Kwartierstaat van Johanna van der Spoor

Geraadpleegde literatuur.

A. Nelemans, Sepulture ofte Graftboeck van de Augustijnenkerck te Dordrecht (Sliedrecht 1998).

Voorts heb ik gebruik gemaakt van de genealogische aantekeningen Vligerius-Burghoorn-Vinck in Erfgoedcentrum DiEP, archief 150 (handschriftenverzameling), inv. 869. (Zie kwartier 7 en hoger.)

I. Johanna (Anna) van der Spoor, gedoopt NG Dordrecht 5 aug. 1735, trouwde NG Oene (ambt Epe) 12 mei/13 juni 1755 ds. Jerphaes Benjamin van Blijenburgh, gedoopt NG Amsterdam 6 juli 1727 (Westerkerk, getuigen: Jerphaes Duijm en Mensia Duijm), zoon van Nicolaes van Blijenburg en Geertruij Duijm

Kinderen (allen NG gedoopt te Oene):

a. Nicolaes Govert, 2 mei 1756

b. Gerhard, 14 mei 1758

c. Johannes, 13 april 1760

d. Alida Maria, 8 nov. 1761

e. Jan Willem, 29 april 1764

f. Geertrui van Blijenburgh, 14 sept. 1766, overleden Amsterdam 10 april 1808, trouwde ‘s-Gravenland 28 april 1790 Gisbertus Matthias Royaards, geboren Opijnen 23 juni 1764, koopman te Amsterdam, overleden ald. 17 juni 1825, zoon van ds. Philippus Royaards, Ned. Geref. predikant te Opijnen en Heesselt (1741) en van Catharina Geertruid Peiffers. (Nederland’s Patriciaat 80e jaargang [1997], p. 331)

g. Johanna Helena Jenetta 30 okt. 1768

h. Anthonij, 28 jan. 1770

2. Govert van der Spoor, gedoopt NG Dordrecht 14 april 1708, jongman van Dordrecht wonende in de Stoofstraat (1731), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11/27 mei 1731

3. Alida Vermander (Vermande, Van Mander)gedoopt NG Dordrecht 3 april 1706, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Wijnbrug (1731),begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 mrt. 1755 (Alida Vermander vrouw van Govert van der Spoor in de Oude Breestraat, laat kind na, met één koets boven het getal)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht);

a. Isaac, 9 mrt. 1732

b. Janetta, 14 april 1733

c. Jenetta, 30 juni 1734

d. Johanna, 5 aug. 1735

e. Jenetta, 25 juni 1738

f. Jacob, 14 dec. 1740

g. Jenetta, 12 sept. 1742

4. Jacobus van der Spoor, jongman van Steenbergen wonende bij de Grote Kerk van Dordrecht (1700), garentwijnder wonende in de Vriesestraat (vermeld 1720), begraven Dordrecht (Nieuwkerk) 28 mrt. 1720 (Jacobus van der Spoor in de Oude Breestraat), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 11 april/2 mei 1700 (de buidegom geassisteerd met zijn neef Mighiel van der Spoor en met schriftelijk consent van zijn vader, de bruid geassisteerd met haar tante Jael Hovius en met schriftelijk consent van haar moeder)

5. Jannetta van Tricht, gedoopt NG Dordrecht 14 mrt. 1681jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Schrijversstraat (1700), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 9 jan. 1722 (Jenette van Tright, weduwe van Jacob van der Spoor, in de Oude Breestraat)

– 19 febr. 1714: Jacob van der Spoor en Jannette van Tricht, echtelieden en burgers van Dordrecht, verklaren, dat hun tanteMaria van Tricht, weduwe van Simon de Later, in haar testament, gepasseerd voor notaris B. van Gelsdorp te Dordrecht in jan. 1714, aan hun kinderen een bedrag van 100 gl. heeft gelegateerd, welk bedrag zij uit handen van de voogden, Pieter Immenhoff, medicus te Dordrecht en Andries Papegaij, binnenvader in het H. Geesthuis, hebben ontvangen. (ONA Dordrecht inv. 536, akte 8)

– 6 mrt. 1720: comp. Jacoba Plomp, weduwe van Willem van Terneij, IJsabella Dircx, weduwe van Dirck de Bruijn, Caatje Hotta, weduwe van Jacobus van der Kae, Saertje de Bij, jonge dochter, en Marta van Nieuwestijn, vrouw van Sijme van der Heggen, allen naaste buren van Jacobus van der Spoor, garentwijnder wonende in de Vriesestraat. Zijleggen op verzoek van diens vrouw, Janetta van Tricht, een verklaring af. Jacoba Plomp verklaart “dat sij getuijge omtrent drie jaren geleden … seer dickwils en verscheijde malen gesien heeft dat de voorn. Jacobus van der Spoor droncke was, en alsdan sijn voornoemde huijsvrouw seer qualijck bejegende met vloecken, drijgen ende slaen, oock verscheijde malen gesien te hebben dat hij het eeten dat sijn vrouw voor hem en sijn kinderen had claer gemaeckt op de vloer heeft gesmeten, oock dat hij sijn vrouw bij ’t hair gevat en met het hooft tegens de gront stiet, onder eijsselijck vloecken ende sweeren. Voorts verclaerde de tweede getuijge, IJsabella Dircx, dat sij omtrent twe jaren geleden op de camer int huijs van den voorn. Jacobus van der Spoor den tijt van 11 maenden heeft gewoont, en bij die occasie heeft gesien, dat den voorn. Van der Spoor meest alle dagen en sulx genoegsaem doorgaens en althoos droncke was, dat hij Van der Spoor sijn vrouw althoos qualijck bejegende met vloecken, schelden en thieren, deselve niet alleen dickwils heeft gedrijgt te sulle vermoorde”, waarbijzij zijn vrouw te hulp is gekomen, “maer oock op seeckere tijt te hebbe gesien, dat den voorn. Van der Spoor, seer droncke sijnde, een hamer heeft gehaelt, daeraen een lange scherpe punt was, die hij met grote vehementie op nam en, soo het scheen, voornemens was om sijn vrouw daer medehet hooft in te slaen, dat sij getuige sulx siende toegeschoten en hem agter over gesmete, en die hamer meester is geworden, waer op denselve Van der Spoorweder op staendeeen blote deege heeft gehaelt en daermede weder is aen comen lopen naer sijn voorn. vrouw, steeckende naer de selven, dog dat die deege door de getuijge al mede is ontweldigt … sijnde sij getuijge nae haer vertreck nog meenig malen naer het huijs van den voorn. Van der Spoor gehaelt, soo bij dag als bij nacht, om sijne huijsvrouw te helpen en voor ongelucken te bevrijden en haren man sijn boos voornemen te stuijten en sulx nog niet lange geleden te zijn. Voorts verclaerde de derde getuijge, Caetje Hotta …, dat sij omtrent de 2 jaren geleden in het huijs van den voorn. Van der Spoor is geroepen, ter oorsake daer moort en brant gescreuwt wert en alsdoen te hebben gesien, dat in sijn huijs aen den haert een bloot mes stont, seggende sijn vrouw dat haer man haer daer mede dreijgde den hals aff te snijden”, dat hij “bij die occasie zijn vrouw seer drijgde en tegen deselve eijsselijckvloeckte, dat deselve vrouw van Van der Spoor oock op verscheijde tijden aen haer huijs is comen vlugten en dat haer man haer verscheijde rijsen tot aen haer getuijgens huijs heeft komen naelopen. Nog verclaerde de voorn. Saertje van der Bij omtrent vier weken geleden gesien te hebben dat den voorn. Van der Spoor een tang van den haert genome ende daer mede naer sijn voorn. vrouw grslagen heeft, ’t geen haer sodanig op haer arme getroffen heeft, dat sij daervan op de aerde gevallen en ’t eenemael van haer selve is geweest, werdende daer op hare buren in huijs geroepen, alsoo sij dagte dat de voorn. vrouw dood was. Eijndelijck verclaerde de laetste getuijge Marta van Nieuwestijn [tijdens het laatstgenoemde incident] in het voorn. huijs den voorn. Van der Spoor te sijn gecomen, alwaer meer andere buren waren, hebbende de vrouw van Van der Spoor van haer selve zien legge, ende als oft sij dood was, hebbende voorts de selve Van der Spoor alsdoen nog hore segge, ick salse vermoorde, ick salse den hals breecke … dat sij getuijge den voorn. Van der Spoor met rede soeckende ter neder te setten … , seggende Van der Spoor, denck je niet datter een God is en diergelijc, denselve Van der Spoor daer op seijde praetje van God, praet van de duvel, en andere schrickelijcke sake, die alhier om redene niet sulle werde geëxprimeert. Voorts verclaerde de drie laetste getuijgen dat de voorn. Van der Spoor soo quaet aerdig is “, dat er niemand meer is, die in zijn huis durft te komen om zijn vrouw te helpen, dathetnoodzakelijk is, dat hij wordt vastgezet, omdat er anders ongelukken zullen gebeuren, dat “de vrouw en kindren van den voorn. Van der Spoor dagelijcxvol schrick en vrees zijn, datter oock een kind van hem door schrick en continuele alteratie albereijts beroert ofte lam is … gewerden, ende voorts dat de voorn. vrouw en kinderen van den gemelten Van der Spoor door sijne continueledronckenschap en grote quaetaerdigheijt dagelijx aen drijgende ongelucken sijn geëxponeert”.(ONA Dordrecht inv. 616, f. 39 e.v.)

– 28 mei 1720: begraven Jacobus van der Spoor, in de Oude Breestraat, “sonder goed” (Weeskamer Dordrecht inv. 113, f. 89)

– 10 jan. 1722: begraven Jenneken van Tricht, weduwe, in de Oude Breestraat, de kinderen in het Weeshuis (Weeskamer Dordrecht inv. 113, f. 35v)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Henrick, 5 jan. 1701

b. en c. Nicolaes en Govert, 13 dec. 1702

d. Nicolaus, 21 dec. 1704

e. Govert, 2 april 1707

f. Govert, 14 april 1708

g. Anna, 27 mrt. 1711

h. Willem, 8 okt. 1714

i. Barbara, 11 mei 1717

6. Isaac van Mandelen (Vermandel/Vermander), gedoopt NG Dordrecht 17 juni 1675, ca. 1696 drost, dijkgraaf en gaarmeester te Hagestein, bakker te Batavia in Oost-Indië (vanaf 1716),overledenald.op 4 sept. 1724,trouwde naar schatting ca. 1695

7. Anna Vligerius (Vigerius, Vezelius, Vregels, Vregelis), geboren Leerdam 5 aug. 1672,gedoopt ald. op 7 aug. 1672, overleden Dordrecht9 jan. 1725, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 16 jan. 1725 (Anna Vregelis, weduwe van Yssaack van der Mander, naast de Vriesestraatssteiger, met vijf kinderen, met de “ordinaire” koetsen)

Dat Isaac een zoon was van Dirck Vermander en Henrica Lottum (kwartieren 12 en 13) blijkt uitde aantekeningen in een familiebijbel, gemaakt door Isaacs kleinzoon Dirck van Beest:

“Mijn vader [Hermanus van Beest] is getrouwt met pieternella Vermander – die verwekt hebbe 11 kindre … Pietern. Vermander haar vader, dat mijn grootvader is. voerde de naam Isaac gehuwt met Anna Vligerius, daaruyt verwekt Willem, dirk, dirk, pieternella, Alida & Isaac (welke 1ste dirk 1/2 ja. geleeft) alle drie d’soone naar Oostind. gevaare, Willem ongehuwt gestorve, op polosinko, als opperst van de kust. Dirk heeft 3 [vrouwen] gehat, d’1ste was de wed. van Lokman, d’2de Hartenberg, haar vader gouverneur van sijlon, d’3 barrovius wed. (… ?) Doresla(er) te Amsterdam sijn vader was pred. alhier en beroep. te Amsterdam, dog zonder kindre overl. Alida is gehuwd met Govert van d Spoor verwekt dogter Johanna genaamt, is nog gehuwd met een pred. Joh. Benjam. van Bleyenburg, pred. te ophemert bij tiel. Mijn grootv. Isaac heeft gehat hendrik en Adriaan als sijne twee heele broeders. Syn halve broed. was dirk paradys en … [half]zuster Maria (thans nog leeve). Hendrik is getrouwt met Alida Smith daaruyt verwekt is een soon dirk vermand(er) Isaac getro. met Maria Truytman op batavia (… ?) sond. kind. gestorven … Adriaan Vermand(er) is getrouwt met Susanna Goll woont te Weesel sond. kind overleede, vermits hij wel en sij meede diep in de 60 oudt waare.” (De Nederlandsche Leeuw 1965, kol. 400)

Familiewapen Vermander: in zwart een zilveren zwaan met gouden kroon om de hals, zwemmende in blauw water. (De Nederlandsche Leeuw 1965, kol. 396)

– 16 juni 1688: attestatie gegeven aan Anna Vligerius jonge dochter, gewoond hebbende bij de Augustijnenkerk, vertrokken naar Amsterdam (NG trouwboek Dordrecht)

– 9 juli 1696: Abram de Rath, koopman te Dordrecht, stelt zich borg voor Ysaack van Mandel, drost, dijkgraaf en gaarmeester van de hoge heerlijkheid Hagestein. (ONA Dordrecht inv. 596)

– 25 sept. 1697: attestatie gegeven naar Hagestein aan Isaac van der Manden (NG trouwboek Dordrecht)

– 24 april 1712: ondertrouwd voor het Gerecht van Dordrecht Hendrick Wiemans, jongman van Osnabrugge wonende in de Nieuwstraat geassisteerd met Isaac Vermandelen zijn goede kennis met Anna Demans, jonge dochter van Lennig in het Land van Gulick wonende in de Kolfstraatgeassisteerd met Jenneken Huberts haar goede kennis

– 6 mrt. 1716: Isaacq Vermander [Vermandelen doorgehaald] is voornemens naar Indië te vertrekken en verleent procuratie aan zijn vrouw Anna Vligerius om gedurende zijn afwezigheid zijn zaken waar te nemen en bij “versterf” de goederen, die zij zouden mogen erven te schiften, scheiden en verdelen, etc. Hij tekent met I. v. Mander. (ONA Dordrecht inv. 653, akte 14, f. 44 e.v.)

– 17 jan. 1724: Anna Vligerius, weduwe van Isaacq Vermande, wonende te Dordrecht, stelt aan als voogden Adolff van der Linden, koopman te Dordrecht(administrerend voogd) en Michiel Passchier, bakker en burger van Dordrecht (toeziend voogd). Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 659, akte 2, f. 3 e.v.)

– 15 jan. 1725: comp. voor notaris A. van Nievelt Adolph van der Linde Johansz., koopman in ijzer te Dordrecht. Hij verklaart, dat wijlen Anna Vligerius, weduwe van IJsaack Vermande, “onlancx overlede en nu nogh boven aerde staende, heeft kunnen goetvinden om hem comparant aen te stellen tot administrerende voogd over hare minderjarige kinderen en tot toesiende voogd d’Heer Adriaen Vermandele, capitein luitenant ter zee ten dienste deser Lande, ende gemerckt sulcx is geschiet buijten kennis off weten van den comparant, die vervolgens van den staet van den boedel, ende naerlatenschap van de voornoemde overledene (vooralsnogh) geene kennisse is hebbende en mitsdien niet en can resolvere om in sijne gemelte qualitijt als voogd den voornoemde boedel te adiëren, ofte repudiëren, waeromme soo verclaerde den selve comparant de meer voornoemde overledene wel te sullen doen begraven en de dootschulden vandien te betalen, sonder sigh selve daer door eenigsints in sijne voornoemde qualitijt als erffgenaem van de voornoemde overledene te gedrage, als daer van wel expresselijcke protesterende bij dese …, omme, naer ingenome informatie en kennisse van de ware gestaltheijt van den voornoemde boedel, als dan te doen soo als te raden werden sal.” (ONA Dordrecht inv. 619, akte 4)

– 3 dec. 1726: de weesmeesters van Dordrecht hebben aan het Gerecht te kennen gegeven, dat de weesmeester te Batavia in Oost-Indië “bij haere missive, in dato 25 Novemb. 1724 aen de Weescamer deser stad hadden geremitteert en overgemaeckt een somma van [4512 gl.] … met 4 per cento opgelt … te samen uijtmakende een capitael van [4692 gl. 10 st.] … nagelaten door Isaac van Mander [Vermande], tot Batavia voornt. overleden, ten behoeve van sijne nagelate weduwe Anna Vliegerius en welke voors. somma op den 3 Decemb. des jaers 1725 bij heeren weesmeesteren deser stad was ontfangen, dat de voors. Anna Vliegerius bevorens op 19 Febr. 1725 [sic] overleden sijnde tot administrerende voogt over haere minderjarige kinderen hadde aengestelt Adolff van der Linden coopman binnen dese stad aen wien door haer heeren weesmeesteren kort nae den ontfang kennisse was gegeven vande voors. ontfangene penningen met offertes van aan hem in sijn qualiteijt vier vijfde parten vande voors. gelden te willen … overgeven blijvende het resterende 1/5 part voor den minderjarigen uijtlandigen soon ter Weescamer alhier berustende ter tijde ende wijle denselve procuratie op imand hier te lande soude hebben gesonden of ordre gestelt op het maniement of tot het ontfangh van sijn vijfde part in die gelden, dat den voors. Adolff van der Linden die offertes onder sekere frivole pretexten en sustenuen hadde van de hand gewese ende gerefuseert, dat sij heeren weesmeesteren nogh ten overvloede op den 20 Decemb. 1725 door haren Camerbewaerder den voorn. van der Linden hadden laten insinueren ten eijnde hij in qualiteijt voors. de voorn. vier vijfde parten van de overgemaekte gelde alsnogh soude comen te ontfangen also deselve in gereetheijt lagen dogh dat den voorn. van der Linden … in sijn ongefondeert gesustineerde opiniatrerende de voors. tot merkelijke prejuditie van sijne pupillen renteloos had laten leggen en gesegt t’geheel of niets te willen ontfangen, dat sij heeren weesmeesteren wel hadde getragt door verschijde redenen en motiven den selven van der Linden van sijn gesustineerde te doen afsien met verdere offertes dat in geval eenige schulden inden Boedel van Anna Vliegerius gevonden en onbetaelt waeren gebleven de selve voor het 1/5 part uijt de penningen van den meerderjarigen [zoon] aen hem van der Lindente sullen opleggen, restitueren ende betaelen, dogh dat alle minnelijke voorslagen en aanbiedingen vrugteloos waeren geweest … weshalven sij heeren weesmeesteren hadde goetgevonden de saeck te brengen tot kennisse van desen geregte omme bij haer … sodanig gedisponeert ende geresolveert te werden als [zij] … oordeelen sullen te behooren. Waer op gedelibereert sijnde ende alvorens gehoort hebbende het mondelinge gededuceerde van Adolf van der Linde dewelke ten dien eijnde voor [het Gerecht van Dordrecht] was geciteert, is goetgevonden … het gedrag, ende conduites van heeren weesmeesteren in desen gehouden te approberen … en voorts geresolveert de heeren weesmeesteren te … gelasten, alsnog de vier vijfde parten van de overgemaekte gelden aen den voorn. van der Linden in sijne qualiteijt te presenteren ende over te geven met offerte van door haer heeren weesmeesteren gedragen te werden 1/5 inde openstaende schulden voor het contingent van den meerderjarigen uijtlandigen soon”, en Van der Linden te gelasten om de 4/5 parten in de overgemaakte gelden binnen 8 dagen bij de Weeskamer in ontvangst te komen nemen en dat geld vervolgens ten behoeve van zijn pupillen te beheren. (ORA Dordrecht inv. 16, f. 155 e.v.)

– 20 jan.1729: (In de marge van de navolgende akte staat: “Overgebragt door de Rendanten in desen aen Hermanus van Beest in huwelijck hebbende Pieternella Vermandel alsmede aen deselve Pieternella Vermandel op den 20 Januarij 1729”.) Rekening gedaan door de kinderen en erfgenamen van wijlen Adolff van der Linden Johansz., koopman te Dordrecht, en dat van deontvangsten en uitgaven, die hij heeft gekregen resp.gedaan als testamentaire voogd over de minderjarige erfgenamen van wijlen Anna Vligerius, echtgenote van Isaack Vermandel, eertijds bakker te Batavia in Oost-Indië, volgens de inventaris daarvan, welkeop 18 jan. 1725 is gepasseerd ten overstaan van notaris S. de Moraas te Dordrecht. De akte bevat tevens een rekening van de gelden,komende uitde nalatenschap van voornoemde Isaack Vermandel en door de Weeskamer van Batavia ten behoeve van zijn weduwe overgedragen aan de Weeskamervan Dordrecht.

Ontvangsten: alle winkelwaren, meubelen en huisraad van Anna Vligerius, benevens de goederen, die uit de Bank van Lening zijn gelost, zijn door vendumeester Wor publiekelijk verkocht, wat heeft geresulteerd in een bedrag van 973 gl. 10 st. 8 penn. Daarbij gevoegd een aantal met succes teruggevorderde schulden, komt het totaal op 995 gl. 16 st. 8 penn.

Uitgaven: totale uitgaven bedragen 491 gl. 12 st. 8 penn.

(de daaronder begrepen “doodschulden” bedragen:

– aan het bakkersgilde voor het dragen van de overledene: 29 gl. 4 st.

– aan de secretarie van Dordrecht voor het recht van begraven: 3 gl. 4 st.

– aan de bidders, aangesteld door de dochters van de overledene: 10 gl.

– voor de lijkkoets: 6 gl. 10 st.)

Positiefsaldo van de boedel: 504 gl. 4 st., te verdelen onder de vijf kinderen van Anna Vligerius, met name Pieternella, Alida, Willem, Dirck en Isaack Vermandel,en derhalveaan ieder 100 gl. 16 st. 13 st.

“Tweden ontfangh”: wegens de gelden, die door de Weeskamer te Batavia aan de Weeskamervan Dordrecht zijn overgemaakt wegens de nalatenschap van Ysaack Vermandel 4692 gl. 10 st.

Na aftrek van enige kosten resteert daarvan 4591 g. 18 st., ofwel voor ieder kind 918 gl. 7 st. Van deze 4591 gl. en 18 st. heeft de administrateur Jan de Bruijn voor rekening van de meerderjarige zoon, Willem Vermandel, diein Indië verblijft, afgehouden 1/5 deel, zijnde een bedrag van 918 gl. 7 st.

Verminderd met het aandeel van Willem Vermandel en nog enkele andere kosten blijft over voor de vieroverige kinderen: 3642 gl. 7 st.

“De voorn. vijff kinderen van … Anna Vligerius is door dood en overlijden van derselver kindren grootmoeder Alida Burghloon, weduwe van Willem Vligerius, tot Leerdam overleden, aengecomen met haer alle een 1/5 part van den selven boedel, aengesien (naer beste kennis, ende wetenschap) de voorn. weduwe Vligerius vijff kindren off kintskinderenen sulx vijff staken tot hare erffenisse heeft naergelaten en geïnteresseert sijn achtervolgens der selver testament en uijtterste wille voor schepenen van Leerdam gemaeckt den 28 meij 1715 en nogh van seeckere acte van uijtcoop tusschen de voorn. weduwe en hare kinderen gemaect mede voor schepenen van Leerdam den 22 september 1698 en laestelijck volgens seecker codicil off acte van approbatie van haer voorn. testament van den voorn. 28 meij 1715 nu laest almede voor schepenen van Leerdam op den 21 october 1721 heeft verleden, sijnde tot executeur over dat testament en tot voogd over de minderjarigen daerbij geïnteresseert aengestelt de Heer Diderick Vinck wonende tot Leerdam, … en alsoo de voorn. erffenisse tot de administratie van [de boedel van Anna Vligerius] … niet en hoort ofte specteert, soo wert dese alleen hier gebragt tot naerigtinge van de geïnteresseerdens van dien en sulx voor Memorie”.

“Uitgeeff jegens den voorn. tweden ontfangh”: totaal 735 gl. 1 st. (o.a. 587 gl. 4 st. aan Jan Hartman, koopman te Rotterdam, wegens geleverde sitsen en katoenen en 91 gl. 1 st. t.b.v. de 40e penning)

Resteert: 2907 gl. 16 st., te verdelen over vier kinderen, ofwel een somma van 726 gl. en 19 st. voor elk.

Alida Vermandel heeft recht op in totaal 827 gl. 15 st. 13 penn.

Voor haar is uitgegeven aan o.a. kleding, schoeisel, school-, kost- en leergeld: 202 gl. 7 st. 13 penn.

en aan haar isreeds uitgekeerd op 20 jan. 1729op last van het Gerecht van Dordrecht: 200 gl.,

zodat zij nog recht heeft op 425 gl. 8 st. en 13 penn.

(bij de voor haar gedane uitgaven staan de volgende posten:

nov. 1727: betaald aan de naaister Maeijcke Vermandele voor 4 maanden kostgeld 28 gl. en 13 st. en

juni 1728: betaald aan Magdalena de Bond voor een half jaar kost en leergeld 60 gl.)

(ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht, behalve a):

a. Willem Vermander, geboren naar schatting ca. 1699, verbleef in 1729 in Oost-Indië (ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)

b. Dirck, 23 april 1700, jong overleden

c. Dirck Vermander, 10 aug. 1701, overleden na 20 jan. 1729 (ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)

d. Pieternella Vermander, 23 nov. 1703, begraven Dordrecht 20 juni 1789, trouwdeDordrecht 9 mrt. 1727Hermanus van Beest, geboren Dordrecht13 dec. 1706, eigenaar van een kalkmolen te Dordrecht, meester-hoedenmaker te Dordrecht, begraven Dordrecht 11 april 1797, zoon van Adriaen van Beest en Anna van der Light (De Nederlandsche Leeuw 1965, kol. 401)

– 27 mei 1732: Francois van de Lisse en Renardus Urbanus Pixotte, kooplieden te Dordrecht, benevens Jacobus Gaffelbroeck, koopman te Amsterdam, aangestelde executeurs-testamentair en voogden over de minderjarige dochtersdochter van Maria van den Kennip, in haar leven weduwe van Johannes van Diest, overleden te Dordrecht, en nog als procuratie hebbende van voornoemdeJacobus Gaffelbroeck, volgens procuratie gepasseerd voor notaris H. van Wetten te Dordrecht op 16 mei 1732, verkopen aan Hermanus van Beest, burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij de Pelserbrug, vanouds genaamd “de Haartplaat”, staande tussen het huis van Catharina Mes, weduwe van Gijsbert van Driell, en het huis, dat op diezelfde dag is getransporteerd aan Bastiaan de Visser, voor een bedrag van 1178 gl. en 15 st. De koopsom is gedeeltelijk voldaan met 378 gl. en 15 st. contant en gedeeltelijk met het passeren van een schuldbrief van 800 gl. Hermanus van Beestverklaart schuldig te zijn aan verkopers 800 gl., daarvoor verbindende het voornoemde huis. In de marge van de hypotheekakte staat:comp. Hermanus van Beest en toonde de originele brief met op de rug daarvan de kwitantie, waarbij bleek, dat de schuld volledig was voldaan. Derhalve geroyeerd op 22 juni 1751. (ORA Dordrecht inv. 817, f. 45v e.v.)

– 22 sept. 1740: Hermanus van Beest, meester-hoedenmaker en burger van Dordrecht, bekent schuldig te zijn aan Pieter van Beest ,wijnkoper te Dordrecht, een somma van 1200 gl. wegens geleende gelden, daarvoor verbindendeten eersteeen huis in de Voorstraat bij de Pelserbrug, staande tussen het huis van Christiaan van Pelt en dat van Pieter Kop en tentweede de vrijdom van een visstal op de Grote Vismarkt te Dordrecht, getekend nr. 14. Schuldbrief geroyeerd op 29 jan. 1761. (ORA Dordrecht inv. 819, f. 217 e.v.)

– 29 okt. 1754: Pieter van Gelsdorp, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Johan van Geenland, oud-schepen in Gorinchem, als echtgenoot van Margareta ’t Hooft, Adriaan ’t Hooft, koopman te Rotterdam, Cornelis van Cruijskerke, oud-schepen, Adriaan van Cruijskerke, raad en vroedschap en Agnita van Kruijskerke, meerderjarige dochter, allen wonende te Gorinchem, alsmede procuratie hebbendevan voornoemde Cornelis en Adriaan van Cruijskerken, als voogden over de minderjarige kinderen van Anna van Cruijskerken, in huwelijk verwekt door mr. Huijbert Snoek, raad en vroedschap te Gorinchem, samen enige erfgenamen van wijlen Marija van Cruijskerken, weduwe van oud-schepen Johan Snoek, volgens procuratie gepasseerd voor notaris Martinus Mekern te Gorinchem op 18 sept. 1754, verkoopt aan Hermanus van Beest, hoedenmaker te Dordrecht, een huis met een pakhuis daarachter inde Voorstraat, staande op de hoek van het Molenstraatje omtrent de Vuilpoort, tussen het Molenstraatje en het huis van Pieter van Driel, voor 1517 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 825, f. 58v e.v.)

e. Alida Maria, 3 april 1706 (= kwartier 3)

f. Isaac Vermander, 29 mrt. 1710, verbleef in 1729 in Oost-Indië (ONA Dordrecht inv. 621, f. 5 e.v.)

10 Govert van Tricht, gedoopt NG Dordrecht 10 mrt. 1652,jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1676), wijnkuiper, munter (ca. 1683-1686), overleden Dordrecht 12 sept. 1689, trouwde NG Dordrecht 16 aug. 1676 (ondertrouw)

11. Anna van der Poel, gedoopt NG Dordrecht 7 okt. 1658,jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Beurs (1676), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 mei 1709 (juffr. Anna van de Poel, weduwe van Govert van Trigt, woont in de Breestraat)

– ca. 1683: Govert van Tricht door zijn zwager Wilhelmus van de Poel ingeleid als muntersknaap. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X, p. 78)

– 1686: Govert van Tricht stelt zijn knaapplaats weer ter beschikking van zijn zwager en meester Wilhelmus van de Poel. (Idem, p. 79)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Maria, 6 juni 1677

b. Johanna, 19 juli 1679

c. Jannette, 14 mrt. 1681

c. Johannes, 7 jan. 1688

12. Dirck Vermandel (van de Mandelen), gedoopt NG Dordrecht 12 jan. 1652, jongman van Dordrecht wonende voor het Bagijnhof (1671), drilmeester (1686), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 19 febr. 1686 (een baar voor Dirck van de Mandelen drilmeester in de Houttuinen op de haven bij de Schuitenmakersstraat), trouwde NG Dordrecht/Rijsoord 11 okt. 1671/25 okt. 1671

13. Henrica (van) Lottum (Lotting), jonge dochter van Rotterdam wonende in het Steegoversloot te Dordrecht (1671), weduwe wonende op de Nieuwe Haven (1687), trouwde 2e NG Dordrecht/Dubbeldam 19 okt. 1687 Matthijs Paradijs, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1687), hospes in herberg “de Gouden Molen” (vermeld 1691)

– 27 juni 1678: comp. voor notaris G. de With te Dordrecht Jacob Sonnemans, achtraad te Dordrecht, Wierick Bouff, Geerit Bouff, Arent Boon, Jacob Roscam en Aernoldus van Houwelingen, burgers van Dordrecht, resp. meesters en muntersknapen in de Grafelijkheidsmunt van Holland te Dordrecht, die op verzoek van Adriaen van Blijenburgh, heer van Naaldwijk, als waardijn van de Munt, een verklaring afleggen. Zij zeggen op 23 juni 1678 in de Munt aanwezig te zijn geweest, “ter occasie vande ordinaris jaerlijcxe vergaderinge totte verkiesinge van provoosten en geswoorens vande voorsz. munte” en dat daar mede present waren Hendrick van Ringen, meester-munter en Dirck van der Mandelen en Gijsbert Schul, muntersknapen. De attestantenWierick Bouff en Jacob Roscam verklaren, dat Van Ringen, Van der Mandelen en Schul zich “tegens ofte ontrent den avont vervoechden aen ’t hooge eijnde vande tafel alwaer des heere requirants zoon … Adriaen van Bleijenborch, als contra wardijn, nevens de provoosten en gesworens [die hiervoor staan vermeld] … waren sittende ende … deselve tegens alle die officieren en regenten vande Munte … maeckten seer veele woordenen dispuijten, groote comotie, en daer naer … injuriën lasteren en schelden en eijntelijck dreijgementen met een opstinate boosheijt uijtbraeckende, fulminerende tegen d’voorn. officieren op een seer impertinente wijse, ende in onlijdelijcke chocquante termen, alle te veelste langh om hier te expresseren.” Gevraagd, of niet waar is, dat Dirck van der Mandelen in het algemeen en zondereenspecifiekepersoon te noemen, zei: “Ick salse met een mes inde huijt bruijen en de camer schoon maecken” en vervolgens een “knijff ofte sluijtmes” uit zijn zak heeft gehaald, zeggen de getuigen Wierick Bouff en Roscam, dat er werd geroepen: “hij heeft een mes, neem hem zijn mes af” en dat zij beidenmet andere aanwezigen naar Van der Mandelen zijn gerend en hem onder voet hebben gelopen. Wierick Bouff heeft de zakken van Van der Mandelen doorzocht maar daarin geen mes gevonden.Gevraagd, of Van Ringen, Van der Mandelen en Schul, en in het bijzonder de twee eerstgenoemden, bleven doorgaan met “wrocken, knorren en morren, schijnende niet anders als questie en geschil besonderlijck tegens d’voorn. officieren te hebben ofte te soecken”, verklaren Sonnemans, Wierick Bouff en Arent Boon, dat het inderdaad zo is gegaanen dat Van Ringen “seer vloeckten, om dat hij geen knaap konde crijgen, ende dat d’voors. Van Ringen, Van der Mandelen en Schul deswegen dickwils in boete beslagen wierden, doch dat d’selve sulcx niet achtende, echter voortgingen”. Gevraagd of Van Ringen en Van der Mandelen, diezelfde avond beneden in het voorhuis de provoost Lourens van Duijnen “op’t lijff vielen, hemsloegen, ende in’t aengesicht quetsten, in sulcken voegen dat den selven sijnde een out man die sich tegens sulcke twee jonge en fluxe geweldenaers niet conde verweeren, moeste werde ontset, en uijt hare handen gereddet” doorDirck van Noij, de oudste provoost en boekhouder van de Munt, en doorWierick Bouff,verklaart Jacob Sonnemans, datVan RingenLourens van Duijnen een klap in het gezicht heeft gegeven en dat Van Noij Van der Mandelen heeft beetgepakt en “met hem worstelde”, hetgeen door de getuigen Wierick en Gerrit Bouff wordt bevestigd.”Gevraagd of VanRingen en Van der Mandelen daarna Van Noij hebben aangevallen en Van Ringen heeft geroepen “Schul verlaet ghij mij nu,” verklaart Sonnemans, dat Ringen Van Noij heeft aangevallen, maar dat hij, Sonnemans, hem met stokslagendaarvan heeft afgehouden. Kapitein Bouff zegt, dat hij Sonnemans niet heeft zien slaan, maar hij en Boon zeggen hebben wel te hebben gehoord, dat Van RingenSchul te hulp heeftgeroepen.Op de vraag, of niet waar is, dat Gijsbert Schul op dat roepen aanstonds naar beneden is gekomen, enWierick Bouff hem heeftgeprobeerd tegen te houden, maar dat Schulhem “met toonbanck en al in’t voors. voorhuijs onder de voet smeet ende als los geraecktsijnde, off hij doen d’voors. van Ringen en van der Mandelen niet te hulpquam, oft bijviel”, antwoorden Sonnemans, kapitein Bouff en Boon, dat het inderdaad zo is gebeurd.Vervolgens wordt de getuigen gevraagd,of Van Ringen, Van der Mandelen en Schuldaarop Van Noij niet zo mishandeld hebben, dat zijn linkerhand “ten deele te bersten geslagen is, een gat ofte quetsuer in sijn voorhooft boven de neus tusschen beijde de oogen geïnfligeert, aen ’t rechterbeen seer gequetst, ende voorts op veele plaetsen van sijn lichaem bont en blauw geslagen ” is, en voorts of de moeder van Van Ringen er ookniet bijgekomen is om haar zoon en de anderen te helpen en de provoost met de stok ofkruk, waarmee zij loopt, zo hard als zij kon, heeft geslagen. Dit alles wordt door de getuigen bevestigd. Gevraagd of Van Ringen daarna niet Sijmon van Duijnen, gezworene van de Munt, heeft uitgescholden en hem heeft uitgedaagd om, “indien hij ’t hart hadde, met hemVan Ringen aende Noordendijck een sneetjen te leggen”, antwoordt Sonnemans bevestigend. Gevraagd of Van Ringen niet onmiddellijk daarop de Munt heeft verlaten om bij kapitein Le Blom een mes te kopen enkort daarnaweer in de Munt is teruggekomen, zegt getuige Roscam, dat kapitein Le Blom naar de Munt is gekomen om te waarschuwen, dat er een munter bij hem een mes was komenkopen. Gevraagd, of de provoost Johannes van Wageningen toen niet op vriendelijke toon tegen Van Ringen heeft gezegd, “dat hij hem soo niet en conde ofte behoorde aen te stellen” enVan Ringen toen tegen hem heeft geroepen “jouw dieff, jouw plaetsdieff” en dergelijke woorden meer,antwoorden Roscam en Van Houwelingen, dat het inderdaad zo is gegaan.(ONA Dordrecht inv. 239, f. 121 e.v.)

– 24 mei 1696: Matthijs Paradijs, substituut-drost van de hoge heerlijkheid Hagestein, zijn vrouw Hendrica Lottum en Ysaack Vermander, drost van Hagestein, verklaren schuldig te zijn aan Abram de Rath, koopman te Dordrecht, een somma van 3000 gl. wegens geleende penningen. Vermander verbindt voor de aflossing van deze schuld zijn aandeel in de nalatenschap van Maeijcken Aertsdr. Smits, zijn grootmoeder, welk aandeelnog berust onder het beheer van zijn voogden. Hij tekent met “Isack van Mander”. (ONA Dordrecht inv. 596)

– 12 april 1698: Henrica Lottum, huisvrouw van Matthijs Paradijs, wonende te Vianen, als procuratie hebbende van haar man, verkoopt aan Elisabeth van Eijsden, wonende te Dordrecht, de eigendom van een obligatie ten laste van Holland en West-Friesland ten comptoire van de gemene middelen te Dordrecht, staande op naam van Adriana Adriaensdr., inhoudende 1500 gl. kapitaal, en gedateerd 18 aug. 1653. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 287, akte 15, f. 237 e.v.)

– 25 mei 1700: Matthijs Paradijs koopt voor 3900 gl. de herberg “de Gouden Molen”, bestaande uit twee huizen, staande in de Hoge Nieuwstraat naast het huis van Jan de Mulder. (ORA Dordrecht inv. 802, f. 53)

-19 juni 1701: compareren Mattijs Paradijs, getrouwd met Henrica Lottum, die eerder weduwe was van Dirck Vermander, alsmede Henrica Lottum zelf en Isaack Vermander, allen wonende te Dordrecht. Zij verlenen procuratie ad lites aan Hendrik Vijand, procureur voor het Hof van Utrecht, om voor hen waar te nemen de zaak, die zij genoodzaakt zijn te entameren voor het Hof van Utrecht of elders tegen Francois Monte[r]nach, drossaard en dijkgraaf van de heerlijkheid Hagestein en van hem te eisen betaling van hetgeen hij hun nog schuldig is, etc. Akte door comparanten ondertekend (zie hieronder). (ONA Dordrecht inv. 705, f. 162 e.v.)

– 23 juni 1727: Hendrica van Lottem, weduwe van Matthijs Paradijs, verkoopt aan Cornelis Bax en diens vrouw Adriana Brooshooft het huis “de Gouden Molen” in de Hoge Nieuwstraat te Dordrecht, met alle “voorregten en progativen so wegens het coffij en chocolaet schenken, als het houden van vendutiën”, voor een somma van 2000 gl. De koopsom wordt door kopers voldaan met een schuldbrief. (ONA Dordrecht inv. 824, f. 63; ORA Dordrecht inv. 815, f. 46v; Werkgroep Nieuwewerck, Bulletin nr. 3, p. 8-9 [internet])

Kinderen:

a. Jannette Vermande, jonge dochter van Dordrecht (1694), trouwde Gerecht Dordrecht/NG Dubbeldam 18 april/3 mei 1694 (de bruidegom geassisteerd met Sebastiaen van der Hoop, de bruid met haar moeder) Abraham de Rat, jongman van Dordrecht (1694)

b. Isaack Vermande (= kwartier 6)

14. Willem Vligerius, geboren (IJsselstein ?) 12 dec. 1637,burgemeester, substituut drossaart en schout van Leerdam, schout en ontvanger van Everdingen, Sijderveld en Golberdingen,overleden10 okt. 1693 (Oude Stijl),begraven in de kerk van Everdingen, trouwde (Wateringen ?) 5 okt. 1659

15. Alida Burghloon (Burghoorn), geboren 7 juli 1636, overleden30 nov. 1724, begraven in de kerk teLeerdam

– 1679: Willem Vligerius beleend met 8 hont land in Acquoij

– 1684: Willem Vligerius vermeld als leenmanvan 8 hont land in Acquoij, aangekomen van zijn vader Simon Vligerius

– 25 dec. 1694: Alida Burgloon en haar dochter Anna Vligerius lidmaten van de NG gemeente te Leerdam met attestatie van Everdingen.

(Vriendelijke mededeling van de heer A. van Doren.)

Kinderen:

a. Maria, geboren Den Haag 3 mei 1660, (doopgetuige: Maria Verhoeve, de moeder van de vader), overleden ongeveer 6 weken daarna en begraven op het Nieuwe Kerkhof te ‘s-Gravenhage

b. Maria Vligerius, geboren Culemborg 11 juli 1661 (doopgetuigen: Maria Verhoeve en Louise Maria Vligerius, resp. moeder en zuster van de vader), jonge dochter (1682),trouwde NG Hoornaar 8 nov. 1682 (met attestatie van Gorinchem) Dirck (Diderick) Vinck, geboren NG Gorinchem 20 april 1662 (doopgetuigen: Hendrick Vinck en zijn vrouw, Sara van Heel, Elisabeth van der Does), jongman (1682), overleden 5 juni 1732

c. Simon Vligerius, geboren Leerdam 27 sept. 1663 (Leerdamse Kermis), (doopgetuigen Geertruij Vligerius, zuster van de vader, en Berbera Holbe, echtgenote van Cornelis Beeck, oud-burgemeester van Leerdam). “Den 31 decemb. 1696 oude stijl is Simon Vligerius tusschen Hagestein ende Everdingen savonts ontrent [sic] uren in sijn been geschote daer van hij aenstonts storff.” (Erfgoedcentrum DiEP, archief 150 (handschriftenverzameling), inv. 869)

– 20 april 1696: Catharina Weijers, weduwe van Dionysius Gijssen, thesaurier in het Groot Comptoir te Dordrecht, verklaart, dat zij door haar behuwd zoon Simon Vligerius, secretaris van Hagestein, enige tijd op zijn kosten is onderhouden. Getuigen: mr. Rudolff Danoij en Matthijs Paradijs, drost te Hagestein. (ONA Dordrecht inv. 596)

d. Hendrick, geboren Leerdam 18 april 1665 (doopgetuige: prinses Maria van Oranje), overleden 15 aug. 1665, begraven in de kerk te Leerdam 17 aug. 1665

e. Henriette, geboren Leerdam 22 juni 1667 (doopgetuige: Neeltien van Veen, echtgenote van Johan van Cleeff, oud-burgemeester van Leerdam), overleden 3 juli 1667, begraven in de kerk van Leerdam 8 juli 1667

f. Ida, geboren Leerdam 1 febr. 1669 (’s morgens tussen tien uuren half elf), gedoopt in de kerk ald. op 3 febr. 1669 (“voor den doop gehouden als voren”), overleden zaterdag 20 mrt. 1669 (’s avonds tussen tien uur en half elf), begraven in de grafstede in de kerk van Leerdam op dinsdagavond d.a.v.

De Grote Kerk te Leerdam.

g. Ida Johanna Adriana, geboren Leerdam 11 okt. 1670, gedoopt NG Leerdam 14 okt. 1670 (doopgetuigen: Ida Nielen, echtgenote van Hendrick Hagha, drost, stadhouder en dijkgraafte Leerdam, Johan van Cleeff, burgemeester van Leerdam, Adriaen van de Leede, president-schepen van Leerdam), “gestorven opden elffden Octob. 1672 … seer onverwacht verongeluckt achter opde plaets in een halff vats tobbetie dat een vande knechts van een Frans Cornett die tmijnen [= de vader, Willem Vligerius] huijsen was belegt hadt gebesigt ende begraven inde graeffsteedeals vooren[= in het familiegraf in de kerk van Leerdam]” (Erfgoedcentrum DiEP archief 150 (handschriftenverzameling), inv. 869)

h. Anna Vligerius (= kwartier 7)

i. Hendrick, geboren Leerdam 9 april 1674, overleden 12 aug. 1675, begraven in de kerk van Leerdam 14 aug. 1675

j. Willem Hendrick, geboren Leerdam 25 jan. 1677 (Oude Stijl), gedoopt NG Leerdam 1 febr. 1677 (doopgetuigen: Lovisa Hagha en Aelbertina Hagha)

k. Catharina Ida Vligerius, geboren Leerdam 20 aug. 1679, gedoopt NG Leerdam 27 aug. 1677 (doopgetuigen i.p.v. de peetouders: mevr. De Jongh en Maria Vligerius, zuster van het kind), trouwde Hendrik van Wijngaerde, “die naer Oostindië gevaere is” (Erfgoedcentrum DiEP, archief 150 (handschriftenverzameling), inv. 869)

20. Johannes (Jan, Jannes) Govertsz. van Tricht, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1620, jongman wonende op de Nieuwe Haven te Dordrecht (1650), wijnkoper, begraven Dordrecht 18 dec. 1670,trouwde NG Dordrecht 25 sept./ 11 okt. 1650 (“proclam. apud Gallos” = proclamatie in de Waalse Kerk)

21. Maria Paradijs Matthijsdr., geboren naar schatting ca. 1630 in het Land van Luik, wonende “scheep” (1650), begraven Dordrecht 1 mei 1705, trouwde 2e Puttershoek 26 mrt. 1673 Maerten Adriaensz. van der Kade

– 1670/1671 (zonder datum, tussen 15 nov. 1670 en 27 jan. 1671): ingeschreven in het weesboek een extract van testament van Jan Govertsz. van Tricht wijnkoper en Marija Mathijsdr. Paradijs, echtelieden wonende te Dordrecht, gepasseerd op 22 dec. 1666 voor de Dordtse notaris J. Reijns. (Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 32v)

– 16 dec. 1695: huwelijkse voorwaarden tussen Arnoldus Ingenool, weduwnaar en Maria Paradijs, jonge dochter, beiden burgers van Dordrecht. De toekomstige bruid wordt geassisteerd door haar tante Maria Paradijs, weduwe van Jan van Tricht. (ONA Dordrecht inv. 520, akte 87)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Govert van Tricht, 10 mrt. 1652

b. Matthijs van Tricht, 22 sept. 1653

c. Maria, 5 nov. 1655, jong overleden

d. Maria van Tricht, 3 jan. 1657, trouwde Simon de Later

e. Johannes van Tricht, 5 nov. 1663, wijnkoper te Dordrecht, overleden na 9 sept. 1715, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 20 juli 1692 (ondertrouw) Margaretha Spaen, gedoopt Utrecht 4 nov. 1668, overleden na 18 aug. 1700, weduwe van Laurens Matthijsz. Paradijs, dochter van Willem Leenaertsz. Spaen en Susanna Richards Barnard. (Nederlands Patriciaat deel, 70 [1986], p. 369)

f. Anna van Tricht, 9 sept. 1665, trouwde NG Dubbeldam 3 mei 1693 Glaudi de Boers

22. Damis (Damas) Jacobsz. van der Poel, gedoopt NG Dordrecht 1 juli 1628,wijnkoper, jongman van Dordrecht wonende in de Houttuin (1654), overleden ca. 1665, trouwde NG Dordrecht 18 okt. 1654 (ondertrouw, bescheid gegeven om op Papendrecht te trouwen)

23. Jannetta Wagenaers, gedoopt NG Dordrecht nov. 1636, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Botgensstraat (1654)

– 29 mrt. 1667: Jannette Wagenaers, weduwe van Damis van der Poel, burgeres van Dordrecht, benoemt tot universele erfgenamen haar kinderen. Zij stelt aan tot voogden over haar minderjarige erfgenamen Cornelis Wagenaer, pondgaarder en Philippus de Graeff, suikerbakker, burgers van Dordrecht. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 122, f. 262 e.v.)

– 21 juli 1674: Maria Wagenaers, meerderjarige ongehuwde persoon wonende te Dordrecht, voor zichzelf en namens Anthonij van Keppel, wonende te Leiden, als man van Catharijna Henckel, beiden erfgenamen van Dionisius Emhart, koopman en burger van Dordrecht, verklaart, dat aan haar zuster Jannetta Wagenaers, weduwe van Damis van de Poel, in voldoening van haar erfdeel is toebedeeld een huis in de Steenstraat, staande tussen het huis van Hendrick van de Graeff en dat van Gerrit Jansz. (ORA Dordrecht inv. 1624, f. 115)

– 6 nov. 1678: (testatrice staat niet in de 200e penning). Op 6 nov. 1678 maakt Jannette Wagenaer, weduwe van Damas van der Poel, ziek in bed liggende, haar testament. Aan haar dochter Anna van der Poel, de vrouw van Govert van Trigt, vermaakt zij, boven hetgeen zij al bij haar huwelijk gekregen heeft, alle huisraad, inboedel, kleren, linnen zowel als wollen, tin-, koper- en ijzerwerk, juwelen, goud en zilver, gemunt en ongemunt, uitgezonderd een gouden hoepring, zilveren beker en zilveren tandenstoker, een bed met beddengoed, en servetten, welke zullen komen aan haar zoon Wilhelmus van der Poel. Aan hem vermaakt zij ook alle actiën, kredieten, uitstaande schulden, obligaties, rentebrieven en contant geld, die zij zal nalaten. Tot voogden stelt zij aan Theodorus van Steen, predikant in Fijnaard en Francois de Caesteker, advocaat voor het Hof van Holland. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 442, f. 205 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Damis, 8 febr. 1655

b. Jacob, 26 jan. 1656

c. Jannetje 21 febr. 1657

d. Anneken, 7 okt. 1658

e. Johannes, 13 febr. 1659

f. Tanneke, 1 nov. 1662

g. Guilhelmus van der Poel, 22 febr. 1664, jongman van Dordrecht (1692), munter (vanaf 1683),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 4/18 mei 1692 (de bruidegom geassisteerd met mr. Franscois de Kaerssteecker, de bruid met haar moederMaria de Leeuw)Jaël Hovius, gedoopt NG Leiden (Hoogl. Kerk) 17 mrt. 1665, jonge dochter van Leiden (1692), dochter van Cornelis van Hoven en Maria de Leeuw Lucasdr.

– 1683: Wilhelmus van de Poel doet de proef en eed als munter. Hij leidt zijn zwager Govert van Tricht als knaap in. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X (1956), p. 78)

– 7 febr. 1691: “Alsoo ick onderges. Jacobus van Tricht [zie bij kwartieren 40/41 (d-1)] woonende binnen dese Stad, als sijnde een dochters soon van [Jacob] van der Poel zaliger na de dood van Willem van der Poel in cas hij sonder kinderen comt te overlijden ben geregtigt tot desselfs vrije meester muntersplaets in de munte van Holland, ende dat ick nochtans hoore en verstae als off de voorn. Willem van der Poel, de voorn. meester muntersplaets soude hebben vercocht, en aen Sr. Mattheus Rees soude trachten te leveren, niettegenstaende ick onderges. daerinne niet hebbe geconsenteert off oijt sal consenteren soo sal den eersten notaris hier toe versocht sig behoorlijck geassisteert, vervoegen aen die van den Sermente van de Graeffelijkheijtsmunte binnen dese Stad, mitsgaders aen de persoonen van den voorn. Willem van der Poel, ende Sr. Mattheus Rees en deselve hier van gerechtelijcke notificatie geven, mitsgaders haer aenseggen dat deselve niet gelieven voort te gaen met het transporteren van de voorn. plaets, off oock den voorn. Sr. Mattheus Rees met het betalen van eenige penningen, die bij hem voor de voorn. plaetse mochte sijn gelooft, alsoo ik alles nul en van onwaerden sal houden, en in cas de voorn. geïnsinueerdens echter met ’t geene voors. is mochten willen voortgaen in prejuditie van mijn voornt. recht, soo sult gij notaris wel expresselijk protesteren van alle costen, schaden en intressen, daerdoor alrede gehad ende geleden, ende te hebben en lijden …”. Actum Dordrecht 7 febr. 1691

“Ingevolge van de bovenstaende acte van insinuatie hebbe ik Jacob de Jongh [notaris te Dordrecht] … mij ten versoecke van den voorn. Jacobus van Tricht … gevonden aende de persoonen van Sr. Dirck van Nooij, Willem van der Poel en Sr. Mattheus Rees, ende haer de voorn. acte van insinuatie ende protest voorgelesen ende geïnsinueert haer naerden inhoude te reguleren, welcke mij tot antwoord gaven, namentlijck den voorn. Sr. Van Nooij, ick versoeck copie, Willem van der Poel, ’t is wel, ik versoeck copie ende Sr. Mattheus Rees, ik hoor ende ik sie ende alsoo de voorn. antwoorden nieten waere satisfactoir hebbe uijtten naem van den insinuant geprotesteert van alle costen, schaden ende intressen alreede gehad en geleden ende nog verder te hebben en lijden, mitsgaders al haerlieden ijder overgelevert een copie van de voorn. insinuatie … “. Actum Dordrecht 8 febr. 1691. (ONA Dordrecht inv. 587, f. 19 e.v.)

Kind:

g-1. Janetta, gedoopt NG Dordrecht 3 nov. 1693

h. Johannes, 22 jan. 1666

i. Damis, 14 mei 1667

24. Isack Dircksz. van der Mandel(en), gedoopt NG Dordrecht mrt. 1608,jongman van Dordrecht, viskoper, wonende voor het Bagijnhof (1641), overleden vóór 5 mrt. 1657, trouwde NG Dordrecht 17 nov./3 dec. 1641

25. Maijke Aertsdr. Smits, mogelijk gedoopt okt. 1620, jonge dochter van Dordrecht wonende voor het Bagijnhof (1641), weduwe van Dordrecht,wonende voor het Bagijnhof (1663)trouwde 2eNG Dordrecht 2/16 dec. 1663 Wouter Ariensz. van Hemert, jongman van Dordrecht, metselaar wonende voor het Bagijnhof(1663), meester-metselaar (1691)

– 8 sept. 1633: “Alsoo Abram Dircksen als knaep [van de Munt van Holland] is ingeleijt van Jacob Dircksen sijnen broeder ende bij aflijffijcheijt soo heeft hij andermael sijnen broeder Isaak Dircksen als knaep ingeleijt ende heeft zijn behoorlijcken gelooften gedaen in kennissen van provoosten.” (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel V (1951), p. 133)

– 5 mrt. 1657: Sijchien Rutten Cool, weduwe van Jan Henkel, als erfgename van haar vader, wijlen Ruth Matthijsz. Cool, verkoopt voor 1300 gl. aan Maijken Aertsdr. Smits, weduwe van Isaack Dircxsz. van der Mandel, die wordt geassisteerd door haar vader, Aert Hendricxsz. Smits, een huis in de Nieuwe Breestraat, staande tussen het huis van Laurens van Duijnen en dat van Geerit Fransz. (ONA Dordrecht inv. 93, f. 334)

– 17 aug. 1657: Maijken AertSmitsdr., weduwe van Isaack Dircxsz. van der Mandel, wonende te Dordrecht, verklaart, dat zij ingevolge het testament, dat zij heeft gepasseerd met haar man, gehoudenis de twee kinderen, die haar man bij haar heeft verwekt, genaamd Geertruijt en Dirck Isaacxsen, te onderhouden en hun bij mondigheid of huwelijk samen een sommavan 300 gl. uit te keren. Zij wil dit bedragvermeerderen met 1200 gl., zodat de kinderen samen recht hebben op 1500 gl., eventueel te versterven op de langstlevende van hen beiden. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 65, f. 216 e.v.)

– 17 aug. 1657: testament van Maijken Aertsdr. Smits, weduwe van Isaack Dirksdr. van der Mandel, burgeres van Dordrecht. Zij benoemt tot erfgenamen haar kinderen, Dirck en Geertruijt Isaacks van der Mandel. Indien de kinderen vóór hun mondigheid of huwelijk komen te overlijden, zullen testatrice’s goederen vererven op haar vader en stiefmoeder, Aert Hendricxsz. Smits en Neeltgen Ghijsbertsdr. In dat laatste geval zullen haar vader en haar stiefmoeder gehouden zijn aan haar erfgenamen ab intestato van moederskant een bedrag van 2000 gl. uit te keren. Tot voogden benoemt zij haar vader, alsmede Pieter van Belle en Willem Jansz. van Groeningen, haar “goede vertrouwde” vrienden. (ONA Dordrecht inv. 65, f. 219 e.v.)

– 15 mei 1691: Wouter van Hemert, meester-metselaar en burger van Dordrecht, getrouwd met Maijken Aertsdr., weduwe van Isaac Dirxsz. Vermandel, verkoopt aan Pieternella van Aerlebrock, vrouw van Jacob van den Brande, een huis in de Vriesestraat, staande tussen de Armenhof en het huis van ds. Johannes Coxius, emeritus predikant van Molenaarsgraaf, voor 600 gl. contant. (ORA Dordrecht inv. 797, f. 30v e.v.)

– 9 mei 1697: Geertruijt Vermandel, weduwe van Geman van Cappel, waagmeester te Dordrecht, voor de ene helft, en Abraham Rat, koopman te Dordrecht, als man van Jannetta Vermandel en tevens vervangende zijn zwager IJsaack Vermandel, drossaart te Hagestein, en Johan van Cappel Gemansz., als aangestelde voogd over de minderjarige kinderen van Dirck Vermandel, voor de andere helft, erfgenamen ex testamento van wijlen Maeijcken Aertsdr. Smits, die eerst weduwe was van IJsaack Vermandel en later echtgenote van Wouter van Hemert, verkopen

1. voor 750gl.aan Gerrit Doorn, burger van Dordrecht, een huisje in de Nieuwe Breestraat, staande tussen het huis van Hendrick Scheij glazenmaker en het huisje van mr. Jacobus Kellenaer,

2. voor 1010 gl. aan Bartel van der Kemp, kruidenier en burger van Dordrecht, een huisje aan het einde van de Visstraat, staande tussen het huis van Adriaan Haagdijck pachter en het huisje van de verkopers,

3. voor 931 gl. aan Jasper Verhoeve, mr. witwerker en burger van Dordrecht, een huisje aan het einde van de Visstraat, staande op de hoek van de Sarisgang tussen het huis van van der Kemp en de Sarisgang,

4. voor 800 gl. aan Cornelis van Nispen, mr. metselaar en burger van Dordrecht, een huisje omtrent het Bagijnhof recht tegenover de Bagijnbrug, staande tussen het huis van Johannis Wor en de gang daarnaast komende [sic],

5. voor 370 gl. aan dezelfde Cornelis van Nispen een huisje in de Stoofstraat, staande tussen het huis van Abraham Taarling en dat van Jan Hoogh, en

6. voor 300 gl. aan Salomon van der Pijpen de helft van een huisje in de Steenstraat, dat de verkopers in gemeenschappelijke eigendom gehad hebben met de voogden van Francoijs van der Pijpen, staande tussen het huis van Cornelis van Nispen en dat van de weduwe van kapitein Jan Limborgh.

(ORA Dordrecht inv. 800 ,f. 34 e.v.)

Kinderen (o.a.):

a. Dirck Vermandel, gedoopt NG Dordrecht 1648

b. Geertruij Vermandel, gedoopt NG Dordrecht 1649, trouwde Geman van Cappel, waagmeester te Dordrecht

26. Heijnderick Lottum (Lottuinis, Lotton), geboren ca. 1621, jongman van Tiel, wijnkoper wonende te Rotterdam(1646), begraven Rotterdam 18 juli 1658, trouwde NG Dordrecht 2/25 sept. 1646 (procl. te Rotterdam en Tiel)

27. Johanna (Jannetje, Janneke) Goossendr.Erckelens, gedoopt NG Dordrecht dec. 1613, jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1646),begraven Rotterdam 11 mrt. 1663

– 18 aug. 1645: verklaring door o.a. Hendrick van Lottum, 24 jaar oud, wijnverlater, op verzoek van Lambrecht van Erckelens. (ONA Rotterdam inv. 153, akte 288)

– 2 april 1649: testament van Hendrick Lottum wijnkoper en zijn vrouw Jannitge Goossendr. Erckelens. Zij benoemen elkaar tot erfgenaam. (ONA Rotterdam inv. 154, akte 209)

Kinderen (allen NG gedoopt te Rotterdam):

a. Jacob en Goossenius, 15 sept. 1647

b. Johannes, 24 aug. 1651

28. Simon Vligerius, trouwde naar schatting ca. 1635

29. Maria Verhoeve

Kinderen:

a. Willem Vligerius, geboren 12 dec. 1637

b. Geertruijdt Vligerius, gedoopt NG IJsselstein 24 nov. 1639

c. Pieter Willem Vligerius, gedoopt NG IJsselstein 20 febr. 1642

d. Louise Maria Vligerius, gedoopt NG IJsselstein 11 aug. 1644

30. Isaack Jacobsz.Burghoorn, geboren naar schatting ca. 1603, van Leiden (1625),letterzetter, boekdrukker, overleden te ‘s-Gravenhage tussen 5 april en 27 juni 1655,trouwde NG Leiden 10 april 1625 (ondertrouw)

31. Pietergen Jorisdr. (Gorisdr.) (van der Struijs), van Delft (1625)

Kinderen:

a. Maria, geboren 5 juni 1626, overleden 9 juni 1626

b. Jacob, geboren 30 juni 1627, gedoopt NG Leiden (Hooglandse Kerk) 3 juli 1627 overleden 5 juli 1627

c. Lijsbeth, geboren 8 aug. 1628, overleden 10 aug. 1628

d. Jacob, geboren 10 okt. 1630, overleden 25 sept. 1630

e. Maria Burchoorn, geboren 10 okt. 1631, trouwde 20 dec. 1654 Willem Scholven alias Keijser

f. Jacob Isaacxsz. Burchoorn, geboren 11 juni 1634

g. Alida, geboren 7 juli 1636 (= kwartier 15)

40. Guert (Govert)Guertsz (van der Bruggen), geboren naar schattingca. 1565,vermeld te Dordrecht vanaf 1589, schipper van Maastricht (1605), maasschipper, koopman van ijzer(1646), begraven Dordrecht (zerk in de Grote Kerk) 15 juli 1646 (een baar voor Guert Guertsz. van Tricht, over de Roobrug “en co[o]pman van ijzer”, vier maal luiden),trouwde NG Dordrecht 7/28 aug. 1605

41.Mariken Jan Hubendr.geboren naar schatting ca. 1580 vermoedelijk te Roermond, van “Remunde” (1605), begraven Dordrecht (zerk in de Grote Kerk: zie J.L. van Dalen, De Groote Kerk te Dordrecht [Dordrecht 1927], p. 302) 31 okt. 1652 (een baar op de Nieuwe Haven bij de Roobrug voor de vrouw van Geurt Geurtsz. van Tricht, vier maal luiden) (Nederlands Patriciaat deel 70 [1986], p. 369)

– 13 febr. 1606: als burger van Roermond aangenomen Guerts Guertsz., getrouwd hebbende de dochter van Johan Houben, burger te Roermond. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 105)

– 13 juli 1622: Geurt Geurtsz. lid van het Grootkoopliedengilde te Dordrecht, ook voor zijn zes kinderen. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 161)

– 1626 (verponding Dordrecht): Geurt Geurtsz., de hoek om vanaf de kade bij de Blauwpoort, betaalt 12 ponden. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3970, f. 35)

– 1633 (verponding Dordrecht): Geurt Geurtsz., “eigen”,de hoek om vanaf de kade bij de Blauwpoort, betaalt 12 ponden (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 51v)

– 25 sept. 1646: extract ingeschreven in het weesboek van het testament van Goert Goertsz. van Maestricht, burger van Dordrecht en zijn vrouw Marijken Jansdr., gepasseerd voor notaris H. van Zevender te Dordrecht op 19 sept. 1624. Zijhebben de langstlevende van hen beiden aangesteld tot voogd, benevens Gerardus Vossius, regent van het Collegie van wege de Ed. Mog. Heeren Staten dezer lande te Leiden, neef van de testatrice.(Weeskamer Dordrecht inv. 21, f. 8)

– 22 mrt. 1666: Johannes Geurtsz. van Tricht, Aeltgen van Tricht, weduwe van Martijn Paradijs, Berbera van Tricht, weduwe van ds. Guilhelmus van der Poel, en Marija van der Poel, weduwe van Mattheus van Tricht, samen kinderen en erfgenamen van Geurt Geurtsz. van Tricht en Marija Jansdr., beiden overleden, verlenen procuratie aan ds. Huijbertus de Coninck en Johan van ‘s-Gravenpolder, als voogden over de nagelaten kinderen van wijlen Govert Geurtsz. van Tricht, en Matthijs Bacx, als voogd van de kinderen van Catharijna van Tricht, om voor hen waar te nemen zodanig procesals Jan Boijen, weduwnaar van Maeijken van Tricht, tegen hen voor het Hof van Holland heeft aangespannen. (ONA Dordrecht inv. 181, f. 346)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Aeltgen Guert Guertsdr.(Aletta van Tricht), van Maastricht, geboren in 1608, wonende op de Nieuwe Haven (1630), overleden 17 okt. 1686 (zerk), trouwde NG Dordrecht 28 april/14 mei 1630 Maerten Paradijs, geboren ca. 1600, jongman van Luik, schipper (1630), Maasschipper (blijkens de tolregisters te Venlo 1628 en 1629), koopman van blauwe (Namense) steen (1652), overleden 1 nov. 1652 (zerk)

Grafzerk van Maerten Paradijs, Aletta van Tricht en hun zoon Govert in de Grote Kerk van Dordrecht.

(“Hier leyt begraven Maerten Paradys in syn leven coopman van blauwe steen out 52 jaren sterf den1 november anno 1652 ende Aletta van Tricht syn huysvrouw sterft den 17 october anno 1686 out 78 jaer acht maenden ende Govert Paradys synen soon out 21 jaren sterf den 25 september anno 1656”)

– 30 dec. 1656: Abraham Sieren, voor zichzelf, Fredrick Cornelisz. Roscam en Willem Pietersz. de Bruijn, als voogden van de nagelaten kinderen van Cornelis Sieren, samen erfgenamen van Sier Jacobsz., hun vader resp. grootvader zaliger, verkopen aan Aeltgen Govertsdr. van Tricht, weduwe van Martijn Paradijs, twee huizen en een loods, naast elkaar staande op de Nieuwe Haven bij de Grote Houten Brug tussen het huis van Hendrick la Been en de weduwe van Cornelis Senten. (ORA Dordrecht inv. 780, f. 161)

ONA Dordrecht inv. 212, f. 65: overeenkomst tussen kapitein Johan Mathijsz. Bacx, koopman te Dordrecht, enerzijds en Aeltgen van Tricht, weduwe van Martijn Paradijs, geassisteerd met Jeremias van der Monden, mr. huistimmerman, anderzijds, buren en eigenaars van huizen op het Nieuwe Werck aan de havenzijde, staande tussen de Houten Brug en de Blauwpoort.

ORA Dordrecht inv. 1624 (nieuw), f. 43v: op 6 dec. 1672 verkopen Matthijs Bacx, koopman te Dordrecht, en Arent van Neten, notaris te Dordrecht, als gemachtigden van het Gerecht van Dordrecht, voor 1225 gl. aan Aeltgen van Tricht, weduwe van Martijn Paradijs, een huis op de Nieuwe Haven, staande tussen het huis van kapitein Gerrit van Allevrunden en dat van de weduwe van Willem Heijblom.

ONA Dordrecht inv. 218, f. 23: op 28 jan. 1678 testeert Aeltje van Tricht, weduwe van Maerten Paradijs, wonende te Dordrecht. Zij prelegateert aan dochters Barbera, Maria en Aletta Paradijs al haar kleren. Aan Barbera en Maria Paradijs en haar zoon Martinus Paradijs prelegateert zij elk een somma van 2500 gl. en aan Martinus nog de ijzeren kist, die in haar huis staat. Tot erfgenamen van al haar overige goederen benoemt zij haar vier kinderen of bij vooroverlijden hun nakomelingen.

ORA Dordrecht inv. 795, f. 19v e.v.: op 1 mei 1687 verkopen Jan Cloens, als man van Berbera Paradijs, Matthijs Bacx koopman, als man van Maria Paradijs, Huijbertus Coninck, predikant te Delft, als man van Aletta Paradijs, en Martinus Paradijs, koopman te Dordrecht, allen kinderen en erfgenamen van Aletta van Tricht, weduwe van Martinus Paradijs, voor 5850 gl. aan Jacob Aelbertsz. Cleijckluijt, mr. mastmaker en burger van Dordrecht, een huis bij de Lange Houten Brug op het Nieuwe Werk, staande tussen het huis van Matthijs Bacx en dat van de erfgenamen van Willem de Keijser, uitkomende tot achter op de Hoge Nieuwstraat, met daarbij inbegrepen het huis, dat wordt bewoond door Reijnier Nieuwekerck landsmid. De koper is schuldig aan Jan Cloens een somma van 3300 gl. In margine: op 5 april 1723 comp. in de secretarie van Dordrecht Wouter van Bavel en toont de kwitantie, die is getekend door Johanna Kloens, weduwe Santheuvel, op 8 mrt. 1723, waaruit blijkt, dat de schuld volledig is afbetaald.

Kinderen (volgorde gedeeltelijk onzeker):

a-1. Johannes Paradijs, gedoopt NG Dordrecht april 1631, jong overleden.

a-2. Govert Paradijs, gedoopt NG Dordrecht aug. 1635, jong overleden

a-3. Martinus Paradijs, geboren naar schatting ca. 1640, koopman te Dordrecht, trouwde Catharina Hars

ONA Dordrecht inv. 214, f. 187: op 30 juni 1674 testeren Martinus Paradijs, koopman, en zijn vrouw Catharina Jacobsdr. Hars, wonende te Dordrecht. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot voogd en erfgenaam, op voorwaarde, dat die hun kinderen zal onderhouden tot hun mondigheid of tot wanneer zij gaan trouwen en dan onder hen allen een bedrag van 1000 gl. zal uitkeren. Als de langstlevende gaat hertrouwen, zal hij of zij aan hun kinderen nog eens elk een bedrag van 500 gl. moeten uitkeren. Als hun kinderen voor hun mondigheid of huwelijk komen te overlijden, zal aan de langstlevende toekomen datgene hetwelk door de eerststervende aan de kinderen is nagelaten, mits hij of zij aan de erfgenamen ab intestato van de eerststervende een bedrag van [niet ingevuld] zal uitkeren.

ONA Dordrecht inv. 217, f. 232: op 30 juni 1677 testeren Martinus Paradijs en Catharina Hars, echtelieden wonende te Dordrecht. Zij benoemen de langstlevende van hen tot voogd en erfgenaam, die gehouden zal zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of het moment, waarop zij  gaan trouwen, en hun dan elk een bedrag van 800 gl. uit te reiken. Als de langstlevende gaat hertrouwen, zal hij of zij gehouden zijn hun kinderen elk boven het bedrag van 800 gl. een somma van 200 gl. uit te keren. Als hun kinderen vóór hun mondigheid of huwelijk komen te overlijden, zal hetgeen de eerststervende hun heeft nagelaten toekomen aan de langstevende van de testateuren, mits hij of zij dan aan de erfgenamen ab intestato van de eerststervende een bedrag van 50 gl. zal uitreiken .

ORA Dordrecht inv. 1627 (nieuw), f. 108: op 6 april 1680 verkopen Govert van Eijssel, Thomas Rijckers koopman en Mattheus Codeus, executeurs-testamentair en erfgenamen van Cornelis van Eijssel, resp. hun vader en schoonvader, voor 6600 gl. aan Martinus Paradijs, koopman te Dordrecht, een huis met een pakhuis erachter in de Voorstraat omtrent de Pelserbrug, vanouds genaamd “Mosis” en staande tussen het huis van Cornelis van Dorsten en dat van Johannis van Bergen, komende met een gang uit op de stadsvest.

ORA Dordrecht inv. 1636, f. 113: op 2 april 1698 verkopen Jan Sam, koopman te Dordrecht, en zijn vrouw Maria Oudland, voor 12.000 gl. aan Martinus Paradijs, koopman te Dordrecht, een huis en pakhuis op de Drappierskade, staande tussen het huis van Dirck de Veer en dat van mevrouw Van der Meer.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 83: op 12 nov. 1701 verkoopt Martinus Paradijs, koopman en burger van Dordrecht, voor 3800 gl. aan Johannis de Gilde koekenbakker een huis en pakhuis, vanouds genaamd “de Moses”, staande in de Voorstraat omtrent de Pelserbrug aan de landzijde tussen het huis van Antoni de Vos en dat vanJohannis van Bergen. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 3800 gl.

ORA Dordrecht inv. 1649, f. 91: op 1 mei 1721 verkopen Jacob Paradijs, koopman te Dordrecht, en Albertus van Nievelt, notaris te Dordrecht, als man van Aletta Paradijs, voor zichzelf en nog als procuratie hebbende van Catrina Paradijs, meerderjarige ongehuwde persoon, enige kinderen en erfgenamen van Martinus Paradijs, koopman te Dordrecht, voor 10.000 gl. aan mr. Govert van Slingeland, heer van de Lindt, een huis met pakhuis ernaast, staande op de Wolwevershaven tussen het huis van de heren Cloens en dat van de kinderen van Dirk Aaldersz. de Veer. Bij de koop zijn inbegrepen twee goudleren behangsels, een portaal, staande en liggende haardplaten, gordijnroeden e alle losse planken, borden en kleerstokken. (ONA Dordrecht 755, f. 99, akte dd 29 mrt. 1721)

Kinderen (allen NG gedoopt in Dordrecht):

a-3-1. Martinus, 3 dec. 1669

a-3-2. Jacob Paradijs, 14 mrt. 1672, jongman, koopman te Dordrecht, wonende bij de Pelserstraat (1695), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 6 mrt. 1695 (volgens attestatie van ondertrouw te Gouda) Maria van Os, jonge dochter van Gouda (1695)

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 150v e.v.: op 19 april 1731 verklaart notaris Bartholomeus van der Star dat Maria van Os, weduwe van Jacob Paradijs, koopman te Dordrecht, schuldig is aan Aletta, Adriana en Jacoba de Bruijn een somma van 4000 gl., verbindende een huis, dat vanouds is genaamd “de Drie Stokvissen”, alsmede een huis erachter, staande in de Voorstraat omtrent de Vuilpoort tussen het huis en de brouwerij van de weduwe van burgemeester Hugo Repelaer en het huis van Adriaan Braats.

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 203 e.v.: op 22 nov. 1731 verkoopt David Paradijs arts, als procuratie hebbende van zijn moeder Maria van Os, weduwe van Jacob Paradijs, koopman te Dordrecht, voor 700 gl. aan Jacobus Boet mr. bakker en Cornelis de Haan mr. bakker, burgers van Dordrecht, een pakhuis in de Pelserstraat, staande tussen het huis van de weduwe van Johannes van Diest en dat van Aart Pell.

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 212 e.v.: op 20 dec. 1731 verkoopt Andries de Bruijn, koopman te Dordrecht, als procuratie hebbende van Maria van Os, weduwe van Jacob Paradijs en voogdes over haar onmondige kinderen krachtens het testament gepasseerd op 1 nov. 1723 ten overstaan van notaris B. van Gelsdorp te Dordrecht, voor 4500 gl. aan Jacob Mortier, koopman te Dordrecht, een huis met een huisje daarachter, staande op de Voorstraat bij de Vuilpoort tussen de huizen van de erfgenamen van burgemeester Hugo Repelaar en het huis van Adriaan Braats. De procuratie is gepasseerd voor notaris J. Ardinois te Amsterdam op 15 dec. 1731

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

a-3-2-1. Martinus, 4 jan. 1696

a-3-2-2. Hendrik Gerardus, 16 febr. 1697

a-3-2-3.  Nicolaas, 23 juni 1700

a-3-2-4. Jacob, 15 mrt. 1702

a-3-2-5. Jacomina, 4 juli 1704

a-3-2-6. David Paradijs, 15 okt. 1706, arts

a-3-2-7. Adriaan, 18 jan. 1709

a-3-2-8. Maria, 5 nov. 1711

a-3-3. Aletta Paradijs, 9 juli 1674, trouwde Albertus van Nievelt, notaris te Dordrecht

a-3-4. Martinus, 30 sept. 1676

a-3-5. Reijnier, 5 febr. 1678

a-3-6. Lucia, 23 juli 1679

a-3-7. Govert, 18 dec. 1680

a-3-8. Catharina Paradijs, 19 okt. 1684, ongehuwd

ORA Dordrecht inv. 1651, f. 173v: op 11 nov. 1728 verkoopt Gerard Leeuwen van Wusthuijsen, baljuw van de Hoge en Lage Zwaluwe, voor 6000 gl. aan Catharina Paradijs, bejaarde ongehuwde persoon wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, staande tussen het huis van Hendrik van Besoijen en dat van Mattheus Coddeus.

a-4. Anna Paradijs, gedoopt NG Dordrecht 6 aug. 1645, jong overleden

a-5. Berbera Paradijs, trouwde Jan Jansz.Cloens

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a-5-1. Maerten, 28 april 1655

a-5-2. Aeltge, 2 aug. 1656

a-5-3. Johannes, 8 aug. 1658

a-5-4. Aeltje, 25 febr. 1660

a-5-5. Johanna, 11 sept. 1664

a-6. Aletta Paradijs, trouwde ds. Hubertus de Koninck, predikant te Delft

a-7. Maria Paradijs, trouwde NG Dordrecht 19 febr. 1662  Matthijs Bax

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a-7-1. Cornelia, 7 dec. 1662

a-7-2. Alida, 8 mei 1664

a-7-3. Jan, 29 okt. 1671

a-7-4. Martinus, 29 april 1675

a-7-5. Matthijs, 7 juli 1679

b. Catalijntien (Catharina) Geurts (Goverts) van Tricht, geboren naar schatting ca. 1615,trouwde1e NG Dordrecht 20 juli/5 aug.1636 Isaack Leijniers, gedoopt NG Oud-Alblas 24 juni 1607,van Alblas (1636), zoon van ds. Huijbrecht Leijniers, schilder, later predikant te Alblas en Tanneken Wagenaers, 2e NG Dordrecht 7 nov. 1655 (ondertrouw) Johan Havershoeck, weduwnaar, chirurgijn te Delft, 3e NG Dordrecht 22 mei 1661 (ondertrouw, getrouwd in IJsselmonde) Pieter Holthuyser, weduwnaar van Düsseldorf, koopman te Rotterdam (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 161)

Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):

b-1. Anna, 25 mei 1637

b-2. Anna, 1 juli 1640

b-3. Catharina, 23 mrt. 1642

b-4. Huybrecht, 9 sept. 1643

b-5. Govert, 16 okt. 1651

c. Barbel (Barbara) van Tricht, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1618, jonge dochter vanDordrechtwonende op de Nieuwe Haven (1654),begraven Dordrecht 25 nov. 1704, trouwde NG Dordrecht 10 mei 1654 (ondertrouw) ds. Guilelmus van der Poel, jongman van Dordrecht, predikant te Streefkerk (1654-1669) (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 162)

– 2 okt. 1680 (de testatrice staat in de 200e penning aangeslagen voor 2000 gl.): Barbara van Tricht, weduwe van Wilhelmus van der Poel, predikant te Streefkerk, wonende te Dordrecht, ziek in een stoel zittende, testeert ten overstaan van notaris G. de With te Dordrecht. Zij legateert aan de huisarmen van de NG diaconie te Dordrecht 200 gl., aan Janetta Wagenaers, weduwe van Damas van der Poel, 2000 gl., en aan Maria Wagenaers, echtgenote van ds. Theodoris van Steen, predikant in Fijnaart, 500 gl. en haar “grootste stuck schilderij sijnde een lantschap”. Aan haar neef Govert Leniers, zeilmaker en burger van Dordrecht, legateert zij een bedrag van 1000 gl., waarvan hijzijn leven lang het vruchtgebruik zal hebben en waarvan de eigendom na zijn overlijden zal toekomen aan zijn kinderen of bij ontbreken daarvan aan de erfgenamen ab intestato van de testatrice. Aan haar neef Matthijs Bacx, koopman en burger van Dordrecht, legateert zij 1000 gl., aan de kinderen van Catharina Hinckelius, de halfzuster van haar man zaliger, 1200 gl., waarvan Catharina haar leven lang het vruchtgebruik zal hebben, aan de kinderen van haar nicht Maria van Tricht, echtgenote van Adriaen van de Schepper, 600 gl., aan de kinderen van haar broer zaliger, Johannes van Tricht, 600 gl., enaan de kinderen van haar overleden broer, Mattheus van Tricht, 600 gl. Al haar overige goederen laat zij na aan haar erfgenamen ab intestato. Tot voogden benoemt zij haar nevenMatthijs Bacx en Adriaen Heckenhoeck, notaris te Dordrecht. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 241, f. 242 e.v.)

– 1689 (200e penning Dordrecht): de weduwe van ds. Wilhelmus van der Poel, verdeelt op: Johan van de Schepper, Jacobus van der Spoor, Thomas van Diepenbrugge, Mattheus en Lucia van Trigt, Maria van Trigt, weduwe D’Later, (“afgedolt. coram d’hr. van Meerdervoort den 9 meij 1708”), Glaudi de Bours, Jacobus van Trigt, Adriaan Heckenhoeck, Dirck van de Wall, Martinus Paradijs, Alletta Cloens, Alletta Paradijs, weduwe van ds. Hubertus de Koning tot Delft, Govert Lijniers en Anna Catharina de Reuck, vrouw van Pompejus Hooglander te Rotterdam. (Stadsarchief Dordrecht nr. inv. 3987)

– 19 mrt. 1693: Berbera van Tricht, wonende te Dordrecht, weduwe van Wilhelmus van der Poel, predikant te Streefkerk, maakt haar testament. Zij wenst begraven te worden bij haar man in Streefkerk. Zij legateert aan de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van haar overleden man een bedrag van 500 gl., boven de 1000 gl., die haar man in zijn testament aan hen heeft beloofd, aan Janette van Tricht, dochter van Govert van Tricht 500 gl., aan Anna van der Poel, Jannettes moeder, 200 gl., en aan de drie kinderen van Matthijs van Tricht, genaamd Maria, Matthijs en Lucia van Tricht”onderhen allen”een bedrag van 1000 gl., uit te keren wanneer zij mondig worden of gaan trouwen. Zij legateert voorts aan Jan van Tricht, Maria van Tricht, weduwe van Sijmon de Later en Anna van Tricht, zusters en broer, 500 gl., aan kapitein Jacobus van Tricht 600 gl., aan de beide kinderen van Maria van Tricht, bij haar verwekt door Dirck van de Wal 500 gl., aan Aletta Paradijs, vrouw van Hubertus Coninck, 600 gl., aan Martijnus Paradijs 500 gl., aan Govert Lijniers 500 gl., aan Anna de Renk, dochter van Anna Lijniers, 500 gl. en aan Tanneken van Tricht, vrouw van Adriaen Heckenhouck, 750 gl. Aan de Armen van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Dordrecht maakt zij 50 gl., aan de Armen van Streefkerk 50 gl. en aan haar dienstmaagd “dubbelde rouw” en 50 gl. Aan de vrouw van ds. [Theodorus van der] Steen in Fijnaart, Maria Wagenaars, laat zij een groot schilderij na, voorstellende een landschap, dat hangt in de binnenkeuken en aan Maria van Tricht, de vrouw van Adriaen van de Schepper, de 1800 gl., dieMaria van haar heeft geleend. Tot erfgenaam van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Maria Paradijs, de vrouw van Matthijs Bacx. Tot executeur-testamentair stelt zij aan Matthijs Bacx, die zij ook samen met Adriaen Heckenhouck benoemt tot voogd. (ONA Dordrecht inv. 566, geen folionrs.)

– 4 aug. 1702: testeert Berbera van Tright, weduwe van ds. Guilhelmus van der Poel, in zijn leven predikant te Streefkerk, wonende te Dordrecht. Zij wenst begraven te worden te Streefkerkin het graf van haar man. Zij legateert aan de kinderen van haar overleden nicht Maria van Tright, vrouw van Adriaen van den Schepper, koopman te Dordrecht, haar gouden ketting, “sijnde vijff dick, om haar hals”, aan de kinderen van haar nicht Maria Paradijs, vrouw van Matthijs Bax, haar dertien paarse trijpen stoelen en haar portret, geschilderd door Cuijp, aan haar nicht Anna van Tright, vrouw van Adriaen Heckenhoeck, het portret van haar overleden man, eveneens geschilderd door Cuijp en haar eigen portret, geschilderd door Maas, aan haar nicht Maria Wagenaars, weduwe van ds. Theodorus van der Steen, een landschap, hangende in de keuken van het huis, waarin zij tegenwoordig woont, aan de huisarmen van de NG gemeente te Dordrecht een bedrag van 50 gl., aan de huisarmen van Streefkerk gelijke 50 gl., aan Maria Heckenhoeck, dochter van voornoemde Adriaen Heckenhoeck, haar zwarte ebbenhouten kast en aan haar dienstmeid Maria van Merckestijn een bedrag van 300 gl. en een dubbele rouw, op voorwaarde, dat zij tot het overlijden van testatrice bij haar blijft inwonen. Aan Guilliam van der Poel, neef van haar man zaliger, legateert zij een somma van 300 gl., “onder conditie dat niemant van de crediteuren vanden selven de voorsz. penningen sal mogen becommeren, oft hem vrughteloos maacken, ’t sij bij arrest als andersints, alsoo sij testatrice begeert, dat de voorsz. penningen tot sijn nootsaackelijck onderhout sullen moeten distribueeren ende verstrecken, ende bij aldien imant vande voorsz. sijne crediteuren sulcx quaem te ondernemen, soo begeert sij testatrice, dat het selve legaat sal komen te cesseren, ende niettemin de voorsz. executeurs bevoeght sullen sijn deselve penningen soodanigh ’t sijnen behoeve uijtte keeren als sijluijden sullen goetvinden te behooren.” Aan de naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van haar man zaliger legateert zij, boven de 1000 gl, dieaan die erfgenamen reeds zijnbesproken,een bedrag van 500 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij de kinderen van haar nicht zaligerMaria van Tright, in haar leven vrouw van Adriaen van den Schepper, dochter van haar overleden broer Govert van Tright, voor 1/5 part, de kinderen en kindskinderen van haar zuster Aeltgen van Trigtt, weduwe van Martinus Paradijs, te weten de kinderen van Berbera Paradijs, getrouwd geweest met Jan Cloens, Aletta Paradijs, weduwe van ds. Hubertus de Koninck, in zijn leven predikant te Delft, de kinderen van Maria Paradijs, vrouw van Matthijs Bax en Martinus Paradijs, samen voor 1/5 part, de kinderen van wijlen haar zuster Catharina van Tricht, weduwe van Isack Leijniers, voor 1/5 part, de kinderen van haar overleden broer Jan van Tright voor 1/5 part, op voorwaarde dat de portie van zijn zoon Govert van Tright zal worden genoten door diens dochter Jannetta van Tright, vrouw van Jacob van der Spoor en de kinderen van Mattheus van Tright, haar broer zaliger, voor hat laatste 1/5 part. Tot executeurs en voogden benoemt zij Martinus Paradijs, Adriaen Heckenhoeck, Jan Bax Matthijsz. en Jacobus van Tright, resp. haar neven en behuwd neven. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 665, f. 161 e.v.)

d. Jan Govertsz. van Tricht, gedoopt NG Dordrechtmrt. 1620 (= kwartier 20)

e. Mattheus Govertsz. van Tricht, gedoopt NG Dordrechtjan. 1624, jongman van Dordrecht, koopman wonende op de Nieuwe Haven (1653), trouwde NG Dordrecht 5/24 okt. 1653 Maria van der Poel, jonge dochter van Dordrechtwonende bij de Tolbrug (1653), trouwde 2e Johan van Keppel

Uit dit huwelijk:

d-1. Jacobus van Tricht, gedoopt NG Dordrecht 20 dec. 1660

e. Maeijken Geurtsdr. van Tricht, trouwde NG Dordrecht 27 okt. 1647 Jan Gerritsz. Boeyen (Boijen), van Elsloo (1647), maasschipper

f. Govert Geurtsz. van Tricht, trouwde NG Dordrecht 7 mei 1651 Rachel Leijniers gedoopt NG Oud-Alblas 6 nov. 1616, dochter van ds. Huijbrecht Leijniers en Tanneken Wagenaers,trouwde 2e NG Dordrecht 25 okt. 1654 Steven Blonck (Uit dit huwelijk een dochter Ida Blonck, gedoopt NG Dordrecht 28 dec. 1657)

Kinderen:

f-1. Govert van Tright, gedoopt NG Dordrecht 6 mrt. 1652

– 19 mrt. 1678: testeert Govert van Tright, jongman gewoond hebbende te Dordrecht en voornemens om met het fluitschip “Delfshaven” van de Kamer Delft als adelborst naar Oost-Indië te varen. Hij vermaakt legaten aan de kinderen van zijn voogd ds. Hubertus de Coning, predikant van de Gasthuiskerk te Delft en benoemt tot erfgenamen zijn zuster Marija van Tright, vrouw van Adriaen van de Schepper, koster van de Augustijnenkerk te Dordrecht, voor 2/3 parten en zijn halfzuster Yda Blonk voor 1/3 part. Voogden: zijn neefds. Hubertus de Coning en zijn neef Martinus Paradijs, koopman te Dordrecht. (ONA Delfshaven inv. 3848, akte 3, f. 54: vriendelijke mededeling van de heer A.J. Stasse)

f-2. Marija van Tright, gedoopt NG Dordrecht 30 jan. 1654, trouwde NG Dordrecht 24 april 1672 Adriaen van de Schepper

42. Mathijs Paradijs (Paradis), jong gezel van Luik wonende scheep (1624), schipper, koopman op de Maas, overleden ca. 1669, trouwde NG Dordrecht 25 aug./10 sept. 1624

43. Anneken Lens Hermansdr.(Anneken Lens), gedoopt NG Dordrecht mei 1602, jonge dochter van Dordrecht wonende scheep (1624),begraven in de Augustijnenkerk te Dordrecht op 24 juni 1670 (Nelemans, o.c., p. 64: de weduwe van Matthys Paradys)

– 5 juni 1670: compareert voor notaris J. Reijns Anneken Lenssen, weduwe van Matthijs Paradijs, in zijn leven koopmanop de Maas, ziek in bed liggende. Zij prelegateert aan Anneken Paradijs, weduwe van Henrick Duwant, in zijn leven Maasschipper, een bedrag van 300 gl., “ten reguarde ende opsichte vande goede ende trouwe diensten die sij testatrice vande selve haere dochter genoten heeft”, mits dat Anneken Paradijs en Jenneken Paradijs nog uit haar testatrices boedel zullen ontvangen een somma van 600 gl. als huwelijksgoed, zoals haar andere kinderen ook gekregen hebben. In al haar overige goederen benoemt zij tot erfgenamen Lens, Marija, Matthijs, Barbera, Dirck, Anneken, Harman en Jenneken Paradijs en het weeskind van Catharina Paradijs. Tot voogden benoent zij haar zoons Lens en Harman Paradijs. Getuigen: Matthijs Paradijs Cornelisz. en Henrick Servaes (hij tekent met “Henrick Vassen’), inwoners van Dordrecht. Testatrice tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 116, f. 158 e.v.)

– 22 juli 1670: ingeschreven in het weesboek een extract van het testament van Anneken Lenssen, weduwe van Mathijs Paradijs, gepasseerd voor notaris J. Reijns te Dordrecht op 5 juni 1670. (Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 9)

Kinderen (o.a.):

a. Matthijs Paradijs, gedoopt NG Dordrecht mei 1625, trouwde ca. 1655 Maria de Latour

b. Maria Paradijs = kwartier 21, trouwde Jan van Tricht

c. Berber,  gedoopt NG Dordrecht juni 1631

d. Adriaen, gedoopt NG Dordrecht juni 1632

e. Barber Paradijs, gedoopt NG Dordrecht april 1634, Matthijs Hacke

f. Hermanus Paradijs, gedoopt NG Dordrecht jan. 1641

g. Laurens Paradijs

h. Anneken Paradijs, trouwde Hendrick de Want

i. Dirck Paradijs, uitgevaren naar Oost-Indië april 1668, overleden ca. 1668

j. Jenneken Paradijs, trouwde Laurens Loua

k. Catharina Paradijs, overleden in 1668 te Luik

44. Jacob Damisz. van der Poel, geboren naar schatting ca. 1595, van Dordrecht (1626), kruidenier, munter (vanaf 1618), gezworene 1625-1633, overleden tussen21 febr. 1633 (ORA Dordrecht inv. 751, f. 58v, akte d.d. 13 mei 1610)en 31 mei 1637 (vermoedelijk in 1633), trouwde NG Dordrecht 15 mrt. 1626 (ondertrouw, na de proclamaties bescheid gegeven om te Spijkenisse te trouwen)

45. Tanneke Wagenaers Guiliamsdr., gedoopt NG Dordrecht nov. 1607, weduwe vanDordrecht wonende bijde Tolbrug (1637),overleden tussen 16 juni 1637 en 22 dec. 1641, trouwde 2e NG Dordrecht 31 mei/16 juni 1637 (proclam. Amstelodami)Pieter Henckels (Henckelens), banketbakker (1637), kruidenier (1641),jongman uit het Land van Bergen wonende te Amsterdam (1637), weduwnaar uit het Land van de Berge, wonende bij de Tolbrug (1641). Hij trouwde 2e NG Dordrecht 22 dec. 1641/7 jan. 1642 Maria van Wijngaerden, jonge dochter van Dordrecht, wonende bij de Vismarkt (1641)

– 24 juli 1618: “heeft Jacop Damis sijn proef gedaen op de plaetse [de 12e Brabantse muntersplaats] van Damis Aertsen sijn vader ende den behoorlijcken eet gedaen”. (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X (1956), p. 78)

Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Guliam van der Poel, febr. 1627, predikant te Streefkerk (vermeld 1654), trouwde in 1654 met Barbara van Tricht (zie kwartieren 40/41 bij b)

b. Damiaen (Damis), juli 1628 (= kwartier 22)

c. Maeijken, april 1630, trouwde in 1653 Mattheus Govertsz. van Tricht (ziekwartieren 40/41 bij d)

46. Johannes Wagenaer(s), gedoopt NG Dordrecht nov. 1605, jongman van Dordrecht (1628), kruidenier/ koopman,lid van de Veertigen en Achten van Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 23 jan. 1664 (een zwarte baar bij de Botgensstraat voor Johan Wagenaer uit de Veertigen en Achten van Dordrecht, twee maal luiden), trouwde 2e NG Dordrecht 6/20 nov. 1650 Jannigje Jansdr. (van Wanssen), geboren te Dordrecht naar schatting ca. 1600,weduwe van Cornelis Dammen, “van Dordrecht”, wonende bij de Botgensstraat(1650), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 jan. 1666 (een zwarte baar omtrent de Vuilpoort voor Anna Jans, weduwe van Johan Wagenaers, vier maal luiden), trouwde 1e NG Dordrecht 19 aug. 1629 Cornelis Damman bakker, weduwnaar van Goeree, wonende op de markt bij de Tolbrug (1629), dochter van Jan Jansz. schipper en Heilten Jan Lenartsdr.

Johannes Wagenaertrouwde 1eNG Dordrecht 26 nov. 1628 (ondertrouw, proclam. Lejda)

47. Anneken van Dijck Cornelisdr., van Breda wonende te Dordrecht (1628), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 3 juli 1650 (een baar voor de vrouw van Johannys Wagenaers kruidenier, omtrent de Botgensstraat)

– 23 nov. 1628 (NG trouwboek Leiden): Johannes Wagenaer, kruidenier wonende te Dordrecht met Anneken Cornelisdr. van Dijck wonende te Breda, zijn niet gecompareerd, hebben attestatie geleverd.

– 16 okt. 1664: compareert voor notaris J. Schoormans te Dordrecht Janneken Jansdr. van Wansum, laatst weduwe van Johannes Wagenaers, wonende te Dordrecht, om haar testament te maken. Zij is een dochter van wijlen Heijltgen Jansdr., haar halfbroer en halfzuster zijn Willem Cornelisz. Braat en wijlen Judith Cornelisdr. Braat. Legaat van 300 gl. voor Pieter Aertsz. Danser schipper en zijn vrouw Jaeckemijntgen Leendertsdr. Legaat voor Neeltge Damman, dochter van haar eerste man Cornelis Damman. (ONA Dordrecht inv. 97, f. 79 e.v.)

– 24 aug. 1665: compareert voor notaris A. de Haen te Dordrecht Janneken Jansdr. van Wanssem, laatst weduwe van Johannes Wagenaer. Zij legateert aan haar nicht Jacomijntgen Leendertsdr., huisvrouw van Pieter Aertsz. Dansser een bedrag van 200 gl., aan haar nichten Marijcken en Matgen Hendricx, gezusters wonende te Rotterdam, ieder 100 gl., aan haar neef Cornelis Hechtermans haar huis, schuur, berging, keten etc. met 21 morgen land, staande en gelegen aan de Blaak onder Mijnsheerenland van Moerkerken ennog 4000 gl., die haar door overlijden van Judith Cornelisdr. Braat, haar halfzuster, in haar leven huisvrouw van Hendrick van den Bosch, overeenkomstig haar testament zijn aanbestorven. Zij benoemt tot universeel erfgenaam van al haar overige na te laten goederen haar [half-] broer Willem Cornelisz. Braat voor de ene helft en haar neef Cornelis Hechtermans voor de andere helft. Tot voogd benoemt zij haar zwager Hendrick van den Bosch. (ONA Dordrecht inv. 223, f. 24 e.v.)

– 5 okt. 1666: extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Janneken Jansdr. van Wanssen, laatst weduwe van Johannes Wagenaer, in zijn leven uit de Achten van Dordrecht, gepasseerd voor notaris A. de Haen op 24 aug. 1665 (Weeskamer Dordrecht inv. 25, f. 241)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht, ex 1):

a. Anneken, geboren, naar schatting ca. 1630, trouwde NG Dordrecht 30 juni 1652 Philippus de Graeff, suikerbakker te Dordrecht (vermeld 1667)

b. Cornelis Wagenaer, okt. 1634, pondgaarder te Dordrecht (vermeld 1667)

c. Jannette, nov. 1636 (= kwartier 23)

d. en e. Giliam en Maijken, sept. 1638

f. Maria, jan. 1641

48. Dirck Jacobsz. (van der Mandele), geboren Dordrecht ca. 1579, meester-munter en gezworene van de Munt van Holland, overleden Dordrecht kort na 1 jan. 1613, trouwde NG Dordrecht 25 juli 1604

49. Adriaenken Jans

50. Aert Hendrik Lenaertsz. Smits, schipper, overleden ca. 1665,trouwde 2e vóór 17 aug. 1657 Neeltgen Ghijsbertsdr., 1e

51. NN(vermoedelijk Geertgen Gerrits)

– okt. 1620: Aert Hendriksz. en Geertgen Gerrits laten dopen (NG Dordrecht) een dochter, genaamd Maijken

– 9 mei 1645: Aert Hendricxsz. Smits, burger van Dordrecht, verkoopt aan Dirck Leendertsz. van Cruchten, burger van Dordrecht, een huis op de hoek van de Sarisgang, staande tegenover de brug tussen het huis van verkoper en de Sarisgang. Waarborg: Isaac Dircxsz. van de Mandere, viskoper en burger van Dordrecht. De koper is schuldig aan de verkoper een somma van 1600 gl. (ORA Dordrecht inv. 775, f. 26)

– 17 aug. 1657: testament van Maijken Aertsdr. Smits, weduwe van Isaack Dirksdr. van der Mandel, burgeres van Dordrecht. Zij benoemt tot erfgenamen haar kinderen, Dirck en Geertruijt Isaacks van der Mandel. Indien de kinderen vóór hun mondigheid of huwelijk komen te overlijden, zullen testatrice’s goederen vererven op haar vader en stiefmoeder, Aert Hendricxsz. Smits en Neeltgen Ghijsbertsdr. In dat laatste geval zullen haar vader en haar stiefmoeder gehouden zijn aan haar erfgenamen ab intestato van moederskant een bedrag van 2000 gl. uit te keren. Tot voogden benoemt zij haar vader, alsmede Pieter van Belle en Willem Jansz. van Groeningen, haar “goede vertrouwde” vrienden. (ONA Dordrecht inv. 65, f. 219 e.v.)

– 11 febr. 1661: Anneken Cornelisdr. Kavas, weduwe van Pieter Dircxsz. Tegelberch, verkoopt voor 2000 gl. aan Dirck Biertiens, mr. goudsmid in Den Bosch, een huis voor het Bagijnhof, staandetussen het huis van Jacob Sperwer en dat van Aert Henrijcksz. Smits. (ONA Dordrecht inv. 293, f. 174 e.v.)

– 25 sept. 1670: Adriaen de Haen, notaris te Dordrecht, verkoopt met toestemming van de regering van Dordrecht, voor 860 gl. aan Neelken Gijsberts, weduwe van Aert Hendricxsz., een huis in de Vriesestraat, dat is nagelaten door Lieven Verhel metselaar, staande tussen het huis “den Rooden Os” en de Arme-Vrouwenhof. (ORA Dordrecht inv. 787)

– 6 mei 1672: Wouter van Hemert, als man van Maeijcken Aertsdr., dochter en mede-erfgename van wijlen Aert Hendricxsz. Smits, Dirck Vermandel en Geman van Cappel, als echtgenoot van Geertruijt Vermandel, resp. zoon en schoonzoon van Maeijcken Aertsdr., verkopen voor 900 gl. aan Reijnier Couvijn, schilder en burger van Dordrecht, een huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van de verkopers en het huis van Jan Muijs stadsbode, strekkende voor van ’s herenstraat tot achter aan de gracht. (ORA Dordrecht inv. 788, f. 24v)

56. ds. Petrus Vligerius, predikant te Schoonrewoerd 1612, vertrok in 1619 naar IJsselstein, weduwnaar (1634), trouwde 2e ‘s-Gravenhage 19 mrt. 1634 Catharina van der Plas, 1e naar schatting ca. 1610

57. NN

60. Jacob Philipsz. Burchhoorn, van Leiden (1603),kleermaker, snijder, overleden vóór 25 okt. 1629, trouwde 1e naar schatting ca. 1585 Jannetgen Jacobsdr. van Tol, overleden vóór 30 jan. 1603, 2e NG Leiden 25 juli 1603 (ondertrouw)

61. Aeltgen Ottendr., van Dordrecht (1603), weduwewonende te Leiden in de Diefsteeg (1629), trouwde 2e NG Leiden 25 okt. 1629 Jeronimus Meijnertsz., weduwnaar van Adriaentgen Lenaertsdr., varend gezel wonende bij de Hooglandse Kerk te Leiden (1629)

– 30 jan. 1603: “de gerechte helfte deser huijsinge [in de Lange Diefsteef (Bon: Over ’t Hof) te Leiden] is bij Jacob Phillipszoon [snijder] overgegeve aen sijne kinderen gewonnen bij Jannetgen Jacobsd. van Tol sijn sa. huijsvrouwe over haerluijden moeders erffenisse, ende neemt Jacob Phillips noch tsijnen laste alleen de voorgaende rente van ii gl. ende de verdere lasten des boedels, mitsgaders belooft de twee onmondige kinderen te onderhouden ende uijt te setten, alleen onder speciael verbant van sijne helft, ende sal der kinderen helft geduijrende sijn leven in lijfftochte besitten, ende de brieff te overstellen gebracht den 14.9.1624.” (Bonboeken Leiden (archief 501A), inv. 6613, f. 365)

82. Johan Scherer alias Hu(y)ben (Houben), burger van Roermond, overleden in of na 1608,trouwde

83. Barbara Mattheusdr. van Buel

– (geen datum vermeld): Jan Houben compareert “consensu Barbara uxoris” als Johan Scherers alias Houben, verkoopt vast goed en stelt een zaakwaarnemer aan. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102)

– 13 okt. 1608: huwelijkse voorwaarden tussen Anneken Engelen en Reinier Huijben of Houben, zoon van Johan Houben en Barbara Mattewis, waarbij “tot onderstant dese(r) voergenoemde Ehestant Johan Huben bij desen beloefft sijnen soen te geven, soe veel gereijde penningen, als hij voer desen heeft gegeven sinder dochter op het houwelijck”. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102-103)

Kinderen:

a. Mariken Jan Hubendr.,geboren naar schatting ca. 1580

b. Renier Houben (Huijben), overleden vóór 8 okt. 1622, trouwde 13 okt. 1608 (huw. voorwaarden) Anneken Engelen (vermeld als weduwe van Renier Houben te Roermond op 8 okt. 1622) (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 103)

86. Lens Hermansz. (van Elsloo), trouwde

87. Mariken Rijcken

ORA Dordrecht inv. 1621, f. 85 op 18 mei 1666 verkopen Maria Lensdr. van Elsloo, weduwe van Jan Aeldertsz. de Veer, Susanna Lensdr. van Elsloo, weduwe van Matthijs Jorisz., Helena Lansdr. van Elsloo, de vrouw van Willem Heijblom, thans afwezig, voor zichzelf en tevens vervangende Lens Hermansz. Gijben, Matthijs Paradijs, als man van Anneken Lensdr. van Elsloo en Servaes Geurtsz., als man van Aeltgen Lensdr. van Elsloo, allen kinderen en erfgenamen van Lens Hermansz. van Elsloo, voor 800 gl. aan Martijn Geerards, biersteker en burger van Dordrecht, een huis op het Nieuwe Werck aan de havenzijde, staande tussen het huis van Lambert Corton en dat van de weduwe van Dirk de Bas.

Kinderen (volgorde gedeeltelijk onzeker):

a. Anneken Lensdr. van Elsloo, gedoopt NG Dordrecht mei 1602, trouwde Matthijs Paradijs

b. NN, gedoopt NG Dordrecht juni 1605

c. Heilken (Helena) Lensdr. van Elsloo, gedoopt NG Dordrecht okt. 1609, trouwde Willem Heijblom

d. Susanna Lensdr. van Elsloo, gedoopt NG Dordrecht aug. 1612, trouwde Matthijs Jorisz.

e. Maria Lensdr. van Elsloo, trouwde Jan Aeldertsz. de Veer

f. Aeltgen Lensdr. van Elsloo, trouwde Servaes Geurtsen

166. Thijs van Buel, trouwde Marie NN (= kwartier 167?)

– 27 juni 1560: Thijs van Buel compareert met zijn vrouw Marie te Roermond. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102)

– 21 juni 1569: Thijs van Buel wordt door landvoogd Alva verbannen “pour avoir fort conversé et hanté avec le dict prédicant (sectaire), esté en armes et ung des principaulx avant aussy esté envoyé au dict Anvers vers les consistoriens”. (De Nederlandsche Leeuw 1939, kol. 102)

Kinderen:

a. Barbara Mattheusdr. van Buel (= kwartier 83)

b. Cornelia Mattheusdr. van Buel (van Biele), trouwde ds. Joannes Alopecius (Vossius), van Vuerenambacht, predikant te Heidelberg en te Dordrecht (1584-1586), overleden Dordrecht 22 febr. 1586 (J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, deel II (Schiedam 1987), p. 786), trouwde 2e Anna de Witt

Uit dit huwelijk (volgorde onzeker):

b-1. Gerardus Joannes Vossius, geboren Heidelberg (D.) ca. 21 mrt. 1577, humanist, hoogleraar Griekse taal en letterkunde te Leiden, overleden Amsterdam 17 mrt.1649., trouwde 1e Dordrecht 17 febr. 1602 Elisabeth van den Corput, overleden 7 febr. 1606, 2e Dordrecht 28 aug. 1607 Elisabeth Junius.

Kind (ex 1)

b-1-1. Johannes Vossius

Hij kwam in 1583 met zijn ouders naar Dordrecht, werd al vroeg wees, waarna hij met zijn zuster Maria door de weduwe van ds. Jacob van der Myle, Barbara van Rossum,in huis werd genomen. Na het overlijden van Barbara van Rossum(1594) woonde Gerard in bij rector Marcellus. Hijdoorliepte Dordrechtde Latijnse School, ging in 1595als bursaal van de stad Dordrecht naar het Leidse Statencollege enpromoveerde in 1598 tot magister artium. Voordat hij zijn studie theologie in Leiden kon afronden, werd hij in 1600 door het stadsbestuur van Dordrecht teruggeroepen om daar les te geven aan de Latijnse School, waar hij in de periode 1600-1615 rector was. De betekenis die Vossius voor de Dordtse Latijnse school had, werd door velen hoog ingeschat. Zijn vriend Hugo de Groot bezorgde hem in 1615 de post van regent van het Leidse Statencollege. Op aandringen van De Groot publiceerde hij in 1618 een Historia Pelagianismi, waarin hij aantoonde dat de Remonstranten ten onrechte werden beschuldigd van pelagianisme, d.w.z. de leer van Pelagius, die in het jaar 431 werd veroordeeld omdat hij in de discussie over de genade een te grote plaats toekende aan de vrije wil. Na de nederlaag van de Remonstranten in 1619 werd Vossius als regent ontslagen. Hij bleef echter docent aan de Leidse universiteit. Machtige beschermers bezorgden hem in 1622 de leerstoel geschiedenis en welsprekendheid. In 1625 kreeg hij ook de Leidse leerstoel Griekse taal- en letterkunde. In 1631 nam hij ontslag en ging samen met Caspar Barlaeus naar Amsterdamom het Athenaeum Illustre mede op te richten. Als eerste rector opende hij met een redevoering op 8 jan. 1632 het Athenaeum. Hij publiceerde werken over welsprekendheid, poëtica, taalkunde en geschiedenis. (J. Charité (red.), Biografisch Woordenboek van Nederland [Amsterdam 1985], p. 597 e.v.; C. Esseboom en N.L. Dodde, Minerva Dordracena, 750 jaar klassiek onderwijs in Dordrecht (1253-2003), [Dordrecht 2003], p. 153 e.v.)

ORA Dordrecht inv. 1589, f. 119v: op 18 okt. 1612 verkoopt Marijcken Woutersdr., weduwe van Jan Jansz. kalkmeter, aan Jacob van den Corput, als voogd van het onmondig kind van Elisabeth van den Corput, verwekt door mr.Gerardus Vossius, rector in de Latijnse School, genaamd Johannes Vossius, een jaarlijkse losrente van 12 gl., verzekerd op een huis in de Kromme Elleboog, staande tussenhet huis van Jan Pietersz. en dat van Arien Jansz.

b-2. Maria Vossius, geboren ca. 26 dec. 1580 te Veurne (België), overleden Dordrecht 25 febr. 1595

Gerardus Vossius.

88. Damas Aertsz. van der Poel, muntenaar te Dordrecht, trouwde naar schatting ca. 1575

89. Marijcken Jacobsdr.

– 21 jan. 1579: DamasAertsz. van der Poel verklaart ontvangen te hebben van Cornelis Cornelisz. Jong schoenmaker al hetgeen hem, comparant, aangekomen is bij overlijden van zijn moeder Jaepgen Cornelisdr., en dat hij derhalve zijn oom, genoemde Cornelis Cornelisz., en diens erfgenamen hiervan volledig kwijtscheldt. (ORA Dordrecht inv. 735)

– 7 aug. 1593: Damas Aertsz. van der Poel muntenaar verkoopt aan Roelant Joosten, viskoper en burger van Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick de Briever en dat van Henrick Conincx goudsmid, niet meer belast dan met een rente van 6 gl. jaarlijks, die Lijsken Cors daar op heeft, een rente van 6 gl. jaarlijks, die Jacob van Diemen daar op heeft, een rente van 12 gl. jaarlijks, die Floris Eeuwoutsz. daar op heeft en een rente van 8 gl. jaarlijks, die Dirck Jacobsz. Clootwijck daar op heeft. Waarborg: Jan Jacobsz. Doudijn. koper kent schuldig aan verkoper een somma van 500 gl., te betalen met 100 gl. alle jaren op meidag. Borg: Henrick de Briever. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 80v)

90 = 92. Guilliam Wagenaars, weduwnaar van Antwerpen (1620), trouwde 2e NG Dordrecht 7/30 juni 1620 Maria van Liesvelt, jonge dochter van Dordrecht (1620). 1e NG Dordrecht 23 jan. 1605

92. Janneken Thomasdr. Boons

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

Ex 1:

a. Joannes Wagenaers, nov. 1605

b. Mariken,nov. 1606

c. Tanneken Wagenaersnov. 1607, ongehuwd

c. Teunis, jan. 1609

d. Maike Wagenaers Guilliamsdr., april 1610, van Dordrecht wonende in “de Drie Moren” (1630), trouwde NG Dordrecht 3 febr. 1630 (ondertrouw) Dionisius Emhart, weduwnaar van Ladenbruch wonende in de Nieuwstraat (1630)

e. Thomas, jan. 1612

f. Susanna, dec. 1613

g. Guilliaem, mrt. 1616

Ex 2:

h. NN, juli 1621

i. Johanna Wagenaers, overleden vóór 23 nov. 1665

ONA Dordrecht inv. 196, f. 536 e.v.: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Johanna Wagenaers, beschreven door notaris J. Melanen te Dordrecht op 23 nov. 1665. Na aftrek van de lasten resteert een somma van 2845 gl. De naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van vaderszijde van de overledene komt toe een somma van 1422 gl .10 st., welke verdeeld moet worden in twee delen, t.w. voor de vijf kinderen van wijlen Johannes Wagenaers een bedrag van 711 gl. 5 st. en voor de drie kinderen vanJanneken Wagenaers, bij haar verwekt door wijlen Jacob Damisz. van der Poel, een bedrag van 711 gl. 5 st. De naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van moederszijde van Johanna Wagenaers komt toe een bedrag van 1422 gl. 10 st., welke verdeeld moet worden in twee helften, nl. de eerste helft voor de twee kinderen van Jan Willemsz. van Liesvelt, de zes kinderen van Geertruijt van Liesvelt en de dochter van Lijesvelt van Liesvelt, zijnde de kinderen van de oom en tante “van helen bedde” van Johanna Wagenaers, ofwel elk een derde part van 711 gl. 5 st., d.w.z. 237 gl. 1 st. 8 penn. De andere helft moet verdeeld in drie parten, t.w. voor voornoemde personen drie vijfde parten, voor de twee kinderen van Maeijken van Liesvelt een vijfde part en voor de twee kinderen van Cornelia van Liesvelt een vijfde part.(Een vijfdepart van 711 gl. 5 st. beloopt142 gl. 5 st.)

Op 28 nov. 1665 verklaren Cornelis Wagenaers, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Marija Wagenaers, zijn zuster, Coenraet van Hassel, als man van Cathelijna Henckelius, Philips de Graeff, als man van Anneken Wagenaers, voor zichzelf en namens Guilliam Wagenaers, zijn zwager, die in het buitenland verblijft, Marija van de Poel, weduwe van Mattheus van Tricht, dezelfde Cornelis Wagenaers als procuratie hebbende van Damis van de Poel, en Jannetta Wagenaers, samen naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van vaderszijde van Johanna Wagenaers, hun tante, voor en ene helft, en Coenraet van Ceulen, als man van Cornelia van Liesvelt, Lijsbeth van Liesvelt, Abraham Heijblom, als man vanErmken op de Camp, dochter van Lijsbeth van Liesvelt, Abraham Huttenus, als man van Geertruij Roerom, Matthijs van Nieuvelt, als man van Cornelia van Liesvelt, voor zichzelf en namens Willem, Marija, Gouda en Lijsbeth Roerom, kinderen van wijlen Geertruijt van Liesvelt, en Abraham Huttenus nog als procuratie hebbende van dr. Willem Pieso en Marija Pieso, kinderen van wijlen Cornelia van Liesvelt, Johannes Everts en Geerit Ruwel, als man van Adriana Everts, kinderen van Maeijken van Liesvelt, samen naaste verwanten en erfgenamen ab intestato van moederszijde van Johanna Wagenaers, voor de andere helft, dat zij hiermee gescheiden hebben de nagelaten goederen van Johanna Wagenaers, resp. hun tante en nicht.

96. Jacob Joosten, geboren ca. 1555, linnenwever te Dordrecht, legde op 14 nov. 1592 ten behoeve van zijn minderjarige zoon Dirck, die van zijn grootvader Dirck Ockersz. de derde mr.-muntersplaats geërfd had, de eed af, overleden tussen 1621 en 1626

Jacob Joosten, linnenwever te Dordrecht, legde op 14 nov. 1592 ten behoeve van zijn minderjarige zoonDirck, die van zijn grootvaderDirckOckerszde derde meester muntersplaats geërfd had, de eed af, † tussen 1621 en 1626, tr. vóór 1579GeertruydtDircks, †omstr. 1550, † 1609/1610, dr. vanDirckOckersz., meester-munter te Dordrecht, en N.N.

– 4 okt. 1590: Compareerden voor schepenen van Dordrecht JasperPietersz, als man van BarbaraPietersdr, die eerder weduwe was van JacquesWouterszvan deMandele, schoenmaker, enerzijds enJacob Joosten en Daniël Joosten, voor zichzelf en tevens vervangende CornelisWouterszvan der Mande,als voogden en naaste verwanten vanNeeltgenJacobsdr, het zeven jaar oude weeskind van JacquesWoutersz, anderzijds. Aan JasperPietersz, in zijn voorn. hoedanigheid, is toebedeeld alle goederen die JacquesWoutersz, schoenmaker te Dordrecht, heeft nagelaten, uitgezonderd de goederen die in Vlaanderen bevonden zullen worden. Het weeskind zal uit de nalatenschaponderhouden worden tot haar achttiende jaar en dan een bedrag van 6 gld. uitgekeerd krijgen. [ORA Dordrecht inv.nr. 741, fol. 144]

– 1 sept. 1604: Op verzoek vanNeeltgenVermanden verklarenJacob Joosten, 59 jaar, en Daniël Joosten, 51 jaar oud, beiden linnenwevers en burgers van Dordrecht, dat zij goed gekend hebben Jacques Vermand[en], geboren van “Veuren” in Vlaanderen en BarbaraMestach, dochter van mr. PieterMestachvanRonsbrugge, die bij elkaar te Dordrecht verwekt hebben twee dochters, t.w. derekwiranteen haar zusterJacobmijntgenVermanden, voorts dat Jacques Vermanden te Dordrecht is overleden en Barbara inBeijersandis gestorven op “SinteMaertelaetsledeneen jaar”.JacobmijntgenVermanden is volgens de deposanten 14 of 15 jaar eerder in Dordrecht overleden, zodat van Jacques Vermanden en zijn vrouw geen andere kinderen meer in leven zijn dan derequirane. [ORA Dordrecht, inv.nr. 899]

178. Jacob Pietersz. (van den Eijnde), goudsmid te Dordrecht, overleden vóór 4 okt. 1575,trouwde vóór 1541

179.Neeltje Dircksdr. van Clootwijck, overleden vóór 9 juli 1585

– 4 okt. 1575: Jan Jacobsz. Doudijn transporteert aan Dirck Jacobsz. [Clootwijck] en Rochus Grijp, als ooms en voogden van Jacob Pietersz. en Marijcken Pietersdr., onmondige weeskinderen van wijlen Pieter Jacobsz., een rentebrief van 9 gl. jaarlijks, verleden door Herman Adriaensz. huistimmerman,welke hem (Doudijn) ten huwelijk is gegeven door zijn moeder Neeltgen van Clootwijck, weduwe van Jacob Pietersz. goudsmid. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 13)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Anna van den Eijnde, geboren naar schatting ca. 1545, overleden 10 juli 1612, begraven Dordrecht (Augustijnenkerk), trouwde Rochus Grijp, goudsmid, muntmeester-generaal in Holland 1580, idem in de Verenigde Provinciën (commissie 11 juli 1586), overleden 12 nov. 1592, zoon van Joost Grijp en Grietje Doensdr. van den Berch (Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel X [‘s-Gravenhage 1956], p. 99)

Kind:

a-1. Cornelia Grijp (Grijph), geboren naar schatting ca. 1580,trouwde in 1609 Johan Oem, overleden 29 aug. 1630, zoon van Johan Oem Hermansz. en Alienora van Slingeland Jansdr. (Balen, o.c., deel II, p. 1179)

b. Dirck Jacobsz. Clootwijck, geboren ca. 1549, goudsmid te Dordrecht

– 23 mrt. 1589: Jacob Pietersz. Queckel, “residerende” te Utrecht, transporteert aan zijn oom Dirck Jacobsz. Clootwijck een rentebrief van 2 ponden groten Vlaams, verleden door Reijer de Jonge Reijersz. op 13 dec. 1557. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 218)

– 15 mrt. 1592: op verzoek van de schutmeesters en dekens van de drie schutterijen van Dordrecht verklaren Cornelis Cornelis ’t Jong, ongeveer 66 jaar oud, Henrick Barentsz., essayeur van de Munt, 57 jaar oud en Dirck Jacobsz. Clootwijck goudsmid, ongeveer 43 jaar oud, bij de eed door hen als schutters gedaan (en Henrick Barentsz. bij zijn ambtseed), dat in het jaar 1572 “het silverwerck vande drie schutteriën deser stede, als silvere coppen, beeckers, ende croesen, geëmployeert is geweest ten dijenste van Zijne Excellentie hooger memoriën tot betalinge van de ruijteren ende knechten doen ter tijdt in Gelderlandt leggende ende dat tzelve silverwerck opte Munte gelevert is in handen van Blasius Boucquet, doen ter tijdt wisselaer ende Rochus Grijp midtsgaders Pieter Jacobsz. Clootwijck, goutsmeden, sonder dat sij deposanten door de lanckheijt van de tijdt onthouden hebben de speciën ende ’t gewicht vandijen. Verclaerende voorts dat van tselve silverwerck geslaghen ofte gemunt zijn geweest penningen van zeven stuvers, nu ter tijt doende thijen stuvers ende dat zoo veele alsser gemunt waren getelt sijn geweest in handen vande thesaurier Mannemaker. Seggende sij deposanten voor redenen van haerlieder wetenschap, dat zij tvoorsz. silverwerck hebben helpen handelen als weesende de voorsz. Cornelis ’t Jong inden jare [1572] deecken bij de schutterie van de geheele haecx binnen deser stede en de voorsz. Dirck Jacobsz. verclaerde, dat hij alle andere tgelt aende voorsz. thesaurier Mannemaker overgetelt heeft.” (ORA Dordrecht inv. 720, akte 286)

c. Maricken Jacobsdr., trouwde Damas Aertsz. van der Poel, muntenaar te Dordrecht (kwartieren 88/89)

d. Pieter Jacobsz. Clootwijck, goudsmid te Dordrecht ca. 1572 (ORA Dordrecht inv. 720, akte 286 dd 15 mrt. 1592), overleden vóór 4 okt. 1575, trouwde Cornelia (Neeltgen)Quekel (Queeckels), trouwde 2e Hans van Straelen

– 4 okt. 1575: Jan Jacobsz. Doudijn transporteert aan Dirck Jacobsz. [Clootwijck] en Rochus Grijp, als ooms en voogden van Jacob Pietersz. en Marijcken Pietersdr., onmondige weeskinderen van wijlen Pieter Jacobsz., een rentebrief van 9 gl. jaarlijks, verleden door Herman Adriaensz. huistimmerman,welke hem (Doudijn) ten huwelijk is gegeven door zijn moeder Neeltgen van Clootwijck, weduwe van Jacob Pietersz. goudsmid. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 13)

– 1 dec. 1578: Jan Jacobsz. van Oudewater is schuldig aan Hans van Straelen, als man van Neeltgen Queeckels, Vincent Hanneman, als man van Christina Queeckels, en Rochus Grijp en Dirck Jacobsz. [Clootwijck] goudsmid, als ooms en voogden van de kinderen van Neeltgen Queeckels, bij haar verwekt door wijlen Pieter Jacobsz. goudsmid, en het onmondig weeskind van Marija Queeckels, allen erfgenamen van wijlen Jacob Queeckel, in zijn leven baljuw van Zuid-Holland, *wegens de koop van een huis aan de Poortzijde [Wijnstraat] omtrent de Wijnbrug, genaamd “de Wilde Weerelt”, een somma van 700 gl. Borgen: Jan Henricxsz. tingieter en Joest Coenensz. tingieter. (ORA Dordrecht inv. 734, f. 156)

* Jacob Quekel Jacobsz., heer van Wieldrecht, Oudelandsambacht enz., werd in 1537 baljuw van Zuid-Holland. Hij overleed in 1559. (Inscriptiones Van Buchel, p. 211, 265 en 278 [internet]).

Kinderen (volgorde onzeker):

d-1. Jacob Pietersz. (Queckel), woonde in 1589 te Utrecht, overleden tussen 23 mrt. 1589 en 25 mei 1589

– 23 mrt. 1589: Jacob Pietersz. Queckel, “residerende” te Utrecht, transporteert aan zijn oom Dirck Jacobsz. Clootwijck een rentebrief van 2 ponden groten Vlaams, verleden door Reijer de Jonge Reijersz. op 13 dec. 1557. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 218)

– 25 mei 1589: Dirck Jacobsz. Clootwijck, burger van Dordrecht, verklaart, dat van wege Cornelis van Reijnegom, inwoner van Utrecht, door de gezworen kamerbewaarder van Dordrecht arrest is gedaan op een onder hem, comparant, berustende custing- of schepenschuldbrief, sprekende op zeker huis, staande tegenover de Kruiskapel te Dordrecht en toebehorende aan mr. Maximiliaen Bouman chirurgijn, waar nu woont Joachim Jansz. Comparant belooft die custingbrief niet van de hand te doen, voordat Van Reijnegom volledig betaald is van hetgeen hem nog toekomt wegens twee obligaties, die zijn verleden door zijn (Clootwijcks) neef Jacob Pietersz., t.w. een bedrag van 200 gl. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 259)

d-2. Marijcken Pietersdr.

e. Jan Jacobsz. Doudijn (Dudain, Dudijn), geboren ca. 1551, weduwnaar van Dordrecht (1598), trouwde 1e NG Dordrecht 1 jan. 1573 (ondertrouw) Margrijeta Jansdr., 2e NG Dordrecht 8 mrt. 1598 Trijnken Henricxdr. van “Santen” in het Land van Kleef (1598)

[Niet dezelfdeals de kunstschilder Jan Doudijn, bekend van o.a. “de Brand van Nieuwkerkte Dordrechtin het jaar 1568”, aangezien die reeds in 1560 een stuk vervaardigde, waarop de munters van de Munt van Holland stonden afgebeeld. (Balen, o.c., p. 682)]

– 9 juli 1585: Jan Jacobsz. Doudijn transporteert aan zijn broer Dirck Jacobsz. van Clootwijck drie schepenenschuldbrieven. Hij verkoopt tevens aan zijn broer 1/6 part van “anderhalve gaerde lants gelegen tot Cappel”, hem comparant aangekomen bij overlijden van zijn moeder Neeltgen van Clootwijck. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 200v en 201)

– 7 sept. 1586: verklaring op verzoek van Thomas Jansz. koperslager en Jan Jansz. lijndraaier door o.a. Jan Jacobsz. Doudijn, 35 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 739, f. 30)

– 7 aug. 1593: Damas Aertsz. van der Poel muntenaar verkoopt aan Roelant Joosten, viskoper en burger van Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Henrick de Briever en dat van Henrick Conincx goudsmid, niet meer belast dan met een rente van 6 gl. jaarlijks, die Lijsken Cors daar op heeft, een rente van 6 gl. jaarlijks, die Jacob van Diemen daar op heeft, een rente van 12 gl. jaarlijks, die Floris Eeuwoutsz. daar op heeft en een rente van 8 gl. jaarlijks, die Dirck Jacobsz. Clootwijck daar op heeft. Waarborg: Jan Jacobsz. Doudijn. koper kent schuldig aan verkoper een somma van 500 gl., te betalen met 100 gl. alle jaren op meidag. Borg: Henrick de Briever. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 80v)

Kinderen van Jan Jacobsz. Doudijn (allen NG gedoopt te Dordrecht):

ex 1:

e-1. Geertruijt, 18 nov. 1579

e-2. Jacob, 11 aug. 1581

e-3. Peter, 23 dec. 1584

e-4. Isaac, 1 juni 1589

ex 2:

e-5. Henric, 1 juli 1599

358.Dirck Jansz. van Clootwijck, geboren 1479, schout/heemraad van ‘s-Grevelduin-Capelle, overleden ca. 1530,trouwde 1e Lijsbeth Claesdr. van der Velde, 2e

359. Geertruyt Jan Doedijnsdr.

(http://www.klootwijk.net/dak.asp?gen=1087)