Kwartierstaat Manternach

Met dank aan de heer K. Schneider, die mij enkele aanvullingen en correcties aanreikte.

Geraadpleegde literatuur:

A. Nelemans, Sepulture ofte graftboeck van de Augustijnenkerk te Dordrecht (Sliedrecht 1998)

http://www.anneliesabelmann.com/proza/historie/inleiding-familie-de-geer-van-jutphaas-1204-1295-1977

1. Geertruid Manternach Cornelisdr., gedoopt Waals Geref.Dordrecht 16 sept. 1601 (get.: Loeijs de Geer, Geertrud Manternach, Maria [de Geer], vrouw van Elias Trip), van Dordrecht (1624),vestigde zich ca. 1625 in Amsterdam, trouwde 1eNG Amsterdam/Dordrecht 15 juni/6 juli 1624(“op het schrijven van ds. La Vigne [Waals predikant te Dordrecht]”)Herman Mattijsz. Gruijsen, van Maaseik, wonendeop de Deventer Houtmarkt te Amsterdam(1624), overleden ca. 1625, 2e NG Amsterdam/Dordrecht 16/30 okt. 1627 ArnoultJapin (Jappin) Pietersz., wonende bij het Dulhuis te Amsterdam (1627)

– 10 juni 1624: comp. voor notaris P. Eelbo te Dordrecht Herman Gruijsen, jongman, toekomstige bruidegom, geassisteerd met Dirck Heufft, koopman en burger van Dordrecht, enerzijds en Geertruijt Manternach, jonge dochter, toekomstige bruid, geassisteerd met Sebastiaen Manternach, haar oom van vaderszijde, Johanna de Neij, weduwe van Loijs de Geer, haar grootmoeder, Elijas Trip, haar oom en voogd en Bartholomeus Grouwels, haar oom “van smoeders wege”, anderzijds, om huwelijkse voorwaarden te maken. (ONA Dordrecht inv. 16, f. 85 e.v.)

-1626 (1000e penning Dordrecht): de weduwe van Hermen Gruijsen, is vertrokken, aangeslagen voor een vermogen van 5000 (inschrijving is doorgehaald)

2. Cornelis Manternach, geboren naar schatting ca. 1575, van Dordrecht (1600), koopman ald., woonde in 1614 in Londen, trouwde NG/Waals Dordrecht 22 okt. 12 nov. 1600

3. Johanna Louijsdr. de Geer, geboren naar schatting ca. 1580,van Luik (1600)

27 dec.1591: Cornelius Mandernach van Dordrecht verzoekt gehoord te worden door het consistorie van de hervormde kerk te Keulen
(“Cornelius Mandernach von Dört und Catharina Reck bei Fryenaldenhouen begeren zum gehör”,bron:”Kölnische Konsistorial-Beschlüsse – Presbyterial-Protokolle der heimlichen Kölnischen Gemeinde 1572-1596″, uitgegeven doorProf. Eduard Simons in 1905.)

NG trouwboek Dordrecht, 22 okt. 1600 (otr.): Cornelis Manternach Niclaesz., van Dordrecht en Jennicken de Ger [sic] Loewijsdr., van Luik, door het schrijven van Poliander [Jean Polyander á Kerckhove, Waals predikant te Dordrecht 1593-1611, geboren te Metz in 1568, professor te Leiden 1611, overleden ald. 4 febr. 1646 (J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, deel II [Dordrecht 1933], p. 797)

Waals Geref. trouwboek Dordrecht: “Nous avons solemnisé au 12e Novembre 1600 le Mariage de Corneille Manternach et Johanne Fille de Louijs de Deris [sic, moet zijn: de Geer].” (NB: het trouwboek van de Waalse kerk is een later – vermoedelijk in 1811 – gemaakt afschrift en bevat tamelijk veel fouten. [ABdH])

– 19 aug. 1602: Cornelis Manternach, koopman te Dordrecht, verleent procuratie aan Franchois Weerts de Jonge, koopman te Antwerpen, en Pieter Snoucq, procureur te Gent, om voor hem te innen van Abraham Goossensz., mede wonende te Gent, alzulke penningen als hij, Manternach, “onder den selven … noch vvtstaende heeft vvt crachte van wissel op hem volgende sijnen eijghen brieve … door Clara Bachrachs de wed. van wijlen Dierck Anthonisz. bij zijnen leven getrocken”. Gepasseerd ten huize van de comparant in de Wijnstraat te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 2)

– 30 nov. 1609: Cornelis Melsz., curator van de boedel van Cornelis Manternach, inwoner van Dordrecht, verleent procuratie aan Guillam Trouchers, Engelsman te Londen, om te doen arresteren in handen van Nicolaes Hulsbus, wonende te Londen, alzulke penningen als hij aan Manternich schuldig is. (ONA Dordrecht inv. 10, f. 77)

– 17 sept. 1613: notaris Pauwels Eelbo te Dordrecht heeft overgeleverd aan Cornelis Melchiorsz. Coninck, curator van de desolate boedel van Cornelis Manternach, zekere rekening, geschreven door Franchoijs Sweerts de jonge, koopman te Dordrecht, waaruit bleek, dat Manternach nog schuldig was aan Sweerts een bedrag van 1940 ponden 14 sch. 4 d. (ONA Dordrecht inv. 11, f. 173)

– 28 sept. 1615: verklaart Pieter Nicolaesz. Tzeerarts, koopman en burger van Dordrecht, dat hij op 27 mrt. 1614 voor notaris Pauwels Eelbo te Dordrecht, een procuratie op Joos Croppenburch en Daniël Carperaeu, kooplieden te Londen, om te eisen van Cornelis Manternach, wonende te Londen, alle koopmanschappen, schulden, actiën en kredieten, die Manternach onder zich heeft en die toebehoren aan Tzeerarts. (ONA Dordrecht inv, 11, f. 590)

4. Niclaes Manternach van Trier, geboren ca. 1535, koopman in Rijnse wijnen te Dordrecht, overleden vóór 1618, trouwde naar schatting ca. 1570 (vóór mei 1574)

5. Geertruid Ariaensdr., geboren naar schatting ca. 1545, overleden ca. 1620

– 2 jan. 1577: Jaepgen Adriaensdr. [Louven], weduwe van Jan Bartholomeusz. int Vosken [die eerder gehuwd was met Hadewij Andriesdr.], Niclaes Manternach van Trier, Carel Jansz. wijnkuiper en Mathijs Fransz. viskoper, als testamentaire voogden van de vier onmondige kinderen [uit beide huwelijken] van Jan Bartholomeusz. int Vosken, verkopen aan Jacob Donck een visstal op de Grote Vismarkt [Visstraat] van Dordrecht. Kennen betaald. Promittit quitare. Koper is schuldig aan verkopers een bedrag van 13 ponden 17 schellingen en 6 groten Vlaams. Borgen: Jan Joosten en Goossen Geritsz., viskopers te Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 242 en 243)

– 7 mei 1577: George Spanenburger uit Duitsland, wonende te Antwerpen verleent procuratie ad recipienda debita aan Niclaes Manternach van Trier, om voor hem te vorderen en te ontvangen, hetgeen Mauricius de Bruijcker, inwoner van Dordrecht, hem comparant schuldig is wegens “aanvaarding” van zes hem toebehorende zakken wol. (ORA Dordrecht inv. 733, f. 26)

– 19 mrt. 1579: Adriaen Louff Adriaensz., Niclaes van Trier en Karel Jansz. wijnkuiper, voor zichzelf en tevens vervangende Mathijs Fransz. viskoper, allen burgers van Dordrecht, als voogden van de kinderen van wijlen Jan Bartholomeusz. int Vosken, verlenen procuratie aan Willem Jansz. van de Vliet, burger van Dordrecht, om te vorderen “alzulcke schulden ende restanten als int leven van Z. Jaepgen Adriaen Louvensdr. weduwe vande voors. Jan Bartolomeusz. tusschen haer ende voors. weeskinderen noch gemeen gebleven zijn”. (ORA Dordrecht inv. 1571, f. 35)

– 26 nov. 1579: verklaring op verzoek van Hans Kaib, “residerende” te Antwerpen, door Nicolaes Manternach van Trier, ongeveer 46 jaar oud, inwonende poorter van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 713, f. 241v e.v.)

– 28 april 1583: Niclaes Manternach van Trier, koopman van wijnen te Dordrecht, verkoopt aan Mathijs Fransz. viskoper en Caerel Jansz. [Wanten] wijnkuiper, als voogden van de twee nagelaten weeskinderen van wijlen Jan Bartholomeusz. [int Vosken], genaamd Stijntgen Jansdr. en Marijcken Jansdr., verwekt bij Hadewij Andriesdr. en Jaepken Jansdr., verwekt bij wijlen Jaepken Adriaen Louwendr., ten behoeve van die kinderen een jaarlijkse losrente van 35 gl. en 14 st., verzekerd op een huis genaamd “Medemblick”, staande omtrent de Mattensteiger [thans een straatje tussen Wijnstraat en Mattenkade] tussen het huis “Sint Joris” en het huis van Hans de Loemel. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 10v)

– 28 april 1583: Caerel Jansz. [Wanten] wijnkuiper verkoopt aan Mathijs Fransz. viskoper en Niclaes Manternach van Trier, als voogden van de in de voorgaande akte genoemde kinderen een jaarlijkse losrente van 24 gl., verzekerd op een huis genaamd “de Blauwe Leeuw”, staande in het Gravenstraatje tussen het huis genaamd “Cleijn Marienborch” en dat van Jacob Jansz. lijndraaier. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 11)

– ORA Dordrecht inv. 715, f. 257: op 9 okt. 1584 verkoopt Jan Jansz., geassisteerd met Claes Dircxsz. van Croonenborch, de vader van zijn vrouw, aan Niclaes Manternach van Trier, Caerl Jansz. wijnkoper en Matthijs Fransz. viskoper, als voogden van de twee weeskinderen van wijlen Jan Bartholomeusz., in zijn leven waard in “het Vosken”, verwekt bij Haeduwij Andrijesdr. zaliger en genaamd Stijntgen en Marijken Jansdr., ten behoeve van die kinderen, 1/8 deel in het huis, genaamd “het Vosken”, staande omtrent de Gravenstraat aan de Poortzijde tussen het huis “de Gulden Aerent” en het huis “Denemarcken”. Waarborg: Claes Dircxsz. Croonenborch.

– 16 april 1585: verklaring op verzoek van heer Mathias Lederer c.s. door Nicolaes Manternach van Trier, ongeveer 50 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 716, f. 51)

-13 jan. 1586: op verzoek van Francois Segersz., koopman van Antwerpen, verklaart Niclaes Manternach van Trier, burger van Dordrecht, ongeveer 50 jaar oud, dat hij op 31 dec. 1585 van een schipperuit Middelburg zekere zes pakken ontvangen heeft, waarin 18 balen gember waren. (ORA Dordrecht inv. 738, f. 314v)

– 1 juni 1588: Niclaes Manternach van Trier verleent procuratie aan Hans Pietersz. te Keulen om voor hem te innen zekere 59 ponden 12 schellingen groten Vlaams, die Mathijs Cop of zijn erfgenamen hem schuldig zijn wegens leverantie van Rijnse wijn volgens obligatie daarvan gepasseerd op 21 sept. 1582. (ORA Dordrecht inv. 718, f. akte 196)

– 15 aug. 1588: Niclaes Manternach, Adriaen Adriaensz. Medemblick en Pieter Simonsz. linnenlakenkoper en burger van Dordrecht, verklaren zich als waarborg te stellen voor Adriaen Jacobsz. Gijselaer, die aan Jan Aelbrechtsz. Packer een “hoeve lands” op de Tonecreeck in het land van Ruigenhil heeft verkocht. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 197v)

– 10 sept. 1588: Barend Fonck van Antwerpen, als man van Sara Jan Bartholomeusdr., inwonende poorter van Dordrecht, verklaart ontvangen te hebben uit handen van Niclaes Manternach van Trier, als testamentaire voogd van Sara Jansdr., alle goederen, die Sara Jansdr. aanbestorven zijn door overlijden van haar halfzuster Cristiana Jan Bartholomeusdr., scheldende daarvan kwijt Niclaes Manternach, zijn erfgenamen en nakomelingen, mitsgaders de weduwe en erfgenamen van Carel Jansz. [Wanten]. Comparant verklaart tevens ontvangen te hebben uit handen van Niclaes Manternach zekere rentebrief van 4 gl. jaarlijks, sprekende op zeker huis, toebehorende aan Jan Henricxsz. “wijnschroder”, staande in het Tolbrugstraatje te Dordrecht en voorts de ontvangsten, die Manternach en wijlen Carel Jansz. [Wanten] gehad hebben als testamentaire voogden over Sara Jansdr. (ORA Dordrecht inv. 718, f. 330)

– 2 dec. 1588: verklaring op verzoek van Aelbert van Dijl, als voogd van Warnart Goossensz., door Niclaes Manternach van Trier, ongeveer 50 jaar oud en Floris Willemsz., ongeveer 68 jaar oud, inwonende poorters van Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 718, akte 446)

– 18 jan. 1589: Nicolaes Manternach van Trier verleent procuratie aan Jan Wachendorff om voor hem te innen al hetgeen men hem schuldig is in het koninkrijk Engeland. (ORA Dordrecht inv. 718, akte 485)

– 19 mrt. 1590: comp. Niclaes Manternach, koopman en burger van Dordrecht, “ende heeft in conformiteijt vande sententie interlocutoir van den eerweerdigen den officiael der Stadt Ludick [Luik] ons Burgemeester [,schepenen en raad] alhier verthoont seeckere drie missijven van heer Quinten van Kessel [gedateerd de eerste twee 9 febr. 1588 en de laatste 31 mei 1588] “ende hem expurgerende bij eede, die hij in onsen handen solemneel gedaen heeft, dat hij anders egeene brieven vande selven heer Quintijnontfangen en heeft ofte ter quade trouwen achter en houdt.” Comparant verleent voorts procuratie aan Johan Minaert om voornoemde missieven van Quintijn van Kessel voor de “officiael” te Luik te “exhiberen”. (ORA Dordrecht inv. 719, akte 325)

– 19 mrt. 1590: “Wij Burgemeester Schepenen ende Raedt der Stadt Dordrecht doen cond alle de genen etc. dat Niclaes Manternach van Trier, coopman van rinsche wijnen ende onsen mede borger alhier bij eenen ende ijegelijken een geacht ende gereputeert wort voor een vroom ende gelooffweerdich coopman met eeren, staende oversulcx ter goeder name fame ende renommee sonder dat wij oijt anders ofte ter contrarie gehoort hebben … ” (ORA Dordrecht inv. 719, akte 326)

– 21 april 1592: Thomas Grammaye, Daniël van der Molen en Nicolaes Manternach, als executeurs van het testament van wijlen Cecilia Grammaye, vrouw van Charle de la Faille, verlenen procuratie ad lites aan Corput [sic]contra Caerle de la Faille om te vervolgen de actie, die zij hebben van wege de weeskinderen van Cecilia Grammaye tegen Caerle de la Faille. (ORA Dordrecht inv. 742, f. 39) [Eerstgenoemde comparant is mogelijk identiek met Thomas Thomasz. de Gramaye (de Jonge) of diens vaderThomas Thomasz. Gramaye (de Oude), welke laatste afkomstig was uit Antwerpen, zich in 1533 liet inschrijven aande Universiteit van Leuven, na zijn studie was: tollenaar van Gorinchem (1546),landrentmeester-generaal en ontvanger van de beden, vervolgens eerste rekenmeester van Gelre (1548-1563), trouwde 1e Jacoba Stalpaart van de Wiele 2e Clara Cool, overleden 1577, dochter van Hugo Cool, burgemeester van Dordrecht en Anna Ido en 3e Anna Gillis. Uit het eerste huwelijk o.a. een zoon Thomas. Uit dit tweedehuwelijk o.a. Hugo Gramaye, geboren Arnhem 3 okt. 1568, die bij zijn immatriculatieaan de Universiteit teLeiden (1584)’Dordracensis’ wordt genoemd en zichzelf Dordracenus – “Sum Hugonis Gramaije Dordr.”- noemtin zijn album amicorum. (dr. H. van de Venne, Een afscheidsgedicht van Willem van Assendelft inhetalbum amicorum van Hugo Gramaye[Venray 2006], p. 9 e.v., p. 37]

– 8 mei 1595: Adriaen Adriaensz. Medenblijck enNiclaes Manternach van Trier, voor zichzelfen vervangende hun zwagers Hans de Lomel, wonende te Hamburg, als man en voogd van Neeltgen Ariensdr. enAdriaen Jacobsz. Gijselaer, als man en voogd van Anneken Ariensdr., verkopen aan Bartholomeus Hendricksz. en Cornelis Leendertsz., schoenmakers, een huis genaamd “die Zeeperie”, staande tegenover de stadsgracht in de Kleine Spuistraat, tussen ‘sherenstraat en de huisjes van Marijcken Thomas. Koper is schuldig aan verkopers een somma van 525 gl. (ORA Dordrecht inv. 743, f. 326)

– 7 dec. 1595: Nicolaes Manternach tot ouderling gekozen. (Archief van de NH gemeente te Dordrecht, inv. 1, f. 112)

– 7 okt. 1597: Marijcken Ariensdr., weduwe van Jan Ariensz. kruidenier, verkoopt voor 850 gl. aan Cornelis Aertsz. van de Graeff een erf met een huisje, gelegen en staande op het Nieuwe Werck “inde Hoochstraet”, tussen het erf van Dirck Jansz. Constabel en [het erf van] Niclaes Manternach. Koper kent schuldig 650 gl. Borg: Corstiaen Govertsz. timmerman.(ORA Dordrecht inv. 744, f. 206)

– 1 april 1598: comp. Niclaes Manternach, als man en voogd van Geertruijt Ariensdr., voor de ene helft en Adriaen Adriaensz. Medenblick [sic], voor 1/4 part en Adriaen Jacobsz. Gijselaer [alias in de Block] voor het resterende 1/4 part, samen voor de andere helft. Comparanten verklaren in plaats van waarborgen verbonden te hebben [niet vermeld wordt waarvoor], te weten Manternach zijn huis op het Groothoofd, waarin hij woont, staande tussen het huis van Hilleken van Kempen en het huis van Jacob Beritsz., Adriaen Adriaensz. Medenblick een huis, staande naast de oliemolen “de Groene Stoelen” omtrent de Pelserbrug, tussen genoemde oliemolen en het huis van Balthen de bakker en Adriaen Jacobsz. Gijselaer zijn huis genaamd “den Block”, waarin hij woont, staande omtrent de Nieuwbrug, tussen het huis van Jan van Beaumont en dat van Pieter Pietersz. schrijnwerker, mitsgaders hun resp. personen en goederen. (ORA Dordrecht inv. 744, f. 253)

– 5 juni 1598:Niclaes Manternach, getrouwd met Geertuijd Ariensdr., voor de ene helft en Adriaen Ariensz. Medenblick voor 1/4 part en Adriaen Jacobsz. Gijselaer, getrouwd met Anneken Ariensdr., voor 1/4 part en samen voor de andere helft, hebben aan Arien Jansz. Brouwer zekere 6 morgen land verkocht voor een bedrag van 2581 ponden en10 schellingen van 40 groten het pond. Zij verbinden in plaats van waarborgen hun huizen, die in de voorgaande akte worden vermeld. (ORA Dordrecht inv. 744, f. 272)

– 1619: de weduwe van Nicolaes Manternach betaalt 22 ponden en 10 schellingen voor haar huis in de Wijnstraat (bij de Mattensteiger). Belenders: Franchoijs Alewijnssen en Hans van Lijmborch. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3968, f. 52v)

Graf 26 in de Augustijnenkerk van Dordrecht: “Daernaer [= naast het graf van Willem Gerritsz. verwer en zijn vrouw, graf 25] coompt een gracht [= graf] van de erfgenaemen van Adrijaen Jacobsen in Meemelick [Medemblick] dwelcke nou toe compt de kinderen van Joffrou van Mantenach.” (Archief van de NH gemeente van Dordrecht [archief 27], inv. 1582, f. 2)

Hier liggen begraven:

De vrouw van Cornelis Manternach in aug. 1602

Truyken Manternach in mei 1621

Bastiaen Manternach op 29 april 1669

Cornelia Kramers op 22 juli 1752

(Nelemans, o.c., p. 22)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Margaretha Mandernachs Niclaesdr., geboren naar schatting ca. 1573, van Dordrecht (1593), overleden vóór 18 jan. 1606, trouwde NG Dordrecht 3/24 jan. 1593 Ludolf van Linsenich, geboren ca. 1568, j.g. van Arnhem (1593)

ONA Dordrecht inv. 10, f. 58: op 29 juli 1609 verkoopt Ludolff van Lensenich, koopman en ingezetene van Dordrecht, aan Anthonij Braun, koopman wonende te Aken, een boomgaard van 6 morgen en weiland van 2 morgen, genaamd Wijnantshof, liggende in de heerlijkheid Borscheid, hem, Van Lensenich, aangekomen bij overlijden van zijn vader. Het transport vindt plaats krachtens certificatie van de regeerders van Middelburg, inhoudende als volgt: de burgemeesters, schepenen en raad van Middelburg verklaren op 18 jan. 1606 op verzoek van Ludolff Lensenich, koopman te Middelburg, weduwenaar van Margarita Mandernach, dat hij de goederen, die zijn nagelaten door zijn vrouw, naar zijn eigen goeddunken mag transporteren en vervreemden.

b. Cornelis Manternach, geboren naar schatting ca. 1575 (= kwartier 2)

c. Niclaes, gedoopt NG Dordrecht okt. 1587

d. Bastiaen (Sebastianus) Manternach, gedoopt NG Dordrecht dec. 1589, overleden in of na 1637

– 1626 (1000e penning Dordrecht, f. 38): Bastiaan Manternach en zijn zusters [Sophia en Geertruijd Manternach]- 12 ponden

– 4 nov. 1636; opgenomen in het Houtkopersgilde Sebastiaen Manternach, raad in wette van Dordrecht, heeft twee zoons, Nicolaes en Francois Manternach, betaalt 7 1/2 gl., is van de eerste eed. (Gildenarchieven Dordrecht inv .8)

– 4 juni 1637 (actaNG kerkenraad Dordrecht):”Alsoo Manternach van sware onkuijsheijt ende ergenissen opentlijck verdacht is, heeft de vergadering goetgevonden hem door Buijtendijck en D. Dibbetium te bezenden, om daernaer derselver rapport wijst ontboden te werden.” (SA Dordrecht, archief 27, inv. 5, f. 42v)

– 30 juni 1637 (acta NG kerkenraad Dordrecht): “De Broeders gedeputeert tot de sake van Manternach hebben gerapporteert, dat se hem hebben aengesproken ende dat hij de sake verschoonde, seggende dat hij daer gecomen was om met de weerdinne af te reeckenen endat hij van de compste van die soldatenvrouw geen kennisse hadde. Hij bekende wel dat de Broeders oorsake hadden op die geruchten die door de heele stadt gingen hem aen te spreken, maer dat hij in alles onschuldich was. Is goet gevonden dat hij volgens voorgaende resolutie sal voor de vergaderinge ontboden werden, doch sal men wachten tot de compste D. Wassenburgii en dat de vergaderinge completer sij opdat in die sake eenparichlijk mochte werden gegaen.” (SA Dordrecht, archief 27, inv. 5, f. 43v)

e. Sophia Manternach Claesdr.

ORA Dordrecht inv. 1584 (nieuw), f. 170v: op 7 juli 1606 verkoopt Sophia Manternach Claesdr., geassisteerd met Cornelis Molen Adriaensz., burgemeester van het Gerecht te Dordrecht, aan Dirck Thooft, koopman te Dordrecht, een tuin en erf met een huis en “getimmer” daarop staande, zijnde drie erven, elk anderhalve roede breed en zes roeden acht voeten lang, gelegen op het Nieuwe Werck tussen het erf of de tuin van de weduwe van Cornelis Aertsz. timmerman en Corstiaen Bouwensz. [sic]. Waarborg: Cornelis Molen Adriaensz.

f. Truycken (Geertruijd) Manternach, gedoopt NG Dordrecht aug. 1591, begraven Dordrecht mei 1621 (graf 26 in de Augustijnenkerk)

6. Louis de Geer, geboren ca. 1536,koopman te Luik (vermeld 1578), vestigde zichca. 1596 in Dordrecht,ijzerkoper ald., overleden Dordrecht 28 okt. 1602 (zerk in de Augustijnenkerk, graf nr. 3), 1e Luik 21 dec. 1563 Maria de Jalhéa, geboren Luik 1540, overleden 26 nov. 1578, trouwde 2e Luik 11 dec. 1579

7. Johanna D’Eneille, geboren 1574,overleden 1652(begraven in de Augustijnenkerk, graf nr. 3)

Louis de Geer, ijzerkoper en ijzergieter te Luik, stamde uit de kleine landadel te Chenee, bekeerde zich tot het Calvinisme, week in 1595 uit naar Aken, vestigde zich in 1598 te Dordrecht, zette daar zijn ijzerhandel voort en bracht haar tot bloei. Hij overleed in 1602. In 1611 nam zijn zoon Louis de Geer de ijzerhandel over. (Nelemans, o.c., p. 3)

Graf nr. 3 in de Augustijnenkerk van Dordrecht wordtin het Sepultureboeck anno 1621 beschreven als “den zerk ende graft van Lauwerens [sic] de Geer coopman daer in zyn huysvrou begraeven is Anno 1620 ende is … gemetselt” en anno 1690 als”Een gemetselt graff en zarck van Laurens de Geer. Niet verbo[e]ckt, dit is een kerckgraf”. [NB: deorigenele zerk is aangetroffen op een andere plaats dan die in het Sepultureboeck isbeschreven, met nr. N63K.] Grafsteen met in het midden een cirkel met twee wapenschilden met traliehelm en helmkleed en getooid met een helmteken (vairklokje), het mannelijk wapen voorzien van inhoekingen en een vrijkwartier met een vairklokje, het vrouwelijk schild gedeeld, rechts niet leesbaar, links een leeuw met afschuining.

Opschrift: “Icy gist Lovijs de Geer Bourgois et marchian q[ui] trespassat le 28 octobre Ao 1602, et Vertuese Jehen D’eneille son epouse qui trespassat le …”. [Geen grafkelder aangetroffen.]

Hier liggen begraven (o.a.):

Louis de Geer, 28 okt. 1602

Johanna D’Eneille, vrouw van Louis de Geer, 1620 [?]

(Nelemans, o.c., p. 3)

– 7 juli 1578: op verzoek van Cornelis Aertsz. van de Veer, namens diens oom Jacob Jansz. Coffer, verklaart Jacob Evertsz., burger van Nijmegen, ca. 40 jaar oud, dat hij omstreeks 6 juni 1577 van Jacob Jansz. Coffer gekocht heeft 101 vaten wit zand, welke vaten hij vervoerd heeft naar Dordrecht in het schip van Claes van de Made van Eisden, naar Luikgebracht heeft en daar verkocht heeft aan Louijs de Geer koopman, wonende in “de Roch”te Luik. (ORA Dordrecht inv. 1570, f. 61)

– 7 okt. 1599: op verzoek van Willem Jansz., poorter van Amsterdam, verklaart Lowijs de Geer, 63 jaar oud, dat hij in juni van datzelfde jaar aan de rekwirant geleverd heeft 56 staven ijzer, die 2500 ponden wogen en 40 bos ijzeren “roeijen”, die 2000 ponden wogen. (ORA Dordrecht inv. 897, geen folionrs.)

-2 mei 1612: comp. ten overstaan van notaris P. Eelbo te Dordrecht Loijs de Geer, koopman te Dordrecht, toekomstige bruidegom, geassisteerd met Jehenne Denijll, zijn moeder,Jacob Trip en Hans Boor, zijn zwager, enerzijds en Adriaena Gerrarts van Luik, toekomstige bruid, geassisteerd met Lauweren Gerrardt, haar vader, Odona de la Fosse, haar moeder, Steven Gerrarts haar broer en Govert Finnemans, haar zwager, anderzijds, om huwelijkse voorwaarden te maken. (ONA Dordrecht inv. 15, f.)

– 27 dec. 1612: comp. voor notaris P. Eelbo te Dordrecht Jehenne Deneille, weduwe van Loijs de Geer, geassisteerd met Loijs de Geer en Jacob Trip, kooplieden wonende te Dordrecht. Comparante verleent procuratie aan Piere Lhoeff, haar “receveur”, wonende te Luik, omvoor haar te transporteren “vijff faten hoij, aen den genen die het hem goetduncken ende gelieven sall, die schuldich is Badou de Zauphe, liggende binnen Zauphe voorsz.”Getuigen: Olivier Francot van Luiken Martin Germe (Germaije)de Visé, beiden schippers. (ONA Dordrecht inv. 15, f. 245)

– 1620 (verponding Dordrecht): de weduwe van Louwijs de Gere betaalt 27 ponden 10 schellingen voor haar huis in de Wijnstraat. Belenders: Wouter Cornelisz. schipper en De IJsere Waech. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3970, f. 47)

– 1626: de weduwe van Louis de Geer en haar dochter aangeslagen voor een vermogen van 35.000 gl. (1000e penning Dordrecht anno 1626, f. 24)

Kinderen:

Ex 1:

a. Maria de Geer, geboren naar schatting 1574,overleden 26 jan. 1609 (begraven in de Augustijnenkerk van Dordrecht, graf nr. 7), trouwde ca. 1593 Elias Trip, procuratiehouder van zijn zwager Louis de Geer, handelaar in geschut en kogels (Nelemans, o.c., p. 5-6), trouwde 2e Dordrecht 8 mei 1611 Alithea Adriaensdr., dochter van Adriaen Jansz., burgemeester van Dordrecht, en Sophia Andriesdr. Heijmans

Elias Trip

Ex 2:

b. Johanna de Geer, geboren naar schatting ca. 1580 (= kwartier 3)

c. Margaretha de Geer, geboren Dordrecht 1583, trouwde Jacob Trip de oude

Margaretha de Geer, door Jacob Gerritsz. Cuyp

ONA Dordrecht inv. 13, f. 259: op 1 juni 1622 verklaart Willem Cornelisz. Rijck, huistimmerman wonende te Zwijndrecht, ongeveer 37 jaar oud, op verzoek van Marguarite de Geer, de vrouw van Jacob Trip, koopman en burger van Dordrecht, die in Engeland verblijft, dat hij ongeveer drie weken tevoren op last van mevrouw Trip in haar zoutkeet in Zwijndrecht aan de deur van de gang, die loopt tussen de zoutkeet van Trip en die van Jacob Sonnemans aangeslagen heeft een grendelslot om daarmee de deur van de keet van binnen te kunnen vergrendelen, en dat hij vier of vijf dagen eerder, mede op last van de rekwirante in de keet van Trip heeft gemaakt een “schutsel” om te beletten, dat de wind door de deur zou komen op de zoutpannen. Janneken Bastiaensdr., oud 28 jaar, Anneken Jaspers, oud 46 jaar, Pietertgen Cornelisdr., 43 jaar oud en Heijltgen Theunisdr, 30 jaar oud, verklaren, dat op 30 mei 1622 in de keet van Trip is gekomen zeker manspersoon, van wie zij begrepen hebben, dat hij een deurwaarder van het Hof van Holland was, die met een ijzeren hamer het slot en het “schutsel” van de deur in stukken geslagen heeft.

d. Louis de Geer, geboren Luik 1587, overleden Amsterdam 1652 (mogelijk begraven te Dordrecht), trouwde 2 mei 1612 (huwelijkse voorwaarden) Adriana Gerrardt, van Luik, dochter van Lauwerens Gerrardt en Odona de la Fosse.

Louis de Geer (1587-1652), door David Beck.

8. (mogelijk) Colin Manternach, vestigt zich ca. 1550 in Dordrecht komende van Trier, trouwde NN (Vriendelijke mededeling van de heer M. van der Tas.)

De familienaam Manternach komt al in de eerste helft van de zestiende eeuw te Trier voor:

25 okt. 1544: het huis van Claes Manternach “zum Hausrath” te Trier wordt aan één zijde belend door het huis van Thees den Schnyder. “Das Haus [van Thees den Schnyder] lag in der Fleischgasse gegenüber der Einmündung der Webergasse.”

“Mitglieder der Familie Mantenach waren in der zweiten Hälfte des 16. und der ersten Hälfte des 17. Jahrhunderts in den Zünften der Schumacher, Krämer, sowie der Sackträger und Weinschröder vertreten. In der zweiten Hälfte des 16. Jahrhunderts werden gleich zwei Mitglieder der Familie als Zunftmeister der Schumacherzunft genannt: 1570 Claus Manternach und 1594 Peter Manternach. Unter den Schuhmachern und Laurern (Gerbern) werden in der Steuerliste der Stadt Trier von 1613 ein Hans Manternach, der mit dem Zusatz der Alt charakterisiert wird und der mit einer Steuer van 6 fl. 10 alb. zu den reichsten Trierern zu zählen ist, sowie ein Martin Manternach genannt, bei dem allerdings kein Steuerbetrag angegeben ist. Nach dem Schatzungsregister von 1624 muss er jedoch als wohlhabend gelten.” (A. Weiner, Wer war Johannes Manternach. Der sogenannte Marien-altar in der Trierer Pfarrkirche St. Antonius und die Trierer Bildhauerfamilie Conchardt, in: Kurtrierisches Jahrbuch (Trier 1999), p. 225-249)

Kinderen:

a. Margaretha Manternach

b. Niclaes Manternach (= kwartier 4)

10. Adriaen Jacobsz. in Medemblick , geboren ca. 1520, waard in de herberg genaamd “Medemblick”, overleden tussen 13 dec. 1563 en 24 dec. 1583,trouwde naar schatting ca. 1545

11. Fijken Adriaensdr.

– 9 dec. 1546: op verzoek van Willem Coick, poorter van Amsterdam,legt Ariaen Jacobsz., 26 jaar oud, waard in de herberg “Medemblick” te Dordrecht, een verklaring af. (ORA Dordrecht inv. 695, f. 54v e.v.)

– 1558: Adriaen Jacopsz. in Medenblick betaalt in de 10e penning voor zijn twee huizen in de Wijnstraat 6 Rijnse gl. en voor de wijnkelder daaronder 2 Rijnse gl. 4 st. Belenders: Ariaen Molen en Marichgen van Kempen. (10e penning Dordrecht 1558, f. 42 [internet])

– 10 febr. 1561: Adriaen Jacobsz. in Medenblick, 40 jaar oud, verklaart, dat hij op 16 okt. 1560 aan Engbrecht van Euwijck drie last haring “Dordrechtse brant” verkocht heeft. (ORA Dordrecht inv. 1538 (nieuw), akte 330)

– 28 april 1561: Adriaen van Blijenburch Adriaensz. en Aernt heer Cornelisz., als kerkmeesters van de Grote Kerk van Dordrecht, verkopen aan Adriaen Jacobsz. in Medenblick en zijn erfgenamen en nakomelingen een graf in de “buijck” van de Grote Kerk, “onder onse lieven vrouwen inden zonne”, waar nu in ligt Claes Gerritsz. Grooff, ijzerkoper van Amsterdam. (ORA Dordrecht inv. 1538 (nieuw), akte 458.

– 30 juni 1561: Coenraet Scrijver Adriaensz., Reijer Jacobsz. olieslager, als man en voogd van Mariken Adriaensdr., Adriaen Jacobsz., waard in “Medenblijck”, als man en voogd van Fijken Adriaensdr. enRuth van Bijwaert, als man en voogd van Aelken Adriaen Scrijversdr., verlenen procuratie ad lites aan Franchoijs de Buijlere procureur. (ORA Dordrecht inv. 723, f. 31v)

– 30 juni 1562: Ool Huijgensz. verklaart verkocht te hebben aan Adriaen Jacobsz. in Medemblick een jaarlijkse losrente van 2 gl., verzekerd op 1/3 deel in de helft van een huis genaamd “Sint Joris”, staande op de Riedijk tussen het huis van Jan Joosten in de Swaen en het huis genaamd “Pellicaen”. (ORA Dordrecht inv. 703, f. 228 e.v.)

– 13 dec. 1563: op verzoek van Adolf de Boot, koopman van Brugge, verklaren Adriaen Jacopsz., waard in “Medemblick”, 43 jaar oud en Jan Claesz. de Lange koopman, 29 jaar oud, beiden poorters van Dordrecht, dat de rekwirant van voornoemde Adriaen Jacopsz. gekocht heeft 10 lasten haring “Dordrechtsen brant”, van voornoemde Jan Claesz. 5 1/2 last en van Jan Leenaertsz. 2 lasten haring, welke hij geladen heeft in het schip van Maerten Dircksz., schipper van Gouda, om naar Rouen in Normandië vervoerd te worden. (ORA Dordrecht inv. 704, f. 69v)

– 6 jan. 1584: Niclaes Manternach van Trier en Willem van Beul Arentsz. van Nijmegen, voor zichzelf en Willem van Beul mede als oom en voogd van Fijcken van Buijl Dirxsdr., dochter vande hierna te noemen Cornelia Adriaensdr., verklaren, dat zijkrachtens een procuratie, gepasseerd op 24 dec. 1583 voor notaris Cornelis van Beemde door Jan de Lomel, koopman van Antwerpen, als man van Cornelia Adriaensdr., verkocht hebben aan Henrick Geij, koopman van wijnen, een huis bij het Groothoofd te Dordrecht, staande tussen het huis van Niclaes Manternach en dat van Cornelis Moelen Adriaensz., met alle servituten en vrijdommen, die bij het huis horen, zoals vermeld in de kavelcedul van de erfgenamen van wijlen Adriaen Jacobsz. in Medemblick. Hendrick Geij is schuldig aan verkopers een somma van 900 gl. Hij verkoopt aan de kinderen van wijlen Jan Bartholomeusz. int Vosken, Stijntgen en Marichgen Jansdr., verwekt bij Hadewich Andriesdr., een jaarlijkse losrente van 5 ponden Vlaams, verzekerd op het door hem gekochte huis. (ORA Dordrecht inv. 737, f. 310-311)

– 6 dec. 1590: Adriaen Adriaensz. Medemblick, korenkoper, voor zichzelf, Nicolaes Manternach van Trier, als man en voogd van Geertruijt Ariensdr. en tevens vervangende Hans de Lhomel, als man en voogd van Neeltgen Ariensdr. en Adriaen Jacobsz. Ghijselaer, als man en voogd van Anneken Ariensdr., verklaren doorJan en Dirck Philipsz. [van Beverwijck], als executeurs-testamentair van wijlen Marijcken Ariensdr., in haar leven echtgenote van wijlen Reijer Jacobsz. olieslager *, voldaan te zijn van al hetgeen zij hebben geërfd van voornoemde Marijcken Ariensdr. (ORA Dordrecht inv. 719, akte 903, f. 256)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Adriaen Adriaensz. Medemblick, geboren ca. 1548, olieslager (1581),korenkoper (1590)

– 14 juli 1576: op verzoek van Henrick Jansz. van Gorinchem leggen Willem Claesz., waard in “Gorinchem”, ongeveer 66 jaar oud en Adriaen Ariensz. Medemblick, ongeveer 28 jaar oud, beiden burgers van Dordrecht, een verklaring af. (ORA Dordrecht inv. 732, f. 155)

– 28 april 1581: op verzoek van Franck Block van Aken leggen Willem Jansz. de Wit, oudraad van Dordrecht, Thomas de Wit Willemsz., ongeveer 32 jaar oud en Adriaen Adriaensz. Medemblick, ongeveer 33 jaar oud, olieslagers en burgers van Dordrecht, een verklaring af. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 158)

b. Geertruijt Adriaensdr., [= kwartier 5]trouwde Nicolaes Manternach van Trier

c. Cornelia (Neeltgen) Adriaensdr., geboren naar schatting 1550, van Dordrecht (1577),trouwde 1e naar schatting ca. 1570 Dirck van Buijl, 2e NG Dordrecht 13 okt. 1577 (otr.) Hans (Jan)de Lhomel (de Lommel/ de Lumel), van Antwerpen (1577), koopman van Antwerpen (vermeld 1584)

d. Anneken Adriaensdr., trouwde Adriaen Jacobsz. Ghijselaer

22. Adriaen Scrijver (mogelijk identiek met Adriaen Scriver Claesz., raad van Dordrecht in 1539), trouwde

23. Janneken Adriaensdr.

– 4 april 1543: Cornelis Jacop Jansz. zeepzieder, voor de ene helft en Coenraet Scriver Adriaensz., als voogd van de erfgenamen van zijn broer Adriaen Scriver Adriaensz., voor de andere helft, verkopen aan Reijer Jacop Reijersz. een huis, oliemolen en twee daarnaast staande huizen in de Kleine Spuistraat. (ORA Dordrecht inv. 1529 (nieuw), akte 1)

– 21 febr. 1544: Claes Scriver Adriaensz., Cornelis Scriver Adriaensz. en Goertgen Adriaen Scriversdr., elk voor zichzelf, Cornelis Jacopsz., als man en voogd van Marijcken Adriaen Scriversdr., samen vervangende Henrick, Aeltgen, Mariken en Lijntgen, weeskinderen vanArie Scriver, verwekt bij Janneken Adriaensdr., transporteren aan Coenraet Scriver Adriaensz. een rentebrief. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 96)

– 3 mei 1560: Reijer Jacobsz., als man van Mariken Adriaensdr., Adriaen Jacobsz., als man van Fijken Adriaensdr., Rutger van Bijwaert, als man van Aeltge Adriaensdr., tevens vervangende Marige Adriaensdr. en Heijndrick Scrijver, de zuster en broer van zijn vrouw, Tomas Pietersz., als man van Lauwerenske Quirijnendr., ook vervangende de zusters en broers van zijn vrouw, samen vervangende Adriaenke [sic], de weduwe van mr. Frans Jacopsz. te Aertsberghe, allen erfgenamen voor de helft van wijlen Pieter Cornelisz., in zijn leven wonende te Middelburg in “Jerusalem”, verlenen procuratie aan Aper Matheusz., burger van Dordrecht, hun mede-erfgenaam “in haer voersz. helft”, om te verkopen de helft van een huis en hofstede, staande binnen Middelburg “opten Borch”, genaamd “Jerusalem”, tussen Jan Hectoors aan de oostzijde, “de Luijpart” en het nieuwe huis van Middelburg aan de zuidzijde, ’s herenstraat aan de westzijde en het huis genaamd “Gripskerck” aan de noordzijde. (ORA Dordrecht inv. 722, f. 31 en 24 e.v.)

Kinderen (volgorde onzeker):

a. Coenraet Scrijver Adriaensz., trouwde Neeltgen Coenen, geboren ca. 1513

– 30 juni 1569: verklaring op verzoek van Machelt Michielsdr., vrouw van Gillis Coijet, door Neeltgen Coenen, vrouw van Coenraet Scrijver Adriaensz., ongeveer 56 jaar oud. (ORA Dordrecht inv. 727, akte 426)

b. Mariken Adriaensdr., trouwde 1e Cornelis Jacob Jansz. zeepzieder, 2e na 21 febr. 1544 Reijer Jacobsz. Reijersz., geboren ca. 1517, olieslager te Dordrecht, overleden in 1591, zoon vanJacop Reijersz. (de Coningh)en Neeltge Adriaensdr.

– 4 april 1543 (na Pasen): Cornelis Jacop Jans zeepzieders zoon voor de ene helft en Coenraet Scriver Adriaensz., als voogd en gemachtigde van de gezamenlijke erfgenamen van Adriaen Scriver Adriaensz., zijn broer, voor de andere helft, verkopen Reijer Jacop Reijersz. een huis, erf en oliemolen en nog twee huizen, staande in de Kleine Spuistraat. (ORA Dordrecht inv. 693, f. 7)

– 14 juni 1560: Reijer Jacopsz. verkoopt aan Neeltge Adriaensdr., weduwe van Jacop Reijersz., zijn moeder, de helft van 4 morgen land in Strijen. (ORA Dordrecht inv. 722, f. 43)

– 18 febr. 1562: Reijer Jacobsz. olieslager, 44 jaar oud, legt een verklaring af t.b.v. Pieter Fransz. olieslager. (ORA Dordrecht inv. 703, f. 112v)

– 12 april 1564: Reijer Jacobsz. olieslager transporteert een schuldbriefaan zijn moeder, Neelken Arijensdr., weduwe van Jacob Reijersz. de Coningh. (ORA Dordrecht inv. 725, akte 167)

– 19 jan. 1565: Bastiaen Willemsz. bakker transporteert een losrente aan Reijer Jacobsz. olieslager, als voogd van de weeskinderen van wijlen Bastiaen Jacobsz. (ORA Dordrecht inv. 705, f. 30v.)

– 16 nov. 1566: op verzoek van Coenraed Scriver Adriaensz. verklaart Reijer Jacobsz. olieslager, 49 jaar oud, dat 22 jaar geleden door de rekwirant aan hem attestant, als gemachtigde van de weduwe van Adriaen Jansz. schipper, voldaan is de hoofdsom van een jaarlijkse losrente van 18 gl., die Adriaen Jansz. sprekende heeft op het huis van Coenraed Scriver, dat staat op de hoek van de Lombardstraat. (ORA Dordrecht inv. 706, f. 50)

– 26 nov. 1566: Reijer Jacobsz. olieslager, zich sterk makende voor Grietken enWillem Sebastiaensz., de kinderen van zijn broer, verleent procuratie ad lites aan Gerit van Corsberge. (ORA Dordrecht inv. 706, f. 60v)

– 7 okt. 1568: Reijer Jacobsz. olieslager transporteert aan zijn zwager Willem Fransz. en zijn broer Adriaen Been Jacobsz. alle rechten, die hij heeft op veertien gemeten land in de Korendijk. (ORA Dordrecht inv. 726, f. 157v)

– 31 mei 1575: Joos Coenraedtsz. heeft een schuld aan Steven Cornelisz. schipper wegens de koop van een huis achter de Waag, staande tussen het huis van Aert Henricxsz. uurwerkmaker en dat van de weduwe van Cornelis van Bree. Borgen: Reijer Jacobsz. en Thielman Coenesz. (ORA Dordrecht inv. 706, f. 371)

– 11 mei 1580: op verzoek van Haesgen Aertsdr. de Bruijn, vrouw van Servaes Pietersz. van de Goude, wonende te Driel bij Bommel, leggen Adriaen Louff Adriaensz. en Reijer Jacobsz., beiden ongeveer 60 jaar oud en olieslagers te Dordrecht, een verklaring af. (ORA Dordrecht inv. 735, f. 273)

– 18 febr. 1589: Jacob Ariensz. Been transporteert aan zijn oom Reijer Jacobsz. zijn aandeel in de korenmolen “de Buserin” [“de Buiserinne”], staande buiten de Vuilpoort en 4 hont land in Bleskensgraaf, liggendein een weer van 4 morgen, waarin Reijer Jacobsz. nog 2 hont land heeft.(ORA Dordrecht inv. 718, f. 204)

-31 dec. 1590: de kinderen van Aper Matheusz. en Josina Philipsdr. van Beverwijck verklaren uit handen van Jan en Dirck Philipsz. [van Beverwijck] ontvangen te hebben al hetgeen zij geërfd hebben van Marijcken Adriaensdr., in haar leven echtgenote van Reijer Jacobsz. olieslager. (ORA Dordrecht inv. 719, f. 269v e.v)

– 28 okt. 1591: Anthonis van Haerlem, houtkoper te Dordrecht, stelt zich borg voor de erfgenamen van wijlen Reijer Jacobsz. olieslager ten profijte van Reijer Gerritsz., inwoner van Berchambacht. (ORA Dordrecht inv. 720, f. 48v)

– 13 dec. 1591: Bartholomeus Adriaensz. schipper, als man en voogd van Lijntgen Lenert Bouchschotsdr., Govert Gerritsz., als man en voogd van Truijchgen Lenertsdr. Bouchschot, voor zichzelf en tevensvervangende Lenert Lenertsz. Bouchschot, wonende te Gorinchem, hun zwager, verklaren dat Jan en Dirck Philipsz., als executeurs van het testament van wijlen Marijken Ariensdr., in haar leven vrouw van Reijer Jacobsz., hen comparanten volledig voldaan hebben van hetgeen zij geërfd hebben door overlijdenvan voornoemde Marijken Ariensdr. (ORA Dordrecht inv. 720, f. 64v)

c. Fijken Adriaensdr. (= kwartier 11)

d. Aelken Adriaen Scrijversdr., trouwde Ruth (Rutger) van Bijwaert

e. Adriaen Scrijver Adriaensz., overleden vóór 4 april 1544, trouwde Janneken Adriaensdr.

f. Henrick Scrijver Adriaensz.

g. Mariken Scrijver Adriaensdr.

h.Lijntgen Scrijvers Adriaensdr.

– 11 okt. 1563: Lijnken Scrijvers Adriaensdr., bagijn te Dordrecht, machtigt Reijer Jacobsz. olielager, om voor haar bepaalde schulden te innen. (ORA Dordrecht inv. 704, f. 35v)

i. Claes Scriver Adriaensz.

j. Cornelis Scriver Adriaensz.

k. Goertgen Adriaen Scriversdr.