Palm

I. Abraham Jansz. Palm, jong gezel van Dordrecht (1602), kaaskoper te Dordrecht, trouwde NG Dordrecht 3/17 mrt. 1602 Grietgen Wijken Dirksdr., van Dordrecht (1602)

 
1 juli 1611: Geertruijt Schoormans, weduwe van Barent Fonck zilversmid, geassisteerd met Hendrick Schoormans, haar broer, verkoopt aan Abraham Jansz. kaaskoper een huis in de Voorstraat, staande tussen het huis van Gijsbrecht Claesz. de Roch en de Pelserbrug. Waarborg: Hendrick Schoormans en Clara Habbarts, weduwe van Adriaen Schoormans. De koper betaalt deels met het overnemen van een schuld van 1112 gl. t.b.v. de kinderen van Willem Geeritsz. verver, en deels met een hypotheek van 888 gl. t.b.v. Cornelis Jansz., burger van Dordrecht. Borgen: Willem Jansz. koopman en Frans Dirksz. Wijcken. (ORA Dordrecht inv. 1588, f. 109v e.v.)
 
1620: Abraham Jansz. kaaskoper betaalt in de verponding voor zijn huis in de Voorstraat 18 ponden, belenders: Gijsbert Claesz. Roch en de weduwe van Willem Gijsbertsz. coemen. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3969, f. 201 e.v.)
 
1622: Abraham Jansz. kaaskoper (in de Voorstraat bij de Vuilpoort) betaalt in het hoofdgeld 11 ponden voor 1 man, 1 vrouw, 4 kinderen, 1 dienstmeid (www.dordtenazoeker.nl)
 
1626: Abraham Palm (in de Voorstraat) in de 1000e penning van Dordrecht aangeslagen voor een vermogen van 12.000 gl.
 
1633: Abraham Jansz. koopman betaalt in de verponding 22 gl. 10 st. voor zijn huis in de Voorstraat, belenders: Adriaen Spierincx schoenmaker, die huurt van de houtkoper Frans Rochusz., en Jan Schilthouwer, die huurt van voornoemde Abraham Jansz. koopman (Schilthouwer betaalt 22 gl. 10 st.). (Stadsarchief Dordrecht inv. 3971, f. 237 e.v.)
 
Kinderen (o.a.):
 
a. Jan, gedoopt NG Dordrecht sept. 1604
 
b. Johannes (Jan) Abrahamsz. Palm, gedoopt NG Dordrecht febr. 1612, volgt IIa
 
c. Margriete Palm, gedoopt NG Dordrecht juni 1616
 
d. Franchoijs Palm, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1620, volgt IIb
 

IIa. Jan Abrahamsz. Palm, gedoopt NG Dordrecht sept. 1604, jongman van Dordrecht wonende bij de Pelserbrug (1633), trouwde NG Dordrecht 4/20 sept. 1633 Maijken de Braet Adriaensdr., van Dordrecht wonende bij de Pelserbrug (1633)

ORA Dordrecht inv. 1621, f. 99: op 16 okt. 1666 verkoopt Govert de With, notaris te Dordrecht, die door het Gerecht van Dordrecht is gemachtigd tot het overdragen van het huis van Abraham van den Berch, voor 3600 gl. aan Maria Braets, weduwe van Johan Palm, een huis op de hoek van de Ruitensteiger.

ONA Dordrecht inv. 182, akte 139: testament dd 21 jan. 1669 van Maeijken Braets, weduwe van Johan Abrahamsz. Palm, burgeres van Dordrecht, ziek te bed liggende. Zij prelegateert aan kapitein Johannes van Ravesteijn en Margrieta Palm, haar schoonzoon en dochter, het huis, waarin zij woont, staande omtrent de Vuilpoort tussen de Dolhuisstraat en het huis van de weduwe van Walterus Cools. Aan de huisarmen van de NG diaconie van Dordrecht legateert zij 200 gl. en aan het Arme-Weeshuis eveneens 200 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar zoon en dochter, Abraham Palm en Margarieta Palm, de vrouw van Johannes van Ravesteijn, met die voorwaarde evenwel, dat haar kinderen alleen het vruchtgebruik zullen hebben van de navolgende percelen land en dat die goederen na hun overlijden eigendom zullen worden van hun wettige kinderen, t.w.:
– de helft van 24 morgen land, gemeen liggende met de weduwe van kapitein Willem Willemsz. Oudeman onder Kijfhoek (bruiker: Pieter Leendertsz.)
-4 morgen land in de Trekdam onder ‘s-Gravendeel (bruiker: Cors Cornelisz.)
– 4 morgen 2 hont land aan de Uiterdijk onder Strijen, verpacht aan Fabius Postilius
– de helft van 5 morgen 3 hont land, gemeen liggende met Maijken Willemsdr. Oudeman aan de Blaak (bruiker: Aert Dircxsz.)
– de helft van 10 morgen land, gemeen liggende met Maijken Willemsdr. Oudeman onder … [sic], verpacht aan Leendert Cornelisz. In’t Velt, schout van Mijnsheerenland
– de helft van 7 morgen land, gemeen liggende met voornoemde weduwe Oudeman in Mijnsheerenland (bruiker: Cornelis Willemsz. van der Mast)
– de helft van 4 morgen land, gemeen liggende met de weduwe Oudeman aan de Stougjesdijk (bruiker: Sander Jacobsz.)
– de helft van 4 morgen land, gemeen liggende met Adriaen Braets in het Volgerland van de Hitsert (bruiker: Pieter Jansz. Geus)
De testatrice wil voorts, dat uit haar na te laten goederen een kapitale somvan 24.000 gl. belegd zal worden, waarvan haar zoon en dochter het vruchtgebruik zullen hebben en de eigendom ervan na hun overlijden zal toekomen aan hun kinderen. Tot dat legaat zullen gerekend worden vier losrentebrieven van samen 8840 gl., waarvan haar zoon Abraham Palm het vruchtgebruik heeft en die hem zijn aanbedeeld bij de boedelscheiding van zijn grootvader, wijlen Abraham Jansz. Palm. De testatrice heeft haar zoon het kapitaal en de verlopen interest van genoemd bedrag verstrekt t.b.v. de betaling van een door hem gekochte hofstede onder Piershil. Haar zoon mag op zijn erfdeel voor 8000 gl. aannemen haar hofstede, genaamd “Pruijlenberch”, groot tien en een halve morgen land, tuin en boomgaard, liggende onder het Volgerland van Sandelingenambacht. Tot executeurs-testamentair en voogden over haar minderjarige erfgenamen benoemt zij mr. Abraham Palm, haar zoon, en kapitein Johannes van Ravesteijn, haar schoonzoon.
 
ORA Dordrecht inv. 1621, f. 99: op 16 okt. 1666 verkoopt Govert de With, notaris te Dordrecht, als door het Gerecht van Dordrecht gemachtigd tot het transporteren van het huis van Abraham van den Berch, voor 3600 gl. aan Maria Braets, weduwe van Johan Palm, een huis, staande op de hoek van de Ruitensteiger.
 
ONA Dordrecht inv. 182, f. 222 e.v.: op 12 febr. 1669 verklaart Johannes van Ravesteijn, koopman en burger van Dordrecht, als man van Margieta Palm, voor zichzelf en tevens vervangende mr. Abraham Palm, zijn zwager, samen erfgenamen van Marija Braets, weduwe van Johan Palm, dat zij van Adam Jansz. van Thijel, koopman en burger van Dordrecht, ontvangen hebben een somma van 155 gl., zijnde de kooppenningen van de helft van een huis, staande aan ’s herenvest achter het huis en de zeperij van Van Thijel, waarvan de wederhelft aan Van Thijel toebehoort, die het heeft gekocht van Van Ravesteijns schoonmoeder.
 
Kinderen:
 
a. Abraham Palm, gedoopt NG Dordrecht aug. 1634
 
b. Margrieta Palm, gedoopt NG Dordrecht mei 1636, volgt III
 
III. Margrieta Palm, gedoopt NG Dordrecht mei 1636, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Vuilpoort, trouwde NG Dordrecht 1/17 okt. 1656 Johannes van Ravesteijn, jongman van Rotterdam wonende bij de Tolbrug (1656), koopman
 
 
ORA Dordrecht inv. 1623, f. 133: op 8 okt. 1671 verkoopt Geertgen Lucas, laatst weduwe van Philips Claesz. Marchael, voor 2100 gl. aan Johannes van Ravensteijn, achtraad van Dordrecht, en Hendrick Buijtendijck, mr. chirurgijn en burger van Dordrecht, een huis bij de Vuilpoort, staandeaan de havenzijde tussen het huis van Johannes van Druijnen en dat van Jan de Clerck mandenmaker.
 
ORA Dordrecht inv. 795, f. 20 e.v.: op 3 mei 1687 verkopen Willem van Ravesteijn, koopman te Dordrecht, als procuratie hebbende van Margarita Palm, weduwe van Johannes van Ravesteijn, en Cornelia Boon, weduwe van Hendrick Buijtendijck, voor 2160 gl. aan Imant ’t Hooft, lijndraaier en burger van Dordrecht, een huis bij de Vuilpoort, staande tussen het huis van Johannes de Clerck mandenmaker en dat van Leendert Roos. De koper is schuldig aan Margarita Palm, weduwe van Johannes van Ravesteijn, een bedrag van 1000 gl.
 
IIb. Francois Palm, gedoopt NG Dordrecht mrt. 1620, weduwnaar van Dordrecht (1664), vaandrig (1650), kapitein van een compagnie voetvolk in Nederlandse dienst, “commanderende” op het fort “de Groote Warande” bij Breda (1664),kolonel van een regiment voetvolk in Nederlandse dienst (1674), gewond tijdensde slag bij Seneffe in de Spaanse Nederlanden op 11 aug. 1674, overleden te Bergen (B) op 14 aug. 1674,later werd een Korps Mariniers naar hem vernoemd, begraven Dordrecht 19 aug. 1674 (een zwarte baar voor Francois Palm, kolonel van een regiment te voet in Nederlandse dienst, 10 maal luiden, een blazoen en kast), trouwde 1e Beatris Drap, 2e NG Hulst 5 febr. 1650 (met attestatie van Doesburg 5 jan. 1650) Margareta (van) Erpraet jonge dochter uit Doesburg (1650), dochter van Adam van Herpraet en NN, 3e NG Dordrecht 14 dec. 1664 (ondertrouw) Anna Cornelia de Castillejos, gedoopt NG Dordrecht juni 1638,jonge dochter van Dordrecht wonende in de Nieuwstraat (1664), dochter van Maurice de Castilleios en Cornelia Gellinckhuijsen

 

 
“François Abrahamszoon Palm werd in 1620 te Dordrecht geboren. Hij nam dienst in het Staatse leger en was luitenant in de garnizoenen van Doesburg en Geertruidenberg. In 1658 werd Palm uitgeleend aan de vloot en nam deel aan de zeeslag in de Sont en aan de landing op het Deense eiland Fuenen in 1659. In 1664 diende hij weer aan land in de rang van kapitein. Hierna zou Palm overstappen naar de voorloper van het huidige Korps Mariniers. Hij voerde het commando over een schip tijdens de Tweede Engelse oorlog en nam deel aan de tocht naar Chatham, waar hij met zijn mariniers het fort Sheerness veroverde.
In het jaar 1672, toen de Republiek der Verenigde Nederlanden over zee en land werd aangevallen, diende Palm aanvankelijk als scheepscommandant, maar later als commandant van 8 compagniën mariniers aan land. Toen de krijgskansen zich keerden ten gunste van de Republiek verplaatste de strijd zich naar het zuiden. Palm, intussen tot kolonel bevorderd werd tijdens de Slag bij Seneffe dodelijk gewond en overleed op 14 augustus 167[4] in Bergen (B)” (www.jeoudekazernenu.nl)
 

De slag bij Seneffe door B. Gagneraux

Kolonel Palm werd op 18 aug. 1974 herdacht in de Grote Kerk van Dordrecht (foto: www.maritiemdigitaal.nl)

Schild aan een pilaar in de Grote Kerk van Dordrecht (foto: A.B. den Haan)

6 nov. 1668: testament van Adam van Herpraet, gelicentieerde kapitein luitenant van een compagnie ruiters in Nederlandse dienst, wonende te Dordrecht. Al zijn roerende goederen, waaronder enige uitstaande schulden en de pensioenen, die zijn verschenen en nog zullen verschijnen, moeten verdeeld worden onder zijn dochters Anna Maria van Herpraet, weduwe van jonkheer Philips van Fetteplais, wonende te Engeland, voor de ene helft en Wilhelmina van Herpraet, de vrouw van Johan Reijns, voor de andere helft, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Hij benoemt tot erfgenamen van al zijn overige goederen, liggende in het Land van Gulik en te Lathum in de Liemers, Anna Maria van Herpraet en Wilhelmina van Herpraet, en Joha, Adam en Franchois Palm, kinderen van wijlen Margareta van Herpraet, bij haar verwekt door lt.-kolonel Franchois Palm. Tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij Johan Bisbinck mr. vuurwerker en Johan Reijns, zijn schoonzoon* .

16 jan. 1670: kapitein Pieter Hultshout, wonende te Dordrecht, verhuurt voor 270 gl. per jaar aan Francois Palm, luitenant-kolonel van een regiment zeesoldaten, een huis voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Elisabeth Hultshout een dat van Pieter Vierlingh. (ONA Dordrecht inv. 271, f. 226)

27 juli 1671: testament van Maurice de Castilleios, oud-kapitein van een compagnie voetknechten in Nederlandse dienst. Hij herroept eerdere wilsbeschikkingen, i.h.b. het codicil, dat hij heeft verleden voor notaris D. Tegelbergh te Dordrecht op 16 sept. 1669 ten behoeve van Sara Reijms, weduwe van zijn zoon Johan Maurice de Castilleios, maar uitgezonderd de akte van 5 okt. 1670, waarin hij een legaat besproken heeft aan aan zijn zuster Eva de Castilleios, alsmede het codicil, gepasseerd voor notaris G. de With te Dordrecht op 25 juni 1671 ten behoeve van Anna Adriaens, weduwe van Pieter Corstiaensz. Sneewit, zijn dienstmaagd en de akte, die hij heeft op 27 juni 1671 ten behoeve van dezelfde Anna Adriaens heeft opgesteld. Hij legateert aan de huisarmen van de Waalse gemeente te Dordrecht een bedrag van 400 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige na te laten goederen benoemt hij Maurice en Cornelia Palm, minderjarige kinderen van Anna Cornelia de Castilleios, zijn dochter, bij haar verwekt door Francois Palm, luitenant-kolonel van het regiment de Marine in Nederlandse dienst. Doch indien zij komen te overlijden vóór hun huwelijk of voordat zij 33 jaar zijn geworden, zal testateurs zuster Eva de Castilleios haar leven lang het vruchtgebruik van genoemde goederen krijgen. De eigendom ervan zal in dat geval vererven voor de helft aan de huisarmen van de NG gemeente te Dordrecht en voor de wederhelft aan de huisarmen van de Waalse gemeente aldaar. Tot executeurs-testamentair en voogden over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij mr. Johan van der Burch, Nicolaes Stoop en Abraham Stoop. (ONA Dordrecht inv. 232, f. 262)

8 mrt. 1672: testament van Eva de Castilleios, weduwe van Willem Swijnas, vroedschap van Brielle, wonende te Dordrecht. Zij wenst begraven te worden in de het graf in de kerk te Brielle, waartoe zij gerechtigd is. Zij legateert aan de NG huisarmen te Brielle een bedrag van 200 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Maurice en Cornelia Palm, nagelaten kinderen van Anna Cornelia de Castilleios, haar nicht, bij haar verwekt door kolonel Francois Palm. Indien zij komen te overlijden vóór de testatrice zonder kinderen na te laten, zullen haar voornoemde goederen vererven op de kinderen van haar nicht Eva de Marchiael. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt zij Johan van der Burch, Nicolaes Stoop en Abraham Stoop, allen lid van de Oudraad te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 233, f. 44)

ONA Dordrecht inv. 234, f. 289 e.v.: testament dd 8 sept. 1673 van Eva de Castilleios, wonende te Dordrecht, weduwe van Willem Swijnas, vroedschap van Brielle, ziek in bed liggende. Zij wenst, dat haar dode lichaam begraven wordt in het graf in de kerk te Brielle. Zij herroept haar eerdere testament, gepasseerd ten overstaan van notaris G. de With op 8 mrt. 1673. Testatrice legateert aan de huisarmen van de NG diaconie te Brielle een bedrag van 200 gl. en aan Francois Palm de jonge, zoon van kolonel Francois Palm een bedrag van 500 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Maurice Palm en Cornelia Palm, kinderen van haar nicht, wijlen Anna Cornelia de Castilleios, bij haar verwekt door kolonel Francois Palm. Indien zij beiden echter voor hun mondigheid of huwelijkse staat komen te overlijden, zullen genoemde goederen toevallen voor de ene helft aan Francois Palm de jonge en voor de andere helft aan haar zuster, Maria de Castilleios, of bij vooroverlijden diens dochter Francoise de Marchael. Tot voogd benoemt de testatrice mr. Johan van der Burch, burgemeester van Dordrecht.

15 nov. 1674: extract van een akte van voogdijstelling van kolonel Francois Palmin het weesboek ingeschreven, met zijn eigen hand geschreven (Den Haag 18 febr. 1674). Hij heeft tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen benoemd: luitenant Abram Palm, zijn oudste zoon, Johan Reijns, zijn zwager *, mr. Abram Palm, de zoon van zijn broer, en Johan Ravesteijn, zijn behuwd neef. (Weeskamer Dordrecht, inv. 26, f. 237)

14 juli 1677: testament van Eva de Castilleios, weduwe van Willem Swijnas, wonende te Dordrecht. Zij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 100 gl. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar neef en nicht Maurice en Cornelia Palm, beiden kinderen van Anna Cornelia de Castilleios, bij haar verwekt door kolonel Francois Palm of de langstelevende van hen beiden. Tot voogd en executeur-tetamentair benoemt zij Johan van der Burgh, oud-burgemeester van Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 238, f. 273)

* NG trouwboek 13 juli 1659 (ondertrouw): Johan Reijns jongman van Dordrecht wonende bij de Visbrug en Willemina van Herpraet jonge dochter van Doesburg wonende in Geertruidenberg, procl. aldaar, 30 juli 1659 bescheid gegeven om “nevens het vertoogh” van Geertruidenberg te Hulst getrouwd te worden.

Kinderen:

Ex 1:

a. Abraham Palm, geboren naar schatting ca. 1640, volgt IIIb.

Ex 2:

b. Johan Palm

c. kapitein Adam Palm, trouwde Goderdijna Cornelia van Schoonhoven

23 nov. 1690: inventaris van de goederen, die zijn nagelaten door Anna Wilhelmina de Schoonhoven, ongehuwde persoon, die in het begin van 1690 is omgekomen bij een schipbreuk op zee, welke goederen in Dordrecht bevonden zijn ten huize van juffr. Bosman, waar Anna Wilhelmina de Schoonhoven haar goederen in verzegelde koffers in bewaring heeft gegeven. De nalatenschap is beschreven ten overstaan van kapitein Adam Palm, als man van Goderdijna Cornelia de Schoonhoven en als voogd over de kinderen van wijlen Charlot Elisabeth de Schoonhoven, de vrouw van kapitein Kunnigam, Willem Hoijert, eerste secretaris van Brielle, als procuratie hebbende van Johan van Knippenburch, schout van Meurs, als man van Johanna Angnes de Schoonhoven en als voogd over zijn kinderen, die hij bij haar heeft verwekt, en ook als gemachtigde van Egidia Adriana de Schoonhoven, weduwe van Hendrik Garham, lt. kolonel in dienst van de koning van Groot-Britannië, samen erfgenamen van Anna Wilhelmina de Schoonhoven volgens haar testament, gepasseerd voor notaris A. van Starrevelt te ‘s-Gravenhage op 15 mei 1686.

ONA Dordrecht inv. 749, f. 603: op 30 sept. 1717 verdelen Francois Maurits Palm, wonende te Sandelingenambacht, als enige testamentaire erfgenaam van zijn vrouw Willemina Palm, dochter en erfgename voor de helft van Goderdina Cornelia de Schoonhoven, weduwe van brigadier Adam Palm, enerzijds en Angnus Macloijt, kapitein in dienst van de koning van Groot-Britannie en enige testamentaire erfgenaam van zijn vrouw Francoise Adriana Palm, eveneens dochter en erfgename van Goderdina Cornelia de Schoonhoven, anderzijds, onderling de goederen, die Goderdina Cornelia de Schoonhoven heeft nagelaten.

Kinderen:

c-1. Mauricia Wilhelmina Palm, gedoopt NG Dordrecht 12 mrt. 1690, trouwde Francois Maurits Palm

c-2. Francoise Adriana Palm, trouwde Angnus Macloijt

d. Franchois Palm

Ex 3:

e. Maurice Wilhelmus Palm, gedoopt NG Dordrecht 15 nov. 1666

f. Cornelia Palm

IIIb. Abraham Palm, geboren naar schatting ca. 1640, jongman van Dordrecht (1666), luitenant van een compagnie voetknechten in Nederlandse dienst, liggende in garnizoen te Breda (1666), luitenant-kolonel, trouwde NG Dordrecht 21 nov. 1666 (ondertrouw, proclamatie te Breda) Elisabeth Hardemee, jonge dochter van Zierikzee wonende op de Nieuwe Haven (1666)

ONA Breda inv. 408, akte 7A : op 15 mrt. 1688 verklaart Maria Sweerts, ongehuwde persoon, ongeveer 26 jaar oud, op verzoek van Roelant Roelantsz., dat zij op 8 febr. 1688 heeft gehoord, dat de rekwirant met dr. Van Alphen en Cornelis van Eijl, komende voor het huis “de Drije Astonnen” voorbij de deur van de weduwe van president Damissen, waar op de stoep stonden de vrouw en Johanna, de dochter van de gewezen stadhouder Damissen en Beatricx, de dochter van majoor Palm, zonder, dat zij, getuige, gezien of gehoord heeft dat de rekwirant aan iemand enige “offentie” heeft gegeven, maar dat, komende van het huis “de Baers”, zij heeft gezien, dat Johanna Damissen en Beatricx Palm naar hem hun vingers opstaken en hem nariepen “hoorenbeest” en “siet dat hoorenbeest”. 

ONA Breda inv. 408, akte 8B: op 22 mrt. 1688 verklaren majoor Palm en zijn knecht Pieter van der Heijden, op verzoek van Roelant Roelantsz., dat zij Cornelia, de meid van majoor Palm, hebben horen zeggen, dat op 8 febr. 1688 ten huize van hem, majoor Palm, is gekomen Pieter Damen, zoon van de gewezen stadhouder Damen, “sijnde geheel ontstelt ende bleeck in sin aengesicht seggende tegens mevrouw Palm ick heb daer … Roelants gerancontreert sijnde den requirant in desen, en hand mijn den hont niet op het lijff gesprongen ick soude die schelmden hals gebroocken hebben toonende met eenen den rock seggende dat gat heeft mijn den hont daer uijt gebeten thoonende met eenen sijnen blooten degen, ende sijnen rock, daer bij voegende ick heb hem geslagen ende gequest”. 

ONA Breda inv. 377, f. 43: op 3 juli 1688 verleent Abram Palm, lt. kolonel van het regiment van graaf Johan Belgicus de Hornes, kolonel in Nederlandse dienst, procuratie aan Hugo Mouthaen, zijn “solliciteur”, om te compareren voor de Raad van State, om daar “in de siele van den Heere Constituant” de eed van zuivering af te leggen, “van dat hij Heere Constituant voor sijn geobtineerde Luijtenant Collonels plaets directelijck of indirectelijck niet heeft gegeven ofte belooft nochte in toecomende daer voor iets sal geven”. 

ONA Breda inv. 424, akte 109: op 18 okt. 1704 verklaart Elisabeth Hartemee, weduwe van lt. kol. Palm, wonende te Breda, schuldig te zijn aan Augustinus Canters, mr. metselaar en burger van Breda, een somma van 200 gl., verbindende het traktement van 600 gl. jaarlijks, dat zij ontvangt van het regiment van kolonel Soutelant. 

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Jan, 2 sept. 1667

b. Beatrix Palm, 17 okt. 1668, lidmaat op belijdenis van de NG gemeente te Breda op 23 juni 1684, trouwde mr. Pieter Damen (Damisse, Damius)

ONA Breda inv. 449, akte 103: op 19 dec. 1703 benoemen mr. Pieter Damius, advocaat te Breda, en zijn vrouw Beatricx Palm, hij ziek te bed liggende, zij gezond, naast de langstlevende van hen beiden tot voogd over hun minderjarige erfgenamen Cornelia Hardemee, weduwe van mr. Cornelis Damius, en Franchois Palm, kapitein in het regiment van kolonel Steenhuijsen. 

ONA Breda inv. 453, f. 75: op 1 febr. 1707 verleent Beatricx Palm, weduwe van mr. Pieter Damisse, advocaat te Breda, procuratie aan mr. Hendrick Roscam, advocaat in ‘s-Gravenhage, om te vorderen van Cornelia Palm, weduwe van Pieter de Vries, schepen te Dordrecht, staat en inventaris van alle goederen, die zijn nagelaten door haar oom Maurits Palm, kapitein in Nederlandse dienst en vervolgens met Cornelia Palm over te gaan tot scheiding van Maurits’ goederen.    

c. Francois Palm, 10 jan. 1670, ongehuwd, kapitein van het regiment van kol. Steenhuijse, overleden tussen 19 dec. 1703 en 21 okt. 1712

d. Elisabeth Palm, 29 mei 1671, jong overleden

e. kapitein Abram Palm, 26 sept. 1672, trouwde Jacoba Taijspel

Kinderen: 

e-1. Elisabeth Josina Christina Palm, overleden te Breda op 18 okt. 1754, trouwde Jean George van Son, arts en schepen van Breda

ONA Breda inv. 585, f. 6: op 22 jan. 1724 is op verzoek van Jan George van Son, schepen van Breda, voor een Bredase notaris gecompareerd Lieven Sonneville, wonende in de Passe Geulen in het eerste deel van de Prins Willemspolder, liggende onder de Vrije van Sluis, die “ter requisitie”  van dr. Van Son, als man van Elisabeth Josina Christina Palm, nagelaten dochter van kapitein Palm en Jacoba Taijspel verklaart, dat hij op 12 spril 1721 van Anthonij Le Roij heeft gepacht een hofstede in de Passe Geulen, groot 112 gemeten en 122 roeden wei- en zaailand.

ONA Breda inv. 700, akte 37 dd 25 mrt. 1743: Jan George van Son, arts en schepen te Breda, en diens vrouw Elisabeth Josina Christina Palm, verklaren tussen hun, benevens Abraham Adriaen Robertus Palm, kapitein in het regiment van generaal-majoor Van Buddenbroek, en Anthonij La Roij, in zijn leven burgemeester van het Land van de Vrije te Sluis en daarna met diens weduwe Johanna Helena Lintheijmer, thans echtgenote van Adriaan van Bommel, “lange jaeren geventileert had seker wigtigh proces”, eerst voor het Hof van Vlaanderen in Middelburg en daarna in appel voor de Staten-Generaal, voortgekomen uit de voogdij, die Le Roij heeft gehad over de tweede comparante en haar broer Abraham Adriaan Robertus Palm, en betreffende zekere verkaveling van landen, die was gedaan door Le Roij op 13 april 1714.

ONA Breda inv. 708, akte 42: op 1 mei 1751 testeert Elisabet Josina Christina Pal, weduwe van Jan George van Son, arts en schepen van Breda. Zij prelegateert aan haar zoon Jacobus van Son al haar portretten en familieschilderijen. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar vier kinderen, t.w. Abraham Adriaan van Son, Jacobus van Son, Margrieta van Son, de vrouw van Alexander Vermeulen, cornet in Nederlandse dienst, en Adriana van Son, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Tot executeurs-testamentair en voogden benoemt zij Alexander Vermeulen en Gijsbert Zwaan, koopman en burger te Breda. Als haar zoon Jacobus van Son op of na het overlijden van de testatrice meerderjarig is of wordt, benoemt zij hem tot executeur-testamentair of voogd en ontslaat zij Gijsbert Zwaan daarvan. 

ONA Breda inv. 711, f. akte 116, akte dd 18 okt. 1754: Elisabeth Josina Christina Palm, weduwe van Johan George van Son, oud-schepen, burgerkapitein en arts te Breda, is op 18 okt. 1754 overleden. Onmiddellijk daarna hebben Alexander Constantinus Vermeulen, gepensioneerd cornet in Nederlandse dienst, en Jacobus van Son, luitenant in Nedrlandse dienst, als haar executeurs-testamentair doen verzegelen in eiken kabinet, staande in de keuken van het huis van Cornelis van Loon, burger en mr. timmerman te Breda, in de St. Janstraat te Breda, waar de weduwe Van Son is overleden. De executeurs-testamentair zijn genegen behoorlijke staat en inventaris van alle door nagelaten goederen te laten maken, tenzij zij door Abraham van Son, koopman wonende te [naam niet vermeld] in Gelderland en door Albertus baron van Soomeren de Vrijnenes, luitenant in Nederlandse dienst, als man van Adriana van Son, hun mede-erfgenamen, worden verzocht “om te provenieeren de costen van ’t maaken van gem. staat en inventaris”. Comp. voor een Bredase notaris Abraham van Son, Albertus baron van Soomeren van Vrijenes en zijn vrouw Adriana van Son, kinderen en erfgenamen van de weduwe Van Son, die aan Vermeulen en Jacobus van Son verzoeken, dat zij die staat en inventaris niet laten maken, maar dat zij verkiezen de nalatenschap zonder inventaris te aanvaarden en met Vermeulen, als man van Margerieta van Son, en Jacobus van Son, insgelijks kinderen en erfgenamen van de weduwe Van Son, te verdelen. Dit wordt door de executeurs-testamentair goedgevonden. Het verzegelde kabinet zal in aanwezigheid van bovengenoemde notaris ontzegeld worden.

e-2. Abraham Adriaan Robertus Palm, kapitein in Nederlandse dienst, trouwde Cornelia Philippina de Bruijn, trouwde 2e Pieter Francois Verster, kapitein in Nederlandse dienst

ONA Breda inv. 610, akte 36: op 27 mrt. 1730 comp. Abraham Palm, vaandrig in het regiment van kolonel Mohr in Nederlandse dienst, garnizoen houdende te Breda, meerderjarig volgens brieven van veniam aetatis, die hij gekregen heeft van de Raad van Vlaanderen te Middelburg. Hij verleent procuratie aan Alexander Kervel, procureur voor de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden, om voor hem waar te nemen het proces, dat hij en zijn zuster Elisabeth Johanna Christina Palm, de vrouw van Johan George van Son, genoodzaakt is te “defenderen” tegen J.H. Lindtheijmer, weduwe en erfgename van Anthonij le Roij, arts en schepen van het Land van de Vrije te Sluis, als weduwnaar van Jacoba Petronella Lemmius en als voogd van de minderjarige kinderen en erfgenamen van Abraham Palm en Jacoba Taijspel. 

ONA Breda inv. 713, akte 32: op 10 sept. 1756 verklaren Alexander Constantinus Vermeulen, kornet in Nederlandse dienst, als man van Margarita van Son, wonende in de heerlijkheid De Hage, Abraham van Son, wonende omtrent Düsseldorf, Jacobus van Son, sous-luitenant in Nederlandse dienst, wonende te Breda, en Adriana van Son, geassisteerd met haar man Albertus baron van Someren van Vrijnes, luitenant in Nederlandse dienst, in garnizoen te Iperen, dat Cornelia Philippina de Bruijn, eerder weduwe en erfgename van Abraham Adriaan Robertus Palm, kapitein in Nederlandse dienst, en nu echtgenote van Pieter Francois Verster, kapitein in Nederlandse dienst, in garnizoen te Breda, aan hen, comparanten heeft voldaan de legitieme portie of vaderlijk goed, dat aan hen toekwam, als erfgenamen ab intestato van wijlen het minderjarig kind van Abraham Adriaan Robertus Palm, door hem verwekt aan Cornelia Philippina de Bruijn, genaamd Jacob Maria Palm.

Kind:

e-1-2. Jacoba Maria Palm, jong overleden

f. Adriaen Palm, 28 okt. 1674, volgt IV

g. Elisabeth Palm, 5 aug. 1676, trouwde Breda 30 nov. 1704 kapitein Abraham  Saillet, kapitein in het regiment van kapitein Sturler

h. Margareta Palm, 28 juni 1679, wonende bij de Keizersbrug te Breda (1705), trouwde Breda 13 april 1705 Cornelis Sausse, vaandrig van het regiment van generaal Salisch (1705)

i. Cornelia Palm, 12 febr. 1681, wonende op de Singel te Breda (1703), trouwde Breda 4 mei 1703, Abraham Saillet (Challiet), kapitein in het regiment Zwitsers van kolonel Studler (Sturler), in garnizoen te Koblenz (1703)

ONA Breda inv. 509, akte 2: op 6 mrt. 1707 testeert Cornelia Palm, weduwe van Abraham Palm, kapitein in het regiment Zwitsers van kolonel Sturler, ziek in bed liggende. Zij prelegateert aan Beatricx Pal,. weduwe van mr. Pieter Damius, Elisabeth Palm, de vrouw van Abraham Saliet, kapitein-luitenant in het regiment van kolonel Sturler, en aan Margarita Palm, de vrouw van vaandrig Cornelis Socke, in het regiment van generaal en gouverneur Van Salisch, al haar kleren. Tot erfgenamen van al haar overige na te laten goederen benoemt zij haar drie zusters, alsmede haar moeder Elisabeth Hardemee, weduwe van overste-luitenant Abraham Palm. Gedaan ten huize van de testatrice omtrent de Keizersbrug.

j. Jacob Hardemee Palm, gedoopt  NG Dordrecht 14 juli 1683, kolonel commandant van een regiment dragonders in Nederlandse dienst, gouverneur van Heusden, luitenant-kolonel, overleden 30 aug. 1733 begraven Dordrecht (Grote Kerk) 4 sept. 1733 (Jacob Hardeme Palm, kolonel commandant van het regiment dragonders van generaal Duportaal, gouverneur van Heusden en onderhorige forten, ’s avonds bijgezet, volk erachter, 4 flambouwen, zal een wapenbord gehangen worden, laat een zoon na), trouwde 1e 22 sept. 1710 Cornelia Elisabeth van der Does, geboren 1681, overleden 1727, 2e Gerecht/NG Dordrecht 30 juli 1728 (volgens attestatie van ondertrouw van Wijk dd 29 juli 1728, attestatie gegeven op 15 aug. 1728) Ameranta Elisabeth van Mewen van Heinsbrigh, geboren Dordrecht 1684, “tegenwoordig te Wijk” (1728), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 2 febr. 1760 (Amaranta Elisabet van Meuwen, weduwe van Jacop Hardeme Palm, kolonel van een regiment dragonders, laat kinderen na, 8 koetsen extra, een wapenbord, hoogste boete).

ONA Breda inv. 595, akte 121: op 21 okt. 1712 verleent Elisabeth Hardemee, weduwe van Abraham Palm, lt. kol. in Nederlandse dienst, wonende te Breda, als enige erfgename van haar zoon Francois Palm, kapitein  in het regiment van kolonel Steenhuijse, machtiging aan Jacobus Hardemee Palm, lt. kolonel in Nederlandse dienst, haar zoon, om zich te begeven naar Sas van Gent en daar onder zich te nemen alle goederen van Francois Palm, die hij aan haar nagelaten heeft, zich te begeven naar Axel en daar te spreken met burgemeester Lammers over de vaste en onroerende goederen te Axel, die aan haar toebehoren, bij hem te informeren of niet betaald moeten worden de collaterale successie van die goederen, en om zich te begeven naar Middelburg om daar van alles af te rekenen met de heer Kokelaer, solliciteur van de compagnie van wijlen Francois Palm. 

ONA Breda inv. 449, akte 93 dd 9 jan. 1713: comp. Jacob Hardemee Palm, kapitein van een compagnie Garde van de Staten van Holland, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Jacoba Taijspel, weduwe van kapitein Abraham Palm, als moeder en voogdes van haar drie onmondige kinderen, bij haar door Abraham verwekt, en als procuratie hebbende van Johanna van der Vlies, weduwe van Adriaen Palm, als moeder en voogdes van haar onmondige kinderen, volgens akten van procuratie gepasseerd voor notaris J. Elias te Sluis op 14 dec. 1712 en voor notaris H. van Reverhoft te Den Haag op 25 dec. 1712, Cornelia Hardemee, weduwe van mr. Cornelis Damius, en Elisabeth Hardemee, weduwe van Abraham Palm, lt. kolonel in Nederlandse dienst, grootmoeders en voogdessen over de kinderen van Beatricx Palm, bij haar verwekt door mr. Pieter Damen, samen naaste verwanten ab intestato van Margareta Palm, de vrouw van Cornelis Sausse, enerzijds en Cornelis Sausse, haar weduwnaar, anderzijds. De comparanten verklaren, dat Margareta Palm onlangs is overleden zonder van haar na te laten, weinig waarde hebbende goederen, bestaande uit enige roerende goederen, kleren, alsmede een zesde part in de nalatenschap van Elisabeth Palm, weduwe van kapitein Saillet, te hebben beschikt. De eerste comparanten zijn overeengekomen met Cornelis Sausse, dat zij afstand doen   van de roerende goederen en kleren, die Margareta Palm heeft nagelaten, ten behoeve van de tweede comparant, alsmede van het zesde part in de roerende goederen van mevrouw Saillet, die eveneens in Breda is overleden, op voorwaarde, dat Cornelis Sausse de dood- en andere schulden van de boedel van zijn overleden vrouw op zich zal nemen, en mits hij verklaart afstand te doen van de rechten, die eerste comparanten, als erfgenamen van mevr. Saillet, hebben op de goederen, die de heer Saillet, haar echtgenoot heeft nagelaten in Zwitserland, alsmede op de aanspraken, die eerste comparanten hebben, als erfgenamen van kapitein Maurits Palm, ten laste van N. Palm, weduwe van de heer De Vries, volle zuster van Maurits Palm

ONA Breda inv. 544, akte 24: op 11 aug. 1715 verleent Jacob Hardemee Palm, kapitein van de compagnie Gardes, als voogd van moederszijde over de minderjarige kinderen van mr. Pieter Damius, procuratie aan mr. Adriaan Damius, advocaat voor de Hoven van Justitie in Den Haag, die door de magistraat van Breda op 5 aug. 1715 is aangesteld tot voogd van vaderszijde van genoemde kinderen, om samen met de overige erfgenamen van mr. Cornelis Damius, stadhouder van het drossaart- en schoutetambt van de stad en de baronie van Breda, en van Cornelia Hardemee, te verkopen alle vaste en onroerende goederen, die zij nagelaten hebben, gelegen binnen Breda, de Baronie en Zeeland. 

ONA Breda inv. 555, akte 25: op 22 okt. 1726 verklaart Jacob Hardemee Palm, kolonel van een regiment dragonders in Nederlandse dienst, dat zijn moeder Elisabeth Hardemee, weduwe van Abraham Palm, lt. kolonel in Nederlandse dienst, hem heeft aangesteld tot voogd over haar minderjarige erfgenamen en tot executeur van haar testament, gepasseerd voor notaris J. Rijckevorsel te Breda op 3 april 1712. Aangezien zijn moeder thans zeer ziek is en hij, comparant, genoodzaakt is te vertrekken naar zijn garnizoen in Iperen, verleent hij procuratie aan zijn neven Abraham Lodewijk Palm, luitenant in het regiment van kolonel Zoutlant, en Pieter Montanus, conrector van de Latijnse School te Breda, om terstond na het overlijden van zijn moeder zich te begeven in haar sterfhuis, haar dode lichaam te laten begraven, alle kabinetten en kasten te laten verzegelen, van haar nagelaten goederen een inventaris te laten maken en haar nalatenschap onder haar erfgenamen te helpen verdelen. 

ONA Dordrecht inv. 761, f. 211: op 9 juni 1728 maken huwelijkse voorwaarden Jacobus Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders van luitenant-generaal Duportal, weduwnaar van Cornelia Elisabeth van der Does, en Amaranta Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh, wonende te Dordrecht. Zij zullen ten huwelijk inbrengen alle goederen, die zij op dat moment bezitten. M.b.t. de alimentatie van zijn voorzoontje, verwekt bij zijn eerste vrouw, en de uitreiking van de moederlijke goederen van zijn zoontje, zoals bepaald in zeker testament, verklaart de aanstaande bruidegom “volkomen genoegen en contentement” te nemen. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. De bruidegom zal de bruid als morgengave geven zodanige juwelen, als zij met elkaar hebben afgesproken. De bruidegom staat toe, dat hun aanstaande huishouding en  vaste woonplaats hun leven lang in Dordrecht zal blijven. Als de bruidegom als eerste komt te overlijden zal de bruid als douairie hebben het vrije gebruik of inkomen haar leven lang van het huis in Gorinchem, van ongeveer drie a vierduizend gl. aan gemaakt zilver, en van de meubels, huisraad en inboedel, die de bruidegom nalaten zal. De eigendom van die goederen zal na het overlijden van de bruid moeten komen aan hun kinderen of verdere erfgenamen. Indien het voorzoontje van de bruidegom voor of na het overlijden van zijn vader onmondig of ongehuwd komt te overlijden, zal de bruid i.p.v. de voornoemde douarie krijgen de helft van de goederen, die de bruidegom zal nalaten.

ONA Dordrecht inv. 762, f. 1: op 7 jan. 1729 verleent Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders in Nederlandse dienst, wonende te Dordrecht, als voogd over de wezen van Abraham Palm, in zijn leven kapitein in Nederlandse dienst, procuratie aan Matthijs de Jonge, thesaurier van Sluis, om te beheren alle goederen van voornoemde kinderen. 

ONA Dordrecht inv. 762, f. 18: op 5 nov. 1729 verklaart jonkheer Jan van Mewen van Hinsbrigh, dat hij door zijn moeder Emmerentia Droste, douairiere van Mewen van Keversbergh in haar testament van 20 juli 1726 is benoemd tot voogd over haar minderjarige erfgenamen en dat hij nu als medevoogd benoemt over de enige nagelaten dochter van zijn overleden zuster, genaamd Colombina Catharina van Mewen van Keversbergh, Jacob Hardemee Palm.

ONA Dordrecht inv. 763, f. 302: testament dd 6 april 1730 van Jacob Hardemee Palm en Ammaranta Elisabet van Mewen van Hinsbrigh, zijn vrouw. Zij bevestigen hun huwelijkse voorwaarden van 9 juni 1728, voor zover niet strijdig met het hierna volgende. De testateur legateert aan zijn vrouw alle meubelen, huisraad, linnen en zilverwerk, die hij nalaten zal, uitgezonderd hetgeen “ten lijve” van hem behoord zal hebben, alsmede de twee zilveren pillegiften van zijn zoon. Tot erfgenaam van al zijn overige goederen benoemt hij zijn voorzoon Abraham Christiaan Palm,  door hem verwekt bij zijn vorige echtgenote. Indien hij echter geen nakomelinge zal nalaten of als zijn kinderen komen te overlijden voor hun mondigheid of huwelijk, benoemt hij zijn vrouw tot erfgename. De testatrice legateert, indien zij zonder kinderen na te laten komt te overlijden, aan haar nicht Columbina Catharina van Mewen van Hinsbrigh het zilveren “tolet”. Zij wenst, dat haar man en haar broer, Jan van Mewen van Hinsbrigh één van de twee huizen onderling zullen verdelen, zoals het hun goeddunken zal. Zij legateert aan haar man alle meubelen, huisraad, lijnwaad en gemaakt zilver, uitgezonderd hetgeen “ten lijve” van haar behoord heeft. Zij legateert aan Abraham Christiaan Palm, de voorzoon van haar man, een boerenwoning, liggende in het Lans van Heusden, met ongeveer 26 mogen, zowel wei- als bouwland, en met bossen en boomgaarden.  De testatrice laat het vruchtgebruik van al haar overige goederen na aan haar man, Jacob Hardemee Palm, op voorwaarde, dat hij hun kinderen in alle fatsoen zal onderhouden. De eigendom van die goederen maakt zij aan haar kinderen. Als zij echter geen kinderen zal nalaten of als die kinderen voor hun mondigheid of huwelijk, benoemt zij tot erfgenaam haar broer Jan van Mewen van Hinsbrigh. De testateuren benoemen elkaar tot voogd over hun minderjarige nakomelingen en de testateur nog als voogden over zijn voorzoon Cornelis van der Does, raad en vroedschap van Gorinchem en Jan de Bruijn, ontvanger van de 100e en 200e penning te Dordrecht.

ONA Breda inv. 610, akte 69 dd 29 mrt. 1730: de burgemeester en schepenen van de Vrije te Sluis hebben Anthonij Le Roij aangesteld tot voogd en Jacob Hardemee Palm tot toeziend voogd over Elisabeth Palm, de vrouw van Johan George van Son, arts te Breda, en over Abraham Palm, vaandrig in het regiment van kolonel Moor in garnizoen te Breda, kinderen van wijlen kapitein Abraham Palm en Jacob Taijspel. La Roij is sedertdien overleden en Jacob Hardemee Palm heeft vervolgens aanvaard het beheer te voeren over de goederen van Elisabeth Palm en Abraham Palm. Aangezien Elisabeth inmiddels is getrouwd en vaandrig Abraham Palm van het Hof van Vlaanderen te Middelburg brieven van veniam aetatis heeft gekregen, is de voogdij door Jacob Hardemee Palm komen te vervallen. 

ONA Dordrecht inv. 764, f. 135: codicil dd 11 mrt. 1731 van Ammaranta Elisabet van Mewen van Hinsbrigh, de vrouw van lt.-kolonel Jacob Hardemee Palm. Zij legateert aan Jacoba Rendels, die bij haar inwoont een bedrag van 400 gl. Zij legateert aan haar man alle goederen, die zij bezit, uitgezonderd, die, welke zij in haar vorige testament heeft gelegateerd, al haar kleren en de goederen van haar overleden moeder, waarvan zij in haar vorige testament aan haar man het vruchtgebruik heeft gelegateerd.

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 209v: op 13 dec. 1731 verkoopt Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van een regiment dragonders in Nederlandse dienst, wonende te Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn vrouw Ammaranta Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh, beiden procuratie hebbende van hun broer resp. zwager Johan van Mewen van Hensbrigh *, voor 1280 gl. aan Susanna Terwen, weduwe van Jacob Braats, wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat omtrent de Visbrug, staande tussen het huis van koopster en de brouwerij “’t Witt Hart”.

* gepasseerd voor schout en schepenen van Mook op 28 mei 1730 (ONA Dordrecht inv. 764, f. 803, akte dd 12 dec. 1731)

ONA Dordrecht nv. 765, f. 177: op 24 jan. 1732 verklaart Jacob van Volbergen, kapitein in het regiment van kolonel Muijser, verblijvende te Dordrecht, op verzoek van Jacob Hardemee Palm, kolonel commandant van het regiment van lt. generaal du Portail, dat hij op 4 dec. 1731 ten huize van de wijnkoper Sauve Plan in “het Hart” te ‘s-Gravenhage in de “gemeene caemer” is geweest, waar mede aanwezig waren de heer Wichman van Nieuwkerck. luitenant in het bovengenoemde regiment, in gezelschap van de kadet Courbiere. De deposant zegt, dat hij toen Wichman tegen de heer Buijs heeft horen zeggen: “Wel Capiteijn … ick hebbe daer gesproocken van de Capiteijn van het Regiment, dat de Dragonders geen affrekeninge konnen erlangen, daer proffiteert gij oock nog wel duijzent Rijcxdaelders of ducatons van”. Buijs heeft daarop geantwoord: “Wel de Dragonders hebben geen te minste reden van klagen”, waarop Wichman weer zei: “Well ick gelooff niet dat er een regiment is , dat slegter van Hooff Officiers  voorsien is, want wat de Generaal betreft, dat is een oudman die nooijt bij het Regiment komt. En de collonel Palm verstaet het niet, want die kan qualijck te paerd rijden, en wat willen dog die van de infanterie sigh met de Dragonders bemoeijen. [Kol. Palm] … soude beter dienen voor Gouverneur Generaal van Batavia, off Oostindien, en dat maack ick hem en Uw, Buijsje, maeck ick Colonnel van de Guarde … “. 

ONA Dordrecht inv. 766, f. 643: op 8 sept. 1733 verklaart Amarante Elisabeth van Mewen van Hinsbrig, dat haar man Jacob Hardemee Palm, lt. kolonel van een regiment dragonders en gouverneur van Heusden, op 30 aug. 1733 is komen te overlijden of de hofstede “Wijckestijn” buiten Heusden, dat zij bij huwelijkse voorwaarden op 9 juni 1728 heeft bedongen de vrije keuze in de winsten en verliezen, die staande hun huwelijk zijn gevallen, dat haar man bij testament dd 6 april 1730 heeft gemaakt een legaat, maar dat zij er niet op vertrouwt reden te hebben zich van haar mans nalatenschap te “abstineren”, doch dat zij, gezien het feit, dat haar man vele zaken heeft gehad, waaruit processen zijn ontstaan en die nog niet zijn beëindigd, zij zich “solemnelijck” verklaart niet te willen inlaten in enige zaken, die de nalatenschap betreffen.

ONA Dordrecht inv. 766, f. 797: op 17 nov. 1733 verklaart Amarante Elisabeth van Mewen van Hinsbrigh, weduwe van Jacob Hardemee Palm, dat zij besloten heeft afstand te doen van de winsten en verliezen, die stand hun huwelijk zijn gevallen.

ONA Dordrecht inv. 768, f. 75: op 18 april 1735 verklaren Ammaranta Elisabeth van Meeuwen van Heinsbrigh, weduwe van kolonel Jacob Hardemee Palm, enerzijds, en Cornelis van der Does, oud-burgemeester van Gorinchem, en Jan de Bruijn, achtraad van Dordrecht, beiden bij testament van kolonel Palm aangesteld tot voogden over zijn zoon Cristiaen Abraham Palm, anderzijds, dat de nalatenschap van kolonel Palm “niet was bevonden in die staat, dat na betaelingh van de schulden des boedels de vrouwe Eerste Comparanteint geheel zoude konnen proffiteren de voordeelen, dewelke haar zo bij huwelijkse voorwaarden als bij testament waren gemaakt, dat egter de vrouwe eerste comparante uijt een onderlinge lieffde en genegentheijt waarin zij staande huwelijck hadde geleeft, om den boedel van de overledene in eere te houden, wel een somma gelts aan en ten behoeven van den … boedel hadde willen remitteren, zoo de comparanten te samen verdraegen, dog ten opsigte van de tweede comparante[n] niet anders dan op approbatie van de Camere Judiciale [van Dordrecht] … dat de vrouwe eerste comparante in vollen eijgendom zal hebben en behouden de morgengaeve, als mede alle de meubilen, huijsraed en inboel mitsgaders alle zoodanige voordeelen, als haar bij huwelijcxe voorwaerden aks bij het testament van den Colonel Palm zijn gemaakt”. Daartegen scheldt zij ten behoeve van de tweede comparanten aan de boedel kwijt een somma van 794 gl. en 11 st.,  zijnde de helft van een somma van 1589 gl. 2 st., die na aftrek van alle onkosten is gekomen van de verkoop van 6 mrg. 293 en halve roe land in de Bovenpolder, welke de eerste comparante en haar broer Jan van Meeuwen van Heinsbrigh ieder voor de helft toebehoorde en door haar man is verkocht, voorts een somma van 1000 gl., die is gekomen uit de verkoop van een obligatie ten laste van het gemeneland van Holland, een somma van 383 gl., die haar toekomt uit de verkoop van een dito obligatie, en de somma’s van 300 en 100 gl., hetgeen de koetspaarden, die door de comparante bij het aangaan van haar huwelijk waren ingebracht, waard waren geweest. De comparante zal genieten de landpachten en verdere inkomsten van haar goederen, die bij het overlijden van kolonel Palm nog tegoed waren. Zij zal op zich nemen te betalen de verponding, de 100e en 200e penning en andere belastingen, uitgezonderd alle andere onbetaalde lasten van haar  goederen. 

ONA Dordrecht inv. 768, f. 77: op 18 april 1735 compareren Cornelis van der Does, oud-burgemeester van Gorinchem, en Jan de Bruijn, achtraad van Dordrecht, als bij het testament van Jacob Hardemee Palm tot voogden aangesteld over zijn zoon Christiaan Abraham Palm, enerzijds en Jean George van Son, arts en oud-schepen van Breda, als man van Elisabeth Josina Christina Palm, voor zichzelf en als procuratie hebbende van zijn zwager Abraham Adriaan Robertus Palm, luitenant in Nederlandse dienst, volgens procuratie gepasseerd voor  A. Wouters, auditeur-militair van het garnizoen te Hulst, beiden nagelaten kinderen en erfgenamen van Abraham Palm, kapitein in Nederlandse dienst, en van Jacoba Taijspel, anderzijds. Zij verklaren, dat kapitein Abraham Palm en daarna zijn vrouw Jacoba Taijspel te Sluis zijn overleden en op 30 okt. 1713 tot voogden hebben aangesteld kolonel Jacob Hardemee Palm, oom van vaderszijde van beide kinderen, en Anthonij Le Roij, schepen van het Land van de Vrije te Sluis, hun aangetrouwde neef van moederszijde, en dat kolonel Palm wegens zijn andere zaken niet of zeer weinig naar die voogdij heeft omgezien, waardoor Le Roij hoofdzakelijk het beheer van de nalatenschap op zich heeft genomen. Van Son heeft voor zichzelf en voor zijn zwager bereikt, dat al hetgeen sedertdien ten behoeve van de nalatenschap was verricht, teniet gedaan is en hij, Van Son, daarvan ontheven is. Le Roij en zijn zwager zijn daarbij veroordeeld opnieuw over te gaan tot scheiding van de boedel. Le Roij ofwel zijn weduwe is van dat vonnis in beroep gegaan, maar het vonnis van de Raad van Vlaanderen is door de Staten-Generaal bevestigd. Partijen zijn nu overeengekomen , dat de derde comparant zal overdragen aan de eerste comparanten alle goederen, in het bijzonder het goud en zilver, dat aan de derde comparant of zijn zwager toebehoren, voor zover die tot de boedel van kolonel Palm hebben behoord, dat de eerste comparanten aan de derde comparant en aan alle anderen, die het aangaat, zullen overdragen zekere hypotheekbrief dd 12 okt. 1729 verleden ten behoeve van kolonel Palm, groot 600 Vlaamse ponden of 3000 Hollandse guldens, dat de eerste comparanten zullen “quiteren” ten behoeve van de derde comparant en zijn zwager een somma van 215 gl. 16 st., aan hen verstrekt door kolonel Palm, en tenslotte een somma van 1565 gl. 15 st. 8 penn., die de boedel van kolonel Palm sprekende heeft op Abraham Adriaan Robertus Palm en voorts alle verdere actie en pretensies, die de boedel ten laste van de derde comparant en zijn zwager sprekende heeft. 

ORA Dordrecht inv. 1655, f. 183 e.v.: op 3 mei 1740 verkoopt Willem van Nispen, kanunnik van St. Jan te Utrecht, als procuratie hebbende van Jan van Mewen van Hensberg, wonende te Kleef, en van Amaranta Elisabeth van Mewen van Hensberg, weduwe van Jacob Hardeme Palm, gouverneur van Heusden en kolonel in Nederlandse dienst, wonende te Dordrecht, doch aanwezig in Kleef, volgens procuratie gepasseerd voor notaris H.W. van Renesse te Kleef op 29 dec. 1739, verkoopt voor 1100 gl. aan Samuel Masson, predikant van de Engelse kerk te Dordrecht, een huis met wijnkelder en tui, staande en gelegen in de Wijnstraat schuin tegenover de Hengstensteiger tussen het huis van Gerrit Thijsse en dat van Christiaan van Wisten.

ONA Breda inv. 917, akte 85 dd 28 okt. 1750: Amarante Elisabeth van Meeuwen van Hijnsbrig, weduwe van Jacob Hardemee Palm, verleent procuratie aan haar zoon Abraham Christiaan Palm, majoor in een regiment dragonders in Nederlandse dienst, om op het kasteeltje “Wijckestijn” in het Land van Heusden haar goederen na te zien en vandaar mee te nemen zulke goederen en meubelen, als hij goed zal vinden, om in Dordrecht en omliggende eilanden haar huis, goederen en landerijen te inspecteren en daarvan mee te nemen zodanige goederen en meubelen, als hij goed zal vinden, en om in het Land van Kleef haar zaken waar te nemen.  

ORA Dordrecht inv. 1663, f. 40 e.v.: op 15 juli 1760 comp. voor schepenen van Dordrecht, Jan van der Star, notaris te Dordrecht, als bij procuratie op 7 juli 1760 gepasseerd voor notaris P. Well te Dordrecht, gesubstitueerd door Willem Hendrik Ravens, auditeur-militair van de krijgsraad van het garnizoen te Maastricht, als door die krijgsraad aangesteld tot curator van de boedel van wijlen Christiaan Abram Palm, majoor in het regiment dragonders van generaal-majoor Van Massauw, overleden te Maastricht. Notaris Van der Star is krachtens genoemde procuratie gemachtigd tot het verkopen van de goederen, die aan majoor Palm bij akte van donatie gepasseerd voor notaris Waalwijk te Breda op 8 jan. 1751 zijn geschonken door wijlen Amaranta Elisabeth van Mewen van Hijnsbrig, weduwe van Jacob Hardemee Palm, kolonel in Nederlandse dienst. Hij verkoopt voor 830 gl. aan Balthazar van den Broek, suikerraffinadeur te Dordrecht, een huis met koetshuis, wijnkelder en tuin, staande en gelegen in de Wijnstraat omtrent de Nieuwbrug tussen het huis van Gijsbert Beudt en dat van Jan Baltz.

Kind (ex 1):

j-1. Abraham Christiaan Palm, jongman van Gorinchem, kapitein van de dragonders in het regiment van kolonel Masson in garnizoen te Maastricht (1742), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 27 nov./20 dec. 1742 (de bruid geassisteerd met haar ouders Johan de Bruijn en Maria Vingerhoet, de geboden gaan in Maastricht) Geertruijd Johanna de Bruijn, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Schrijversstraat (1742), overleden Breda 7 okt., begraven 10 okt. 1753 (Geertruij Johanna de Bruijn, de vrouw van majoor Abraham Christiaan Palm) 

IV. Adriaen Palm, gedoopt NG Dordrecht 28 okt. 1674, vaandrig, overleden tussen 15 aug. 1701 en 29 sept. 1702, trouwde Sluis 17 juni 1695 Johanna van der Vlies

ONA Breda inv. 329, f. 283: op 9 dec. 1690 verklaren Abraham Palm, vaandrager van de compagnie van baron Leeffdael in het regiment van kolonel Persevael, en Adriaen Palm, kadet in de compagnie van zijn vader, luitenant-kolonel van het regiment van graaf Johan van Hoorn, op verzoek van Pieter Damisse, dat zij vele malen zijn geweest ten huize van rekwirants vader mr. Cornelis Damisse, gewezen stadhouder van Breda, in het bijzonder in het jaar 1690, en toen menigmaal hebben gesproken met Catharina van Verhegen, gewezen dienstmaagd aldaar, en dat zij toentertijd ook “gesien, gevoelt ende getast … hebben bij [?] ontrent het lichaem van de selve Marie [sic], soo danigh ’tgeene eene eerlijcke dochter niet is betaemende”, en zo ook dat zij verscheidene keren gezien hebben, dat de broer van de rekwirant, Cornelis Damisse “met de selve Catharien oock diergelijcke acten gepleegt heeft”, zodat zij, deposanten, haar hebben gehouden voor een “infaem ende ondeuchent vrouwpersoon”. 

ONA Breda inv. 448, f. 58: op 15 aug. 1701 benoemt Adriaan Palm, vaandrig in de compagnie van kapitein Isebrant in het regiment van kolonel Luisdamme, ziek in bed liggende, tot voogden over zijn minderjarige kinderen en erfgenamen Frans Palm, kapitein-luitenant in het regiment van kolonel en brigadier Spar, en mr. Pieter Damisse, advocaat te Breda.

ONA Breda inv. 564, f. 79: op 29 sept. 1702 verklaren Johanna Palm [sic], weduwe van Adriaen Palm, vaandrig in Nederlandse dienst, ongeveer 26 jaar oud, en Johannis van Schagen, jongman  wonende Breda, ongeveer 19 jaar oud, op verzoek van Jacobmina van der Vlies, weduwe van Pieter Treconti, wonende te Rotterdam, dat zij Treconti zeer goed gekend hebben, dat hij ongeveer 5 jaar eerder in Parijs is overleden en dat zij in Breda bij hem hebben gewoond.

Kind:

a. Abraham Lodewijk Palm, gedoopt NG Princenhage 11 dec. 1695 (getuigen: lt. kolonel Van der Albe, Elisabeth Palm), volgt V

b. Johanna Albertina Christina Palm, gedoopt Luthers Breda 3 sept. 1698

V. Abraham Lodewijk Palm, gedoopt NG Princenhage 11 dec. 1695, luitenant in het regiment van kolonel Zoutlant, later kolonel, trouwde 1e Anna Helena van Schagen, 2e Zierikzee 6 aug. 1730 Anthonia Elisabeth Cau, gedoopt Zierikzee 16 juni 1705, dochter van Roland Cau en Catharina Maria Bornius (De Nederlandsche Leeuw 1910, kol. 317)

ONA Breda inv. 577, f. 184: op 7 okt. 1720 verklaren Abraham Lodewijk Palm en zijn vrouw Anna Helena van Schagen schuldig te zijn aan Elisabeth Huijgens, weduwe van Hendrik Heijblom, een somma van 1000 gl., verbindende een huis en brouwerij met alle toebehoren, genaamd  “den Ancker”, staande in Breda aan de oostzijde van de haven omtrent de Tolbrug naast het huis “het Fortuijn”, aan Cornelis de Greeff, aan de zuidzijde belend door het huis “den Clijnen Ancker”, toebehorende aan Johan Hagers, en aan de noordzijde door het huis van Anna Helena van Schagen, als enig kind en erfgename van haar ouders. 

ONA Breda inv. 608, akte 99: op 20 aug. 1728 verleent Abraham Lodewijk Palm, luitenant in het regiment van brigadier Soutlant in Nederlandse dienst, procuratie aan zijn moeder Johanna van der Vlies, weduwe van vaandrig Adriaan Palm, om Christoffel van der Voort te “goeden, vesten en erven” in een huis, brouwerij en mouterij, genaamd “den Ancker”, staande aan de Haven te Breda.

Kind (ex 1):

a. Adriana Louise Palm, gedoopt NG Breda 3 dec. 1723, trouwde Johannes Hulsebos

ONA Breda inv. 745, akte 42: op 23 juni 1745 verhuurt Norbertus van den Kieboom, burger en huisbrouwer van Breda, een huis, stal, plein en hof, staande en gelegen aan de noordzijde van de Bosstraat, voor 160 gl. per jaar aan Louisa Palm, de vrouw van Johan Hulsebosch, luitenant in het regiment van brigadier Oijen.

Kinderen:

a-1. Abraham Lodewijk Hulsebos, gedoopt Breda 30 okt. 1746, begraven Breda 8 nov. 1746

a-2. Christiaan Gerard Hulsebos, gedoopt Breda 10 april 1755, begraven Breda 10 mei 1755

Kinderen (ex 2):

b. Johanna Constance Palm, geboren Coevorden 10 juni 1733, jonge dochter te Delft (1753), weduwe te  ‘s-Gravenhage (1775), overleden Delft 31 jan. 1784,  begraven ald. 6 febr. 1784 (Johanna Constantia Palm, vrouw van mr. Adriaan van Goes, veertigraad en oud-burgemeester van Delft, op de Oude Delft, 18 drs. en koetsen, op de middag, eigen grafkelder, geen kinderen),  trouwde 1e Delft 11/28 aug. 1753 mr. Cornelis van der Burch, jongman te Gouda (1753), schepen en raad van Gouda, 2e 1771 Quirijn van der Goes, raadsheer van de Raad van Brabant, 3e Delft 11 mrt. 1775 mr. Adriaan van der Goes, jongman te Delft (1775)

c. Roeland Palm, gedoopt NG Coevorden 13 febr. 1735, volgt VI

d. Adriana Constance Palm, geboren Coevorden 11 mei 1738, jonge dochter te Delft (1760),  overleden Rosmalen 5 april 1779, trouwde Delft 31 mei/15 juni 1760 mr. Johan Karel van Cattenburg, heer van Grijpskerke en Poppendamme, weduwnaar te Gouda (1760)

e. Willem Adriaan Palm, geboren Coevorden 19 mrt. 1740, onderkoopman/koopman bij de VOC in Bandjermasin (Z.O. Borneo), overleden 11 mei 1788 Surakarta, trouwde Batavia (Ned.-Indië) 22 sept. 1772 Elisabeth Morrison

VI. Roeland Palm, gedoopt NG Coevorden 13 febr. 1735, assistent in dienst van de VOC, vertrekt op 23 sept. 1754 met het schip “Deunisveld” naar Oost-Indië, gouverneur van Padang op Sumatra, overleden te Padang op 4 febr. 1776, trouwde Anna Everdina van Santen, overleden te Padang

Kinderen:

a. Hendrik Lodewijk Palm, geboren Batavia (Ned.-Indië) 11 febr. 1755, poorter van Delft op 11 juni 1776, onderkoopman te Batavia (Ned.-Indië)

b. Cornelis Johannes Palm, aangenomen als lidmaat van de NG gemeente te Delft in april 1781, kapitein ter zee in dienst van de Admiraliteit op de Maze

ONA Delft inv. 161.3318, f. 329: op 31 okt. 1784 testeert Cornelis Johannes Palm, kapitein te zee in dienst van het College van de Admiraliteit op de Maze, wonende te Delft. Hij prelegateert aan zijn zusters Constantia Maria Palm en Cornelia Henrietta Palm de inkomsten van een lijfrente van 6000 Franse livres, gevestigd te lijve van hem, testateur, en Cornelia Henrietta Palm. Indien één van zijn zusters gaat trouwen, zal de ongetrouwde zuster de inkomsten van de lijfrente krijgen. Als beide zusters gaan trouwen, zullen testateurs broers Hendrik Lodewijk Palm en Carel Adriaan Palm of de langstlevende van hen beiden de inkomsten van de lijfrente krijgen. Hij legateert aan zijn hospes Robbert Paket, mr. kleermaker te Delft, zijn gouden zakhorloge. Tot erfgenamen van al zijn overige na te laten goederen, benoemt hij zijn broers Hendrik Lodewijk Palm, onderkoopman te Batavia, en Carel Adriaan Palm, vaandrig in het regiment infanterie van kolonel Von Pabst, of bij vooroverlijden hun nakomelingen voor een derde part, en zijn zusters Constantia Maria Palm en Cornelia Henrietta Palm en zijn broer Roeland Palm, of bij vooroverlijden van één van hen diens nakomelingen voor twee derde parten. Tot  executeur-testamentair en voogd benoemt hij mr. Adriaan van der Goes, oud-burgemeester van Delft. 

c. Carel Adriaan Palm, gedoopt Padang 7 febr. 1761, aangenomen op belijdenis in de NG gemeente te Delft, wonende aan de Oude Delft,  okt. 1780, vaandrig in het regiment infanterie van kolonel Von Pabst, onderkoopman in Ned.-Indië, begraven Batavia 20 aug. 1797,  trouwde 1e Groningen/Nieuweschans 3/14 febr. 1781 Josina Elisabeth Jarges, gedoopt Zutphen 23 dec. 1758, 2e Batavia 18 okt. 1789 Cornelia Catharina de Lopes

d. Roeland Palm, aangenomen als lidmaat van de NG gemeente te Delft 1785

e. Constantia Maria Palm, geboren te Poeloe Tjinko (eiland bij Sumatra) 6 febr. 1764, jonge dochter te Delft (1792), overleden Heusden 16 jan. 1832, trouwde Delft (Oude Kerk) 6/30 okt. 1792 Adriaan Boll, geboren Eethen, jongman te Heeswijk en Dinther (1792) notaris wonende te Dinther (1825), overleden Dinther 26 mei 1825, zoon van Adriaan Boll en Dina van Brandwijk

f. Cornelia Henrietta Palm, geboren Padang (Sumatra) in 1765, jonge dochter te Delft, doch onlangs gewoond hebbende te Voorburg (1785), overleden Delft 24 sept. 1822 (in een huis aan de Oude Delft), trouwde Delft 7/22 mei 1785 mr. Lieve Jacob Schol, jongman te Delft (1785), lid van de gemeenteraad van Delft (vermeld 1822)