz. blokmaker.
ONA Dordrecht inv. 60, f. 182v: op 2 okt. 1640 compareren Mathijs Crijnen Nobel, schipper en burger van Dordrecht, weduwnaar van Marijcken Dircken, enerzijds, en Neeltgen Aelbertsdr., weduwe van Abel Cornelisz. Ouboter, geassissteerd met notaris Daniël Eelbo, en Willem Cornelisz., blokmaker en burger van Dordrecht, als man van Dingentgen Aelbertsdr., beiden voordochters van Marijcken Dircken, anderzijds. Zij verdelen de goederen, die Marijcken Dircken zijn nagelaten, als volgt:
Mathijs Crijnen Nobel krijgt een “kraveelschip”, een huis, genaamd “den Romeijn”, staande omtrent de Vuilpoort, een huis in de Heer Heijmanssuijsstraat, staande tegenvoer de poort van brouwerij “het Vergulde Cruijs”, en enige rentebrieven,
Neeltgen Aelbertsdr. krijgt een huis in de Torenstraat, waarin Marijcken Dircken is overleden,
en Willem Cornelisz. krijgt een obligatie van 1000 gl.
ONA Dordrecht inv. 61, f. 172v: op 24 aug. 1644 testeert Hadewij Jansdr., weduwe van Bartholomeus Gillisz. van Oosterhout, burgeres van Dordrecht, ziek in bed liggende. Zij benoemt tot erfgenamen, na aftrek van enige legaten, haar verwanten van moederszijde, t.w. Janneken Hendricxsdr., de vrouw van Hendrick Jansz. de Haen, Claertgen Arijensdr., de vrouw van Jan Hubertsz. Baes, Dingentgen Arijensdr., de vrouw van Pieter Cornelisz. Oudebutter, Neeltgen Aelbertsdr., de vrouw van Niclaes Jansz. Catmans, en Dingentgen Aelbertsdr., de vrouw van Willem Cornelisz. van Dijck.
ONA Dordrecht inv. 69, f. 117: op 18 juni 1650 testeert Neeltgen Aelbertsdr., de vrouw van Claes Jansz. Catmans, bakker en burger van Dordrecht, ziek in bed liggende. Zij prelegateert aan haar twee nakinderen, verwekt door Catmans, elk een bedrag van 50 gl. Zij benoemt tot haar erfgenamen haar drie voorkinderen, bij haar verwekt door haar eerste man, Abel Oubutter, en haar twee nakinderen, bij haar verwekt door haar tweede man, Claes Catmans. Tot voogden over haar voorkinderen benoemt zij Theunis Cornelisz. Oubutter en Willem Cornelisz. van Dijck, en over haar nakinderen haar man Claes Jansz. Catmans en Pieter Jansz. Mierman, wonende in Willemstad.
ONA Dordrecht inv. 99, f. 676: inventaris dd 4 aug. 1650 van de goederen van Neeltgen Aelbertsdr., laatst echtgenote van Nicolaes Katman bakker, beschreven door notaris Johan Schoormans, op verzoek van Nicolaes Katman, Neeltgen Arijensdr., de vrouw van Teunis Cornelisz. Outbutter, Dingna Aelbertsdr., de vrouw van Willem Cornelisz., namens haar echtgenoten, die voogden zijn van de voorkinderen van Neeltgen Aelbertsdr. [, bij haar verwekt door Abel Cornelisz. Oubutter]en Hester du Bois, echtgenote van Nicolaes Le Siere, als goede bekende. Tot de boedel behoren o.a.:
– een huis in de Torenstraat, staande tussen het huis van deze boedel en dat van Mercelis Jansz. kuiper,
– een huis in de Torenstraat, staande tussen het voorgaande huis en dat van ds. Stiphout, bewoond door Aert Gerritsz.,
– een huis in de Torenstraat, staande tussen het huis van Teunis Cornelisz. Oubutter en dat van Geerit van Duijnen, bewoond door Truijtien Cornelisdr.,
– een huis achter in de Torenstraat, gekocht van Hendrick Willemsz. Bree, staande op de hoek tussen het huis van Adam Schotsman en de straat, bewoond door Jan Cornelisz. Rotie.
– Schilderijen:
een schilderij van het lijden van Christus
id. van een “schuijrster”
id. van de deugd
id. van de vier jaargetijden
id. van de Boodschap
id. van de geboorte van Christus
een groot landschap
twee kleine landschappen
een schilderij zonder lijst, zijn een “boerenbanket”
twee schilderijen van de jacht
een Evangelist
een eierraper
een achtkantig “Seevaertgen”
vier landschapjes
een tronie met een witte pluim
een schilderij van het Samaritaanse vrouwtje
een landschapje met daarin een spelende herder met enkele lammeren en bokken
drie landschappen, één groot, twee klein
een “zeevaartje”
een landschapje met boerenhuizen met eiken lijst
een langwerpig banketje met appels, peren en kersen
een schilderij met enige ruiters en soldaten met dubbele vergulde lijsten
een kerstnacht op doek
een landschapje
een schilderij van de Drie Koningen uit het Oosten
een schilderij van Aäron
een schilderijtje, “daerse sitten en verkeeren”.
ONA Dordrecht inv. 107, f. 48: op 24 febr. 1652 comp. Tonis Cornelisz. Ouboter schipper en Willem Cornelisz., burgers van Dordrecht, als testamentaire voogden van de kinderen, die zijn nagelaten door Abel Cornelisz. Ouboter en Neeltgen Aelbertsdr., in hun leven gewoond hebbende te Dordrecht, enerzijds, en Claes Jansz. Catman, bakker, weduwnaar van Neeltgen Aelbertsdr. en stiefvader van voornoemde kinderen, anderzijds/ Zij verklaren door tussenkomst van Bartholomeus de Bel, stadhouder van Dordrecht, en Adriaen de Veer, burger van Dordrecht, tot een accoord gekomen te zijn, inhoudende, dat de eerste comparanten de kinderen zullen onderhouden, op voorwaarde dat Catman aan de eerste comparanten zal betalen een somma van 2150 gl. Ter compensatie daarvoor zal hij in bezit houden de goederen, die hij in gemeenschappelijke eigendom met Neeltgen Aelbertsdr. heeft gehad. Hij zal tevens tot zijnen laste nemen de besteding en kosten van Cornelis Abelsz. en alle rechterlijke onkosten, die in deze kwestie zijn betaald.
ONA Dordrecht inv. 107, f. 92: op 3 juni 1652 verklaart Claes Jansz. Catman, dat hij van de in voorgaande akte vermelde somma van 2150 gl. eerst zal voldoen een bedrag van 550 gl. en dat hij de resterende 1600 gl. zal afbetalen in termijnen en zal hypothekeren op twee naast elkaar staande huizen, belend aan de ene zijde door het huis van Marcelis Jansz. en dat van ds. Stiphout aan de andere zijde.
ONA Dordrecht inv. 64, f. 367v: op 8 febr. 1653 testeert Hadewij Jansdr., weduwe van Bartholomeus Gillisz. van Oosterhout, burgeres van Dordrecht. Zij benoemt tot haar erfgenamen o.a. de kinderen van Neeltgen Aelbertsdr., bij haar verwekt door haar eerste man Abel Cornelisz. Oubutter en haar tweede man Nicolaes Jansz. Catmans.

Kinderen:

a. Cornelis Abelsz. Ouboter, gedoopt NG Dordrecht okt. 1636, volgt III

b. Abel, gedoopt NG Dordrecht dec. 1640

III. Cornelis Abelsz. Ouboter, gedoopt NG Dordrecht okt. 1636, jongman van Dordrecht, wonende op de Nieuwe Haven (1656), bakker, schipper, trouwde NG Dordrecht/Papendrecht 23 april/7 mei 1656 Cornelia van den Berch Adriaensdr., geboren naar schatting ca. 1635,jonge dochter van Dordrecht, wonende [in de Voorstraat] bij de Vismarkt (1656), dochter van Adriaen Jaspersz. (van den Bergh), houtkoper, en Tanneken Canin

– 28 juli 1655: verklaring door Cornelis Abelsz. Oubutter, bakkersgezel, wonende te Dordrecht, 19 jaar oud, op verzoek van Johannes Muntz kruidenier. (ONA Dordrecht inv. 118, f. 481)

– 29 sept. 1659: overeenkomst tusse Dirck Claesz. Stoop, beurtschipper van Dordrecht op Antwerpen, burger van Dordrecht, en Cornelis Oubutter, burger van Dordrecht. Outbutter zal op het schip van Stoop varen als knecht, “tot leering vande navigatie”, en hij zal op het schip alles doen al hetgeen hem door Stoop opgedragen wordt. Oubutter belooft voor zijn scholing op het schip aan Stoop een bedrag van 70 gl. te betalen. (ONA Dordrecht inv. 199, f. 230)

– 9 april 1660: Cornelis Abelsz. Ouboter, schipper en burger van Dordrecht, verklaart schuldig te zijn aan Willem Cornelisz. van Dijck en Matthijs Marchal, burgers van Dordrecht, als voogden van zijn broers en zusters, een somma van 200 gl. (ONA Dordrecht inv. 120, f. 34)

– 7 mrt. 1676: Claes Jansz. Visser, schipper en burger van Dordrecht, legt op verzoek van Cornelis Pompe van Meerdervoort, schout van Dordrecht, een verklaring af. Hij getuigt, dat hij op 20 juli 1675 is geweest in het Grootschippershuis bij het Groothoofd, waar Pieter Barthoutsz. de Stercke, knecht van het Grootschippersgilde woont, en dat toen tussen Jan Lambertsz. Reijkoop, deken, en Cornelis Ouboter, oud-deken van het voornoemde gilde, enige woorden zijn gevallen, dat Ouboter van zijn stoel opstaande “met hevigheijt naer … Jan Lambertsz. toe willende, door … Engel Aertsz. Vaeck … wierde gestut ende tegengehouden [waarna] … Ouboter ende Vaeck metten andren in worstelinge gecomen, ende t’samen onder de voet gerocht sijn”. (ONA Dordrecht inv. 352, f. 379)

– 17 jan. 1686: testament van Jasper van den Berch, burger van Dordrecht, ziek in bed liggende. Hij prelegateert aan Cornelis van den Berch, zoon van Abraham van den Berch, zijn overleden broer, een bedrag van 1000 gl., aan zijn neef Anthonij van den Berch, eveneens zoon van zijn broer Abraham, wonende te Delft, 1500 gl., aan Marija Ouboter, vrouw van Leendert Jacobsz. schiptimmerman en dochter van zijn zuster Cornelia van den Berch, 1500 gl., aan Cornelia Ouboter, eveneens dochter van zijn zuster Cornelia, 500 gl., aan Adriaen Ouboter, zoon van zijn zuster Cornelia, 1000 gl., en aan zijn dienstmaagd, Christijna Gijslem, mits zij bij zijn overlijden nog bij hem inwoont, een bedrag van 200 gl. en “eerlijcke” rouwkleren. De testateur legateert aan de weduwe van Cornelis Jansz. Neelneef, “op te Made”, vier obligaties van resp. 150, 50, 75 en 50 gl., met de daarop verlopen interesten. Tot erfgenamen van al zijn overige na te laten goederen benoemt hij zijn zuster Cornelia van den Berch en haar drie kinderen, Marija, Cornelia en Adriaen Outboter, elk voor een 1/4 part in de ene helft, en Cornelis Abrahamsz. van den Berch, Anthonij Abrahamsz. van den Berch en Anna Abrahamsdr. van den Berch, kinderen van zijn overleden broer Abraham, elk voor een 1/3 part in de wederhelft. Tot executeurs van zijn testament en voogden over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij zijn neef Isaack Canijn en zijn goede bekende mr. Hugo Baen, thesaurier van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 190, f. 371 e.v.)

-21 april 1697: Cornelis Ouboter, oud-schipper en burger van Dordrecht, ziek in bed liggende, passeert zijn testament ten overstaan van notaris J. Melanen te Dordrecht. Hij verklaart, dat hij nu ongeveer 2 1/2 jaar bij zijn schoonzoon en dochter, Herman Pelckman en Marija Ouboter, “inden kost gewoont heeft”, zonder hun daarvoor iets betaald te hebben. Hij wil derhalve, dat na zijn overlijden aan Pelckman en zijn vrouw uit zijn “gereedste” na te laten goederen de al betaalde en nog te betalen “mondkosten” vergoed zullen worden. Hij stelt zijn dochter Cornelia Ouboter, of bij vooroverlijden haar wettige kinderen, aan tot erfgenaam in slechts haar “blote” legitieme portie. Tot erfgenamen van al zijnoverige na te laten goederen benoemt hij zijn schoonzoon en dochter, Herman Pelckman en Marija Ouboter. Hij stelt Pelckman aan tot voogd over zijn onmondige erfgenamen. De testateur tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 194, f. 210 e.v.)

– 13 mei 1697: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Cornelis Ouboter, oud-schipper en burger van Dordrecht, overleden op 13 mei 1697, beschreven door notaris J. Melanen op verzoek van Cornelia Pelckman, echtgenote van Frans de Riedt, bierdrager, thans op zee varende, en Herman Pelckman, bierdrager en burger van Dordrecht, als man van Marija Ouboter, samen kinderen en erfgenamen van voornoemde Cornelis Ouboter.

Baten:

– een schepenenschuldbrief ten laste van Davidt Crena viskoper, verzekerd op een huis, vanouds genaamd “den Snuijter”, staande omtrent de Grote Vismarkt 800 gl.

– een notariële obligatie verleden door Frans Hamers, luitenant op de “uijtlegger” van de Lek, onder borgtocht van Willem de Ringh, op 25 nov. 1694 60 gl.

– contant geld 276 gl. 14 st. 8 penn.

– huisraad en kleren, waaronder een zwarte hoed, aangenomen door Pelckman “ende in plaets vandien aent soontgen een niewen hoet gecoft”, en een pruik

Lasten:

– Herman Pelckman en Marija Ouboter hebben tegoed over mondkosten, die zij voor de overledene gedurende 2 1/2 jaar (van nov. 1694 tot mei 1697) hebben voorgeschoten 250 gl.

– Cornelis Ouboter en zijn vrouw Cornelia van den Berch hebben in het testament, dat zij hebben gepasseerd voor stadhouder en heemraden van Krimpen aan de Lek, aan hun dochters Cornelia en Marija Ouboter gemaakt de “bloote legittima portie” in de nalatenschap van de eerstoverlijdende van hen, testateuren, welk testament door het overlijden van Cornelia van den Berch is bevestigd.

– Marija Ouboter en haar man hebben de doodschulden, de begrafeniskosten en het salaris van de notaris betaald.

Het totaal der baten bedraagt 1240 gl., het totaal der lasten 646 gl. 5 st. 8 penn., zodat er een bedrag van 593 gl. 14 st. 8 penn. overblijft [Cornelia komt daarvan toe 98 gl. 19 st. en Marija 494 gl. 15 st. 8 penn.].

Verdeling van nalatenschap:

De legitieme portie van Cornelia Ouboter in de nalatenschap van haar moeder bedraagt 116 gl. 13 st. Samen met de legitieme portie in de nagelaten goederen van haar vader (98 gl. 19 st.) maakt dat 215 gl. 12 st.

De legitieme portie van Marija Ouboter in de nalatenschap van haar moeder bedraagt eveneens 116 gl. 13 st., de erfportie van Marija Ouboter en haar man in de nalatenschap van haar vader bedraagt 494 gl. 15 st. 8 penn. Zij hebben tegoed wegens voorgeschoten mondkosten voor haar vader 250 gl. wegens de door hen betaalde doodschulden en begrafeniskosten 137 gl. 7 st. en wegens het salaris van notaris J. Melanen 25 gl. 12 st. In totaal hebben zij recht op 1024 gl. 7 st. 8 penn.

(ONA Dordrecht inv. 194, f. 231 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Cornelia Ouboter, 11 juli 1658, trouwde Frans Jacobsz. de Riedt bierdrager

b. Marija Ouboter, 10 sept. 1660, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Boomstraat (1681), weduwe van Dordrecht (1692),trouwde 1e NG Dordrecht 30 nov./15 dec.1681Leendert Jacobsz. van Bruijnis, jongman van Geertruidenberg en daar wonende (1681), schiptimmerman, 2e Gerecht/NG Dordrecht/Grote Lindt 4/25 mei 1692 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Hendrick Pelckman, de bruid met Annetje Caspersdr. Loockemeijer) Herman Pelckman,weduwnaar van Dordrecht (1692), bierdrager

– 10 juni 1695: Herman Pelckman, bierdrager en burger van Dordrecht, als man van Marija Ouboter, enerzijds, en Cornelia Ouboter, vrouw van Frans de Riedt, tegenwoordig op zee zijnde, en Arijen van den Bergh, mr.-kleermaker, beiden als procuratie hebbende van Frans van Riedt, gepasseerd voor notaris F. Beudt op 11 okt. 1694, allen mede-erfgenamen van wijlen Tanneken Canin, weduwe van Adriaan Jaspersz. van den Bergh, hun grootmoeder van moederszijde, samen anderzijds, hebben een overeenkomst gesloten aangaande de goederen, die zij hebben geërfd van Tanneken Canin en die hun moeder zaliger, Cornelia van den Bergh, in vruchtgebruik heeft gehad, t.w. dat Herman Pelckman, als man van Marija Ouboter, in eigendom zal behouden, voor een bedrag van 1270 gl.,een huis tegenover het Torenstraatje op de hoek van de straat naar de opgang van de Boom, staande tussen die straat en het huis van kapitein Walbeeck, met het huisje en twee kamers daarachter, strekkende tot de grutmolen van kapitein Walbeeck. Cornelia Ouboter is daarvoor gecompenseerd met andere goederen, effecten en contante gelden. Herman Pelckman is schuldig aan Corstiaan van de Graaff een bedrag van 800 gl. (ORA Dordrecht inv. 799, f. 49v e.v.)

– 2 aug. 1697: Cornelia Ouboter, echtgenote van Frans de Riedt, die op zee is, en Herman Pelckman, bierdrager en burger van Dordrecht, als echtgenoot van Marija Ouboter, kinderen en erfgenamen van wijlen Cornelis Ouboter en Cornelia van den Berch, verklaren ontvangen te hebben van Isaack Canijn, als executeur-testamentair en voogd over de onmondige erfgenamen van Jasper van den Berch, oom van moederszijde van Cornelia en Marija Ouboter, de inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Tanneken Canijn, weduwe van Adriaen Jaspersz. van den Berch, hun grootmoeder zaliger, beschreven door A. van Neten, notaris te Dordrecht, op 20 mei 1672, de akte van boedelscheiding van Tanneken Canijn, gepasseerd voor dezelfde notaris op 8 juli 1672, het testament van wijlen Adriaen Jaspersz. van den Berch, verleden voor genoemde notaris op 6 mrt. 1663, het testament van Tanneken Abrahamsdr. Canijn alleen, gemaakt op 11 juli 1668, eveneens voor notaris A.van Neten, en het testament, dat zij heeft gepasseerd voor notaris A. de Haen te Dordrecht op 10 jan. 1671, benevens zeker rekest van Jasper van den Berch en Cornelis Ouboter, als man van Cornelia van den Berch, betreffende de “approbatie” van voornoemde inventaris en boedelscheiding, met de overeenkomst dienaangaande gesloten en de apostillen door het Gerecht van Dordrecht daarop verleend, resp. op 9 aug. en 20 sept. 1672. Akte ondertekend door Cornelia Ouboter. Pelckman tekent met de letters HPM. (ONA Dordrecht inv. 194, f. 291 e.v.)

– 15 juli 1700: Herman Pelckman, burger van Dordrecht, verkoopt voor 1400 gl. Frans Jansz. Block, burger van Dordrecht, een huis, staande tussen de Boomstraat en het huis van Theunis Hermense. (ORA Dordrecht inv. 1638, f. 65v)

– 8 febr. 1701: Johan van den Hatert, predikant te Papendrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Willem Provo, mr. chirurgijn wonende te Breda, volgens procuratie gepasseerd voor notaris C. van Eijl te Breda op 31 jan. 1701, verkoopt 600 gl. aan Herman Pelckman een huis in de Hofstraat (namen van de belenders niet vermeld). De koper is schuldig aan de verkopers een somma van 600 gl. (ORA Dordrecht inv. 803, f. 14)

– 28 mrt. 1713: Herman Pelckman verkoopt voor 400 gl. aan Johannis van den Hatert, predikant te Papendrecht, een huis in de Hofstraat (ORA Dordrecht inv. 1645, f. 14v)

c. Abel Ouboter, 1 juni 1667, schipper

ORA Dordrecht inv. 1641, f. 72v: op 10 nov. 1705 verkoopt Abel Ouboter, schipper en burger van Dordrecht, voor 1450 gl. aan Willem Verloven, mr. loodgieter en burger van Dordrecht, een huis tegenover de Nieuwbrug, staande tussen het Maselaarsstraatje en het huis, dat eigendom is geweest van Jan van der Meer, gewezen grutter.

d. Adriaen Ouboter, 9 juli 1670, onderzeilmaker op het oorlogsschip “Hontslaerdijck”, overleden aan boord van dat schip op 11 jan. 1690

– 3 mrt. 1690: ten overstaan van notaris J. Melanen leggen Arijen Cornelisz. van der Lip, 40 jaar oud, opperzeilmaker op het oorlogsschip “Hontslaerdijck” onder kapitein Jan van Convent, en Claes Pietersz. de Vlieger, 27 jaar oud, kwartiermeester op datzelfde schip, een verklaring af op verzoek van Cornelis Ouboter en Cornelia van den Berch, echtelieden wonende te Dordrecht. Zij getuigen, dat zij goed gekend hebben wijlen Arijen Cornelisz. Ouboter, zoon van dat echtpaar, die als onderzeilmaker op de “Hontslaerdijck” gevaren heeft. Van der Lip verklaart, dat Ouboter, nadat hij ongeveer een maand lang aan boord van het schip ziek gelegen heeft, op 11 jan. 1690 is overleden. Beide attestanten hebben Ouboter daags daarna, op last van kapitein Van Convent, helpen begraven “op Pleijmuijden” [Plymouth]. (ONA Dordrecht inv. 193, f. 301 e.v.)