Aktenboeken Dordrecht

Archief 1, inv. 15, akte 58: op 19 mrt. 1469 wordt bevolen door burgemeester en gerecht van Dordrecht de voogdij van Janneken Jacob van Botlantsdr., met toestemming van Jacob van Botlant enerzijds en de verwanten van moederszijde van het voornoemde kind anderzijds, t.w. van haar moeder Lijsbet Abelsdr., nl. aanZarus Duijck, Hendrick Mertensz. van wege Jacob van Botlant en Pieter Heijn Abelsz. Zij beloven “des voirsz. kints gueden wel te bewaeren”. Borg: Willem vanden Tympel Jansz. Zarus Duijck en Pieter Abels beloven hun borg hiervan schadeloos te houden.

Archief 1, inv. 15, akte 95: op 13 jan. 1470 transporteert Willem Andriesz. aan Jan Boll Gerijtsz. een schuldbrief van “sestienhalven” gulden.

Archief 1, inv. 15, akte 147: op 30 jan. 1470 hebben Sarijs Duijck en Gijsbrecht Duijck, gebroeders, aangesproken Pieter van Slingelant, Harman Haerts, genaamd den Pater, en Otto van Slingelant Ottensz., met hun “medeplegers”, en hebben van hen geëist “veroirsatinghe te hebben van eenen scroetambacht van also veel sij dair inne gehouden waeren te gelden” van het overlijden Heijlwij Jan van Naerssendochter, weduwe van Diric Ottensz., als erfgename van Vranck Gijsbrechtsz., haar oom.

Archief 1, inv. 15, akte 277: op 4 mrt. 1474 is Jan Geritsz. Bol “quit geschonde” door de kamer [het gerecht van Dordrecht] van de voogdij, die hij gehad heeft over Zarisgen en Matgen Saris Mertens.

Archief 1, inv. 15, akte 412: op 12 aug. 1480 verklaart joffer Hoete [?] Jan Boll Gerijtsdr., Joest van Muijlwijcks vrouw, te “calenchieren” alzulke verkoping van landen, renten etc., die haar man verkocht of bezwaard mag hebben, hetgeen hij gedaan heeft met een schepenenbrief, waarin hij zich verbonden heeft zijn goederen niet te verkopen of te bezwaren, tenzij met toestemming van Jan van Muijlwijck, zijn oom, Rutgart van der Hart en zijn overige voogden.

Archief 1, inv. 15, akte 1131: op 14 april 1518 comp. voor schepenen van Dordrecht Engbrecht Adriaensz., poorter en inwoner van Gouda, als man en voogd van Matgen Zarisdr., en verklaart “dattet noch binnen die eerste drie dagen is dat hij binnen der stede van Dordrecht gecomen is nae dat hij geweten heeft vanden doot van Joetgen [sic] Jan Bollendr.”, de moeder van zijn vrouw.