Van Slingeland

Dit is een uitgebreidere versie van Familie Van Slingelandt – Regionaal Archief Dordrecht. Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van Gezinskaart van Hendrik van Slingelandt (1702-1759) – Greets genealogie, » West-Europese adel » Genealogie Online en van Simon van Slingelandt – Regionaal Archief Dordrecht.

I. Cornelis Hendricksz. van Slingeland, raad van Dordrecht 1492-1493, overleden in 1506

Zoon:

a. Hendrick Cornelis Hendricksz. van Slingeland, volgt II

II. Hendrik Cornelis Hendricksz., geboren ca. 1484, raad en schepen van Dordrecht, overleden na 1548, trouwde Digna Boemgaert, geboren ca. 1485, overleden na 1548

Henrick van Slingelant en zijn vrouw Digna Bogaert, door Aart Schouman naar een origineel uit 1548

Zoon:

a. Cornelis Hendriksz. van Slingeland, volgt III

III. Cornelis Hendriksz. van Slingeland, geboren 1507, lakenkoper, burgemeester van Dordrecht 1572-1577, afgevaardigde naar de eerste Vrije Statenvergadering 1572, overleden 15 juni 1583, , trouwde 1e Catrijn Brouwer Jansdr., geboren 1509, overleden 12 okt. 1568, 2e 19 juni 1569 Hillegond Wenssen, geboren 1529, dochter van Jacob Aertsz. en Cornelia van Slingeland Jansdr. en weduwe van Cornelis de Jonge Willemsz. (De Nederlandsche Leeuw 2001, kol. 578-57)

ORA Dordrecht inv. 737 (oud), f. 604 e.v.: op 21 juli 1584 comp. voor schepenen van Dordrecht Hillegont Wensen Jacobsdr., weduwe van Cornelis Henricxsz. van Slingelant, burgemeester van Dordrecht, enerzijds en Marijcken Cornelisdr., weduwe van Henrick Cornelisz. van Slingelant, voor zichzelf en als moeder en voogdes van haar kinderen, verwekt door Henrick Cornelisz. van Slingelant, Daniël Verlou, als man van Agatha Cornelisdr., Pieter Jan Anthonisz., als man van Loijcke Cornelis Henricxsdr., Marijcke Cornelis Henricxsdr., weduwe van Andries de Bije, als moeder en voogdes van haar kinderen, verwekt door Andries de Bije, Pieter Pietersz., weduwnaar van Digna Cornelis Henricxsdr., als vader en voogd van zijn kinderen, verwekt bij Digna Cornelis Henricxsdr. en Pieter Pietersz. de Jonge, voor zichzelf en samen met Daniël Verlou en Pieter Jan Anthonisz. voogd over de weeskinderen van voornoemde Henrick Cornelisz., Marijcken Cornelis Henricxsdr. en Digna Cornelis Henricxsdr., anderzijds. Comparanten verklaren, dat zij na het overlijden van Cornelis Henricxsz. van Slingelant, “gevisiteert ende doorgesien hebbende sijn regres ende blaffaerden ende meede de huijwelijcxe voerwaerden tusschen hem ende de voorn. jouffrouw Hillegont” en na kennisneming van de inventaris van de door hem nagelaten goederen, onderling zijn nalatenschap verdeeld hebben. Daarbij is aan zijn weduwe toebedeeld al hetgeen zij overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden in de gemeenschappelijke boedel heeft ingebracht, met daarbij nog een somma van 400 gl. De overige comparanten is aanbedeeldal hetgeen Cornelis Henricxsz. bij het sluiten van zijn huwelijk met Hillegont Wensen heeft ingebracht. Aangezien Cornelis zijn huis, dat staat op de hoek van de Tolbrug aan de Poortzijde [bij het tegenwoordige Scheffersplein] en zijn tuin met huisje bij het Bagijnhof heeft verkocht aan Pieter Jan Anthonisz., zijn schoonzoon, die de koopsom met rentebrieven heeft voldaan, zijn de voornoemde kinderen en erfgenamen alleen toebedeeld de renten en rentebrieven van de verkochte huizen en tuin en daarbij nog een aantal andere renten en rentebrieven en een somma van 500 gl.

Kinderen:

a. Hendrik Cornelisz. van Slingeland, volgt IV

b. Agatha Cornelisdr., trouwde Daniël Verlou Adriaensz.

ORA Dordrecht inv. 1555, akte 1064: op 7 mrt. 1591 transporteert Daniël Verlou Adriaensz., voor zichzelf en als procuratie hebbende van Henrick Pietersz. en Cathalina Pietersdr., kinderen van de zuster van zijn vrouw, aan Henrick Verwet, wonende te Rotterdam, een rentebrief van 51 gl. jaarlijks, als daar aanbedeeld zijnde bij overlijden van Cornelis Henricxsz. van Slingelandt, oud-burgemeester van Dordrecht.

c. Loijcke Cornelis Henricxsdr., trouwde Pieter Jan Anthonisz.

d. Marijcken Cornelisdr., trouwde Andries de Bije

31 okt. 1577: (coram Willem Stolck Dirixsz. Stopen) compareren Willem Jansz. Witte, schepen in wette van Dordrecht, als man van Marijcken Thomasdr., Marijcken Fransdr. van Thol, weduwe van Rochus Thomasz. [van Wesel], Marijcken Jacobsdr. [van Telshout], weduwe van Jan Thomasz. [van Wesel] en Geertruijt Pietersdr. [echtgenote van Pieter Jacobsz. de Stercke], voor zichzelf en tevens voor haar kinderen, Laurensken Quirijnen, weduwe van Tomas Pietersz. [de Bije] en Marijcken Cornelis [dochter van Cornelis Hendriksz. van Slingeland], weduwe van Andries Pietersz. [de Bije], voor zichzelf en haar kinderen, allen erfgenamen van wijlen Cristina Pietersdr., die “ten echten man heeft gehadt” Pieter Willemsz. van Overacker de Bije. Zij verlenen procuratie aan Cornelis Willemsz., de zoon van voornoemde Willem Jansz. [Witte] om namens hen te transporteren aan Jan Rutten, burgemeester van Besoijen, de helft van 7 morgen, zowel land als “slijck”, liggende aan de Dussen in de “brassaert”, genaamd Beliënweer, zoals dat land is verkocht aan Pieter Willemsz. van Overacker de Bie zaliger door de dekens van het St. Hubertusgilde te Dordrecht, blijkens de oude brieven daarvan zijnde, voorts brieven van eigendom te passeren etc., alles “naer coustume” van het ambacht Munsterkerk aan de Dussen, waar het land gelegen is. (ORA Dordrecht inv. 712 (oud), akte 725, f. 188v)

e. Digna Cornelis Henricxsz., trouwde Pieter Pietersz.

IV. Job (Cornelisz. ?) van Slingeland, trouwde NN ?)

Kinderen:

a. Damas Jobsz. van Slingeland, volgt V

b. Henrick Joppen van Slingeland

c. Digna Joppen, trouwde Adriaen Lambrechtsz.

ORA Dordrecht inv. 1588, f. 9v: op 18 jan. 1611 verkoopt Digna Joppen, weduwe van Adriaen Lambrechtsz., geassisteerd met haar zoon Lambrecht Adriaensz. bakker en haar neef Job Damasz. van Slingelant, aan Jan Matheusz. metselaar twee huizen in de Botgensstraat, strekkende van de straat tot achter aan zekere gang en staande tussen het huis van de kinderen van Robbrecht Cornelisz. en dat van Jan Pietersz. Vekemans procureur. De koper is schuldig aan de verkoopster een somma van 731 gl. Borg: Maerten Diricxsz. van de Mijl kleermaker.

V. Damas Jobsz. van Slingeland, geboren 1553, rentmeester en secretaris van het Weeshuis te Dordrecht, notaris te Dordrecht, overleden (voor 5 mei) 1606, trouwde Antonia Wenssen, geboren 1552, overleden 1621

Volgens de in aanhef van deze genealogie genoemde publicatie van het Regionaal Archief Dordrecht zou Damas (Jobsz.) een kleinzoon zijn van Cornelis Hendriksz. van Slingeland (gen. III). Ik heb daarvoor geen gewijzen gevonden. Ook is opvallend, dat in bovenstaande akte uit 1584 niet een Jop Cornelisz. als één van de kinderen van Cornelis Hendriksz. wordt vermeld.

ORA Dordrecht inv. 1554, akte 190: op 19 mei 1588 krijgt Damas Jobsz. van Slingelant, als “neve”, procuratie van jonkheer Cornelis van der Mijl om voor het gerecht van Dordrecht aan Henrick Geij, koopman van wijnen en burger van Dordrecht, te transporteren drie huizen bij het Groothoofd, staande tussen het huis van Adriaen Anthonisz. Repelaer en dat van Marijcken Jacobsdr.

ORA Dordrecht inv. 1579, f. 372: op 5 mei 1595 compareren voor schepenen van Dordrecht Jacob van Drijel Cornelisz., Arent Barthoutsz. van Gouthouffen, voor zichzelf en tevens vervangende Jan Schrevelsz., hun zwager, en diens weeskind, Arent Barthoutsz. nog als procuratie hebbende van jonkheer Cornelis van Bekesteijn, als man van Catharina van Drenckwaert en als voogd van de weduwe en weeskinderen van Willem van Drenckwaert, heer van Gijssenborch, en tevens vervangende Maria van Drenckwaert en als procuratie hebbende van mr. Cornelis de Jonge, heer van Baertwijck, als man van Jasparina van Drenckwaert. Zij verkopen aan Damas Jobsz. van Slingelant, secretaris van de weeskamer te Dordrecht, een tuin met het huis en huisje erin staande, gelegen in het Steegoversloot tussen het huis van Cornelis Cornelisz. timmerman alias Houtemont en de gracht, strekkende voor van de straat tot achter op de stadsgracht, zoals die tuin, huis en huisje zijn nagelaten door Wouwrijck van Drenckwaert, heer van Gijessenborch, hun, verkopers, aangetrouwde oom. Dit alles op voorwaarde, dat een zekere Aeltgen het bleekveld haar leven lang mag blijven gebruiken voor 3 Vlaamse ponden jaarlijks. De koper verkoopt aan de verkopers twee derde parten van voornoemde tuin, huis en huisje. Damas Jobsz. van Slingelant en Jacob van Drijel verkopen aan Cornelis Cornelisz. timmerman alias Houtemont een leeg erf, liggende in het Steegoversloot naast het huis van de koper. Op 8 mei 1595 verklaart de koper schuldig te zijn aan de verkopers een somma van 800 gl. Waarborg: Cornelis Aertsz. van de Graeff huistimmerman. Op diezelfde dag verkopen laatstgenoemde verkopers aan Jan Mateusz. metselaar drie naast elkaar staande huisjes in het Steegoversloot, staande tussen het huis, waarin Hercelus Claesz. woont, en het huis, waar Cornelis Zande in woont, met het erf achter die huisjes, strekkende tot achter aan de stadsgracht. De koper is schuldig aan verkopers een somma van 1900 gl. Waarborg: Maerten Dircksz. van der Mijle kleermaker. Jacob van Driel en Arent Barthoutsz. verkopen op 8 mei 1595 aan Damas Jobsz. van Slingelant twee derde parten van een leeg erf, waarvan Damas reeds een derde deel bezit, liggende in het Steegoversloot tussen Jan Jansz. Cock metselaar en het huis, waar Herculus Claesz. in woont, strekkende voor van de straat tot achter aan de stadsgracht.

ORA Dordrecht inv. 1580, f. 106v: op 1 okt. 1596 verkoopt Damas Jobsz. van Slingelant, secretaris van de weeskamer van Dordrecht, aan Adriaen Loenis huistimmerman een leeg erf in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Jan Cock en dat van de verkoper c.s., strekkende voor van de straat tot achter aan de stadsgracht. Waarborg: Henrick Joppen houtkoper . De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 1048 gl. Borg: Jan Jansz. timmerman.

ORA Dordrecht inv. 1580, f. 141v: op 11 febr. 1597 verkoopt Damas Jobsz. van Slingelant, burger van Dordrecht, aan Henrick Heermale, wonende te Den Haag, een losrente van 35 gl. per jaar, verzekerd op zijn huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Cornelis Thonisz. kuiper en dat van Jan Mercusz. schrijnwerker.

ORA Dordrecht op 5 mei 1606 verkoopt Anthonia Wenssen Jansdr., weduwe van Damas Jobsz. van Slingelandt, geassisteerd met haar zoon Job van Slingelandt Damasz., aan Jan Jansz. huistimmerman, burger van Dordrecht, een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van Johannes Poliander, predikant te Dordrecht, en dat van Gillis van Waerde, strekkende voor van de straat tot achter op de gracht. De koper is schuldig aan de verkoopster een somma van 775 gl.

ONA Dordrecht inv. 67, f. 23: testament dd 19 aug. 1634 van Liedewij Cornelisdr., weduwe van Wouter Jansz. van Dijter, burgeres van Dordrecht. Zij legateert o.a. aan Job van Slingeland Dammasz., haar neef of bij zijn vooroverlijden aan zijn zusters, een somma van 2000 gl. en het huis aan de havenzijde in de Grotekerksbuurt, waarin zijn woont, aan Adriana van Slingelandt Damasdr. of bij haar vooroverlijden aan haar zusters, Elisabeth en Cornelia van Slingelandt Dammasdrs. of de langstlevende van hen beiden 400 gl. en haar beste “bouratten” huik, aan Geertruijdt van Beaumondt Govertsdr, de vrouw van Barthout van Slingelandt, haar neef, haar “bouratten vlieger met fluwijne bonte opslagen”,

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Adriana van Slingeland, trouwde Herman Godschalck, heer van Dubbeldam en Godschalkoord

ORA Dordrecht inv. 1608, f. 111: op 26 juni 1640 comp. Job Damasz. van Slingelant, schepen in wette van Dordrecht, als procuratie hebbende van Adriana van Slingelant, weduwe van Herman Godschalcx, voor de helft en als procuratie hebbende van Cornelis Marinisz. Jongbroer, als man van Geertruijt Leendertsdr., dochter van Anneken Godschalcx, voor een portie in een achtste part, nog als “gesubstitueert zijnde” [van?] Adriaen Jansdr. van der Wiel, die procuratie was hebbende van Janneke Cornelisdr., weduwe van Jacob Jansz. Vermeulen, zijn moeder, voor een achtste part alsmede haar gedeelte in een achtste part in de staak van Mariken Godschalcx, en nog als procuratie hebbende van Adriaen Jansz, voor zichzelf en tevens vervangende zijn neef Jan Leendertsz. en nicht Neeltgen Willemsdr., en als procuratie hebbende van Marichien Jansdr., van Belichien Jansdr., van Jan Jacobsz. en Jacob Lambrechtsz., als man van Marichien Jacobsdr., dochter van wijlen Marichien Jansdr., en vervangende haar drie onmondig kinderen, genaamd Neeltgen, Bastiaen en Maeijcken Jacobsdr., idem van Adriaen Aertsz. Stoop, als man van Annetie Jansdr., dochter van Marichen Godschalcx, Jan Cornelisz. van de Grient, als man Marichien Willems, “comende van wijlen Marichien Godschalcx kinderen”, voor ieder zijn of haar gedeelte in een achtste part, en van Beliken Leenderts, voor zichzelf en als mede-erfgename van haar broer Leendert Leendertsz., en tevens vervangende haar onmondig zuster Judith Leenderts, voor een achtste part, komende uit de staak van Anneken Godschalcx, allen erfgenamen van Herman Godschalcxs. De comparant verkoopt aan Maria inder Velde Sijmonsdr. een huis in het Steegoversloot, staande tussen het huis van de koopster en dat van Dirck Jansz. Both.

ONA Dordrecht inv. 174, f. 88: op 21 juli 1655 verlenen Jan Ariensz. Vermeren, voor zichzelf en tevens vervangende zijn broers en zusters, Arien van Heusde, als man van Neeltie Willems, voor zichzelf, Jacob Lamberts, voor zichzelf en tevens vervangende zijn broers en zusters, Reijer Gerbrantsz., als procuratie hebbende van de kinderen en kleinkinderen van Anneken Schalcke, burgers van Dordrecht, procuratie aan Arien Ariensz. Stoup, Aert Jansz. van Leuven, Schalck Leendertsz. van Nieustadt en Jan Jacobsz. van Haspel, allen erfgenamen van Herman Godschalkxen, om te beheren alle goederen, die Adriana van Slingelandt, weduwe van Herman Godschalckxen, in vruchtgebruik heeft gehad.

b. Jop Dammisz. van Slingelant, rentmeester van het Arme-Weeshuis te Dordrecht (vermeld ORA Dordrecht inv. 1580, f. 186, akte dd 31 juli 1617)

ORA Dordrecht inv. 1609, f. 9: op 16 april 1641 verkoopt Job Damasz. van Slingelant, schepen in wette van Dordrecht, voor 1600 gl. aan Cornelis van Beveren, heer van Barendrecht en Schobbeland, oud-burgemeester van Dordrecht, een huis in de Grotekerksbuurt aan de havenzijde, staande tussen het huis van Janneken Aertsdr. van Houwelingen en dat van Dingenken Mes, weduwe van Sijbert van Welij.

ONA Dordrecht inv. 178, f. 327: op 24 mei 1658 verklaren Jan Doncker en Dirck Doncker, beiden wonende te Delft, voor zichzelf en namens hun minderjarige zuster Jannichien Donckers, samen kinderen en erfgenamen van Sijmon Doncker, ontvangen te hebben van Damis van Slingelandt, als mede erfgenaam van Job Damisz. van Slingelandt, zijn oom, die executeur was van het testament van Liedewij Cornelisdr. weduwe van Wouter Jansz. Dijter, overleden in Dordrecht, een rentebrief ten laste van de provincie Holland, inhoudende een bedrag van 5000 ponden kapitaal.

c. Barthout Damasz. van Slingeland, geboren 1590, volgt VI.

d. Johan Damasz. van Slingelandt, notaris te Dordrecht , trouwde Maria Noeij

ORA Dordrecht inv. 1585, f. 60v: op 5 nov. 1607 verkopen Pieter Sijmonsz., als procuratie hebbende van Adriaen Bacx, testamentaire voogd van de twee minderjarige kinderen van Geerit Noeij, verwekt bij Cornelia Wilricx, en Jan van Slingelant, als man van Maria Noeij, en tevens vervangende zijn zwager Hendrick Noeij, allen kinderen en erfgenamen van Geerit Noeij, aan Nijs Willemsz. brouwer een huis, genaamd “Brandenburch”, staande in de Wijnstraat tussen het huis van Damas Damas [sic] Barthoutsz., heer van Sandeling, en Frans Evertsz. wijnkuiper. De koper is schuldig aan de verkopers een somma van 4900 gl. Borgen: Cornelis Jansz. Both thesaurier, Jan Vaensz. kaaskoper en Jan Willemsz. olieslager.

ORA Dordrecht inv. 1585, f. 88v: op 2 april 1608 verkoopt Johan van Slingelandt Damasz., notaris in Dordrecht, aan Dirick van de Wal een huis omtrent de Wijnbrug, genaamd “den Leuwen”, staande tussen de weduwe van Dirick van Arnem en dat van Sijmon Back. Waarborgen: Pieter Sijmonsz. wijnkoper en Jan Fransz. Both. De koper is schuldig aan Liedewij Cornelisdr. een somma van 1150 gl. Borgen: Adriaen Buijs huikmaker en Joost Joosten tingieter.

ORA Dordrecht inv. 1586, f. 25v: op 7 okt. 1608 verkopen Pieter Sijmonsz., als procuratie hebbende van Adriaen Bacx, rentmeester van de domeinen van de prins van Oranje over het Kwartier van Breda, als testamentaire voogd van Sara Noeij en Geerit Noeij, voor henzelf, samen voor de ene helft, en Johan van Slingelandt Damasz., notaris te Dordrecht, als man van Maria Noeij en als actie hebbende van Maria de With, weduwe van Hendrick Noeij, voor de andere helft, aan Cornelis Ruijs wijnkoper een huis, genaamd “Sheerengijssen”, staande in de Wijnstraat tussen het huis van Jacob van Castro wijnkoper en dat van Willem Evertsz. Prins wijnkoper. Het huis heeft een vrije uitgang in de Gravenstraat en een doorgang, die uitkomt op de Nieuwe Haven , Waarborg Pieter Sijmonsz. en Henrick Gheij, wijnkopers te Dordrecht. De koper is schuldig aan Jan van Rem een bedrag van 5410 gl. Borg: Nicolaes Ruijs.

Kinderen:

d-1. Cornelia van Slingelandt Jansdr., ongehuwd

ONA Dordrecht inv. 118, f. 505: op 21 sept. 1655 maakt Cornelia van Slingelandt, ongehuwde persoon en burgeres van Dordrecht, haar testament. Zij benoemt tot haar enige erfgename haar zuster Anthonia van Slinglandt, de vrouw van Henrijck Labeen, of bij vooroverlijden haar nakomelingen. Zij legateert aan Gerardt Severijns van Cuijla, drost van Waarde, haar neef, de oudste zoon van Zara Noeij, een koffer, die bovenop is bekleed met een haren vel of huid, en de inhoud daarvan, of bij zijn vooroverlijden aan zijn naaste verwanten.

d-2. Damas van Slingelandt Jansz., jongman van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1635), trouwde NG Dordrecht 19 aug./11 sept. 1635 Elisabeth Greefraets Wernaertsdr., jonge dochter van Geertruidenberg wonende bij de Vuilpoort te Dordrecht (1635)

ORA Dordrecht inv. 787, f. 62: op 20 nov. 1670 verkoopt Damas van Slingeland Jansz., voor zichzelf voor 1/9 part, en tevens als procuratie hebbende van mr. Govert van Slingelandt Baerthoutsz., secretaris van de Raad van State, Jacobmina Vaens, eerder weduwe en erfgename van Sijmon van Slingelant en thans echtgenote van Johan van Lith, koopman te Dordrecht, voor 1/9 part, en Cornelia van Beaumont, weduwe van Damas van Slingelant, oudraad te Dordrecht, voor 6/9 parten, allen erfgenamen van wijlen ds. Tomas Bodicius [Thomas Boudicxius], predikant te Grote Lindt, voor 7250 gl. aan Rochus Rees, houtkoper, een huis omtrent de Grote Kerk naast het huis “de Vlaszack”, staande tegenover de Pelserbrug, met de houttuin, daartoe behorende, uitkomende op de Nieuwe Haven, en de kade en overige toebehoren.

ONA Dordrecht 214, f. 77: op 30 mrt. 1674 verleent procuratie aan Damas van Slingelant, als man van Elisabeth Warnaertsdr. Greffraets, enige dochter van wijlen Warnard Aertsz. Greffraet, aan Paulus Bisschop, predikant te ‘s-Gravenmoer, nu residerende te Geertruidenberg, om namens hem door Isaac Leempoel, procureur voor het gerecht van Geertruidenberg “eijsch van preferentie te doen” tegen de crediteuren van Cornelis Adriaensz. Polack.

ONA Dordrecht inv. 744, f. 663: op 2 juli 1714 compareren mr. Jacob van der Dussen, burgemeester van Dordrecht, Mattheus van den Broeck, oud-burgemeester van Dordrecht, en Johan Hallincg, oud-burgemeester van Dordrecht, Matthijs Bax, mr. Sebastiaan Braats en Albertus van Nievelt, samen vaders van het weeshuis te Dordrecht, enerzijds en Eliesbeth, Cornelia en Anthonia van Slingeland, meerderjarige personen, wonende te Dordrecht, wegens de boedels van Damas van Slingeland Jansz., Jan van Slingeland en Hiob van Slingeland, resp. hun vader, broer en oudoom, in hun leven rentmeesters van het weeshuis te Dordrecht, anderzijds. De comparanten verklaren, dat bij het overlijden van Jan van Slingeland, de laatste rentmeester van het weeshuis “de Reeckeningen vande voornoemde drie overledene Rentmeesters van over vele jaeren herrewaerts pertinentelijcken naergesien … wesende inde selven ende daer buijten waeren gevonden, diversche abuijsen, tot voordeel van d’een ende d’ander, dogh meest in faveur van het … weeshuijs, daer tegens nogtans de … juffrouwen van Slingelandt hadden verscheijde debatten, onder anderen van geen erfgenaem te sijn, van regt van legael verbandt, wegens moederlijcke goederen ende collaterale versterffenissen, Item van prescriptie, als anders meer; ende dat de selve abuijsen (in cas van dissentie) niet anders conden werden gecorrigeert, dan bij recollement van de voorsz. Reeckeningen”, waardoor kostbare processen konden ontstaan. Om die te vermijden zijn de comparanten met elkaar overeengekomen, dat de vaders van het weeshuis en de juffrouwen Van Slingelandt wederzijds zullen afzien van alle van rekeningen en dat zij, juffrouwen Van Slingelandt, zullen overgeven aan het weeshuis allen goederen, die zij geërfd hebben van hun broer Jan van Slingelandt en met hem in gemeenschappelijk bezit hebben gehad, o.a. een huis in het Steegoversloot tegenover de St. Jorisdoelen, staande tussen het huis van Jacob Beij en dat van Adriaen Op de Camp, in welk huis zij thans wonen, alsmede de inboedel, die zij bezitten en die bij het overlijden van de langstlevende van hen drieën aangetroffen zal worden, met uitzondering van de portretten van de familie. Dit alles op voorwaarde, dat zij hun leven lang van de over te dragen goederen het vruchtgebruik zullen hebben.

ORA Dordrecht inv. 1645, f. 133v: op 31 juli 1714 verkopen Elisabeth van Slingeland, Cornelia van Slingeland en Anthonia van Slingeland, meerderjarige ongehuwde zusters, wonende te Dordrecht, voor 2000 gl. aan de Vaders en Regenten van het Arme-Weeshuis een huis in het Steegoversloot tegenover de St.Jorisdoelen, staande tussen het huis van Adriaan Op de Campen dat van Jacob Beije.

Kinderen:

d-2-1. Elisabeth van Slingelandt, ongehuwd

d-2-2. Adriana van Slingelandt

d-2-3. Maria van Slingelandt

d-2-4. Cornelia van Slingelandt, ongehuwd

d-2-5. Catharina van Slingelandt

d-2-6. Antonia van Slingelandt, ongehuwd

d-3. Antonia van Slingelandt Jansdr., trouwde NG Dordrecht 4 aug. 1647 Hendrik Labeen

ONA Dordrecht inv. 118, f. 38: op 24 mrt. 1652 verleent Henrijck Labeen, deurwaarder van de gemene middelen te Dordrecht, procuratie aan zijn vrouw Anthonia van Slingeland, om “ten eijnden te brengen sijn comparants saacke” tegen Jan Adriaensz. Brouwers, smid te Oosterhout.

ONA Dordrecht inv. 118, f. 100: testament dd 30 aug. 1652 van Henrijck Labeen en zijn vrouw Anthonia van Slingelant, burgers van Dordrecht. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam. De langstlevende zal gehouden zijn hun kinderen te onderhouden tot hun mondigheid of huwelijk en dan elk van hen een bedrag van 25 gl. uit te keren. Tot voogd over hun minderjarige erfgenamen benoemen zij de langstlevende van hen beiden, de vader van de testateur en Damas van Slingelant Jansz.

ONA Dordrecht inv. 351, f. 136: op 15 okt. 1670 verklaart Anthonia van Slingelant, weduwe van Henrick Labeen, schuldig te zijn aan Johan van Bebberen, koopman en burger van Dordrecht, een somma van 600 gl., wegens betaling van de doodschulden van haar man en van diens vader Hendrick Lambertsz. Labeen en over de leverantie van rouwkleren voor haar kinderen.

Kinderen (o.a., allen NG gedoopt in Dordrecht):

d-3-1. Lambert, 24 febr. 1648

d-3-2. Anna, 31 jan. 1652

d-3-3. Johannes, 2 jan. 1654

d-3-4. Hendrica, 30 juli 1657

d-3-5. Anthonia, 5 sept. 1658

d-3-6. Henricus, 11 april 1661

e. Elisabeth van Slingelandt

f. Cornelia van Slingelandt Damasdr., trouwde Pieter Dorpmans

ONA Dordrecht inv. 94, f. 138: opp 18 sept. 1657 testeert ds. Thomas Baudictius [Boudixius], oud-predikant van de Groote Lindt, wonende te Dordrecht. Hij benoemt tot erfgenaam zijn nicht Cornelia van Slingelandt, de vrouw van Pieter Dorpman. Hij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 600 gl., aan zijn neef Damis van Slingelandt Jansz. 200 gl., aan zijn nicht Cornelia van Slingelandt Jansdr. 700 gl., aan zijn neef Hendrik van Slingelandt Jansz. 200 gl., aan zijn nicht Antonia van Slingelandt Jansdr., de vrouw van Hendrik Labeen 200 gl., aan zijn neef Damis van Slingelandt Baerthoutsz. 500 gl., aan mr. Godefridus van Slingelandt Baerthoutsz. 100 gl. , aan zijn neef Sijmon van Slingelandt Baerthoutsz. 500 gl. , of bij vooroverlijden hun kinderen. Aan de kinderen van zijn nicht Janneken Huijbrechtsdr., de vrouw van Jan Stevensz., legateert hij 1000 gl., op voorwaarde, dat zij haar leven lang daarvan het vruchtgebruik zal krijgen, aan zijn neef Adriaen Vervooren legateert hij 200 gl. , aan zijn nicht Aletta Colvius, die zijn huishouden waarneemt, 300 gl., en aan zijn dienstmaagd Sibilla Sijmons, als die bij zijn overlijden nog bij hem inwoont, 50 gl. Tot executeurs-testamentair en voogden over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij Damis van Slingelant Jansz., Damis van Slingelandt Baerthoutsz., en mr. Godefridus van Slingelandt Baerthoutsz., zijn neven.

ONA Dordrecht inv. 94, f. 223: op 17 mrt. 1658 testeert ds. Thomas Baudictius, oud-predikant te Groote Lindt, wonende te Dordrecht. Hij benoemt tot zijn erfgenamen Cornelia van Slingelandt, de vrouw van Pieter Dorpman, en Damas van Slingelandt, Cornelia van Slingelandt en Antonia van Slingelandt, de vrouw van Hendrick Labeen, kinderen van zijn overleden neef Jan van Slingelandt, voor twee derde parten en Damis van Slingelandt, ontvanger van de gemene middelen, Godefridus van Slingelandt, raadpensionaris van Dordrecht, en Sijmon van Slingelandt, kinderen van zijn overleden neef Baerthout van Slingelandt. Hij legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht 200 gl., aan de kinderen van zijn nicht Janneken Huijbrechtsdr., de vrouw van Jan Stevens, 1000 gl., waarvan zij haar leven lang het vruchtgebruik zal hebben, aan Adriaen Vervooren, zijn neeft, 600 gl., aan Aletta Colvius, zijn nicht, die zijn huishouden waarneemt, 1000 gl. en aan zijn dienstmaagd, die bij zijn overlijden nog bij hem inwoont 50 gl. voor het maken van een rouwkleed. Tot executeurs-testamentair en voogden over zijn onmondige erfgenamen benoemt hij Damis van Slingelandt Jansz., schout van Dubbeldam, Damis van Slingelandt Baerthoutsz., ontvanger van de gemene middelen, en mr. Godefridus van Slingelandt, raadpensionaris van Dordrecht, zijn neven.

ONA Dordrecht inv. 96, f. 367: op 27 mei 1663 testeren Pieter Dorpmans en zijn vrouw Cornelia van Slingelant, wonende te Dordrecht. De langstlevende van hen beiden zal mogen volstaan met het overleveren van de goederen van de eerstoverlijdende van hen beiden aan diens erfgenamen, zoals die gespecificeerd staan in staatjes, die reeds door hen zijn gemaakt. De testateur benoemt tot zijn erfgenamen de kinderen van zijn broer Cornelis Dorpmans of bij vooroverlijden diens kinderen, op voorwaarde, dat die kinderen na testateurs overlijden zullen krijgen aan obligaties of rentebrieven een bedrag van 9000 gl. Tevens is voorwaarde daarbij, dat, indien zijn broer “van sijnen dienst geraeckte ende dat sijn tractement niet en volchde”, hij de opbrengsten van die 9000 gl. zal genieten, zo lang hij zijn tractement missen zal. Hij maakt al zijn overige goederen, t.w. kleren, huisraad etc., behalve enige boeken, aan zijn broer, mits die aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 100 gl. zal uitreiken, alsmede aan het kleinkind van zijn halfzuster Judick Hendricxdr. Lostadt een bedrag van 200 gl. Zijn broer zal ook zijn doodschulden moeten betalen. De testatrice legateert aan de NG huisarmen van Dordrecht een bedrag van 600 gl., aan Celijken Lambertsdr., de vrouw van Cornelis Adriaensz. van der Heijden steenhouwer, haar nicht, 50 gl. en haar beste Amsterdamse huik, aan Elisabeth van Slingelant, haar nicht, een zilveren haakje met twee zilveren kettinkjes, een koker met twee messen met zilveren heften, aan Adriana van Slingelant, haar nicht, haar zilveren onderriem, aan Maria van Slingelant, haar nicht, haar robijnen ring, aan Cornelia van Slingelant, haar nicht, haar boek of testament met zilveren beslag, waarmee zij, testatrice, ter kerke gaat, aan Catharina van Slingelant, haar nicht, twee gouden spelden, met “peerle hoofden” en een zilveren vingerhoed, aan Antonia van Slingelant, haar nicht, haar zilveren sleutelriem met een haak, alle voornoemde legatarissen zijnde dochters van Damas van Slingelant, haar neef, en aan Cornelia van Slingelant Jansdr., haar nicht, haar beste “bouratten” huik, haar dagelijkse rode laken onderrok en al haar hemden. Zij legateert al haar overige kleren voor de ene helft aan haar neef Damas van Slingelant Jansz. en voor de andere helft aan Damas, Govert en Sijmon van Slingelant Baerthoutsz., haar neven. Aan de kinderen van wijlen Johan van Slingelant Damasz., haar broer, legateert zij een bedrag van 3500 gl. en aan de kinderen van Barthout van Slingelant, haar overleden broer, eveneens een bedrag van 3500 gl., of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Voorwaarde daarbij is, dat genoemde kinderen van de door hen te erven goederen alleen het vruchtgebruik zullen hebben of bij vooroverlijden hun kinderen, die vanaf hun vijftigste jaar de eigendom ervan zullen krijgen. Indien er iemand “onder haere vrunden waere … die sijn of haer deel vrij na haer wilde nemen voor den voorsz. tijt … wil sij testatrice dat soodanigen persoon off persoonen geen genudt van haer goet hebben sal, maer dat deel ofte deelen comen sal op sijnne ofte haere kinderen” of bij ontbreken daarvan aan de kinderen van haar twee overleden broers. De testatrice wenst, dat voornoemde twee sommen van 3500 gl., en dus samen 7000 gl., beheerd zullen worden door Damas en Goverdt van Slingelant Baerthoutsz. of bij vooroverlijden de langstlevende van hen beiden door Damas van Slingelant Jansz. en Sijmon van Slingelant Baerthoutsz. Als beide laatstgenoemden overlijden zijn, zal het beheer van de 7000 gl. komen aan de naaste en bekwaamste verwant van Baerthout van Slingelant Damasz., haar overleden broer. Tot erfgenamen van haar overige na te laten goederen benoemt zij Damas van Slingelant, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, mr. Govert van Slingelant, raadpensionaris van Dordrecht, en Sijmon van Slingelant, koopman wonende te Londen, zoons van Baerthout van Slingelant, haar overleden broer, of bij vooroverlijden hun kinderen. De testatrice wenst, dat haar erfgenamen ervoor zullen zorgen, dat hun broer zijn derde deel van de erfenis krijgt, alsmede de portretten van haar broer, zuster en broers dochter. Tot voogden over hun minderjarige erfgenamen en executeurs-testamentair benoemt de testateur van zijn kant zijn broer Cornelis Dorpmans en diens zoon Johannes Dorpmans, en de testatrice van haar kant Damas van Slingelant, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, en mr. Govert van Slingelant, raadpensionaris van Dordrecht, of bij vooroverlijden Sijmon van Slingelant Baerthoutsz., of bij vooroverlijden van genoemde personen de naaste en bekwaamster verwant van wijlen Baerthout van Slingelant.

VI. Barthout Damasz. van Slingeland, geboren 1590, raad en schepen van Dordrecht, heemraad van de Merwede en Dubbeldam, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 31 jan. 1638 (een baar op de hoek van de Nieuwkerkstraat voor Baerthout van Slingelant, twee maal luiden en de “gerecticheijt’), trouwde Geertruijd van Beaumont Govertsdr.

ONA Dordrecht inv. 29, f. 66: Barthout van Slingelant op 9 mrt. 1625 vermeld als ingeland van Oost- en West-Barendrecht en Carnisse en rentmeester van de heer van Marquette, mede ingeland aldaar.

ONA Dordrecht inv. 59, f. 513: op 2 aug. 1637 testeert Maria van Loo, weduwe van jonkheer Johan van den Eijnde, wonende op de heerlijkheid van Tuill. Zij benoemt na het overlijden van Job Damasz. van Slingelant tot rentmeester van haar goederen in de Zuidpolder van Dubbeldam diens broer Baerthout van Slingelandt.

Kinderen:

a. mr. Damas Barthoutsz. van Slingeland, geboren 1621, volgt VIIa

b. mr. Govert Barthoutsz. van Slingeland, heer van Dubbeldam, geboren 1623, raadpensionaris van Dordrecht. volgt VIIb

c. Sijmon van Slingelant, koopman, woonde in 1663 in Londen, trouwde Jacobmijna Vaens, trouwde 2e Johan van Lith

ONA Dordrecht inv. 93, f. 44: op 12 febr. 1653 testeren Sijmon van Slingeland, koopman en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Jacobmijna Vaens. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en voogd over hun minderjarige erfgenamen. Voorwaarde daarbij is, dat de langstevende hun kinderen zal onderhouden tot zij de mondigheid hebben bereikt of tot wanneer zij gaan trouwen, en hun dan “voor hen allen” zal uitkeren een somma van 1000 gl. Als de eerstoverlijdende zonder kinderen na te laten komt te overlijden, moet de langstlevende aan de naaste verwanten van de eerstoverlijdende een bedrag van 1000 gl. uitkeren. Als de testatrice de eerstoverlijdende zal zijn, maakt zij aan haar ouders, als die dan nog in leven zijn, een bedrag van 1000 gl.

ONA Dordrecht inv. 207, f. 112: op 13 aug. 1667 verhuurt Gerard van den Heuvel, burger van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende zijn zwager Jacob Schiltman, secretaris van Lekkerkerk, voor 200 gl. per jaar aan Jacomijna Vaens, weduwe van Simon van Slingelant, burgeres van Dordrecht, een huis aan de Nieuwe Haven, staande tussen de achterwoning of kelder van de wijnkoper Jan Gijsbertsz. en de gang van de verhuurder, strekkende van de straat tot aan de achtergevel van verhuurders pakhuis.

ONA Dordrecht inv. 742, f. 727: op 16 nov. 1713 maken Elisabeth van Slingelandt, weduwe van Mighiel Cocxius, en Geertruijt van Slingelandt, meerderjarige zusters wonende in Dordrecht, hun testament. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot erfgenaam en tot erfgenaam van de langstlevende van hen beiden de kinderen van hun halfzuster Sebilla van Lith, de vrouw van Dirck Hubert van Maurick of bij vooroverlijden haar nakomelingen, op voorwaarde, dat Sebilla haar leven lang van de door haar kinderen te erven goederen het vruchtgebruik zal hebben en dat, indien haar kinderen voor hun mondigheid of huwelijk komen te sterven zij van die goederen de eigendom zal krijgen. Als zij dan niet meer in leven is, zal de eigendom van betreffende goederen vererven op de erfgenamen ab intestato van vaderszijde van de testatrices, waarbij zij hun erfgenamen ab intestato van moederszijde uitdrukkelijk van die vererving wensen uit te sluiten. Tot voogden benoemen zij hun zwager Dirk Hubert van Maurick en diens vrouw Sebilla van Lith

Kinderen:

c-1. Elisabeth van Slingelandt, OSP, trouwde Mighiel Cocxius

c-2. Geertruijt van Slingelandt, ongehuwd

VIIa. mr. Damas Barthoutsz. van Slingeland, geboren 1621, schepen van Dordrecht, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 30 okt. 1669 (een zwarte baar van Dammis van Slingelant, ontvanger van de gemene middelen, twee maal luiden, een blazoen, de late boete), trouwde Cornelia van Beaumont, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 7 mei 1652 (een baar voor Cornelia van Beaumont, weduwe van Baerthout van Slingeland, op de hoek van de Kerkstraat).

ONA Dordrecht inv. 132, f. 125: op 28 okt. 1655 geven Johan Berck, oud-burgemeester van Dordrecht, Michiel van Feltrum, als voogd over zijn minderjarige kinderen, Aelwijn van Haelwijn, Johan van Beaumont, Damas van Slingelandt, mr. Cornelis Can advocaat, Antonij Oem Hermansz., Arendt Dichters en Johan van Nuijssenborch, allen erfgenamen van Hendrick van Slingelandt en Antonia van Diemen, hun toestemming aan de verkoop van acht morgen land in Schouwach onder Lekkerkerk, gekomen uit de boedel van Hendrick van Slingelandt en Antonia van Slingelandt en verkocht voor 1331 gl. aan Jaocb Schiltman, secretaris van Lekkerkerk.

ONA Dordrecht inv. 135, f. 336: op 18 aug. 1656 testeert Adriaen van Beaumont, wonende te Dordrecht. Hij benoemt tot voogden over zijn minderjarige erfgenamen Simon Crom, Otto van Flodrop en Damas van Slingelandt, resp. zijn schoonzoon, zwager en neef.

ONA Dordrecht inv. 137, f. 60: op 23 febr. 1658 testeren Pieter Costerus zeilmaker en zijn vrouw Louissa de Lobbel, burgers van Dordrecht. Zij benoemen tot voogden over hun minderjarige erfgenamen Nicolaes de Lobbel, haar vader, en Damas van Slingelandt, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, zijn neef.

ONA Dordrecht inv. 138, f. 689: op 19 dec. 1659 verklaart Damas van Slingelandt, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, getrouwd met Cornelia van Beaumont, dochter van Gijsbert van Beaumont en Elisabeth van Dijck, op verzoek van zijn zwager Gerrart van Beaumont, dat hij niet weet, of zijn schoonouders gepasseerd hebben enige testamenten, codicillen of dergelijke, waarbij zij de goederen, die hun zoon Gerrart van Beaumont van hen zou erven, belast hebben “met eenige laste of fideicommis”, maar dat die volgens hem aan Gerrart zijn toebedeeld als vrije allodiale goederen.

ONA Dordrecht inv. 139, f. 399: op 3 aug. 1660 verhuurt Damas van Slingelandt, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, voor 260 gl. per jaar een huis in de Oude Houttuin [Voorstraat], staande naast het huis van Crispijn van Outgaerden, aan Matthijs van Baelen, koopman te Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 140, f. 71v: op 2 febr. 1661 testeren Anthonij van Bree wijnkoper en zijn vrouw Adriana van Slingelandt. Zij benoemen tot voogden over hun minderjarige erfgenamen de langstlevende van hen beiden, alsmede Johannes van Bree, postmeester Cornelis van Slingelandt en Damas van Slingelandt, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 142, f. 567: op 20 sept. 1663 benoemt Gerrart van Beaumont, die binnenkort naar Oost-Indië zal vertrekken, tot voogden over zijn minderjarig kind Damas van Slingelandt, schepen in wette en ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, zijn zwager, en Johan van Beaumont, zijn neef, wonende te Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 209, f. 91: op 27 mrt. 1669 legt Rochus Rees, koopman te Dordrecht, op verzoek van Gijsbert Ariensz. van Bruijnes, marktschipper van Dordrecht op Geertruidenberg, wonende te Dordrecht, een verklaring af. Rees getuigt, dat het schip van de rekwirant in de herfst van 1667 heeft gelegen aan de stadboom, die ligt op de kade voor het huis van Damas van Slingelandt, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, en dat het schip ’s nachts door de zware storm en hoge vloed van de kade afgeraakt is en de “stadtboom door de kracht van gemelten storm aen stucken brack ende omswaijende het … schip alsoo op de kaije voor de huijsinge vande Swarten Arent toebehoordende Joris Alderbijn … geraeckt is … [en] dat gemelten heere Slingelant, bespeurende dat sijn stadtboom niet door het … schip maer door den … storm ende hoogen vloet was affgeraeckt ende wech gespoelt. den selven stadtboom tot sijnen costenn weder heeft doen opmaecken”.

ORA Dordrecht inv. 1623, f. 62: op 20 nov. 1670 verkopen “dhr. Damas van Slingelandt Janssen voor hem selven voor den negende part mitsgaders als last ende procuratie hebbende van dhr. mr. Govert van Slingelandt Baerthouts, Secretaris vande Raet van Staten deser Vereenigde Nederlantsche provintie, Blijckende bij dese procuratie ons Schepenen vertoont gepasseert voor den notaris Hugo van Dijck ende seeckere getuijgen binnen deser Stede residerende opden 29 Septemb. deses Jaars 1670 voor gelijck negende part, Item noch den selven als last ende procuratie hebbende van joffrouw Jacobmina Wens, hier bevorens weduwe ende geinstiutueerde erffgenaeme van Sijmon van Slingelant za.r ende alsnu huijsvrouw van Johan van Lith, Coopman tot Rotterdam die indie selve procuratie bewillicht heeft mede volgens Schepenen geexhibeert gepasseert voorden Justus (Ver)schuijen notaris ende seeckere getuijgen ter Stede van Rottedam op den eersten deser loopende maent mede voor een negende part, Ende laestel. Joffr. Cornelia van Beaumont weduwe van(de) heer Damas van Slingelant za.r in sijn leven uijt den outraet deser Stede voor de restende ses negende parten, alle te samen erffgenamen van za.r Do. Tomas Bodixius in sijn leven bedienaer des Goddel. Woorts der gemeijnte Christij inde Grooten Linde”, voor 7250 gl. aan Rochus Rees, houtkoper te Dordrecht, een huis omtrent de Grote Kerk, staande naast het huis “de Vlaszack” tegenover de Pelserbrug, met een houttuin, die uitkomt op de Nieuwe Haven, alsmede een kade. ORA Dordrecht inv. 1625, f. 22: op 4 april 1675 verkoopt Baerthout van Slingelandt, rentmeester van het Kwartier van Oosterwijk in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch, als procuratie hebbende van Cornelia van Beaumont, weduwe van Damas van Slingeland, ontvanger van de gemene middelen te Dordrecht, voor 1400 gl. aan Jochem van Loon, leerverkoper en burger van Dordrecht, twee huizen met een “vetterij” erachter, staande in de Augustijnenkamp tussen de brug naar de Lindengracht en het huis van de weduwe van kapitein Willem de Ruijter.

ONA Dordrecht inv. 277, f. 170, akte dd 20 jan. 1679: scheiding van de goederen, die zijn nagelaten door Cornelia van Gouthoeven, meerderjarige ongehuwde persoon. De vijf kinderen van Cornelia van Beaumont, weduwe van Damas van Slingelant, t.w. Baerthout van Slingelant, Elisabeth van Slingelant, Geertruijt van Slingelant, Ghijsbert van Slingelant en de kinderen van wijlen Anthonia van Slingelant, hebben ieder recht op 4088 gl. Samen met enkele betalingen, gedaan door Barthout van Slingelant, incl. de collaterale successie, kom dit op 21.573 gl. 8 st. in totaal.

ONA Dordrecht inv. 278, f. 288: op 10 juni 1681 verklaren Maria van Slingelant, weduwe van Emanuel van der Steen, Baerthout van Slingelant, rentmeester van de geestelijke goederen voer het Kwartier van Oosterwijk, en kapitein Dirck van Noij, koopman te Dordrecht, als executeurs-testamentair van Cornelia van Gouthoeven en tevens als haar mede-erfgenamen en vervangende hun overige erfgenamen, dat bij de scheiding van haar goederen onverdeeld is gebleven een rentebrief, inhoudende een kapitaal van 1000 gl., verzekerd op twee huizen, staande op de westzijde van de Oude Gracht naast Octaviaen Delporte en Nicolaes van Zijl, welke rentebrief is verleden op 18 juli 1622 en is aanbedeeld aan Baerthout van Slingeland, Ghijsbert van Slingeland, zijn broer, Elisabeth en Geertruijt van Slingeland, zijn zusters, en de kinderen van wijlen Antonia van Slingeland, zijnde Baerthout, Ghijsbert, Elisabeth, Geertruijt en Antonia van Slingeland kinderen van Cornelis van Beaumont, weduwe van Damas van Slingeland, en voor vijf twaalfde parten erfgenamen van Cornelia van Gouthoeven. Maria van Slingeland en kapitein Dirck van Noij, verklaren, dat de overige erfgenamen daarvoor vergenoegd en betaald te zijn.

Kinderen (volgorde willekeurig):

a. mr. Barthout Damasz. van Slingeland, geboren 1655, volgt VIIIa

b. Gijsbert van Slingeland, geboren naar schatting ca. 1656, ongehuwd, OSP, overleden op 6 mrt. 1710

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 137: op 4 okt. 1704 verkoopt Gijsbert van Slingeland, ontvanger van de verponding over de stad en het resort van Breda, voor 3000 gl. aan Barthout van Slingeland, zijn broer, oud-burgemeester van Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin, zulks dat de verkoper het aanbedeeld is uit de boedel van zijn vader, strekkende voor van de straat tot achter in de Wijngaardstraat, staande tussen het huis van Isaac Kanin en dat van [NN] Daalman.

ONA Dordrecht inv. 738, f. 27: op 10 mrt. 1710 verklaren Barthout van Slingelandt, oud-hoofdofficier en burgermeester van Dordrecht, Hugo van Dijck en zijn vrouw Elizabet van Slingelandt, Gerrard Vingerhoet en zijn vrouw Geertruijd van Slingelandt, Damas van Wesel en Margarita van Wesel, broer en zuster, zoon en dochter van Anthonia van Slingelandt, dat op 6 mrt. 1710 is overleden hun ongetrouwde broer, zwager resp. oom Ghijsbert van Slingelandt, en dat zij afstand doen van diens nalatenschap ten behoeve van degene, die daartoe gerechtigd zal zijn, maar dat zij wel genegen zijn het stoffelijk overschot van Ghijsbert op hun kosten te laten begraven.

c. Elisabeth van Slingeland, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Nieuwkerkstraat (1692) trouwde Gerecht/NG Dordrecht 4 mei 1692 (ondertrouw) Hugo van Dijck, weduwnaar van Dordrecht, wonende aan de Grote Vismarkt (1692)

ONA Dordrecht inv. 745, f. 257: op 7 april 1715 testeert Elisabeth van Slingelandt, de vrouw van Hugo van Dijck, oud president mansman van het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, wonende te Dordrecht, wat ziekelijk zijnde. Zij herroept het testament, dat zij gemaakt heeft ten overstaan van notaris J. de Jongh te Dordrecht op 18 juli 1715, maar bevestigt de huwelijks voorwaarden, die zij met haar man voor het aangaan van hun huwelijk heeft gepasseerd, tenminste voor zover die niet strijdig zijn met het hierna volgende. Zij legateert aan haar zuster Geertruijt van Slingelandt, echtgenote van Gerrardt Vingerhoet een gouden diamanten ring met één steen, die zij heeft geërfd van har moeder. Zij prelegateert aan haar nicht Margareta van Wesel, dochter van haar oudste zuster Anthonia van Slingelandt een kast of kabinet met linnen, door haar bij haar huwelijk ingebracht, op voorwaarde, dat haar man zijn leven lang die kast gebruiken mag. Zij legateert aan haar man al haar huisraad, meubels, inboedel, kleren, juwelen, goud en zilverwerk en boven de helft van de goederen, die haar man toekomt volgens de huwelijkse voorwaarden, nog het vruchtgebruik van de wederhelft van haar goederen. Als haar man komt te overlijden, gaat het vruchtgebruik van die goederen over op haar zuster Geertruijt van Slingelandt. Zij benoemt tot erfgenamen van de wederhelft van haar goederen haar nichten Margareta van Wesel, Margareta van Slingelandt, de dochter van haar oudste broer Barthout van Slingelandt, en Cornelia Vingerhoet, de dochter van haar zuster Geertruijt van Slingelandt, of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Tot executeur-testamentair en voogd van haar minderjarige erfgenamen benoemt zij haar man Hugo van Dijck, en na zijn overlijden Gerrardt Vingerhoet, haar zwager, of indien, hij komt te overlijden voor haar man, degene, die haar man als executeur en voogd zal aanwijzen.

ONA Dordrecht inv. 747, f. 603: op 11 dec. 1716 geven Barthout van Slingelant, Ludovicus de La Coste, Abel de Vries en Elisabeth van Slingelant, weduwe van Hugo van Dijck, als executeurs-testamentair van Hugo van Dijck, en Ludovicus de la Coste en Abel de Vries, als voogden over de minderjarige erfgenamen van Hugo van Dijck, opdracht aan een Dordtse notaris om zich te vervoegen bij Mondina van Dijk, weduwe van Johannnes Maas, en Arnoldus ’t Hooft, als man van Deliana van Dijck, beiden kinderen van Hugo van Dijk, om hun aan te zeggen, dat zij, insinuanten, zes weken na het overlijden van Hugo van Dijck hebben laten maken een inventaris van diens nalatenschap, die Mondina van Dijk en Arnoldus ’t Hooft hebben geweigerd te tekenen. De notaris moet aan Van Dijk en ’t Hooft verzoeken die inventaris alsnog te tekenen.

ONA Dordrecht inv. 748, f. 43: op 9 febr. 1717 verlenen Barthout van Slingelandt, oud-hoofdofficier en burgemeester van Dordrecht, Ludovicus de Lacoste. predikant, Abel de Vries, landmeter te Dordrecht, Elisabeth van Slingelandt, weduwe van Hugo van Dijck, notaris te Dordrecht, allen executeurs-testamentair van Hugo van Dijck, en Ludovicus de Lacoste en Abel de Vries nog als voogden over de minderjarige erfgenamen van Hugo van Dijck, procuratie aan Abraham Oulrie, procureur voor de Hoven van Justitie in Holland, om( (Vriendelijke mededeling van de heer J. van den Brande te Rotterdam.) waar te nemen het proces, dat zij genoodzaakt zijn aan te spannen tegen Arnoldus van Eijsden, arts te Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 748, 99: op 8 mrt. 1717 verlenen in de bovenstaande akte vermelde comparanten procuratie aan dezelfde Abraham van Oulri om voor hen waar nemen alle processen, die zij hebben uitstaan wegens de boedel van Hugo van Dijck, in het bijzonder het proces voor de Hoge Raad van Holland tegen mr. Arent van Dijck, advocaat voor de Hoge Raad, wonende in Den Haag, zoon en mede-erfgenaam van Hugo van Dijck.

d. Antonia van Slingeland, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Kerkstraat (1671), trouwde NG Dordrecht 25 okt./10 nov. 1671 Govert van Wesel, jongman van Dordrecht wonende op de Nieuwe Haven (1671), houtkoper

Kinderen:

d-1. Damus, gedoopt NG Dordrecht 18 sept. 1672

d-2. Margareta, gedoopt NG Dordrecht 29 nov. 1673

e. Geertruijt van Slingeland, trouwde Gerrard Vingerhoet

VIIb. mr. Govert Barthoutsz. van Slingeland, heer van Dubbeldam, geboren 1623, pensionaris van Rotterdam, buitengewoon ambassadeur naar Pruisen, Zweden, Polen en Denemarken, vanaf 1644 secretaris van de Raad van State, overleden 1690, trouwde 1e Christina van Beveren, 2e 4 sept. 1661 Arnoudina van Beaumont

Kinderen:

Ex 1:

a. mr. Barthout Govertsz. van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 1654, volgt VIIIb

Ex 2 (o.a.):

b. Herber, gedoopt NG Dordrecht 4 juli 1662, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 20 aug. 1674

c. Simon van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 21 jan. 1664, volgt VIIIc

d. Govert Johan van Slingeland, gedoopt Kloosterkerk Den Haag 20 maart 1665, begraven Den Haag 2  oktober 1703, trouwde ‘s-Gravenhage 26 jan. 1700 Maria van der Meer

ONA Amsterdam inv. 9885, akte 44292: op 22 mrt. 1737 transporteert Ratio Mushard, koopman te Amsterdam, aan Dir k Boon, burgemeester van Monnikendam, een olbigatie van 2000 gl. ten laste van de gemene middelen van Holland, staande op naam van Herbert van Beaumont, gedateerd 6 juli 1647, welke obligatie op 18 mrt. 1737 ten overstaan van J. Beudt, notaris te Dordrecht, aan de comparant is overgedragen door Adriaan Papegaeij bij procuratie op 11 febr. 1737 ten overstaan van notaris J. Kruijder te Utrecht verleden, en speciaal gemachtigd door Anna Margaretha van Muijden, weduwe van mr. Govert van Slingeland en moeder en voogdes over haar drie kinderen en ten dien einde gekwalificeerd bij decreet van het Hoge Brabantse Gerecht van de stad Maastricht op 17 dec. 1736, zijnde Govert van Slingeland tot die obligatie gerechtigd geworden als mede-erfgenaam van zijn vader Govert Johan van Slingeland bij onderhandse scheiding op 24 en 25 april 1726 opgericht in presentie van notaris A. Timmer te Gouda, welke Govert Johan van Slingeland is geweest een zoon van Govert van Slingeland en Arnoudina van Beaumond, welke laatstgenoemde een dochter van de belegger, Herbert van Beaumont.

Kind:

d-1. mr. Govert van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 14 mrt. 1701, overleden Maastricht 14 aug. 1734, trouwde Utrecht 18 juni 1724 Anna Margaretha van Muijden

e. Geertruyd Herbertina van Slingeland, gedoopt Kloosterkerk Den Haag 23 maart 1670, begraven Kloosterkerk Den Haag 11 april 1689:

f. Elisabeth van Slingeland, gedoopt Kloosterkerk Den Haag 21 juni 1671, begraven Den Haag 7 februari  1695

VIIIa. mr. Barthout Damasz. van Slingeland, geboren 1655, brouwer, lid van het Grootkoopmansgilde, hoofdofficier en burgemeester van Dordrecht, overleden 1727, trouwde NG Dordrecht 27 mei 1685 Emerentia Repelaer Hugensdr.

ORA Dordrecht inv. 795 (oud), f. 78: op 11 febr. 1688 verkoopt Baarthout van Slingelant Damasz., rentmeester van de geestelijke goederen over het Kwartier van Oosterwijk in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch, als man van Emmerentia Repelaer Huijgensdr., voor 2100 gl. aan Pieter van Vianen, mr. grutter en burger van Dordrecht, een huis in de Grotekerksbuurt, genaamd “de Vlassack”, staande tegenover de Pelserbrug tussen het huis van de weduwe van Rochus Rees en dat van Johannes van Wesel. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 1900 gl.

ONA Dordrecht inv. 129, f. 42: op 18, 19 en 20 juli 1690 comp. voor een Dordtse notaris Anthonis Repelaer, burgemeester van Dordrecht, Hugo Repelaer, Barthout van Slingelandt, als man van Emmerentia Repelaer, en Margarita Repelaer, de vrouw van Gerard Pijpper, kolonel van een regiment cavalerie in Nederlandse dienst, tegenwoordig verblijvende in Ierland, voor zichzelf en tevens procuratie hebbende van Gerard Pijpper, samen erfgenamen van Margaretha Cools, weduwe van Hugo Repelaer. De comparanten verlenen procuratie aan Pauwels van Hoven, ordinaris marktschipper van Dordrecht op Rotterdam, om te compareren voor de bewindhebbers van de VOC, kamer Rotterdam, en daar over te dragen aan de erfgenamen van Emmerentia van Driel, weduwe van Anthonis Repelaer Huijgensz., een actie van 3000 g. ten laste van de VOC.

ONA Dordrecht inv. 129, f. 51: op 31 juli 1690 comp. ten overstaan van een Dordtse notaris Pauls Eelbo, als man van Margareta Repelaer, Helena en Emmerentia Repelaer, beiden meerderjarig en ongehuwd, Johan Cletcher, als man van Emmerentia Repelaer Johansdr., voor zichzelf en Barthout van Slingelandt, als man van Emmerentia Hugensdr., alsmede Anthonia Cools, weduwe van Cornelis de Beveren, mede als voogdes van haar kinderen, door Cornelis van Beveren bij haar verwekt, en Diderick Bressij, als weduwnaar van Walteria Cools en als voogd van zijn kinderen, die hij bij haar heeft verwekt, zijnde Anthonia en Walteria Cools dochters van Waltherus Cools, door hem verwekt bij Lucia Repelaer, die een dochter was van Emmerentia van Driel en Anthonis Repelaer, allen erfgenamen van Emmerentia van Driel en Anthonis Repelaer, wonende te Dordrecht. Zij verlenen procuratie aan Henrijck van den Sandheuvel, de man van Johanna Repelaer, om te compareren voor de bewindhebbers van de VOC (kamer Rotterdam) en daar te aanvaarden de overdracht van een actie van 3000 gl., die Pauwels van Hoven zal doen t.b.v. de comparanten.

ORA Dordrecht inv. 798 (oud), f. 88 e.v.: op 18 mrt. 1694 verkoopt mr. Huijbrecht van der Hoop, advocaat te Dordrecht, voor 16.000 gl. contant aan Hugo Repelaer, oudraad te Dordrecht, en Baerthout van Slingeland, rentmeester van de geestelijke goederen over het Kwartier van Oosterwijk in de Meierij van Den Bosch, wonende te Dordrecht, de helft van brouwerij “de Sleutel”, staande op de Vogelmarkt omtrent de Visbrug, met het woonhuis, de mouterij, het pakhuis, huis erf, staande en gelegen naast die brouwerij, met de kelder, die onlangs is aangekocht, en de erven en verdere “timmeragie”, doorgaande tot achter op de Varkenmarkt, alsmede de helft van alle toebehoren, inclusief de gereeedschappen van de brouwerij, zes paarden, en de behangsels van goudleren strepen in het woonhuis, alles volgens de koopceel, welke is gepasseerd voor notaris A. van Nievelt te Dordrecht op 6 okt. 1693. De losse goederen zijn door schepenen van Dordrecht getaxeerd op een bedrag van 6959 gl. 5 st.

ORA Dordrecht inv. 798 (oud), f. 90 e.v.: op 18 mrt. 1694 verkoopt Anthonij Repelaer, oud-burgemeester van Dordrecht, voor 5333 gl. 6 st. 10 p. aan Hugo Repelaer en Baerthout van Slingeland, 1/3 part in de helft van brouwerij “de Sleutel” op de Vogelmarkt omtrent de Visbrug, en 1/3 part in de helft van de in de voorgaande akte genoemde losse goederen, volgens de koopceel gepasseerd voor notaris J. van Bijwaert te Dordrecht op 19 dec. 1693. De losse goederen zijn door schepenen van Dordrecht getaxeerd op 2319 gl. 15 st. 

ORA Dordrecht inv. 815, f. 59v e.v.: op 16 sept. 1727 verkopen Ocker Repelaer, mansman van het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, als procuratie hebbende van Hester Cooijmans, weduwe van Antonij Repelaer, oud-burgemeester van Dordrecht, Marija Gevaerts, weduwe van Hugo Repelaer, oud-burgemeester van Dordrecht, en mr. Damas van Slingeland, oudraad van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende mr. Johan van Hogeveen, als man van Margarita van Slingeland, beiden kinderen en erfgenamen van Barthout van Slingeland, burgemeester van Dordrecht, voor 11.500 gl. aan Philippus van Haarlem, koopman te Dordrecht, een brouwerij genaamd “de Sleutel” met bijbehorende bierkelders, koren- en moutzolders, eenrosmolen met twee paar stenen en verdere gereedschappen, voorts een pakhuis achter en naast de brouwerij staande, met diverse zolders, een koetshuis en een stal voor zeven paarden, alsmede een woonhuis, dat bij de brouwerij hoort en nog een huis staande naast de brouwerij, dat wordt bewoond door Johan Hebert, staande in de Wijnstraat [Groenmarkt] omtrent de Visbrug tussen het huis van Mattheus Codeus en het pakhuis van Hendrik de Saive.

Kinderen:

a. Margareta van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 24 april 1686, trouwde Johan van Hogeveen

ORA Dordrecht inv. 818, f. 25 e.v.: op 3 mei 1735 verkopen Jan de Bruijn, achtraad, Philips van Haarlem, veertigraad, en Mattheus Rees, oudraad van Dordrecht, als executeurs-testamentair en voogden over de minderjarige erfgenamen van wijlen Gerard Vingerhoed, veertigraad en koopman te Dordrecht, voor 10.150 gl. aan Willem Bijen, kapitein ter zee in Nederlandse dienst, een huis met een huisje of aparte woning daarnaast, staande in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, van achteren uitkomende op de Kleine Vismarkt, aan de ene zijde belend door het huis van Hermanus Pippinghuisenen aan de andere zijde door het pakhuis, dat eveneens is nagelaten door Gerard Vingerhoed. Dezelfde comparanten in hun genoemde hoedanigheid verkopen voor 515 gl. aan Margarita van Slingeland, weduwe van burgemeester Johan van Hoogeveen, de helft van een huis in de Voorstraat bij de Nieuwkerkstraat, staande tussen het huis van de erfgenamen van burgemeester Barthout van Slingeland en dat van mr. Caspar Balthazar Dol van Ourijck.

b. Damas van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 21 juni 1688, volgt IXa

VIIIb. mr. Barthout Govertsz. van Slingeland, vrijheer van Slingeland, geboren 1654, rentmeester-generaal van de Republiek, extraordinaris gezant bij de keurvorst van de Palts en de koning van Pruisen, burgemeester van Dordrecht, overleden 1711, trouwde NG Pijnacker 19 dec. 1683/4 jan. 1684 Elisabeth van Bleijswijk Hendricxdr., geboren Delft 9 okt. 1663, overleden Dordrecht 27 aug. 1728, dochter van Hendrik van Bleijswijk en Philippina van der Goes

ORA Dordrecht inv. 1627, f. 12v e.v.: op 27 sept. 1679 verkopen mr. Johan Bladegom van Woensel, advocaat en mansman van het Hof en de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, als procuratie hebbende van Cornelis de Bevere, heer van IJsselmonde, de Lindt, etc., lid van de Oudraad en generaal van de Munt der Verenigde Nederlanden, etc., volgens procuratie gepasseerd voor notaris J.M. van Osch te Gorinchem op 22 febr. 1679, Geerardt de Bevere, heer van Strevelshoek, lid van de Oudraad, zoon en mede-erfgenaam van Willem de Bevere, heer van Strevelshoek, lid van de Oudraad, voor zichzelf en tevens vervangende zijn twee zusters, Cornelis Pompe van Meerdervoort, heer van Hendrik-Ido-Ambacht, schout van Dordrecht, raad en rentmeester-generaal van Zuid-Holland, zoon en enige erfgenaam van Adriana de Bevere, vrouwe van Meerdervoort, Hendrik-Ido-Ambacht, etc., voor zichzelf en tevens vervangende de weduwe, kinderen en erfgenamen van Johan de Bevere, kolonel in Nederlandse dienst en gouverneur van de stad en onderhavige forten van Geertruidenberg, mr. Pieter Beelaert, lid van de Oudraad, als man van Cristina Elisabeth Pompe, en mr. Michiel Pompe van Slingelant, lid van de Oudraad, genoemde heren Beelaert en Pompe voor zichzelf, Mattheeus van Nispen, als procuratie hebbende van mr. Matthijs Pompe, raadsheer in de Raad van Vlaanderen, residerende te Middelburg, de heer Michiel Pompe tevens vervangende zijn broer Cornelis Pompe, heer van Dortsmonde, met hun vieren kinderen en erfgenamen van Mondina van Bevere, en voornoemde Cornelis Pompe van Meerdervoort, de heer van Strevelshoek, Michiel Pompe van Slingelant en Pieter Belaerts tevens vervangende mr. Baerthout van Slingelant Govertsz., zoon van wijlen Cristina de Bevere, samen kinderen, kleinkinderen en erfgenamen van Cornelis de Beveren de oude, heer van Strevelshoek, IJsselmonde, De Lindt, etc., burgemeester van Dordrecht, voor 12.000 gl. aan Anthonia Cools een woonhuis, pakhuis, kelder, koetshuis, stal en tuin, staande en gelegen bij de Beurs, tussen het huis van Cornelis de Vries Dinghmansz. en dat van Arent van Hagen lakenkoper, van achteren uitkomende op de Varkenmarkt.

ONA Dordrecht inv. 280, f. 110: op 26 juli 1684 testeren mr. Barthout van Slingeland en diens vrouw Elisabeth van Bleijswijk, hij gezond, zij ziek. Zij legateren aan de langstlevende van hen beiden al hun huisraad, meubelen, inboedel, contant geld, pondpenningen, ongemunt goud en zilverwerk, alsmede alle winsten, staande het huwelijk gevallen, en koetsen, speelwagens, paarden, al hun kleren, wapens, juwelen, kleinodiën, parels, diamanten, goud en zilverwerk [sic] en het vruchgebruik van al hun overige na te laten goederen. Tot erfgenamen van die goederen benoemen zij hun kinderen. Indien de langstlevende zonder kinderen na te laten komt te overlijden, benoemt de testateur tot erfgenamen zijn vader of bij vooroverlijden zijn erfgenamen ab intestato, verkiezende daarbij voor alle anderen zijn halfboers en -zusters of bij vooroverlijden hun nakomelingen. Tot voogden benoemen de testateuren de langstlevende van hen beiden en de vader van de eerststervende.

ORA Dordrecht inv. 1639, f. 114v e.v.: op 13 april 1702 verkoopt Johan Troije, raadsheer in de Soevereine Raad van Brabant, als man van Jacoba Catharina van der Staeij a Colibrant, voor 17.750 gl. aan Barthout van Slingeland Govertsz., oud-burgemeester van Dordrecht, gecommiteerde in de Staten Generaal, etc., een huis op de Drappierskade, dat van achteren uitkomt op de rivier de Maas, met twee zeer fraaie, grote wijnkelders,staande tussen het huis van mr. Mattheus van den Brouck, lid van de Oudraad van Dordrecht, en dat van Dirck Aeldertsz. de Veer, alsmede voor 560 gl. een stal en koetshuis, eveneens op de Drappierskade, staande tussen het huis van de heer Van Santen en de teerstoof van Hoogstraten.

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 128v: op 6 sept. 1704 verkoopt notaris Bartholomeus van Gelsdorp, als gemachtigde door het Gerecht van Dordrecht, voor 3360 gl. aan Barthout van Slingeland, burgemeester van Dordrecht, raad en rentmeester-generaal van Zuid-Holland en generaal van de Munten van de Verenigde Nederlanden, een huis, bestaande uit twee woningen, staande in de Voorstraat omtrent de Nieuwpoort tussen het huis van Pieter van Wingerden en dat van kapitein Staas van Hoogstraten. Het huis is laatst eigendom geweest van Job Lacroij.

ORA Dordrecht inv. 1641, f. 33: op 7 mei 1705 verkopen Jordaen Damasz. Verstappen en Jacob Weller, burgers van Dordrecht, als executeurs-testamentair van Pieter van Beaumont mr. smid en diens vrouw Geertruijt van Leen, voor 1240 gl. aan Barthout van Slingelandt Govertsz., oud-burgemeester van Dordrecht, raad en rentmeester-generaal van de grafelijkheidsdomeinen van Zuid-Holland en generaal van de Munt van de Verenigde Nederlanden, een huis op de Hoge Nieuwstraat, met het huis erachter, en zulks vierkant uitkomende voor uit de Hoge Nieuwstraat tot achter op de stadsvest, belend ten zuiden en ten westen door het huis van mevrouw Van der Meer, ten noorden door het huis van Matthijs Menting en ten oosten door het huis van Johannes Gront.

ORA Dordrecht inv. 1644A, f. 10v: op 1 mrt. 1712 verkoopt Elisabeth van Blijswijck, weduwe van Barthout van Slingelandt, vrijheer van Slingeland, oud-burgemeester van Dordrecht, voor 100 gl. aan Arnoldus, Jan en Dingena Lacrooij, inwoner van Dordrecht, een huis, genaamd “den Hoorn”, staande tegenover het Melkpoortje tussen het huis van Pieter van Wingerden en dat van kapitein Staas van Hoogstraten.

Kinderen:

a. Christina Elisabeth van Slingelandt, gedoopt NG Dordrecht 13 mrt. 1686, geboortig van Dordrecht en wonende aldaar (1705), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 4/20 okt. 1705 (de bruidegom geassisteerd met zijn moeder Louise van Common, weduwe van Ernst Pieter van Wevort van Ossenbergh, raad ordinaris in de Raad en het Leenhof van Brabant, en met mr. Willem Buijs, raadpensionaris van Amsterdam, beiden zijn testamentaire voogden, de bruid geassisteerd met haar ouders Barthout van Slingelandt, heer van Slingeland en burgemeester van Dordrecht, raad en rentmeester-generaal van Zuid-Holland, en Elisabeth van Blijswijck Hendricxdr.) Johan Marin van Wevort van Ossenbergh, heer van Hoedekenskerke, jongman geboortig van Den Haag (1705)

ORA Dordrecht inv. 1754, f. 160v: op 6 sept. 1735 verkoopt “Mr: Johan van den Broucke, Schepen in Wette en inden Oudraad deser Stadt, soo voor sig selve en als Last en procuratie hebbende van den Wel Ed: heer Mr:’Johan vander Burch Heere van Niemantsvriendt, Thezaurier en in den Achten deser Stadt, den Wel Ed: heer Theodorus Bernhardus van der Stegen genaamt Brucking, in Huwelijk hebbende vrouwe Margarita van der Burch, Ende Jonkvrouw Adriana van den Broucke te samen beneffens den heer Comparant Erffgenamen Extestamento vande Wel Ed: jonkvrouw Geertruijd van der Burch, volgens de voorn:e procuratie daar van sijnde gepasseert voor den Notaris Pieter de Ruijter, en seeckerer getuijgen binnen dese Stadt residerende” voor 246 gl. aan Christina Elisabeth van Slingeland, weduwe van mr. Johan Marin van Wevort van Ossenbergh” een tuin met tuinhuis, gelegen en staande op stadsgrond even buiten de Kleine Sluispoort tussen de tuin van Huijbert van de Griendt en het huisje van Pleuntje Weimans, de vrouw van Arij Gijse Barendregt.

ORA Dordrecht inv. 1754, f. 164: op 1 dec. 1735 verkoopt Govert van Slingelandt, vrijheer van Slingeland, oud-burgemeester van Dordrecht, raad en generaal-meester van de Munt der Verenigde Nederlanden, als testamentaire voogd over de drie minderjarige kinderen en enige erfgenamen van Christina Elisabeth van Slingelandt, weduwe van Johan Marin van Wevort van Ossenbergh, en tevens als procuratie hebbende van Francois Louis van Wevort van Ossenbergh, wegens de stad Goes gecommitteerd ter Grafelijkheids Rekenkamer van Zeeland, medevoogd over genoemde kinderen, voor 217 gl. aan Clement Kever, burger van Dordrecht, een tuin met het daarin staande tuinhuis, staande en gelegen even buit de Kleine Sluispoort tussen de tuin van Huijbert van de Grient en het huis van Arij Gijse Barendregt.

ONA Dordrecht inv. 769, f. 317: op 7 juli 1736 verhuurt mr. Govert van Slingelandt, vrijheer van Slingeland, burgemeester van Dordrecht, voor zichzelf en tevens vervangende mr. Francois Louis van Wevort van Ossenbergh, raad en rekenmeester van de Rekenkamer van Zeeland, residerende te Middelburg, beiden als voogden over de minderjarige kinderen van wijlen mr. Johan Marin van Wevort van Ossenbergh, schepen van Dordrecht en van diens vrouw Christina Elisabeth van Slingelandt, voor 725 gl. per jaar aan Govert Braets, heer van Geervliet etc., schepen van Dordrecht, een “nieuw getimmert” huis met tuin, stal en koetshuis

b. Philippina Margareta, gedoopt NG Dordrecht 15 aug. 1688

c. Hendrik, gedoopt NG Dordrecht 27 dec. 1689

d. Arnoudina, gedoopt NG Dordrecht 28 febr. 1691

e. Govert van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 22 sept. 1692, volgt IXb

f. Barthout van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 10 jan. 1694, overleden Delft 8 febr. 1752m trouwde Anna Maria van Overschie, geboren Delft 27 jan. 1711, overleden ald. 12 febr. 1756, dochter van Francois Jacob van Overschie en Johanna Magdalena Ingilbij

g. Hendrik van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 20 sept. 1702, H.R. Rijksbaron van Slingeland, burgemeester van Den Haag (vanaf 1705), overleden ald. 7 okt. 1759, trouwde Dordrecht 25 juli 1730 Maria Catharina van der Burch, geboren Gouda 18 okt. 1707, overleden Den Haag 20 april 1761, dochter van Arend van der Burch en Maria van Bleijswijk

Hendrik van Slingeland

Kinderen:

g-1. Barthout van Slingeland, heer van Godschalksoordgeboren Den Haag 1 juni 1731, overleden huize “Zijdwind” in ‘s-Gravezande juni 1798, trouwde 1e Dordrecht 25 juli 1758 Margaretha Berck, 2e Den Haag 29 april 1787 Magdalena Anna Elisabeth van Boetzelaar

ORA Dordrecht inv. 1666, f. 252v: op 4 juli 1771 verkoopt mr. Barthout van Slingeland, heer van Godschalksoord, als man van Margrita Berck, voor 17.000 gl. aan mr. Arnoldus Adrianus van Tets, pensionaris honorair van Goes, een huis met een woonhuis ernaast, alsmede een koetshuis en stal erachter, staande in de Doelstraat, welke huizen, staande in de Voorstraat bij de Munt van voren belend zijn door het huis van de weduwe van Samuel Onderwater en dat van Hendrik Kever.

g-2. Agatha van Slingeland, geboren Den Haag 2 juli 1732, overleden Den Haag 11 febr. 1775, trouwde Den Haag 4 juli 1762 Willem Bentinck

VIIIc. Simon van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 21 jan. 1664

Geboren te Dordrecht op 14 januari 1664, gedoopt op 21 januari in de Grote Kerk te Dordrecht, overleden te Den Haag op 1 december 1736,  begraven in het familiegraf in de Kloosterkerk aldaar. Simon was de tweede van zeven kinderen geboren uit het op 4 september 1661 te Dordrecht gesloten huwelijk van Govert Barthoutsz van Slingelandt (Dordrecht 12 januari 1623-Den Haag 3 juli 1690) en van Arnoudina van Beaumont (Dordrecht 16 april 1635-Den Haag 13 november 1701). Zij stamde uit een vooraanstaande Dordtse familie. Vader Govert Barthoutsz volgde in 1653 Johan de Witt (1625-1672) op als pensionaris van Dordrecht. Hij was heer van Dubbeldam, curator van de Dordtse Latijnse school, ambassadeur en secretaris van de Raad van State.

Simon van Slingelandt

Uit een eerder huwelijk van zijn vader met de Dordtse Christina van Beveren (1632-1656) had Simon een halfbroer: Barthout (Den Haag 18 december 1654-Den Haag 5 januari 1711). Hij was onder meer burgemeester van Dordrecht en raad en generaal-rentmeester der Verenigde Nederlanden.

Simon trouwde op 31 juli 1690 met Susanna De Wildt (Amsterdam 2 juli 1666-Den Haag 28 februari 1722). Kerkelijke huwelijksintekening te Amsterdam op 15 juli, idem te Den Haag 16 juli 1690. Susanna was een dochter van de zeer welgestelde Hiob (Job) de Wildt (1637-1704), eerste secretaris van de Amsterdamse admiraliteit en vertrouweling in marinezaken van stadhouder-koning Willem III (1650-1702) en van Barbara de Neufville (Amsterdam 30 januari 1643-Amsterdam 11 november 1669). Uit het huwelijk van Simon en Susanna zes nakomelingen:


a. Govert (Den Haag circa 1691-zeer jong overleden)


b. Govert van Slingeland, gedoopt NG Den Haag (Kloosterkerk) 28 juni 1694, ontvanger-generaal van Holland, overleden Aken 2 november 1767, trouwde 1e Ernestine Geertruida van Beveren, overleden Breda 10 sept. 1722 (Kerkvoogdij NG gemeente Breda: op 19 sept. naar Dordrecht vervoerd, begraafkosten 116 gl.), 2e Amsterdam/Sloterdijk 20 jan. 1724 (ondertrouw, 9 febr. 1724: akte verleend om te Sloterdijk te trouwen, register van de buitentrouwen Amsterdam 11 febr. 1724: Govert van Slingeland en Agatha Huijdekoper, met een koets, te Sloterdijk, boete: 100gl.) Agatha Huijdecoper, geboren Amsterdam 25 mei 1695, gedoopt NG ald. 27 mei 1695, overleden Amsterdam 16 okt. 1780, dochter van Jan Elias Huijdekoper en Agatha Hasselaar, trouwde 1e Amsterdam 21 mei 1717 (ondertrouw) Gillis Sautijn

ONA Dordrecht inv. 756, f. 159: op 14 juli 1722 verleent mr. Govert van Slingelandt, heer van de Lindt en drost van de stad en de baronie Breda, procuratie aan E; J. van Wensenburg, procureur voor de Raad en het Leenhof van Brabant, wonende in Den Haag, om voor hem waar te nemen zodanig proces als hij zich genoodzaakt ziet te vervolgen tegen Cornelis Korenkoper, schout van de vrijheid Etten.

ONA Dordrecht inv. 756, f. 413: op 10 nov. 1722 benoemt mr. Govert van Slingeland, drossaart en schout van de stad en de baronie van Breda, bij zijn overlijden tot voogden over zijn minderjarige dochter mr. Matthijs Belaerts, mr. Govert van Slingeland, vrijheer van Slingeland en schepen te Dordrecht, en Mighiel de Bevere, wonende op ‘s-Gravendeel.

ONA Dordrecht inv. 756, f. 497: voorwaarden dd 23 mrt. 1723, waarop mr. Govert van Slingeland, heer van West-IJsselmonde en de Kleine Lindt, drossaart en schout van de stad en baronie van Breda, als vader en voogd van zijn minderjarige dochter, door hem verwekt bij Ernestina Geertruit de Bevere, wil verkopen “een seer vermakelijck groot en wel doortimmert huijs”, met vier grote behangen kamers, waaronder één met tapijten, en met van achteren een aangenaam uitzicht op de rivier, staande omtrent de Katarijnepoort op het Maartensgat, laatst bewoond door mr. Ernest de Bevere, oud-burgemeester van Dordrecht. Bij de publieke verkoping opgehouden op 6000 gl.

ONA Dordrecht inv. 757, f. 5: op 10 jan. 1724 verklaart mr. Govert van Slingeland, heer van de Lindt en drossaart van de stad en de baronie van Breda, dat hij in het testament, dat hij en zijn vrouw wijlen Ernestina Geertruijda de Bevere, gepasseerd voor notaris A. Cant op 12 dec. 1721, is benoemd tot voogd over hun enige dochter en dat hij nu tot mede-voogd benoemt Barthout van Slingeland, oud-hoofdofficier en burgemeester van Dordrecht.

ONA Dordrecht inv. 762, f. 280: op 7 juli 1729 verkoopt mr. Govert van Slingeland, heer van de Lindt en ontvanger-generaal van Holland, als voogd van zijn minderjarige dochter, door hem verwekt bij Ernestina Geertruijda de Bevere, voor 1600 gl. aan Dirck van Andel, impostmeester te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat aan de havenzijde omtrent de Wijnbrug, staande tussen het huis van de commies Hubinck en dat van de erfgenamen van Dirck Goris.

ONA Dordrecht inv. 762, f. 488: op 25 okt. 1729 verleent mr. Govert van Slingelandt, ontvanger-generaal van de drie Landen van Overmaze, wonende te Maastricht, procuratie aan Ludovicus de la Coste, predikant te Dordrecht, om voor hem te verkopen zeven obligaties.

ORA Dordrecht inv. 1655, f. 116: op 12 mei 1739 verkoopt mr. Govert van Slingeland, heer van de Lindt, ontvanger-generaal van de provincie Holland, wonende in ‘s-Gravenhage, voor 21.500 gl. aan mr. Joan Gevaerts een huis op de Wolwevershaven, staande tussen het huis van Arnoldus Kloens en dat van Jan de Veer.

Kinderen:

Ex 1:

b-1. Susanna van Slingeland, geboren Amsterdam 3 jan. 1722, overleden 8 sept. 1752, trouwde Johan Adolf van Hardenbroek, heer van Lokhorst

ORA Dordrecht inv. 1656, f. 28: op 2 mei 1741 verkoopt mr. Govert van Slingeland, als vader en voogd van zijn minderjarige dochter Susanna van Slingeland, door hem verwekt bij Geertruijd van Beveren, enige dochter van mr. Ernest van Beveren, heer van West-IJsselmonde, burgemeester van Dordrecht, voor 3000 gl. aan Govert van Boven, koopman te Dordrecht, een huis op het Maartensgat of Nieuwe Vergrooting, staande tussen het pakhuis van mr. Johan van Neurenbergh en het huis van Ida Berrnardina van der Pijpen.

Ex 2:

b-2. Susanna Arnoldina van Slingeland, geboren Dordrecht 5 april 1729, overleden Voorburg 27 juni 1769, trouwde Philip Jacob van der Goes

b-3. Constantia van Slingeland, geboren Amsterdam 7 aug. 1731, overleden Amsterdam dec. 1772, trouwde Carl Johan Creutz jr.

c. Hiob of Job (doop Den Haag Kloosterkerk 20 december 1697-begraven aldaar 26 juni  1717)

d. Arnoudina Maria (doop Kloosterkerk Den Haag 30 januari 1699-begraven aldaar 4 mei 1699)

e. Susanna (doop Grote of Sint Jacobskerk Den Haag 10 november 1700-Den  Haag 29 april 1737)

f. Arnoudina (doop Kloosterkerk 31 maart 1702- begraven aldaar 30 april  1705)

Tweede, wegens het grote standsverschil veel besproken huwelijk met zijn huishoudster Johanna Margaretha van Coesveldt (1683-1768) in de Grote- of Sint Jacobskerk te Den Haag op 29 september 1726. Zij was een dochter van Derck van Coesveldt (1656-1696), herbergier van herberg In den Engel te Goor in Overijssel en van Elsken Jalinck (1656-?). Johanna was sedert 1706 in dienst van de familie Van Slingelandt. Uit dit tweede huwelijk geen nakomelingen. Simon van Slingelandt was een achterneef van de gebroeders De Witt (1625-1672).

Simon van Slingelandt, heer van Patijnenburg bij Naaldwijk, stamde uit een oud en invloedrijk Dordts regentengeslacht. Hij was achtereenvolgens secretaris van de Raad van State , thesaurier-generaal van de Unie en raadpensionaris van Holland en West-Friesland. De Van Slingelandts waren vanouds staatsgezind. De betekenis van Simon ligt vooral in zijn staatkundige inzichten gebaseerd op een analyse van de staatsinstellingen van de Republiek en van de tekortkomingen daarvan. Hij spande zich in voor de vrede in Europa. Van Slingelandt was een godsdienstig maar tolerant man. Hij werd voorts omschreven als bekwaam, geestig, ijverig, wilskrachtig, uitgesproken en soms van ongemakkelijk humeur. De discussie rond het herstel van het stadhouderschap in alle gewesten tijdens het tweede stadhouderloze tijdperk (1702-1747) speelde een rol gedurende een groot deel van zijn ambtelijke bestaan. Dat gold eveneens voor de strijd om de erfenis van Willem III die pas dertig jaar na diens dood geregeld werd.

Zijn geboortehuis genaamd De Groote Zwaan stond op de Voorstraat in Dordrecht, thans nummer 54. Volgens meerdere auteurs bezocht Simon de Latijnse school aan de Nieuwstraat in Dordrecht onder de rectores Surendonck (1674-1680) en Neuspitzer (1681-1689). Onder Neuspitzer kan hij echter niet hebben gestudeerd, want die trad pas eind 1681 aan als rector. Simon studeerde toen al in Leiden. Omdat de familie zich niet lang na de geboorte van Simon in Den Haag vestigde, is ook studie aan de Latijnse school aldaar mogelijk. Voor geen van beide mogelijkheden is sluitend bewijs gevonden.

Hij schreef zich op 21 september 1681 in als student filosofie aan de Leidse universiteit. Een jaar later, op 19 september 1682 schreef hij zich met zijn broer Govert Johan opnieuw in, nu als student rechten. Tijdens de gebruikelijke grand tour promoveerden Simon en zijn broer op 28 september 1684 in de rechten aan de universiteit van Orléans. Op 23 juli 1685 werd hij geadmitteerd als advocaat bij het Hof van Holland. Op 4 augustus 1690 volgde hij zijn vader op als secretaris van de Raad van State, hoewel die een medestander was geweest van Johan de Witt. Deze benoeming door Willem III geschiedde op verzoek van Simons vader en op voorspraak van Hans Willem Bentinck (1649-1709), de eerste graaf van Portland en een favoriet van Willem III. Simon vervulde dit ambt tot 1725. Hij was de naaste medewerker van raadpensionaris Anthonie Heinsius (1641-1720) die de buitenlandse politiek van Willem III na diens overlijden voortzette. Daarna verklaarde Heinsius in de Staten-Generaal dat Holland geen stadhouder meer zou aanstellen. Van Slingelandt was al snel na Heinsius de belangrijkste figuur in de Republiek.

In 1700 betrok Van Slingelandt een kapitale stadswoning aan het Korte Voorhout in Den Haag, genaamd Huis aan den Boschkant. Van Slingelandt huurde het van zijn schoonvader en woonde er tot zijn overlijden. Dit door architect Pieter Post (1608-1669) ontworpen gebouw stond op de plek van het huidige Ministerie van Financiën. Bij het geallieerde bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945 werd het volledig verwoest. Zoals veel regenten kocht hij ook een buiten, namelijk hofstede Patijnenburg gelegen onder Naaldwijk (1708).

Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) tussen Frankrijk en de geallieerden, waaronder de Republiek, trachtte Van Slingelandt de Europese ambities en de expansiezucht van de Franse koning Lodewijk XIV (1638-1715) te temperen. In Engeland had hij goede contacten met onder anderen John Churchill, opperbevelhebber van de geallieerden en eerste hertog van Marlborough (1650-1722) en met politicus Sir Robert Walpole (1676-1745). Van Slingelandt zette zich tijdens deze oorlogen in voor de verbetering van de krijgsmacht van de Republiek. De Negenjarige Oorlog werd op 20 september 1697 beëindigd met de Vrede van Rijswijk en op 11 april 1713 werd de Vrede van Utrecht gesloten tussen Frankrijk en de Republiek. De schuldenlast van Holland was vooral door veertig jaar oorlog enorm opgelopen, maar het directe gevaar van de financiële crises van 1715 en 1720 wist Van Slingelandt te bezweren, onder meer door te bezuinigen op leger en vloot, echter zodanig dat Europa nog rekening hield met de Republiek.

In 1707 overwoog een aantal vooraanstaande bestuurders onder wie raadpensionaris Heinsius, griffier der Staten-Generaal François Fagel (1659-1748), thesaurier-generaal Jacob Hop (1654-1725) en Van Slingelandt om prins Johan Willem Friso (1687-1711), erfgenaam van Willem III en stadhouder van Groningen en Friesland, te benoemen tot stadhouder in alle gewesten, omdat men meende een arbiter nodig te hebben in de vele geschillen. In datzelfde jaar was Johan Willem Friso door de Staten-Generaal al benoemd tot generaal van de infanterie. Echter, na diens onfortuinlijke verdrinkingsdood bij Moerdijk op 14 juli 1711 was deze vraag voorlopig niet meer aan de orde.

Van 28 november 1716 tot 14 september 1717 werd op initiatief van Adolf Hendrik, graaf van Rechteren (1656-1731) uit Overijssel in de Trèveszaal aan het Binnenhof in Den Haag een reeks vergaderingen belegd die de Tweede Grote Vergadering werd genoemd. (De Eerste Grote Vergadering vond plaats in 1651). Het was de bedoeling te komen tot bestuurlijke hervorming. Enkele belangrijke bestuurlijk-politieke problemen waren volgens Van Slingelandt dat de Unie van Utrecht uit 1579 niet had voorzien in een college dat toezag op de uitvoering van genomen besluiten. Voorts dat het gezag van de Raad van State ten opzichte van de Staten-Generaal steeds verder was afgenomen. Verder dat de Staten-Generaal feitelijk bestond uit afgevaardigden die zonder eed of instructie moesten werken en die voor elk besluit ruggespraak met hun provincie dienden te houden. Die gewestelijke en stedelijke autonomie dienden naar Van Slingelandts idee te worden ingeperkt.

Tenslotte nam hij de aanwezigheid en de bevoegdheden van de stadhouder onder de loep. Vooral de combinatie van diens militaire en politiek-bestuurlijke functies achtte hij problematisch. Van Slingelandt formuleerde een aantal voorstellen ter verbetering. Zijn ideeën vonden echter weinig gehoor en het bleek ook moeilijk voldoende afgevaardigden met voldoende mandaat naar Den Haag te krijgen. De steden en gewesten hielden vast aan hun soevereine positie en het beginsel van de ruggespraak bleef gehandhaafd. Hierna gaf Van Slingelandt te kennen dat het stadhouderschap inherent was aan de regeringsvorm van de Republiek. Niet vanuit een sterke Oranjegezindheid maar vanuit de gedachte dat een stadhouder die boven de belangen van de gewesten en steden stond, dienstig was om de eendracht te bewaren. De postume uitgave van Slingelandts Staatkundige geschriften in 1784-1785 had invloed op de ideeën van de patriotten. Ook Thorbecke (1798-1872) waardeerde Van Slingelandt zeer vanwege zijn hervormingsgezindheid.

Op 3 augustus 1720 overleed raadpensionaris Heinsius. Zijn gedoodverfde opvolger Van Slingelandt werd echter vanwege zijn hervormingsgezindheid gepasseerd voor dit ambt. Heinsius werd opgevolgd door de kleurloze Isaac van Hoornbeeck (1655-1727). Prins Willem Karel Hendrik Friso (1711-1751), de latere  stadhouder prins Willem IV, zoon van Johan Willem Friso en stadhouder van Friesland en Groningen werd in 1722 ook stadhouder van Drenthe en Gelderland. Zijn moeder Maria van Hessen-Kassel (1688-1765), bijgenaamd Marijke Meu, trad tot 1731 op als regentes. De overige gewesten Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel besloten in 1723 echter plechtig de stadhouderloze regeringsvorm te handhaven. Op 27 oktober 1725 werd Van Slingelandt benoemd tot thesaurier-generaal van de Republiek. Dit ambt vervulde hij slechts twee jaar, tot de dood van raadpensionaris Van Hoornbeeck op 17 juni 1727, waarna hij alsnog tot raadpensionaris werd benoemd. Bij het aanvaarden van dit ambt op 17 juli 1727 legden de Staten van Holland hem de verplichting op niets te ondernemen tegen de bestaande regeringsvorm. Als pragmatisch bestuurder onderwierp hij zich aan deze eis. Vanaf 29 juli 1727 tot zijn overlijden bekleedde Van Slingelandt ook de functie van ordinaris-gedeputeerde in de Staten-Generaal namens Holland.

In zijn tijd als raadpensionaris stond zijn streven naar vrede in Europa centraal. Van Slingelandt bemiddelde meermaals in internationale conflicten. Toen een nieuwe Europese oorlog dreigde, nam hij het initiatief een ontmoeting tot stand te brengen tussen de Franse kardinaal Fleury (1653-1743), eerste minister onder koning Lodewijk XV (1710-1774) en Sir Robert Walpole, Brits gezant in Den Haag. In november 1734 bezochten zij Van Slingelandt op diens ziekbed, om in het geheim te overleggen. Het volgend jaar kwam een akkoord tot stand dat op 18 november 1738 zou leiden tot het Verdrag van Wenen.

Zijn onverwachte overlijden op 1 december 1736 werd in binnen- en buitenlandse kranten gemeld. Zo schreef The Derby Mercury van 9 december 1736: The deceased Pensionary Slingelandt was buried with great Funeral Pomp. De begrafeniskosten bedroegen dertig gulden. Vijf dagen na zijn overlijden werd hij bijgezet in het familiegraf  in de Kloosterkerk in Den Haag.

Publicaties
Simon van Slingelandt, Staatkundige geschriften, 4 delen (Amsterdam 1784-1785).
Briefwisseling tussen Simon van Slingelandt en Sicco van Goslinga 1697-1731, uitgave W.A. van Rappard (Den Haag 1978).

(Regionaal Archief Dordrecht)

IXa. Damas Barthoutsz. van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 21 juni 1688, burgemeester van Dordrecht, overleden 1771, trouwde 1e Catharina Alida van der Dussen, gedoopt Dordrecht 23 aug. 1690, overleden te Culemborg 1745 (begraven ald.) 2e Gerecht/NG Dordrecht 18 aug./7 sept. 1751 Cornelia Vingerhoedt, gedoopt NG Dordrecht 7 april 1690, dochter van Gerrit Vingerhoed en Geertruijd van Slingeland, trouwde 1e Mattheus Rees

Het huwelijk Van Slingeland en Van der Dussen was niet bepaald gelukkig. Dat blijkt uit een aantal voor een Dordtse notaris afgelegde verklaringen:

ONA Dordrecht inv. 759, f. 47, akte dd 28 mrt. 1726: “Alsoo … mr. Damas van Slingelandt … heeft goedgevonden aen … Catharina Alida van der Dussen ten overstaen van notaris en getuijgen te laeten doen seekere insinuatie, en daer bij aen [haar] … onder andere te versoecken overleveringhe vande sleutels [van het huis, waarin hij Van Slingelandt met Van der Dussen enige tijd heeft gewoond] en dat [zij] … niet weet wat sleutels [hij] … daer door verstaet, soo sal den notaris hier toe versocht … sigh vervoegen bij … mr. Damas van Slingeland, en aen [hem] … vriendelijk versoecken, dat sijn wel Ed. sigh dienaengaend wat nader gelieft te verclaren te weten wat sijn Ed. daer door verstaet”. De volgende dag antwoordt Van Slingeland op deze vraag aan de notaris: ik hoor en ik zie.

ONA Dordrecht inv. 916, f. 35 e.v.: verklaring dd 9 juli 1726 door Pieter Hoekseweg, jongman van ongeveer 32 jaar oud en gewoond hebbende als koetsier bij mr. Jacob van der Dussen, oud-burgemeester van Dordrecht. Op verzoek van Catharina Alida van der Dussen getuigt hij gezien en gehoord te hebben, dat haar man, die oudraad van Dordrecht is, zodra hij met haar was getrouwd, “verscheijde maalen binnens camers continuele rusiën van woorden tegens [haar] gemaakt heefft en dat hij attestand ook wel heeft bevonden dat het tusschen [hen beiden] in de huijshoudinge niet en ging soo het wel tusschen man en vrouw behoord.” Van Slingeland is omtrent Nieuwjaarsdag 1725 zeer beschonken thuis gekomen, heeft zich aan tafel gezet bij zijn vrouw en haar broer, en is daarna zonder een woord met hen te wisselen naar boven gegaan, naar zijn kamer, “als wanneer den voornoemde attestand van de mijden ook heeft gehoort dat den gemelde Heer Van Slingeland deselve camer ten eenemael hadde ondergespoogen tot voor zijn rustbank.” Hoekseweg weet ook nog te vertellen, dat Van Slingeland tegen zijn vrouw “hooge woorden heeft gemaekt” en dat hij vele malen heeft gehoord, dat zij hevige ruzie hadden, maar dat, zodra hijzelf of andere bedienden boven kwamen, alles stil werd gehouden. Deswege kan hij geen nadere bijzonderheden vermelden. De getuigenis van Hoekseweg wordt bevestigd door de verklaringen van Gerrit Reumelaar, voormalig dienstknecht van Jacob van der Dussen en die van Jan Hoekseweg en Cornelis de Vogel, knecht en koetsier van Jacob van der Dussen. (ONA Dordrecht inv. 916, resp. f. 31 e.v. en f. 33v, akte dd 22 mei 1726)

De regenten van het Armhuis te Dordrecht in 1732. De zittende persoon in het midden zou Damas van Slingeland zijn.

In de laatste jaren van hun huwelijk leefden Van Slingeland en Catharina Alida gescheiden. Zij ging alleen wonen in Culemborg, waar zij in 1745 overleed en werd begraven. (Vriendelijke mededeling van mevr. C. Coppee)

Haar witmarmeren graftombe (door I. Bollino, met een putto van L.F. Maes, 1746) bevindt zich op het koor van de Grote of St. Barbarakerk (NH) te Culemborg. (Kunstreisboek voor Nederland [Amsterdam 1965], p. 203)

De graftombe van Catharina Alida van der Dussen in de St. Barbarakerk te Culemborg (gebruik van deze foto’s alleen toegestaan met voorafgaande toestemming van de maakster, mevr. Cobie Eigenraam)

ONA Dordrecht inv. 926, f. 489 e.v.: op 30 juli 1745 comp. voor notaris G. Verveer Jacob van der Dussen, heer van Zouteveen en Middelharnis, veertigraad van Delft, Nicolaas van der Dussen, heer van Barendrecht, oudraad en schepen van Dordrecht en mr. Gerard van Vredenburg, ontvanger-generaal van “Hun Edel Grootmogenden Kerkelijke goederen en inkomsten”, wonende te Delft en echtgenoot van Agatha Corvina van der Dussen. Zij verlenen procuratie aan de in Dordrecht gevestigde advocaat mr. Gerard van Haerlem om zich te vervoegen ten sterfhuize van hun tante Catharina Alida van der Dussen, overleden te Culemborg, kopie te verzoeken van haar testament en, indien zij mochten blijken erfgenamen ab intestato of ex testamento van hun tante te zijn, te vorderen en te doen, wat in hun belang zal zijn.

ONA Dordrecht inv. 926, f. 545 e.v.: op 25 aug. 1745 comp. voor notaris G. Verveer mr. Jacob van der Dussen, Lijdia Catharina van der Dussen, weduwe van mr. Jacob Pompe van Meerdervoort, wonende te Leiden en Nicolaas van der Dussen, lid van de Oudraad en regerend schepen van Dordrecht. Zij verlenen procuratie aan mr. Gerard van Haerlem, advocaat te Dordrecht, om zich te vervoegen ten sterfhuize van hun tante Catharina Alida van der Dussen en daar Ernst Fredrik Jongbloet, notaris te Culemborg en executeur van haar testament, te assisteren bij het opmaken van de boedelinventaris.

ORA Dordrecht inv. 1657, f. 142v e.v.: op 20 mei 1746 verkopen mr. Nicolaas van der Dussen, schepen in wette en lid van de Oudraad te Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van Lidia Maria van der Dussen, weduwe van mr. Willem Gerard Paats, wonende te Dordrecht, en mr. Herman Franciscus Ketelanus, achtraad van Dordrecht, secretaris en administrateur van de Weeskamer aldaar, als voogden over Margarita Berk en Pieter Teding van Berkhout, beiden minderjarig, die samen met voornoemde Nicolaas van der Dussen en Lidia Maria van der Dussen erfgenaam zijn van Catharina Alida van der Dussen, voor 14.700 gl. aan Ocker Repelaer, lid van de Oudraad te Dordrecht, 1e een huis in de Grotekerksbuurt, staande tussen het huis van mr. Johan Herman Hallincg, lid van de Oudraad te Dordrecht, en het onder 3 te noemen huis, 2e een stal en koetshuis tegenover het onder 1 genoemde huis, staande tussen het huis van de juffrouwen Van Schaak en dat van Pieter Steenbus, 3e een huis, staande tussen het onder 1 genoemde grote huis en het onder 4 te noemen huis, en 4e een huis, staande tussen het onder 3 genoemde huis en dat van Arnold van Beusecom.

ORA Dordrecht inv. 1756, f. 101v: op 10 mei 1759 verkopen “de Heeren Mattheus Rees, inden Oud-Raad en Rochus Rees, inden Veertigen resp: binnen dese Stad, Item de Heer Gerard de Bevere, inden Agten deser voorsz. Stad en Bailliuw en Dijkgraaff vanden Lande van Strijen als in Huwelijk hebbende Vrouwe Petronella Rees, ende laastelijk nog den voorn: Heer Mattheus Rees als last en Procuratie hebbende vande Heer Pieter Meerman Johansz:, Oud-commissaris van het Zeerecht te Rotterdam, en van Vrouwe Johanna Rees, Egteluijden, volgens deselve Procuratie daervan sijnde gepasseert voorden Notaris Jan Theodore Friscarode en getuijgen te Rotterdam in dato den 2 Meij 1759 ons Scheepenen verthoont, zijnde de voorn: Heeren Mattheus en Rochus Rees, en Vrouwen Petronella en Johanna Rees de eenige nagelatene kinderen mitsgrs. geinstitueerde Erffgenamen van wijlen Vrouwe Cornelia Vingerhoed in Haar Ed. leve eerst wed. en Boedelhouster vande Heer Mattheus Rees inden Oud-Raad, en laast Huijsvrouw vande Heer Mr: Damas van Slingeland, Raad en Oud Burgemeester deser Stad”, voor 2350 gl. aan Adam Stratenus, koopman te Dordrecht, een pakhuis, genaamd “Resenburgh”, staande op de Kalkhaven buiten de Grote Sluispoort tussen het pakhuis van Jan van Eijck en de gemenelandswerf.

ORA Dordrecht inv. 1663, f. 14v e.v.: op 27 mrt. 1760 verkopen Mattheus Rees, lid van de Oudraad, Rochus Rees, veertigraad, Gerard de Bevere, achtraad van Dordrecht en baljuw en dijkgraaf van het Land van Strijen, als man van Petronella Rees, en voornoemde comparanten nog vervangende hun zuster, Johanna Rees, de vrouw van Pieter Meerman Johansz., wonende te Rotterdam, samen kinderen en erfgenamen van Cornelia Vingerhoed, in haar leven eerst weduwe van Mattheus Rees, lid van de Oudraad van Dordrecht, en daarna echtgenote van mr. Damas van Slingeland, raad en oud-burgemeester van Dordrecht, voor 1800 gl. aan mr. Damas van Slingeland voor de ene helft en aan Pieter Meerman Johansz., secretaris van Beukelsdijk, Oost- en West-Blommersdijk, genaamd Kool, etc., voor de andere helft een groot, hecht en sterk pakhuis met wijnkelder daaronder en een plaats daarachter, komende met een gang uit op de Kleine Vismarkt, staande in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd tussen het huis van de weduwe van Hendrik van den Sandheuvel en het huis van de erfgenamen van Cornelia van Kranenburgh, weduwe van Hendrik de Jager.

ORA Dordrecht inv. 1664, f. 14v e.v.: op 17 mrt. 1763 verkoopt mr. Damas van Slingeland, raad en oud-burgemeester van Dordrecht, voor zichzelf en als procuratie hebbende van mr. Pieter Meerman, secretaris van Rotterdam, als man van Johanna Rees, volgens procuratie gepasseerd voor notaris C. van der Looij te Rotterdam op 5 mrt. 1763, voor 4000 gl. aan de firma Bakker, Hardus en Co., kooplieden te Dordrecht, een pakhuis, genaamd “den Toelast”, uitkomende met een gang op de Kleine Vismarkt, staande in de Wijnstraat bij het Groothoofd tussen het huis van de weduwe van Hendrik van den Sandheuvel en dat van de erfgenamen van Cornelia van Kranenburgh, weduwe De Jager.

ORA Dordrecht inv. 1666, f. 270v: op 9 sept. 1771 verkoopt Mattheus Rees Matheusz., burgemeester van Dordrecht, als executeur-testamentair van mr. Damas van Slingeland, oud-burgemeester van Dordrecht, aan Cornelis Pijl, schout van Alblasserdam, een huis met tuin erachter in de Voorstraat, staande om de hoek van de Nieuwkerkstraat, strekkende voor van de straat tot achter tegen de Wijngaardstraat, belend door de Nieuwkerkstraat aan ene zijde en het volgende huis en het huis van burgemeester Van Ourijk aan de andere zijde, alsmede een huis staande naast het voorgaande huis, belend door het voorgaande huis en het huis van burgemeester Van Ourijk. De koopsom van het ene huis bedraagt 7100 gl. en die van het andere huis 1000 gl.

IXb. Govert van Slingeland, vrijheer van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 22 sept. 1692, jongman van Dordrecht (1722), trouwde Gerecht/NG Dorrecht 15 mei/2 juni 1722 (de bruidegom geassisteerd met Christina Elisabeth van Slingeland, echtgenote van Johan Marin van Wevort van Osenburgh, bewindhebber van de WIC, zijn zuster, en Barthout van Slingeland, zijn broer, en met schriftelijk consent van Elisabeth van Bleijswijk, weduwe van Barthout van Slingeland, oud-burgemeester van Dordrecht, zijn moeder, de bruid geassisteerd met Johanna Alida Pompe van Meerdervoort, vrouwe van Meerdervoort, haar zuster) Adriana Pompe van Meerdervoort, jong dochter van Dordrecht (1722)

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 150: op 17 april 1731 verkoopt mr. Govert van Slingeland, vrijheer van Slingeland, voor 600 gl. aan Cornelis Nierharen een huis in de Nieuwstraat, staande tussen het huis van de koper en dat van Govert van Oort.

ORA Dordrecht inv. 1654, f. 147v: op 15 jan. 1737 verkoopt mr. Govert van Slingeland, vrijheer van Slingeland, burgemeester van Dordrecht, voor 850 gl. aan Jannetta van der Poel, ongehuwde persoon, wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat tussen de Beurs en de Wijnbrug, staande tussen het huis van de erfgenamen van Dirk Goris en dat van de erfgenamen van Abraham Targier. De koopster is schuldig aan de verkoper een somma van 550 gl.

ORA Dordrecht inv. 1656, f. 194: op 29 juli 1743 verkoopt mr. Govert van Slingeland, vrijheer van Slingeland, burgemeester van Dordrecht, voor zichzelf en procuratie hebbende van Franchois Louis van Wevort van Ossenbergh, en als procuratie hebbende van Barthout van Slingeland, oud-schepen van Delft, en van Hendrik van Slingeland, burgemeester van ‘s-Gravenhage, voor 36.300 gl. aan Adriaan Braats, heer van Geervliet etc., een huis met tuinhuis erin, alsmede een koetshuis en stal, alle staande naast elkaar, de stal en het koetshuis uitkomende in de Gravenstraat, staande omtrent de Gravenstraat tussen het huis van Gerrit Feijssen en dat van juffrouw De Vries.

Kinderen:

a. Elizabeth Philippina van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 7 okt. 1724, jonge dochter geboren en wonende te Dordrecht (1750), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 13/30 aug. 1750 (de bruidegom geassisteerd met zijn broer Nicolaas Dierkens, schepen van Delft, de bruid met haar ouders burgemeester mr. Govert van Slingeland en Adriana Pompe van Meerdervoort, de geboden gaan te Haarlem) mr. Johannes Dierkens, jongman van Den Haag wonende te Dordrecht (1750)

ORA Dordrecht inv. 1669, f. 221: op 9 sept. 1777 verkoopt mr. Jacob Adriaan Braats voor 43.500 gl. aan Elizabet Philippina van Slingeland, weduwe van mr. Johannes Dierkens, wonende te Dordrecht, een huis in de Wijnstraat, staande tussen het huis van Paulus Knogh en dat van de weduwe van Herman Vingerhoet, met een stal en koetshuis in de Wijnstraat, staande tussen het huis van Adrianus van Wijngaarden en Mattensteiger, alsmede een klein huis in de Mattensteiger, staande tussen het huis van Johannes Heiblom en voornoemde stal.

ORA Dordrecht inv. 1669, f. 244v: op 18 nov. 1777 verkoopt Elizabet Philippina van Slingeland, weduwe van mr. Johannes Dierkens, wonende te Dordrecht, voor 1600 gl. aan Johanna Everwijn, weduwe van mr. Adriaan Stoop, burgemeester van Dordrecht, een koetshuis, stallen voor drie paarden, hooizolder en een woning erachter, staande in de Wijnstraat omtrent de Nieuwbrug tussen de Grote Kraan en het huis van Jan van Onna.

b. Cristina Adriana van Slingeland, gedoopt NG Dordrecht 16 mrt. 1737, overleden Dordrecht 9 okt. 1784

ORA Dordrecht inv. 1664, f. 34: op 8 mrt. 1785 verkoopt “Arnoldus Kolster, Eerste -, en Pieter Papillon, gezwore Klerk ter Secretarie, en wonende binnen deze Stad, als last en procuratie hebbende van de Wel Geboren Heer Mr. Barthout van Slingelandt, vrijheer van Slingelandt en Goidschalksoort in den Oudraad &:&: en wonende binnen deze Stad, als bij Testament den 8: februarij 1783 voor Pieter Roos Ltzn en twee getuigen verleden, door wijlen de Wel Geboren Jonkvrouwe Christina Adriana van Slingelandt, in leven bejaart en ongehuwd, gewoont hebbende en den 9e: October 1784 overleden binnen dese Stad, aangestelde Executeur van wijlen den overleden uitersten wille, volgens dezelve procuratie daar van zijnde gepasseert voor den voorn. Notaris Pieter Roos Ltzn en zekere getuigen binnen deze Stad residerende in dato den 19 januarij 1785”, voor 36.100 gl. aan mr. Jacob Karsseboom, secretaris van Dordrecht, wonende aldaar, een huis met tuin erachter, een stenen koepel, staande in die tuin, twee grote wijnkelders, staande en gelegen op de Wolwevershaven, van achteren uitkomende op de Merwede, staande tussen het huis van de weduwe Roest en het volgende huis, een koetshuis en stal voor vijf paarden, staande op de Hoge Nieuwstraat, uitkomende op de stadsbinnenvest, belend van voren door het huis van de erfgenamen van Jan van der Linden van Slingeland aan de ene zijde en dat van de gezusters Janssen aan de andere, en nog de helft in een huis met pakzolders en een pakhuis eronder, staande tussen het voorgaande huis en dat van Abraham Hendrik Onderwater, oud-burgemeester van Dordrecht, aan wie de wederhelft van genoemd huis toebehoort.