Halling (I)

Halling (I)

Gebruikte literatuur:

M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht, 2 delen (Dordrecht 1677)

I. Ocker Halling Jansz., geboren naar schatting ca. 1430, raad van Dordrecht 1475, 1476, overleden St. Servaasdag 1482, trouwde 1e Arnolda van Alblas (OSP), 2e Elisabeth Winters Adriaensdr.

Kinderen (o.a.; ex 2):

a. Jan Halling Ockersz., volgt II

b. Maria Halling Ockersdr., trouwde Jacob Quekel Hugensz., ambachtsheer van Wieldrecht, heer van Oudelandsambacht, baljuw van Zuid-Holland (Balen, o.c., deel II, p. 1072)

II. Jan Halling Ockersz., geboren naar schatting ca. 1460, burgemeester van ’s herenwege van Dordrecht tussen 1509 en 1531, trouwde 1 aug. 1487 Elisabeth Boogaard, dochter van Cornelis Boogaard Geritsz. en Ermgaerd de Juede Screvelsdr., geboren in 1473, overleden in 1557 (Balen, o.c., deel II, p. 1072)

III. Aart Hallincq Jansz., geboren 9 aug. 1500, schepen van Dordrecht (1542), waarsman van Mijnsheerenland, overleden te Antwerpen in 1548, trouwde in 1524 Maria Oem Daniëlsdr., overleden in 1585

“Hy bracht van zijn Moeder ten Huwelijk 12. Mergen Lands, en eenige Renten, zy 13. Mergen en eenige Renten.” (Balen, o.c., deel II, p. 1074-1075)

– 18 jan. 1576: op verzoek van Jan Adriaensz schrijnwerker nomine uxoris leggen Ariaentken Roeckendr., vrouw van Jan Jansz. schipper, 60 jaar oud en Jaepken Jacobsdr., vrouw van Geerit Ariensz. schipper, 38 jaar oud, een verklaring af. Zij getuigen, dat de attestatie, welke Marijcken Roecken, zuster van voornoemde Ariaentken, heeft afgelegd op verzoek van Marijcken Daniël Oomendr. ten huize van heer Swart, waar zij drie maal tevoren gehaald was op verzoek van heer Daniël, niet waar is. Marijcken Roecken was toentertijd zwanger en is gedurende die zwangerschap gestorven. Zij was toen ook niet “machtich” zo’n getuigenis af te leggen. “want die lest bij haer quam daer hilde zijt mede, als wesende variabel ende nijet vast in haer woerden.” (ORA Dordrecht inv. 710, f. 181v)

– 10 nov. 1582: Marijken Daniël Oomsdr., weduwe van Aert Jansz., geassisteerd met mr. Cornelis Aertsz., Willem Jansz., als man van Geertruijt Aertsdr., Servaes de Vale, als man van Marijcken Aertsdr., Ocker Aertsz. en Cornelis Aertsz., voor zichzelf en tevens vervangende hun zuster Aert Aertsdr., verkopen aan Jan Aertsz. een huis, “spijcker”, bakhuis en turfhuis, in welk huis Marijken Daniël Oomsdr. gewoond heeft, staande in de Voorstraat in de Kannekopersbuurt bij de Willem Oskensstraat tussen het huis van de erfgenamen van Jacob Claesz. Braet en het huis van Nicasius Pietersz. (ORA Dordrecht inv. 715, f. 27)

Kinderen:

a. Geertruyd Halling Aartsdr., trouwde 1e Jacob Barthoutsz., 2e Willem van der Vliet Jansz.

b. Mr. Daniël Halling Aartsz., priester en kanunnik van de Grote Kerk 1554, overleden in 1571

c. Agatha Halling Aartsz., geboren 1532, overleden 1622

d. Ocker Halling Aartsz., trouwde 1e ca. naar schatting ca.1565 Gudula (Gooltgen) Jan Pietersdr. van Bree, dochter van Jan Pietersz. van Bree en Lijsge NN, 2e Anna de Vrieze Jakobsdr. (OSP)

– 22 juli 1578: boedelscheiding tussen Ocker Aertsz., weduwnaar van Goeltge Jan Pietersdr. van Bree, enerzijds en Pieter Jansz. van Bree, als oom en voogd van Aert Ockersz., ongeveer 11 jaar oud en Geertruijt Ockersdr., ongeveer 13 jaar oud, kinderen van zijn zuster, anderzijds. Ockers Aertsz. behoudt alle goederen, die hij met zijn overleden vrouw in gemeenschappelijk bezit heeft gehad, behoudens een bedrag van 1200 gl., die hij aan de kinderen zal uitkeren in jaarlijkse termijnen van 120 gl., beginnende met Bamisdag 1579 en de goederen, die hun moeder Goeltge Jan Pietersdr. heeft geërfd van Lijsge, de weduwe van Jan Pietersz., hun grootmoeder. Jan Aertsz. stelt zich borg voor de nakoming van deze overeenkomst. (ORA Dordrecht inv. 734, f. 75)

Kinderen (ex 1):

d-1. Geertruyd Halling Ockersdr., geboren ca. 1565, trouwde Pieter van Scharlaken

d-2. Aert Ockersz., geboren ca. 1567 (volgens Balen, o.c.,deel II, p. 1075)

d-3.Jan Halling Okkersz., ongehuwd, overleden in Spanje

e. Maria Halling Aartsdr.,overleden na 5 okt. 1587, vermoedelijk vóór 4 mei 1590, trouwde 1e Floris van Tholl (uit dit huwelijk geen kinderen), 2enaar schatting ca. 1560 Servaas Cornelisz. de Vallé, geboren ca. 1532, schout van Brielle, brouwer te Dordrecht, overledentussen 21 juli en 27 sept. 1584 (zie ook Kwartierstaat Van Erven op deze website)

– 24 mei 1571: Servaes die Vale wordt gildebroeder van het Houtkopersgilde te Dordrecht. Hijis getrouwd metde dochter van een gildebroeder, had tevoren vier kinderen en betaalt 1 gl. (Gildenarchieven Dordrecht, inv. 8, f. 39v)

– 14 dec. 1575: Servaes Cornelisz. de Vale brouwer, ongeveer 42 jaar oud, verklaart op verzoek van Jemiplo [?] en Neetsen, Russen of Moscovieten, dat hij omtrent sept. 1575 aan Hans Seur en Jan Croon zijn “pelterie” verkocht heeft, die zij “overtelt hebben ende in tonne gesmeten”. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 50)

– 28 april 1579: Wouter Huijgesz. Bol verkoopt aan Servaes de Vaele Cornelisz., achtraad te Dordrecht, een huis, brouwerij en tuin, van voren tot achteren staande en gelegen in de Houttuin tussen het huis van Barent Dircxsz. zuivelkoper en dat van Lodewijck Bossert schrijnwerker, strekkende tot achter aan de Dwarsgang, alsmede de plaats en het huisje voor aan de straat, strekkende van de straat tot achter op de haven. De goot van de kleine huisjes, die tot de brouwerij behoren, zal blijven lopen in de plaats van Barent Dircxsz. en het turfhuis zal zijn vrije drop hebben zoals Huijch Andriesz. dat gemaakt heeft. (ORA Dordrecht inv. 735)

– 1580 (50e penning Dordrecht, f. 57): Servaes de Vale betaalt 20 gl. voor zijn huis enbrouwerij in de Oude Houttuin [Voorstraat], belenders: Lodewijck Bosser schrijnwerker en de houttuin van Huijch Jopsz.

– 5 juni 1584: Servaes de Vale brouwer, ongeveer 52 jaar oud, burger van Dordrecht, verklaart op verzoek van Wouter Bol Hughesz., dat hij “die coninx landen gelegen in Poortegael, Pernis ende Roon in pantschap genomen heeft, die verhuijert zijn bij Michiel van Beveren als rentmeester van Zuijthollant den tijt vijff jaeren lanck.” (ORA Dordrecht inv. 737, f. 548)

– 21 juli 1584: voor schepenen van Dordrecht testeren Servaes de Vaele Cornelisz. en zijn vrouw Maria Aertsdr.Hij is “sieckelijck van lichaem” en zij isgezond. Zij benoemen hun kinderen tot erfgenamen in slechtsde legitieme portie, die hun volgens het geldende recht toekomt. Tot erfgenaam van alle overige na te laten goederen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die gehouden zal zijn hun kinderen te alimenteren en op te voeden en aan die kinderen, wanneer zij gaan trouwen, zoveel te geven als de langstlevende zal “bevinden … te behooren ende oorbaerlijck te sijn naer sijne ofte haerer state ende de gelegentheijt der saecken.” (ORA Dordrecht inv. 738, f. 2 e.v.)

– 27 sept. 1584: Marige Aertsdr., weduwe en boedelhoudster van Servaes de Vaele Cornelisz. verleent procuratie ad recipienda debita aan Dirck Jacobsz. te Geervliet. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 37)

– 27 sept. 1584: Marige Aertsdr.,weduwe en boedelhoudster van Servaes de Vaele Cornelisz.,verleent procuratie aan Bouduwijn Vincentsz., wonende in Brielle, om met de erfgenamen van Adriaen Cornelisz. den Arck “te accorderen alzulke processen” als haar overleden man met genoemde erfgenamen gehad heeft. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 37v)

ORA Dordrecht inv. 717, f. 172v e.v.: op 15 mei 1587 verklaart Marijken Queeckels, weduwe van Waelwijck Fransz., dat, aangezien zij in sept. 1586 door bemiddeling van Jan Damen harerzijds en van Anthonis Anthonisz. zijdelakenkramer in “de Jesus”, voor zichzelf en namens Pieter Jansz. lakenkoper, Willem van Kelst, Henrick Geij, Adriaentgen Adriaensdr., weduwe van Jan Mathijsz. en Mariken [Aertsdr.], weduwe van Servaes de Valee, allen crediteuren van haarzelf en haar overleden man, anderzijds, is overeengekomen, dat zij ter voldoening van 2/3 delen van hetgeen zij aan genoemde personen schuldig is, aan hen zal overdragen de helft van een somma van 1100 gl., die haar toekomt van wege Pauwels Fransz. [Schouten] wegens de koop van een huis bij de Grote Kerk, staande tussen het huis van Herman Spiegel en het huis “het Rochgen”,van welk verkocht huiszij voor de helft eigenaresse geweest is.

ORA Dordrecht inv. 739, f. 223v: op 3 aug. 1587 verkoopt Marijcken Quekels, weduwe van Waelwich Fransz. aan Pauwels Scholten Fransz. de helft van een huis omtrent de Grote Kerk, staande tussen het huis van Herman Spiegel en dat van Cornelis Daniëlsz. schipper. Waarborgen: Henrick Gheij, Thonis Thonisz. kramer, Maijcken Aertsdr., weduwe van Servaes de Valé, Adriaentken Ariensdr., weduwe van Jan Mathijsz. en Pieter Jansz. lakenkoper.

– 8 okt. 1587: jonkvrouw Susanna de la Loo, echtgenote van Philips Doublet en Adriaen Cornelisz. Boufkens, als procuratie hebbende van Philips Doublet, verklaren, dat Marijcken, de weduwe van Servaes de Vale, hen comparanten voldaan heeft van een somma van325 gl.,die Servaes de Vale schuldig was aan Frans de la Loo. (ORA Dordrecht inv. 739, 253 e.v.)

– 4 mei 1590: Coenraet de Masieres, burger van Dordrecht, is schuldig aan de voogden over de weeskinderen van wijlen Servaes de Vale en Marijcken Aertsdr. een bedrag van 300 gl. wegens geleende penningen, daarvoor verbindende zijn huis in de Mariënbornstraat, staande tussen de tuin van Lijntgen Jan Maerts en het huis van Lauwerens de linnenwever. (ORA Dordrecht inv. 741, f. 46v)

f. Mr. Kornelis Halling (alias Boogaard) Aartsz., priester en kanunnik te Dordrecht, overleden in 1582

g. Jan Halling Aartsz., houtkoper te Dordrecht, trouwde 1e Erkenraad Carré, 2e Katharina Kollaard Pietersdr., van Gouda (Balen, deel II, p. 1075)

– 7 mei 1588: Jan Aertsz. Hallinck houtkoper transporteert aan Rochus Cornelisz. Praem een schepenenschuldbrief van 1575 gl., sprekende op Jacob Christiaensz. en gedateerd 9 juni 1585. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 65v)

– 28 mei 1605: Adriaen Gerritsz. van Hoogeveen, [echtgenoot van Elisabeth Servaesdr. de Valee],brouwer en burger van Dordrecht, verkoopt aan Jacob Florijn, “glaesemaecker” en burger van Dordrecht, een huis in de Wijngaardstraat tussen de Heer Heymansuysstraat en de Mariënbornstraat, staande tussen het erf van Geertgen Servaesdr. en de gang van de brouwerij van verkoper, strekkende van voren van ’s herenstraat tot twee voeten voorbij de pruimenboom, die op het erf staat. Waarborg: Jan Aertsz. Hallinck houtkoper. Koper is schuldig aan verkoper een somma van 1000 gl. Borgen: Gerit Joppensz. en Roeloff Ariensz., burgers van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 748, f. 60v en 61)