Van Convent

I. Joost Laurensz., trouwde naar schatting ca. 1580 Lintgen Mantensdr.

II. David Joosten Convents (van Convent), gedoopt NG Dordrecht nov. 1585, jong gezel van Dordrecht (1620),schipper, Londenvaarder, overleden in of na 1649, trouwde NG Dordrecht 13 sept. 1620 (bescheid gegeven om te Gorinchem te trouwen 27 sept. 1620) Maeijken Aartsdr. van Strien, jonge dochter van Gorinchem)

– 16 okt. 1635: Adriaen Jansz. Honinck, bakker en burger van Dordrecht, verkoopt aan David Joosten, Londenvaarder en burger van Dordrecht, een huis in de [Oude] Houttuin [Voorstraat] tegenover de [Nieuw]Kerkstraat, staande tussen het huis van de weduwe van Jan Oom Jansz. en dat van Frans Baltensz. boekverkoper. Waarborg: Corstiaen Jansz. Honich en Herman Jansz. Honich, burgers van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 770, f. 101)

– 28 mrt. 1643: Cornelia Grijph, weduwe van Johan Oem Jansz., verleent procuratie aan jonkheer Jacob de Brucxelles, heer van Giessendam etc., om aan Johannes Rijcken te transporteren een huis in de Oude Houttuin, staande tussen het huis van Davit Joosten en dat van Pieter de Jaeger. (ONA Dordrecht inv. 83, f. 401 e.v.)

– 24 nov. 1649: Geerit Abrahamsz., Frans Jansz., en Tossain Tossainsz., gezworen koolmeters te Dordrecht, verklaren op verzoek van Pieter Rochusz. en Joost van Herbos, pachters van resp. “de rondemaet” en de stadsmakelaardij van de kolen, dat zij gezien hebben, dat het boeierschip van Davit Joosten Londenvaarder voor de stad op stroom gelegen heeft op 25 en 27 sept. 1649, en dat op die dagen Engels kolenuit het schip “gewerckt sijn overboort int schip” van Job Jansz., schipper te Dordrecht, zowel door vreemde arbeiders, Engelsen of anderen, als door kaaiwerkers, zonder hen, attestanten, als “ordinaris arbeijders aen te spreecken”. Tossain Tossainsz. alleen verklaart, dat hij Davit Joosten daarover aangesproken heeft en hem gevraagd, waarom hij de kolen op die manier liet overladen, en dat Davit hem daarop geantwoord heeft, “dat hem niet aen en ginck dat hij de de selve [kolen] aen … Claes Jansz. [schipper en burger van Dordrecht] vercoft hadde sonder dat hij met eenige oncosten te doen hadde maer dat alleen de oncosten bij voorsz. Claes Jansz. mosten gedragen ende betaelt werden”. (ONA Dordrecht inv. 88, f. 307 e.v.)

– 22 april 1666: Maeijken Aertsdr. Strijen, burgeres van Dordrecht, verklaart namens haar zoon kapitein Laurens van Convent, verhuurd te hebben voor 120 gl. per jaar aan Arthur Dee, Engels factoor te Dordrecht, het achterhuis van haar zoon, komende op de Nieuwkerksteiger of Nieuwe Kade, staande tussen het pakhuis van Van Convent en het huis van Gijsbert van der Poth. (ONA Dordrecht inv. 229, f. 382 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Joost, dec. 1622

b. Joost, juni 1624

c. Laurentz, volgt III

d. Jacob, sept. 1629

e. Catalina, dec. 1632

III. Laurens Davidsz. van Convent, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1627,jongman van Dordrecht wonende in de Voorstraat tegenover de Nieuwkerkstraat (1649),schipper (1649), kaper, kapitein op een oorlogsschip (in 1672 op het schip “de Maecht van Gelder”), “diende als kapitein 1665 onder de Ruijter en Tromp, 1665/1667 in de toen geleverde slagen en op de bekende zeetochten”(NNBW, deel VIII), begraven Dordrecht 2 aug. 1672 in de Augustijnenkerk, trouwde NG Dordrecht 19 sept./5 okt. 1649 Stijntje (Christina) Pietersdr. Bus (Bosch), geboren naar schatting ca. 1625, jonge dochter van Bremen, wonende in de Voorstraat tegenover de Nieuwkerkstraat (1649), begraven Dordrecht (Augustijnenkerk) 22 april 1711 (Cristijna Bos, weduwe van Lauwerens Davidtsz. van Kouent, bij de Nieuwkerkstraat, begraven met 4 koetsen boven het getal, het huis met rouw behangen, de eerste boete verbeurd)

Christina was de zuster van Lucretia Pietersdr., jonge dochter van Bremen, wonende te Dordrecht [in de Voorstraat] tegenover de Nieuwkerkstraat (1657), trouwde 1e NG Dordrecht 13/29 mei 1657 (proclam. Vlaardingen) Gijsbrecht (Gijsbert) Michielsz. van der Pot, jongman van Vlaardingen, wonende ald. (1657), schipper, Londenvaarder, 2e naar schatting ca. 1665 Gerrit (Gerard) van Callenburch (1642-1722), luitenant-admiraal van de Nederlandse vloot (vanaf 1697), later burgemeester van Vlaardingen (NNBW [internet])

Gerard van Callenburch

– 8/9 nov. 1655:verzoek van Jeuriaen Tijmonsz. Mugh, schipper van het schip “het Huijs te Schagen”, aan notaris J. Melanen te Dordrecht om zich te adresserenaan de persoon van Laurens Davijdsz., schipper van het schip “de Jonge Prins”, onlangs uit de Caraïbische eilanden overgekomen, en aan diens reders, met de insinuatie, “dat hij respondent gesien hebbende d’Insinuatie op den naem van Dirck van Herwijnen voor de reders vande voorsz. schipper jegens hem respondent gedaen seer verwondert te wesen daer [hij] noijt in gebreke en is geweest de suijcker te ontfangen, en daer vooren te betaelen, [en dat] … hij alreede een partije ontfangen heeft, waer aen hem drie hondert pondt minder gelevert is uijt den voorsz. schepe” en derhalve protesteert wegens het in gebreke blijven van de levranciers. Notaris Melanen begeeft zich naar schipper Laurens Davitsz., Isaack van den Beusheuvel, Jan Rijcken, Adriaen van de Graeff, Jacob van de Graeff, Franchoijs van de Graeff, Crispijn van Outgaerden, allen reders te Dordrecht, en Dirck van Herwijnen, boekhouder, maar krijgt van laatstgenoemde en van Laurens Davitsz.te horen, dat de insinuatie overbodig is, aangeziendaaruitgenoeg blijkt, dat zij, geïnsinueerden, bereid zijn “haer vande suijckeren questie te ontledigen”, mits zij ontvangen hetgeen hun toekomt. (ONA Dordrecht inv. 177, f. 338 e.v.)

– 23 juli 1661: Laurens Davitsz. van Convent, schipper en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn meesters, de reders van het fregatschip “de Seven Provintiën”, enerzijds en Pieter de Lairesse, koopman en burger van Dordrecht, als procuratie hebbende van Guillaume Bellin la Guarde, koopman te Amsterdam, volgens procuratie gepasseerd voor notaris E. de la Vella op 4 juli 1661, anderszijds, verklaren dat Van Convent aan De Lairesse ten behoeve van Bellin la Guarde heeft verkocht het voornoemde fregatschip voor 24.000 gl. (ONA Dordrecht inv. 246, f. 377)

– 28 nov. 1662: Ghijsbert van der Pot, Londenvaarder en burger van Dordrecht, is schuldig aan Helena Molier [?]een bedrag van 1500 gl., verbindende een huis in Vlaardingen. Compareert mede Christina Pietersdr., vrouw van Laurens Davidsz. van Convent, wonende te Dordrecht, voor zichzelf en procuratie hebbende van haar man, en stelt zich borg voor Ghijsbert van der Pot, haar zwager. Akte door comparanten ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 141, f. 584)

Op 26 sept. 1663 werd Van Convent door het Gerecht van Dordrecht veroordeeld tot 30 jaar tuchthuis, eeuwige verbanning uit de provincie Holland en confiscatie van al zijn goederen wegens “zee-rooverijen ende piraterijen” in de Rode Zee met het schip “de Zeven Provinciën”, later “de Swarte Arent” genoemd. Omdat een dergelijke instelling in Dordrecht ontbrak, werd hij gevangen gezet in het tuchthuis te Amsterdam, waaruit hij echter na twee maandenweer wist te ontsnappen. Hij begaf zich vervolgens naar Frankrijk, maar werd bij het uitbreken van de Twee Engelse Oorlog(1665-1667) weer in genade aangenomen, aangezien er toen in Nederland een nijpend tekort aan bekwame zee-officieren was. In 1672 nam hij deel aan de Slag bij Solebay (Derde Engelse Oorlog), maar werd ziek en keerde met toestemming van Cornelis de Witt naar Dordrecht terug, waar hij begin augustus 1672 overleed. Hij werd begraven in de Augustijnenkerk in graf 50. De kade achter zijn huis in de Voorstraat (bij de Nieuwkerkstraat), thans bekend als de Taankade, werd naar hem ook wel de Kade achter Van Conventgenoemd. (C. Esseboom, Laurens Davidsz. van Convent, piraat en zee-officier, in Dordrecht Monumenteel nr. 42, jan. 2012, p. 6 e.v.)

Voorstraat bij de Nieuwkerkstraat (april 2013)

Taankade (april 2013)

De Slag bij Solebay (7 juni 1672) was geen eclatante overwinning van de Nederlandse op de Engelse-Franse vloot, maar verhinderde weleen blokkade vande Nederlandse thuishavens of eenlanding op de Nederlandse kust *.

* “Toch was de uitkomst van de zeeslag [bij Solebay] feitelijk onbeslist. De Engelsen hadden de Royal James verloren en de Nederlanders twee vergelijkbare schepen. Een derde Nederlands schip ging de nacht na de zeeslag verloren, doordat het tijdens het herstellen van de aangerichte schade in brand vloog en explodeerde. Het totale aantal doden bedroeg aan de Engelse zijde ongeveer 2500, aan Nederlandse kant enkele honderden. Er was een enorme hoeveelheid gewonden aan beide zijden, maar precieze aantallen zijn onbekend. … Deze cijfers wijzen dan wel geen van beide partijen als overwinnaar aan, de morele overwinning was natuurlijk wel voor de Nederlanders, die met een zwakkere vloot de machtige gecombineerde vloot van Engeland en Frankrijk hadden weerstaan. Het belangrijkste strategische resultaat was wel dat de Nederlanden voorlopig waren gevrijwaard van de dreiging van een Engelse landing of een blokkade van de kust.” (R. Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland. Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter. [Amsterdam/Antwerpen 2007], p. 242)

– 24 juli 1665: testament op de langstlevende van Laurens van Convent, kapitein commanderende het schip “Gorinchem” in Nederlandse dienst, en zijn vrouw Christina Pietersdr. De langstlevende van hen beiden zal gehouden zijn hun kinderen bij hun huwelijk onder hen allen een somma van 1000 gl. uit te reiken. (ONA Dordrecht inv. 229, f. 165 e.v.)

– 24 juli 1665: testament van Alette Recht Jansdr., weduwe van kapitein Johan Rijcken, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan de Heilige-Geestarmen ter Nieuwkerk, anders genaamd het Kleine Pesthuis, een huis tegenover de Nieuwkerkstraat, dat verhuurd is aan notaris Gillis van Hemert, op voorwaarde, dat de regenten van het Kleine Pesthuis aan haar broer Claes Jansz. Recht de jaarlijkse huurpenningen van het huis zullen uitkeren. Zij legateert verder o.a. aan Aeltgen, Rebecka, Davit, Maria, Jan en Pieter Laurens van Convent, kinderen van kapitein Laurens van Convent en Christina Pietersdr., haar nicht, een aantal gouden en zilveren voorwerpen, t.w. aan Aeltgen een gouden halsketting, aan Rebecka, haar gouden braceletten, de zwaarste die zij bezit en die men gemeenlijk noemt “boeijen”, aan Davit een diamanten “ficet” ring, aan Maria twee zilveren kommen, de zwaarste die zij bezit, aan Jan een zilveren comfort enaan Pieter een zilveren kandelaar. Aan kapitein Laurens van Convent legateert zij een diamanten ring en een schilderij, hangende in de voorhal van haar huis, zijnde het portret van haar en haar overleden man, alsmede een cederhouten tafel, die hij uit West-Indië heeft meegebracht en aan haar geschonken. Aan zijn vrouw Christina Pietersdr., haar nicht, legateert zij haar tas met gouden knoop, ketting en sleutel, haar zilveren onderriem en ketting en haargouden hoofdijzer. Tot erfgenamen van al haar overige goederen, boven de legaten, benoemt zij Laurens van Convent en diens vrouw Christina Pietersdr. en Gijsbert van der Poth en diens vrouw Lucretia Pietersdr., of bij vooroverlijden hun nakomelingen. (ONA Dordrecht inv. 229, f. 171 e.v.)

– 28 nov. 1665: kapitein Laurens van Convent, burger van Dordrecht, als man van Christina Pietersdr. en uit dien hoofde mede-erfgenaam van Aletta Recht Jansdr., laatst weduwe van kapitein Johan Rijcken en mede-executeur van het testament van Aletta Recht, de tante van zijn vrouw, verleent procuratie aan zijn vrouw om met haar mede-erfgenamen over te gaan tot de scheiding van de goederen, die door Aletta Recht zijn nagelaten. (ONA Dordrecht inv. 229, f. 261 e.v.)

– 24 juni 1670: Laurens van Convent, zeekapitein in Nederlandse dienst, verklaart aanbesteed te hebben aan Govert Pietersz. en Wouter Barentsz., mr. metselaars en burgers van Dordrecht, het “volmaecken van het alreede begonnen metselwerck van [zijn] … huijsinge staende omtrent de Nieuwe Kerck-straet …, bestaende in een voorgevel ter breete van 47 voeten ende ter lenghte ofte diepte van buijten en binnen muijren van 34 voeten mette schoorsthenen ende aen weder zijde van de [achter-]gevel een poort met voorts eenighe binnen muijren tot separatie vande vertrecken ende andersints dienende”. De voorgevel zal gemaakt worden van blauwe Leidse steen en de voegen dienen aangebracht te worden met fijne witte kalk, zoals dat gedaan aan de gevel van het huis van De Vos, staande omtrent de Vriesestraat, en het huis van Jeremias van der Monde “aen de noortzijde annex de buijtenste Vuijlpoort … daer de nieuwe korenbeurs onder is”. Ter weerszijden van de gevel zal een poort gezet worden van gele “plaveij”. De schoorstenen zullen boven het dak gemaakt worden van Leidse steen. (ONA Dordrecht inv. 202, f. 502)

– 20 sept. 1672: mr. Alexander de Hooch en mr. Hendrick Buijtendijck, stadschirurgijns te Dordrecht, verklaren op verzoek van Nicolaes Schoonenburgh, dat hij op 12 juni 1672 in Dordrecht “gequetst gecomen is van t’schip” van kapitein Laurens Davidsz. van Convent, genaamd “de Maecht van Gelder”, met een grote wond dwars door zijn been, “met quetsinge van de groote tendo van den hiel” en dat hij nooit meer zoals voorheen zal kunnen lopen. (ONA Dordrecht inv. 155, f. 206)

– 24 okt. 1672: extract in het weesboek ingeschreven van het testament van kapitein Laurens Davidsz. van Convent en diens vrouw Christina Pietersdr., gepasseerd voor notaris Henrij van Rijckegem te Middelburg op 26 aug. 1666 (Weeskamer Dordrecht inv. 26, f. 90v)

In de Dordtse wijk Wielwijk bevindt zich een straat, die naar Laurens van Convent is vernoemd.

– 7 juli 1682: Sara Norden, weduwe van Andries Sam, veertigraad en koopman te Dordrecht, transporteert aan Abraham Sam, veertigraad en koopman te Dordrecht, als voogd over de minderjarige kinderen van zijn broer Jan Sam, een obligatie, die op 9 aug. 1676 is verleden door Johannes Buert onder borgtocht van Cristina Pietersdr., weduwe van kapitein Laurens Davidtsz. van Convent en Davidt van Convent, inhoudende een bedrag van 1000 gl. De obligatie dient ter voldoeningvan hetgeen de overleden man van Sara Norden aan de kinderen van zijn broer bij testament heeft gemaakt. (ONA Dordrecht inv. 366)

– 9 nov. 1682: Cristina Pietersdr. Bus, weduwe van Laurens Davidtsz. van Convent, in zijn levenkapitein ter zee in dienst van de Verenigde Nederlanden, wonende te Dordrecht, transporteert aan haar zoon, Davidt van Convent, koopman te Dordrecht, een obligatie van 10.000 gl., gedateerd 25 okt. 1641, ten laste van de provincie Holland “ten comptoire” van degemene middelente Amsterdam. (ONA Dordrecht inv. 169, f. 421)

– 24 febr. 1700: compareert voor notaris B. van Gelsdorp, notaris te Dordrecht, Cristina Bosch, weduwe van Laurens Davitsz. van Convent, in zijn leven zeekapitein in dienst van deze stad [sic], die verklaartbij donatie inter vivos aan haar zoon Jan van Convent, zeekapitein in Nederlandse dienst, te schenken een huis met een daarnaast staand pakhuis in de Voorstraat bij de Nieuwkerkstraat, in welk huis zij thans woont, strekkende van voren van de straat tot achter op de [Taan]kade, alsmede een huisop de kade annex het voornoemde huis, staande het eerste huis tussen het huis, dat toebehoort aan de Regenten van het Kleine Pesthuis, en het huis van De Jager, en het huis op de kade tussen het huis van admiraal Callenburg en dat vanDe Jager, daarbij inbegrepen alledaarin aanwezige meubelen en huisraad, tevens een tuin op de Lijnbaan buiten Dordrecht, gelegen tussen de tuin van de weduwe van burgemeester Cornelis de Wit en de tuin van Maas van Kaan, en tenslotte nogde helft in een huis met een stuk griend, staande en gelegen op de Lijnbaan (belenders niet vermeld).(ONA Dordrecht inv. 663; ORA Dordrecht inv. 805, f. 117 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. David van Convent, 22 nov. 1650, koopman te Dordrecht

b. Rebecca, 17 febr. 1652

c. Pieter, 30 juni 1653, jong overleden

d. Cornelia, 28 mei 1655, jong overleden

e. Joannes, 21 juni 1656, jong overleden

f. Johannes (Jan) van Convent, 12 nov. 1658, overleden Dordrecht23 mrt. 1739, vanaf 1708 schout-bij-nacht, 1712 vice-admiraal, streed bij Kaap Béveziers (1690)en La Hogue (1692) [NNBW: internet]

De zeeslag bij La Hogue (juni 1692) maakte een definitief einde aan de plannen van Lodewijk XIV van Frankrijk en de verdreven Engelsekoning Jacobus II voor een invasie van Engeland,waar sinds 1689 Willem III van Oranje en zijn vrouw Mary II regeerden. De Engels-Nederlandse overwinning bij La Hogue wordt algemeen gezien als het begin van de twee eeuwen durende suprematie van de Britten op zee.

ORA Dordrecht inv. 816, f. 115 e.v.: op 9 nov. 1730 verklaart Maria Noordergraaff, burgeres van Dordrecht, weduwe van Pieter de Jager, schuldig te zijn aan Anthonij Knogh, koopman te Dordrecht, een bedrag van 200 gl., verbindende een huis op de Taankade bij het “Blaauw bolwerk”, met de bijbehorende “tannerij” en gereedschappen, staande tussen het huis van de kinderen van Thieleman Trekdam en dat van vice-admiraal Van Convent.

g. Arnoldus, 16 dec. 1658, jong overleden

h. Barendt, 1 mrt. 1660, jong overleden

i. Maria, 1 mrt. 1661, jong overleden

j. Alijda van Convent, 8 mei 1662, trouwde NG Dordrecht 25 nov. 1685 Jervaes (Jerefaes) Francken

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

j-1. Emmerentia, 7 mrt. 1687

j-2. Christina, 21 febr. 1691

j-3. Jerefaes, 17 sept. 1692

j-4. Rebecca Christina, 16 febr. 1695

j-3. Geertruijd, 26 sept. 1696

k. Pieternelle, 14 mei 1664

l. Pieter van Convent, 24 juni 1665

ONA Dordrecht inv. 636, f. 23: op 23 mrt. 1697 verklaren Willem van Ravesteijn, Herman van Leeuwen, beiden burgers van Dordrecht, en Sasbout Souburgh, burger van Dordrecht, maar wonende in Leiden, op verzoek van de weduwe van Lauresns Davidtsz. van Convent, kapitein in Nederlandse dienst, eerst de twee eerste comparanten, dat zij in 1684 hebben gezien, dat Pieter van Convent, de zoon van de rekwirante, is gewond geworden, “het welck ter dier tijt soude sijn geweest, als men seijde, dat hij een ongeval soude hebben gehadt”. De derde comparant verklaart, dat hij toentertijd de wond van Van Convent heeft verbonden.

m. Laurentia Christina, 24 nov. 1666

n. Laurens, 21 dec. 1667

o. Maria van Convent, 1 mrt. 1669, trouwde George de Meijs

– 21 juli 1676: testament van Marijken Hendricx, bejaarde ongehuwde dochter, wonende te Dordrecht. Zij benoemt tot erfgenamen Marijken van Convent, dochter van kapitein Laurens Davidsz. van Convent, en Rebecca van Callenburch, dochter van kapitein Gerrit van Callenburch. Tot voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij Davidt van Convent, de broer van Marijken, en kapitein Gerrit van Callenburch, de vader van Rebecca. Zij tekent met een merkje. (ONA Dordrecht inv. 162, f. 394 e.v.)

p. Arnoldus van Convent, 2 sept. 1671, jongman wonende te Vlaardingen, arts aldaar (1698) trouwde NG Rotterdam 16 nov./2 dec. 1698 Anna van der Maes, gedoopt NG Rotterdam 1 jan. 1678, jonge dochter van Rotterdam, wonende in de Breestraat (1698), dochter van Henderick Jansz. van der Maes en Aeriaentje Pieters (en zuster van Cornelia van der Maes, echtgenote van Pieter Isekock)

– 26 nov. 1737: testament van Jan Meerman Jansz. koopman en Adriana IJzekok, echtelieden wonende te Rotterdam. Zij herroepen hun huwelijkse voorwaarden, voor zover die niet strijdig zijn met het navolgende testament. De testateuren benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd. De langstlevende zal gehouden zijn hun kind of kinderen tot hun 25e jaar of huwelijk te onderhouden en op te voeden en hun dan, als de testateur de eerststervende is, uit te keren “zodanige somma van penningen, als deselve sijne huisvrouw in goeden gemoede zal oordeelen en bevinden te behooren”. Als de testatrice de eerststervende is, moet haar man hun kinderen bij het bereiken van hun mondigheid of wanneer zij gaan trouwen een somma van 35.000 gl., al haar kleren en sieraden en twee notehouten kabinetten met het porselein, dat daarop staat en het linnen, dat daarin ligt, uitreiken. Als hij als eerste en zonder kinderen na te laten komt te overlijden, moet zij aan zijn moeder, indien die dan nog in leven is, een somma van 3000 gl. uitkeren. Als de testatrice de eerstoverlijdende is, moet haar man de volgende legaten uitkeren: aan haar neef Daniël van der Leven 1000 gl., aan haar nicht Margareta van der Leven 1000 gl., aan haar nichten Christina van Convent, Adriana van Convent en Lucretia van Convent samen 6000 gl., aan haar nicht Catharina Maalstede 2000 gl. en aan de kinderen van haar neef Johannes Ravesteijn, voormalig schepen van Rotterdam, samen 2000 gl. Wanneer echter de testateur de langstlevende is, maar kinderloos komt te overlijden, moeten zijn erfgenamen aan de verwanten van de testatrice de volgende legaten uitreiken: aan de nakomelingen van haar oudoom Hendrik Ravestein 12.500 gl. en aan haar nichten en neven, Christina, Hendrik, Adriana en Lucretia van Convent *, Catharina Maalstede, Claas Wolff van der Maes en Adriana van der Maes of hun nakomelingen 12.500 gl. (ONA Rotterdam inv. 2247, akte 119)

Kinderen (allen NG gedoopt te Vlaardingen):

p-1. Christina, 23 febr. 1701 (getuigen: Gerard Callenburgh [luitenant-admiraal, later burgemeester van Vlaardingen], Christijna van Convent)

p-2. Henderick van Convent, 25 april 1703 (getuigen: Adriana van der Linden, Henderick van der Maas, Cornelia van der Maas), trouwde 1732 Christina Beelaerts

ORA Dordrecht inv. 1657, f. 37 e.v.: op 6 okt. 1744 verkopen mr. Gerard Beelaerts, vrijheer van Blokland, heer van Wieldrecht en Dordtsmonde etc., lid van de Oudraad te Dordrecht, voor zichzelf en als executeur-testamentair van Adriana Beelaerts, en Pieter van Well, notaris te Dordrecht, als procuratie hebbende van Hendrik van Convent, arts en achtraad van Dordrecht, als man van Christina Beelaerts, Christina Beelaerts zelf, mr. Nicolaas Stoop, lid van de Oudraad en ontvanger van de gemenelandsmiddelen, als man van Susanna Adriana Beelaerts, en Susanna Adriana Beelaerts zelf, voor 4300 gl. aan Christina Beelaerts, wonende te Dordrecht, een huis in de Voorstraat tegenover de Beurs, staande tussen het huis van de koopster en dat van Trouillard.

ORA Dordrecht inv. 1665, f. 1: op 14 jan. 1766 verkopen Johanna Wilhelmina Gravia, weduwe van mr. Gerard Callenburgh Baartmans, dijkgraaf en penningmeester van het Land van Vianen, en Hester Adriana Baartmans, weduwe van ds. Jacobus de Groot, predikant te Utrecht, beiden wonende aldaar, voor 300 gl. aan dr. Hendrik van Convent, schepen in wette en lid van de Oudraad te Dordrecht, een huis op de Nieuwkerksteiger, staande naast het huis van de koper.

p-3.Adriana, 19 okt. 1704 (getuigen: Adriana Pieters, Henderick van der Maas)

p-4. Lucretia, 11 nov. 1708 (getuigen: Gerard Kallenburgh, Adriana Kallenburgh, Adriana van der Linden)