Bijlagen

BIJLAGE I.

Het beleg van Bergen op Zoom in 1747
dr. O. van Nimwegen

Inleiding
„De vesting van Bergen op Zoom is verloore, maer van ’t garnizoen soveel gesalveert als van het masacre overgebleeven is,” schreef generaal Isaac Koek baron van Cronström op 16 september 1747 aan de regering in Den Haag. Dit jaar is het precies 250 jaar geleden dat de Fransen Bergen op Zoom bestormden en volledig uitplunderden. Sindsdien heeft de vraag aan wie de val van de vesting te wijten is de gemoederen beziggehouden en hebben vooral Cronström en de soldaten van het garnizoen het moeten ontgelden. Door de nadruk op die fatale dag in september, wordt echter geen recht gedaan aan de hardnekkigheid en dapperheid waarmee de vesting in de daaraan voorafgaande 64 dagen werd verdedigd. Het doel van dit artikel is daar verandering in aan te brengen. Maar alvorens het beleg te behandelen, zullen eerst de voorafgaande ontwikkelingen de revue passeren.
Begin 1747 viel een Frans leger Nederland binnen. De Republiek der Verenigde Nederlanden betaalde alsnog de prijs voor haar steun aan de Oostenrijkse vorstin Maria Theresia, die in 1740 haar vader keizer Karel VI was opgevolgd. Frankrijk en Pruisen betwistten deze troonopvolging gewapenderhand met als gevolg de Oostenrijkse Successieoorlog (1740
Deze maand, 250 jaar geleden, viel de sterkste vesting van de Republiek – Bergen op Zoom – in Franse handen. Hoewel het aangezicht van de oorlog sindsdien ingrijpend is veranderd, blijkt uit dit artikel het tijdloze karakter van aspecten als het veiligstellen van nationale belangen binnen een bondgenootschappelijk verband, het verrassingselement en daadkracht, inspirerend leiderschap, discipline-handhaving en fratricide (broedermoord). Bovendien wordt duidelijk dat het oordeel over militair leiderschap in hoge mate wordt bepaald door het eindresultaat te velde; en dat soms ten onrechte, zoals in het geval van de 86-jarige generaal Cronström, die zijn taak professioneler uitvoerde dan in de historiografie wordt verbeeld.
* Dr. O. van Nimwegen is als projectmedewerker en docent werkzaam bij de Vakgroep Geschiedenis van de Universiteit Utrecht.
1748), waarin Groot-Brittannië en de Republiek na 1742 actieve geallieerden van de jonge Weense troonopvolgster waren. In 1743 versloegen de Engelse en Hannoveraanse troepen de Fransen bij Dettingen, terwijl de Oostenrijkers Beieren bezetten. Hiermee ging de oorlog een nieuwe fase in. De Franse regering besloot compensatie voor de nederlagen te zoeken in de Oostenrijkse Nederlanden, een gebied van grote strategische betekenis voor zowel Groot-Brittannië als de Republiek. Tussen 1744 en 1746 veroverde het Franse leger onder aanvoering van Maurits van Saksen
(1696-1750), ook bekend als Maurice de Saxe, alle vestingen in de Oostenrijkse Nederlanden. Na deze grote successen werd in Versailles besloten de oorlog in 1747 tot het grondgebied van de Republiek uit te breiden om zodoende de regering in Den Haag te dwingen tot een vrede op voor Frankrijk gunstige voorwaarden. De Franse invasie werkte echter averechts, want evenals in 1672 leidde zij tot een Orangistische revolutie: de 36jarige prins Willem IV (1711-1751) werd eifstadhouder van alle zeven gewesten en door de Staten-Generaal benoemd tot kapitein-generaal van de Unie.
Vestingen
In het zuiden werd de Republiek door een reeks vestingen afgeschermd, waarvan de belangrijkste Maastricht en Bergen op Zoom waren. De eerstgenoemde stad domineerde het land tussen de Maas en de beneden-Rijn en vormde de brug tussen de Republiek en het Duitse Rijk, terwijl de laatstgenoemde plaats de sleutel tot Zeeland was. Maurits van Saksen besloot half juni Maastricht te gaan belegeren. De geallieerden probeerden dit te verhinderen met de slag bij Lafelt (2 juli) als gevolg. Het Franse leger behaalde daar weliswaar de overwinning, maar de geallieerden trokken zich vervolgens in goede orde terug naar Maastricht en maakten daardoor een beleg onmogelijk. Maurits van Saksen was echter niet van plan zich hierbij neer te leggen. Om het geallieerde leger van de ves
418 MILITAIRE SPECTATOR JRG 166 9-97
Afb. l Bergen op Zoom en omgeving (foto Algemeen Rijksarchief Den Haag, Afdeling kaarten, OSK/B45-B)
-ATTAQUE EN CiXCGERlJVCDEn STAPT
Afb. 2 ‘Attaque en belegering der stadt Bergen op Zoom 1747’ (foto Algemeen Rijksarchief Den Haag, Afdeling kaarten, OPV/B-62A)
Op deze plattegrond zijn duidelijk de vier opeenvolgende parallellen zichtbaar, die door de Fransen evenwijdig aan het aangevallen front werden gegraven. Zij zijn met elkaar verbonden door zigzag-loopgraven, dit om enfilerend vuur te voorkomen. Vanuit de vierde of voorste parallel, naderen de belegeraars met sappen (smalle, onmiddellijk op de juiste diepte aangelegde loopgraven) de lunetten in de bedekte weg. De cunette is zichtbaar in het midden van de droge gracht.
JRG 166 9-97 MILITAIRE SPECTATOR 419
ting weg te lokken gaf hij aan zijn rechterhand, Ulrich Friedrich Woldemar, graaf van Löwendal (17001755), bevel Bergen op Zoom aan te vallen in de vaste overtuiging dat de geallieerden tot ontzet van die stad zouden oprukken, waardoor het beleg van Maastricht alsnog mogelijk zou worden gemaakt. Al spoedig werd echter duidelijk dat dat op een misvatting berustte, want het geallieerde leger roerde zich niet. Bergen op Zoom werd zodoende in plaats van een ‘demonstratie’ de hoofdoperatie van het Franse leger.
De voorkeur van Maurits van Saksen voor het beleg van Maastricht boven dat van Bergen op Zoom is naast overwegingen van strategische aard, vooral verklaarbaar door het feit dat de laatstgenoemde plaats de sterkste vesting van de Republiek en misschien wel van Europa was. Om te beginnen kon Bergen op Zoom niet ingesloten worden: in het westen stroomde de Schelde en de ruimte tussen Bergen op Zoom en de Roosendaalse Vliet was afgesloten door een linie (de linies van Steenbergen) met drie forten – Moermont, Pinsen en De Rovere – inundaties en de vesting Steenbergen (zie afbeelding l). De Fransen zouden dus onmogelijk kunnen verhinderen dat steeds nieuwe troepen en voorraden in de belegerde stad werden gebracht. Maar de kracht van Bergen op Zoom zelf school in hoofdzaak in haar verdedigingswerken, die door de beroemde Nederlandse vestingbouwer Menno baron van Coehoorn (1641 -1704) waren ontworpen en rond 1700 waren aangelegd (zie afbeelding 2). Door de linie en een versterkte legerplaats voor het westelijk deel van het vestingfront, kwamen alleen de bastions Coehoorn en Pucelle en het daartus
1 Een ‘ravelijn’ is een in de vestinggracht gelegen bolwerk dat dient tot dekking van een poort of een stuk wal tussen twee bastions. 2 Een’lunet’ is een gedetacheerd vestingwerk in de vorm van een bastion. ‘ Een ‘redoute’ of ‘reduite’ is een klein zelfstandig verdedigingswerk. 4 Een ‘parallel’ is een loopgraaf evenwijdig aan het vijandelijke front.
sen gelegen ravelijn Dedem voor de Franse hoofdaanval in aanmerking. Voor de hoofdwal bevond zich een droge gracht met cunette (een geul gevuld met water). Naast de flankeringsbatterijen in de bastions en het ravelijn, werd de gracht bestreken door de hoofdgalerij die in de contrescarp (een buitenoever van een vestinggracht) was aangelegd. Voor de gracht lag de bedekte weg, die door de aanleg van lunetten2 in de inspringende hoeken, uitzonderlijk sterk was. In de keel van elke lunet bevond zich een stenen redoute^ met daaronder een kazemat. De namen van de vier lunetten voor Coehoorn en Pucelle waren Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland. Vanuit de hoofdgalerij konden mijngangen onder het glacis (een aardglooiing op het voorterrein van een fort of vesting) worden gegraven om de vijandelijke aanvalswerken mee op te blazen.
Eerste Uitval
Op 12 juli 1747 verscheen Löwendal met 20.000 a 25.000 man voor Bergen op Zoom. De belegeraars bezetten het terrein van de zee tot aan het fort Moermont en daarnaast liet Löwendal door zijn lichte troepen een stelling betrekken in het plaatsje Wouw tot dekking van zijn rechterflank. In de nacht van 14 op 15 juli openden de Fransen de loopgraven en begonnen met de aanleg van de eerste parallel* De gouverneur van de vesting, luitenant-generaal Wilhelm Ludwig prins van Hessen-Phillipsthal (1680-1760), beschikte toen over slechts 3.600 man, terwijl een garnizoen van tenminste 4.500 man noodzakelijk werd geacht. Voor de verdediging van de linie en de drie forten zorgde het korps onder commando van generaal Ludwig Friedrich prins van Saksen-Hildburghausen dat 14 bataljons sterk was. Het commando over alle troepen tussen Schelde en Maas werd uitgeoefend door de 86-jarige generaal Isaac Koek, sinds 1720 baron, van Cronström (1661-1751), die de 14de juli ’s avonds in Bergen op Zoom was ge
arriveerd. Cronström beschikte over uitgebreide oorlogservaring: sinds 1693 in Staatse dienst, had hij in de Negenjarige oorlog (1688-1697) en in de Spaanse Successieoorlog (1702-1712) gevochten, en tijdens de veldtochten van 1744 en 1745 als oudste generaal van de infanterie te velde gediend. Cronström probeerde door een actieve verdediging de Franse aanval zoveel mogelijk te vertragen. Op 16 juli, met het aanbreken van de dag, vond de eerste uitval plaats. Vijftig arbeiders voorzien van scheppen, spaden en pikhouwelen verlieten de bedekte weg om een deel van de tweede parallel te vernielen.
„De Franschen [schrijft vaandrig Pieter Johan van As, die de arbeiders aanvoerde] konde met geene goede aansien, dat wij haar nieuw gebouwde soo overhoopsmeeten, waarom zij ons uyt haar tweede [d.i. heteerstej gebouw (of parallel) veel loode moppen toesonden. Gelijk meede geschieden uyt verscheyde kuylen die se daar hadden. Op mijn hadden se het sterk geladen, omdat ik de eenigste officier was. De arbeiders daar ik bij bleef staan om haar te wijsen, versogten mijn om mijn rok over mijn sjarp toe te knoopen (die van Kinschot droegen de sjarp om het lijf) alsoo zij naar deselve sterk schooien, dat ik doen ook deede. Benige van de arbeiders begreepen het werk te staeken sonder daartoe bevel te hebben, met haar retraite naar den bedekten weg te neemen, seggende dat se nooyt gehoord hadden, dat ongewapende tegens gewapende wierden uytgesonden. Daar se wel geen ongelijk in hadden, maar wierden door twee oude sergeanten teruggehaald.”
De arbeiders zouden worden gedekt door 200 man, maar de kolonel die deze troepen aanvoerde, stuurde slechts een sergeant met twaalf soldaten en bleef met de rest in de bedekte weg achter. Na ongeveer drie kwartier te hebben gewerkt, achtte Van As het daarom raadzaam terug te keren naar
420 MILITAIRE SPECTATOR JRG 166 9-97
de vesting, vooral toen hij zag dat twee compagnieën Franse grenadiers op hem afkwamen.
Tweede Uitval
Ook een tweede uitval in de nacht van 16 op 17 juli mislukte. De Fransen waren blijkbaar van tevoren gewaarschuwd, want zij hadden de loopgraven met extra troepen bezet. Door het onverwachte zware vuur raakten de Staatse troepen in wanorde en renden terug naar de bedekte weg, op de hielen gezeten door de Fransen, die pas bij de palissaden werden tegengehouden. In totaal kostte deze actie de verdedigers naar schatting zestig doden en gewonden. De Fransen konden vervolgens ongestoord hun tweede parallel voltooien en de 20ste openden zij het vuur met tweeënveertig kanonnen, veertien mortieren en twee houwitzers. Onmiddellijk werd duidelijk dat het beleg van Bergen op Zoom geen normale operatie zou worden. Het had meer weg van een strafexpeditie, want niet alleen de vestingwerken werden beschoten maar ook de stad. Met gloeiende kogels werd de Grote Kerk in brand geschoten, terwijl een regen van bommen een groot aantal huizen verwoestte. Sommige soldaten van het garnizoen maakten hiervan gebruik om te gaan plunderen, maar Cronström liet daar met harde hand tegen optreden: zolang er nog geen galg was opgericht, werden de plunderaars gefusilleerd. Inwoners die de stad niet konden of wilden verlaten, probeerden zich zo goed mogelijk tegen de bommen te beschermen door het aanleggen van schuilkelders. Zo liet de oudste predikant van de stad, Jacob Adriaan Folkers, een hoeveelheid aarde uit zijn tuin en een groot gedeelte van zijn turfvoorraad en takkebossen in zijn voor- en binnenkamer brengen om daarmee de kelders bomvrij te maken.
De 22ste kwam de derde parallel gereed. Löwendal, die toen over 42 bataljons en 39 eskadrons beschikte, besloot ook het fort De Rovere te be
legeren om daardoor de verdedigers te dwingen hun krachten nog meer te verdelen. Intussen waren echter bij de geallieerden de zaken beter op orde gebracht. Cronström stak de inwoners en de soldaten een hart onder de riem door zich te paard overal in de stad te laten zien en door noch overdag noch ’s nachts in een kazemat te verblijven. Vooral de artillerie deed ondanks een groot tekort aan kanonniers van zich horen; elke vierentwintig uur werd 30.000 pond kruit verschoten!
„Men kan geen lof genoeg aan onse artilleristen geeven [schrijft de Gedeputeerde te velde Willem van Haren (1710-1768) de 23ste aan de Staten-Generaal]. Zij zijn nu versterkt door eenigen uit Zuid-Beveland en van de schepen. Ook zijn daar eenige Engelschen bijgekomen, die in den beginne zeer wild waren en 2 a 3 cogels tegelijk op de stukken zetleden, totdat de capitein Verschuur, die zijn pligt met de uiterste vlijt en bravoure verrigt, haaren ijver wat deed modereeren, gesecondeerd door ettelijke Franse bomben en cogels.”
De kanonniers van de schepen bleken echter zeer nonchalant te werk te gaan. De 27ste ’s morgens schoten zij vanaf het bastion Pucelle in plaats van op de vijand, op de eigen troepen in de bedekte weg waardoor drie officieren en een soldaat gedood werden.
Cronström en Hessen-Phillipsthal deden hun uiterste best om het beleg van Bergen op Zoom zolang mogelijk te rekken, maar redding van de vesting kon naar hun mening alleen van buiten komen.
„Idereen sal moeten bekennen [had Cronström in september 1745 geschreven] dat de hedendaagsche kunst van vestingen te attaqueeren merkelijk overtreft die van de constructie en defencie derselven, wanneer genoegzaame artillerie en abondantie van alle oorlogsbehoeftens met veel contante penningen voorhanden sijn tot dispositie van den beleegeraar.”
Fiasco
In het hoofdkwartier van het geallieerde leger bij Maastricht was men echter niet bereid om met het volledige leger tot ontzet op te rukken. De Keizerlijke veldmaarschalk Karl Joseph prins van Bathiani of Batthyanyi (1697-1772) en de Engelse opperbevelhebber de 26-jarige William Augustus, hertog van Cumberland (1721-1765) achtten het behoud van Maastricht van groter belang dan dat van Bergen op Zoom. Ten slotte werd na krachtig aandringen van Willem IV alleen besloten een korps van 15 bataljons en 20 eskadron te detacheren.
Begin augustus bevond dit korps zich bij Oudenbosch, waar 16 eskadrons en 2 bataljons zich erbij voegden. Het geheel stond onder commando van luitenant-generaal Jan Sicco baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (1693-1757). Opnieuw moest de stadhouder ingrijpen om de geallieerden tot handelen te krijgen. Op 4 augustus gaf hij Schwartzenberg bevel iets te wagen, risquer une change, en geen aandacht te schenken aan de angstige adviezen van de vreemde generaals bij zijn korps. Cronström kwam vervolgens met een plan voor een gezamenlijke aanval van het korps bij Oudenbosch en de troepen in Bergen op Zoom op het Franse belegeringsleger. De generaals bij Oudenbosch vonden een ‘generale actie’ echter veel te gewaagd. Zij waren slechts bereid tot een aanval op Wouw waarvan de verovering de Fransen weliswaar zou dwingen het beleg van De Rovere op te breken, maar het belangrijkste doel, het ontzet van Bergen op Zoom, zou daardoor niet bereikt kunnen worden. Maar zelfs deze kleine operatie liep op een volledig fiasco uit: door onenigheid tussen de generaals van de cavalerie vertrokken de colonnes de 9de veel later dan gepland, met als gevolg dat de aanval op Wouw ongecoördineerd verliep en moest worden afgebroken. De geallieerde verliezen beliepen 86 doden, 139 gewonden en 21 vermisten.
JRG 166 9-97 MILITAIRE SPECTATOR 421
Versterkingen
Nu voorlopig geen sprake kon zijn van het ontzet van de vesting, gaf Cronström aan Schwartzenberg bevel zeven bataljons van zijn korps ter versterking van het garnizoen in de linie te sturen. De Fransen naderden intussen uiterst voorzichtig vanuit de vierde parallel de bedekte weg. Sinds zij dichtbij de geallieerde werken sappeerden, moesten zij immers steeds rekening houden met mijnen en daarnaast werden zij onophoudelijk door de verdedigers bestookt met handgranaten: 2.500 stuks per 24 uur. Cronström was vol lof over de dapperheid van de soldaten en de mineurs „ …dog dat alles kan den vijand niet beletten bij nagt te herstellen wat men hem bij dag ruineert.” Hier wreekte zich het tekort aan mineurs en artilleristen. De situatie verbeterde iets toen in de loop van augustus een tweehonderd Engelse en Oostenrijkse artilleristen en mineurs arriveerden, maar ook deze versterkingen konden niet verhinderen dat de Fransen toch vorderingen bleven maken.
„De vijandelijke sappeurs en mineurs avanceeren nog dagelijks [schrijft Cronström de 17de] en hebben een manier van booren om haar werk te vorderen in de mijnen op sodanige wijse dat se wijnig off geen geluyt maken waardoor de onse sig dikmaals bedroegen vinden hoe naau dat sij soeken te luysteren watt den vijandelijke mineur doet.”
Op deze wijze lukte het de Fransen om een mijn onder de linkerf ace van de lunet Zeeland tot ontploffing te brengen en zich in de bres te logeren. De 24ste maakten het garnizoen en de inwoners van Bergen op Zoom zich op voor een uitermate zware nacht en dag: 25 augustus was namelijk de dag van St. Louis, het naamfeest van de Franse koning. Vier verse bataljons uit de linie versterkten het garnizoen en de werken werden extra bezet. Op de lunet Zeeland, het werk dat samen met de lunet Utrecht het meeste ge
vaar liep, kwam een bezetting van tweehonderd man, waarvan de helft in de kazemat.
Onder de manschappen op de lunet bevond zich Van As, die het bevel voerde over 32 man, „zijnde van agt onderscheyde natiën, daar er bij waaren die ik in ’t geheel niet konde verstaan, dog het grootste gedeelte waaren Schotten.” Tot middernacht hielden de Fransen zich vrij rustig, maar toen op het signaal van drie vuurpijlen barstte de hel los: alle kanonnen, mortieren en houwitzers werden gelijktijdig afgevuurd en tot ver in de ochtend hield het bombardement aan. Op Pucelle ontplofte om half twee ’s nachts het magazijn met gevulde bommen waardoor 29 van de 30 daar aanwezige artilleristen gedood of dodelijk gewond werden. Op Zeeland speelden zich intussen taferelen af die aan de Eerste Wereldoorlog doen denken. „De stank die wij op Zeeland uytstonden [schrijft Van As] is niet uyt te spreeken. Door de meenigte van bommen die wij kreegen wierde veelen van die daar reeds eenige weken begraven waaren met stucken en broeken uyt de grond geworpen.”
Explosie
De Fransen lieten niet alleen bovengronds van zich horen, ook ondergronds waren zij druk bezig. De officieren in de kazemat van Zeeland ontdekten dat er onder hun werk werd gemineerd en sloegen alarm. Een mineur begon daarop een tegenmijn gereed te maken. Om ongeveer half vier ’s middags, nadat de Fransen hun mijn met kruit hadden gevuld, bracht hij de tegenmijn tot ontploffing. „De hits die wij gevoelde doen de mijn sprong (zijnde er maar eenentwintig stappen vanaf) was onbegrijpelijk. Alle de ovens, daar ik met mijn gesigt, sooals te seggen, voor geleegen heb, als daar men lood, ijser en glas smelt, zijn niet te vergelijken bij soo een mijn [aldus Van As].” Na de explosie bestormden de Fransen de lunet in de verwachting dat
hun mijn een bres zou hebben geslagen. Een bloedig gevecht van een half uur volgde, waarbij meerdere keren Franse soldaten op de borstwering klommen maar er door de verdedigers weer vanaf werden geschoten. Van As verloor tijdens dit gevecht en door de voorafgaande artilleriebeschietingen 18 van zijn 32 manschappen. Ook een Franse stormaanval op de lunet Utrecht werd afgeslagen.
Eind augustus was door Franse mijnen de hoofdgalerij voor de punt van Pucelle en de rechterface van het ravelijn Dedem ingestort en de 30ste moesten de verdedigers de lunet Zeeland prijsgeven. Cronström schatte dat de belegering tot dan toe de verdedigers niet veel minder dan 2.500 man aan doden en gewonden had gekost. Om de troepen weer op krachten te laten komen, stuurde hij de eenheden die het meest geleden hadden naar de linie en verving hen door verse bataljons. Bovendien trokken dagelijks 1.100 man en 300 arbeiders van het korps van Saxen-Hildburghausen in de stad om het garnizoen bij te staan. Dankzij een overvloed aan eten en drinken dat uit heel de Republiek naar Bergen op Zoom werd aangevoerd en gratis aan het garnizoen werd uitgedeeld, was het moreel van de troepen nog steeds hoog. Toch zag de toekomst er voor de verdedigers verre van rooskleurig uit, want zonder een nieuwe poging tot ontzet van buiten zou de vesting ondanks de dappere verdediging vroeger of later moeten vallen. Begin september wierpen de Fransen vijf bresbatterijen op – twee van vijf stukken en drie van drie stukken – die in de nacht van 8 op 9 september gereedkwamen. Hiermee werd bresgeschoten op de linkerface van Coehoorn, de rechterface van Pucelle, de rechterface van Dedem, het linker-oreillon van Coehoorn en het rechter-oreillon van Pucelle.
Optimisme
Aangezien Maastricht in het geheel geen gevaar liep om in deze veldtocht
422 MILITAIRE SPECTATOR JRG 166 9-97
nog belegerd te worden, was er eind augustus geen rechtvaardiging meer aan te voeren voor de passieve houding van de Oostenrijkse maarschalk Bathiani. Versterking van het korps van Schwartzenberg kon dan ook niet langer geweigerd worden. Begin september was de sterkte ervan opgevoerd tot 30 bataljons, 42 eskadrons, 2.000 huzaren en een detachement van vijfhonderd man. De Oostenrijkse generaal Charles-Urbain graaf van Chanclos de Rets Brisuila (16861761), nam het commando van Schwartzenberg over. Maar ook hij zag geen mogelijkheid het Franse belegeringsleger, dat toen tot ruim tachtig bataljons was versterkt, aan te vallen. Het enige waartoe Chanclos bereid was, was om door de huzaren en Kroatische lichte troepen de Franse aanvoerlijnen uit Antwerpen te laten afsnijden. En als de bezetting van Bergen op Zoom de verdediging kon blijven rekken tot de inval van de herfst dan zouden de Fransen vanzelf het beleg moeten opbreken. Na een bezoek aan Bergen op Zoom liet Chanclos aan Willem IV weten dat zonder onvoorziene ongevallen de vesting nog drie weken stand zou kunnen houden.
Cronström deelde het optimisme van Chanclos niet. In een gesprek met Dirk Hubert Vereist (1717-1774), Gedeputeerde te velde uit de Raad, op 10 september, kon hij hem niet de verzekering geven dat men over tien dagen nog meester van de stad zou zijn. De toestand liet zich nog duisterder aanzien toen drie dagen later, in de nacht van 13 op 14 september, de verdedigers eindelijk de lunet Utrecht moesten opgeven. De volgende dag werd begonnen met de aanleg van een linie tussen Fort Pinsen en de zee tot dekking van de terugtocht van het garniz°en „(…) indien men onverhoopt sig geobligeert mogte vinden de stad te moeten abandonneeren.” Daarnaast waren alle generaals en ingenieurs van mening dat een begin moest worden gemaakt met het ondermijnen van het vestingfront aan de kant van de Steenbergse poort om alle verdedigingswerken daar op te blazen
als de stad ontruimd zou moeten worden. De Fransen zouden dan een compleet verwoeste vesting in bezit krijgen waarin zij zich onmogelijk tijdens de winter zouden kunnen handhaven. Cronström geloofde echter niet dat er nog tijd genoeg was om dat te kunnen voorbereiden. Wel was hij vast van plan de strijd tot in de straten en huizen voort te zetten om zich daarna al vechtend naar Tholen en Steenbergen terug te trekken.
Löwendal was intussen in het geheel niet te spreken over de voortgang van het beleg. Na twee maanden van zware strijd waren de Fransen pas in het bezit geraakt van de bedekte weg. Als de grachtovergang en het beklimbaar maken van de bressen even langzaam in zijn werk zouden gaan, was de kans niet denkbeeldig dat het beleg zou moeten worden opgebroken. Tegen het advies van al zijn ingenieurs in besloot hij daarom tot een bestorming, terwijl de bressen nog niet stormrijp waren. De aanval zou gelijktijdig worden uitgevoerd op de bastions Coehoorn en Pucelle en het ravelijn Dedem. De bastions zouden worden bestormd door twee colonnes van elk vijf compagnieën grenadiers en vijftig dragonders te voet, gevolgd door drie bataljons, drie ‘brigades’ sappeurs, twintig kanonniers, acht man met haken en breekijzers en driehonderd arbeiders onder leiding van een ingenieur. Voor de aanval op Dedem werden bestemd honderd vrijwilligers, vier compagnieën grenadiers, een bataljon, twee ‘brigades’ sappeurs, tien kanonniers en driehonderd arbeiders.
Een fatale dag
De Franse aanval kwam als een donderslag bij heldere hemel voor de verdedigers. De commandant van de vestingartillerie, kapitein Carel Frederik baron van Verschuer, verklaarde naderhand dat „(…) niet de minste gedagten [hadde], dat den vijand dien fatalen dag eenen generaelen storm souden hebben durven waegen, selfs niet in de eerste 8 a 14 volgende. Ook
hebbe niet bespeurt dat imand, groot of kleyne, dat voor doenlijk hielde.” De verbazing hierover was zo groot omdat de bressen nog onbeklimbaar waren en de aangevallen werken gemakkelijk door hun bezettingen verdedigd konden worden. Op zowel Pucelle als Coehoorn bevond zich een kapitein met tachtig man, waarvan dertig aan de bres en de overige achter het retranchement waren geposteerd. Op Dedem lag een kapitein met honderd man; de achterzijde van het ravelijn werd gedekt door twee compagnieën grenadiers. In totaal telde de bezetting van alle werken ruim 2.050 man en daarnaast was er nog een reserve van 1.100 man.
Op 16 september, om ongeveer vier uur ’s morgens, na een salvo uit al het belegeringsgeschut, bestormden de Fransen Bergen op Zoom. De 20-jarige Staatse ingenieur Carel Diederik du Moulin (1727-1793) beschrijft hoe zij het bastion Coehoorn binnendrongen.
„Naardat de vijanden de cunet wel gevult en hordes sooals ik gesien hebbe daarover gelegt hadden, soo hebben se bombes met lang brandende buissen (in hoope dat volgens gemeen gebruik onse luiden sig souden neederleggen) geworpen en daarop met het canon waar se bres meede schooien, sonder cogels geschooten opdat diegeene die boven waaren sig soude inbeelden dat se nog bresschooten. In tuschen tijd sijn haare granadiers gegaan naar een poortje dat an het orillion was en communicatie had in de drooge gragt en in de beneedenflanq. Hetselve hebben de Franse opengebrooken, in de beneedenflanq gegaan en met onse luiden die daar vlugteten op de capitaale gordine gekoomen dierect naa de bastions begeeven en ons volk in de rug geattaqueert. Ondertuschen de andere de bres opgekoomen en soo onse luiden direct hebben doen vlugten en soo meester geworden.”
De aanval op Pucelle verliep niet minder succesvol voor de Fransen.
JRG 166 9-97 MILITAIRE SPECTATOR 423
Via de bres drongen zij het bastion binnen en veroverden na een kort gevecht het retranchement. Ook op het ravelijn hadden de verdedigers zich op de grond geworpen om bescherming te zoeken tegen de bommenregen. Zij werden allemaal door de Fransen met de bajonet ‘gemassacreert’. Dat de Fransen zo gemakkelijk de bastions en het ravelijn konden bestormen, kan voor een deel worden verklaard uit het ontbreken van water in de gracht. Door een aanhoudende oostenwind was het steeds dood tij geweest, zodat er geen zeewater in de grachten gelaten had kunnen worden. „(…) doch sou ons dat waader niet veel geholpen hebben [verklaarde Hessen-Phillipsthal naderhand], omdat de schleus di het waader in de trooche krachd moeste houden geborsten waar en niet in staat om het minste gewichd waader te kunnen houden…” Wel was er de cunette die eerst door de Fransen moest worden gevuld en door het geschut in de flanken van de beide bastions en het ravelijn bestreken werd, maar geen enkel schot werd uit de daar geplaatste kanonnen gelost. Na de verovering van de bressen verplaatste de strijd zich naar het binnenste van de stad.
Plunderingen
Tussen vier uur en half vijf ’s morgens werd Hessen-Philippsthal van de Franse aanval op de hoogte gesteld,
waarna hij alarm liet slaan en zich met de beschikbare troepen voor het kwartier van Cronström in het Markiezenhof verzamelde. Een paar uur werd er in de straten gevochten, maar nadat duidelijk werd dat de Fransen probeerden de verdedigers van de Steenbergse poort af te snijden, gaf Hessen-Phillipsthal bevel tot terugtocht. Cronström was intussen naar de linie gereden om daar orde op zaken te stellen. Met uitzondering van het regiment Rechteren dat zich in het kamp ‘Kijk in de Pot’ bevond, kon vrijwel het complete garnizoen aan de Fransen ontkomen en trok zich samen met de eenheden in de linie in goede orde terug. De inwoners van Bergen op Zoom kwamen er minder gelukkig vanaf. Het was een oud oorlogsrecht dat een stad die stormenderhand ingenomen was, mocht worden geplunderd en Löwendal kon zijn soldaten dat recht niet ontzeggen. De Fransen gingen gruwelijk te keer: ze mishandelden en verkrachtten de weerloze burgers en plunderden hun huizen.
„Alle de rapporten uyt Bergen [schrijft Vereist de 17de] komen daerop uyt dat de vijanden met een terrible woede te werk hebben gegaen: vrouwen en kinders gemassacreerd, gebrant, geplundert, enfin alle excessen gedaen die aen de barbaerste volkeren niet gepermitteert sijn. Selfs segt men dat sij vermoort hebben de sieke en gekweste die sig in de hospitalen bevonden. Tot van
Bronnen Dit artikel is hoofdzakelijk gebaseerd op archiefmateriaal aanwezig in het Algemeen Rijksarchief (ARA), Eerste Afdeling, en het Koninklijk Huisarchief (KHA), beide te Den Haag. ARA, Archief van de Hoge Krijgsraad 292-1 ARA, Archief van de Staten-Generaal 5472 ARA, Archief van de Raad van State 896898 en 1899-H KHA, Archief van Willem IV 172-75, 173-8, 173-11 en 173-36
Literatuur Beau, A. von Ie – en R. von Hödl, Österreichischer Erbfolge-Krieg 1740-1748, IX, „Feldzüge 1745 bis 1748 in den Niederlanden” (Wenen 1914). Browning, R., The War of the Austrian Succession (Phoenix Mill 1994). Folkers, J.A., Dagverhaal van het beleg van Bergen op Zoom in 1747 (Den Bosch 1895). Geyl, P., Willem IV en Engeland tot 1748 (Vrede van Aken) (Den Haag 1924). Schwarz, O.J.A., ‘Eene bijdrage tot Neerlands krijgsgeschiedenis’, in: De Militaire Spectator, 4de serie, deel 15 (Breda 1890) 31-56, 103-117, 145-154, 210-225, 270-282, 379-398 en 456-472.
de morgen sag men de gantsche stadt door nog branden.”
Het vermoorden van de gewonden en zieken was maar ten dele waar, want 74 officieren en l. 196 onderofficieren en soldaten van het garnizoen werden door de Fransen krijgsgevangen gemaakt. De verliezen die de verdedigers tijdens het beleg hebben geleden zijn niet met zekerheid vast te stellen. Het enige dat bekend is, is dat tot 24 augustus ongeveer 2.500 doden en gewonden te betreuren waren en dat in de laatste weken van het beleg dagelijks vijftig tot zestig soldaten sneuvelden of gewond raakten, zodat, zonder 16 september mee te rekenen, het totale aantal doden en gewonden rond de 3.000 a 4.000 moet liggen. De Franse verliezen worden zeer uiteenlopend geschat op 4.000 tot 12.000 doden en gewonden.
De val van Bergen op Zoom gevolgd door de plundering ervan, bracht niet alleen in de Republiek maar in geheel Europa een schok te weeg. Als de vesting de 16de zo goed als verloren was geweest en die dag was ontruimd, dan zou iedereen Cronström en Hessen-Phillipsthal hebben geprezen voor een briljante verdediging na 58 dagen gebombardeerd en beschoten te zijn. Maar gezien het feit dat het ravelijn en de beide bastions door de verdedigers waren ondermijnd en de bressen nog niet stormrijp waren gemaakt, kon het verlies alleen aan de nalatigheid van de verdedigers geweten worden, waarvan alle blaam, hoe onterecht ook, op Cronström is geworpen. De Franse koning zat intussen danig met Löwendal in zijn maag: moest hij hem belonen voor zijn succes of hem bestraffen voor de gepleegde excessen? Lodewijk XV vroeg Maurits van Saksen om raad. Deze antwoordde: „il n’yapas de milieu, il faut Ie faire pendre, ou Ie faire maréchal de France.” De koning koos niet voor ophangen, maar voor de maarschalksstaf. Opnieuw bleek hoe gering in de krijg de afstand is tussen verering ^^^ en verguizing.
424 MILITAIRE SPECTATOR JRG 166 9-97

BIJLAGE II.

Duisburger Konsistorial-Akten 1643-1644 (re: Johannes Hackstein en Clara Hermansdr. Vogels)

2 mrt. 1643

24 juni1643

8 en 14 dec. 1643

13. 27 en 28 jan. 1644

17 febr. 1644

23 mrt. 1644

BIJLAGE III



De afstamming van de Hollandse graven

Dr. Kees Nieuwenhuijsen(1)

Artikel gepubliceerd in De Nederlandsche Leeuw 126-2, 2009, p. 29 – 39.
website De Nederlandsche Leeuw.

Inleiding

In 1895 stelde de Duitse historicus Jaekel dat Dirk I, graaf van Holland, in een rechte lijn van de Friese koning Radbod afstamde.(2)De befaamde Friese vorst zou dus de stamvader van het Hollandse huis zijn. Jaekel’s werk is van meet af aan bekritiseerd, maar die kritiek ging niet veel verder dan de vaststelling dat de onderbouwing twijfelachtig was, zonder dat die argumentatie grondig werd geanalyseerd.(3)Wellicht heeft het ontbreken van zo’n analyse ertoe bijgedragen dat de idee van een directe lijn van Radbod naar de Gerulfingen nooit helemaal is verdwenen. Er is nog steeds te lezen dat de Hollandse graven misschien afstamden van Radbod,(4)of zelfs dat ‘algemeen wordt aangenomen dat zij behoorden tot het geslacht van de Friese koning Radbod’.(5)
Bijna een eeuw na Jaekel construeerde de medicus en amateur-historicus Dijkstra ook een rechte lijn van Radbod naar Dirk I.(6)Zijn ‘tentatieve’ stamboom is gebaseerd op allerlei aannames en wordt in de literatuur nauwelijks aangehaald. Genealogische websites daarentegen presenteren Dijkstra’s theorieën als onomstreden feiten.(7)Ook die theorieën zijn, voor zover mij bekend, nooit goed tegen het licht gehouden.
In dit artikel worden de argumenten en conclusies van Jaekel en Dijkstra geanalyseerd en wordt geprobeerd om de familiebanden die werkelijk aannemelijk zijn op een rij te zetten. Het tijdskader loopt van het eind van de 7de eeuw tot halverwege de 10de eeuw: de periode van koning Radbod tot graaf Dirk I.(8)

De genealogie volgens Jaekel

Het werk van Hugo Jaekel behandelt alle ons bekende heersers in Midden-Frisia (de huidige provincie Friesland) en in West-Frisia (het latere Holland) tot het begin van de 10de eeuw. Jaekel stelde dat de graven van die gebieden in de vroege Middeleeuwen allemaal tot dezelfde grote familie behoorden met de legendarische Friezenkoning Radbod als stamvader. De auteur baseerde zich op vroeg-middeleeuwse oorkonden en kronieken zoals de Codex Eberhardi, een lijst van schenkingen door Friese edelen aan de abdij van Fulda.(9)Familiebanden werden verondersteld op basis van overeenkomsten in persoonsnamen. Verder werd uitgegaan van vaste regels bij vernoemingen: de oudste zoon in een gezin werd altijd vernoemd naar de grootvader van vaderskant en de tweede naar de grootvader van moederskant.
Met deze uitgangspunten stelde Jaekel een onafgebroken lijn van vaders en zoons op: Radbod († 719), Bubo († 734), Abba († voor 768), Dirk († 793), Gerulf I (afgezet 834), Gerulf II (circa 885) en Dirk I. De argumenten voor hun onderlinge verwantschap worden hieronder samengevat.
Een eeuw vóór koning Radbod zou er al een Friese koning Audulfus hebben bestaan die volgens Jaekel tot hetzelfde geslacht behoorde als Radbod, omdat de naam-elementen Ad- en -wulf later in datzelfde geslacht terugkomen (Adger, Gerulf, Gardulf, Wulfbald). Radbod’s voorganger Aldgisl (circa 678) moest daarom ook tot die familie hebben behoord.
Radbod werd in 719 opgevolgd door hertog Bubo. Deze werd in het jaar 734 bij de slag aan de Boorne door Karel Martel verslagen en gedood. Jaekel hanteert de schrijfwijze ‘Bobba’, volgens hem een verkorte vorm van Hruodbad. Vanwege de overeenkomst van het tweede naam-element -bad kan hij niemand anders zijn geweest dan de zoon van koning Radbod (wiens naam Jaekel hier, voor de gelegenheid, schrijft als ‘Redbad’).
Ongeveer twintig jaar na Bubo’s dood treffen we een prins Abba in de buurt van Dokkum.(10)Dit was een zoon van Bubo omdat Abba een afkorting is van Alfbad en het tweede element van die naam overeenkomt met dat van Bubo (want die heette immers eigenlijk Hruodbad). Voorts zou zijn directe afstamming van de heidense Friezenvorsten blijken uit het feit dat Karel Martel hem in 734 wel als graaf aanstelde, maar ook bezorgd was dat hij weer ontrouw zou kunnen worden. Om Abba aan zich te binden gaf Karel Martel hem zijn dochter als vrouw.
Na Abba verscheen er een graaf Dirk in Frisia, een legerleider die in 793 bij Rustringen door de Saksen werd verslagen.(11)Hij zou dezelfde zijn als de ‘Deodredus gratia Dei comes’ die volgens de Codex Eberhardi aanzienlijke bezittingen had in Frisia.(12)De toevoeging ‘gratia Dei’ gaf aan dat hij zijn graafschap had geërfd van een voorouder, en niet direct van de koning had ontvangen. Hij moest dus tot de Friese gravenfamilie behoren. De naam Dirk (of Diederik of Thiad-rik) was tot nu toe niet aangetroffen in die familie maar wordt verklaard door het veronderstelde huwelijk van Abba met de dochter van Karel Martel. Haar moeder Swanehilde stamde uit het Beierse geslacht der Agilolfingen, waar de Thiad-namen ‘ungemein beliebt’ waren. Dus Dirk was een zoon van Abba, vernoemd naar een voorouder van moederskant.
Jaekel stelde nog dat de graaf Nordalah, ook in de Codex Eberhardi vermeld, de broer en opvolger was van Dirk, maar hij gaf hiervoor geen onderbouwing. Nordalah’s dood in 810 werd opgetekend in het Dodenboek van Fulda.(13)

Afb. 1. Cod.bibl.fol.23_021v. Er bestaan geen eigentijdse afbeeldingen van de in dit artikel besproken personen. We kunnen toch een idee krijgen van hoe men er toen uitzag, dankzij het fraaie Stuttgarter Psalter, geschreven en geïllustreerd in de eerste helft van de negende eeuw in Saint-Germain-des-Prés. Het handschrift bevindt zich in de Württembergische Landesbibliothek, Stuttgart, Cod. bibl. 2° 23. Folia 021V, 031R, 057V en 124V zijn hier weergegeven. De afbeeldingen zijn geplaatst met vriendelijke toestemming van de Württembergische Landesbibliothek.

De volgende graaf was Gerulf I, de zoon van graaf Dirk. Deze trouwde met een dochter van Wala van Corbie en erfde, na de dood van zijn oom Nordalah, het graafschap Midden-Frisia. Een oorkonde uit 839 zegt dat hij de grafelijke waardigheid in Midden-Frisia die hem voorheen ontnomen was weer terug krijgt van keizer Lodewijk. Gerulf had enkele jaren eerder meegedaan aan een opstand tegen de keizer, en was daarom als graaf afgezet waarbij zijn eigen zoon Gerhard als zijn opvolger werd aangewezen. Gerulf I had verder nog twee zoons (Gunther, en Gerulf II) en een dochter (die de moeder van de Utrechtse bisschop Radbod zou worden).
Dat bisschop Radbod van Utrecht (900 – 917) een kleinzoon van Gerulf I was zou blijken uit diens betrokkenheid bij een conflict van Waldger, ook een nazaat van Gerulf I, met de Hamalanders, en uit het gegeven dat Waldger’s zoon ook Radbod heette. Verder zegt de levensbeschrijving van de bisschop dat koning Radbod de ‘attavus’ van zijn moeder was: de bet-bet-overgrootvader. Jaekel kon de tussenliggende generaties exact invullen: vader Gerulf I, grootvader Dirk, overgrootvader Abba en bet-overgrootvader Bubo.(14)De Vita Radbodi meldt ook nog dat aartsbisschop Gunther van Keulen een oom van Radbod was (een broer van zijn moeder), dus deze Gunther behoorde ook tot het gezin van Gerulf I.
Voor zoon Gerhard wordt maar één bron gegeven: een vermelding als graaf in Westergo in de Codex Eberhardi. Omdat beiden graaf waren in Westergo werd Gerhard als oudste zoon en opvolger van Gerulf I beschouwd. Jaekel bedacht nog een boeiend verhaal aangaande Gerhard’s overlijden in 855, het jaar van de befaamde schenkingsoorkonde van Folckerus, maar dat valt buiten het kader van dit artikel.
Vanwege de gelijke naam werd aangenomen dat Gerulf II een zoon van Gerulf I was. De genealogie besluit, voor wat West-Frisia betreft, met de twee zoons van Gerulf II: Dirk I, graaf van Holland, en Waldger, graaf van Teisterbant.

Tot zover de stellingen en de argumenten van Jaekel. Over zijn belangrijkste bron, de Codex Eberhardi, moet opgemerkt worden dat deze vele persoons- en plaatsnamen bevat, maar geen enkel jaartal. Dronke, die de codex in 1844 publiceerde, heeft de schenkingen bij benadering gedateerd.(15)Zijn dateringen werden door Jaekel gevolgd, maar zijn later ter discussie gesteld. Wat de overeenkomsten in persoonsnamen betreft legde de auteur nogal wat creativiteit aan de dag. Wanneer bij twee mannen een deel van de voornaam enigszins overeenkwam konden ze al als vader en zoon worden beschouwd. Verder zijn de beschikbare historische gegevens te mager om te kunnen vaststellen of de vroeg-middeleeuwse Friezen de veronderstelde vernoemingsregels inderdaad en zonder uitzondering toepasten.(17)Tegen deze achtergrond zullen we Jaekel’s conclusies bezien.

De lijn van Audulfus via Aldgisl naar Radbod is uitsluitend gebaseerd op de naam-elementen Ad- en – wulf. Die elementen waren in de vroege Middeleeuwen erg populair en kunnen daarom niet dienen als bewijs voor een familierelatie.(18)
De stelling dat hertog ‘Bobba’ de zoon van Radbod was stoelt op het naam-element -bad. Echter, de contemporaine bronnen spellen de naam van de hertog als Bubo of Popo.(19)Dit is een afkorting van een twee-stammige Germaanse naam. Die oorspronkelijke naam is nergens vastgelegd maar begon misschien met Folc.(20)Jaekel kiest stellig voor Hruodbad, met als argument dat de naam van een Ruotbodis van twee eeuwen later door een kopiist van nog eens twee eeuwen later werd geschreven als Poppo.(21)Die kopiist koos ook ongebruikelijke schrijfwijzen voor de namen van de graven Unroch (‘Hunrogi’) en Waldger (‘Wedigeri’), dus aan zijn verbastering van Ruotbodis moeten we geen verstrekkende conclusies verbinden. De overeenkomst tussen de namen Radbod en Bubo is daarom niet overtuigend aangetoond. Daar komt bij dat Bubo nergens is vermeld als ‘zoon van Radbod’, terwijl dat met zo’n vermaarde vader wel verwacht mocht worden. Ook staat nergens dat Radbod een mannelijke opvolger had. Tenslotte heersten de twee over heel verschillende gebieden. Bubo is alleen in Midden-Frisia gesignaleerd. Volgens Jaekel strekte Radbod’s rijk zich uit over heel Frisia, van Zwin tot Wezer, en de provincie Friesland heeft hem als nationale held geadopteerd, maar tegenwoordig menen de historici dat zijn macht zich beperkte tot het Midden-Nederlandse rivierengebied en delen van Holland.(22)Al met al is er geen bewijs voor een directe familieband tussen deze twee Friese leiders.
Dat Abba de zoon van Bubo was is wederom op het naam-element -bad gebaseerd. Abba kan inderdaad een afkorting zijn van Alfbad, maar ook van andere Alb-namen of van Adalbert. De tweede elementen van de oorspronkelijke namen van Bubo en Abba kunnen wel allebei zijn begonnen met een b, maar dat is nog geen bewijs voor verwantschap. Voor het gesuggereerde huwelijk met de dochter van Karel Martel bestaat geen bewijs, net zo min als voor enig wantrouwen jegens Abba. Het zou toch vreemd zijn dat de koning in 734, nadat hij eindelijk de Friezen had onderworpen, als hun nieuwe graaf een zoon van de zojuist gedode leider aanstelde. Het is logischer dat Karel als opvolger iemand koos waarvan hij geen verdere moeilijkheden verwachtte. Ook na de verovering van het Midden-Nederlandse rivierengebied, enkele decennia eerder, waren Frankische edelen als heersers aangesteld.(23)Abba zal daarom geen zoon van Bubo zijn geweest.
Koch heeft aannemelijk gemaakt dat de vermelding van Dirk ‘gratia Dei’ in de Codex Eberhardi niet uit het eind van de 8ste eeuw dateert, zoals Jaekel aannam, maar van circa 820. Bovendien heeft hij in het Fuldase kloosterarchief een ‘graff Dieterich von Fresenlande’ achterhaald die rond 820 zijn intrede deed.(24)Deze Dirk kan onmogelijk dezelfde zijn geweest als de veldheer die in 793 sneuvelde. Er moeten daarom twee graven met de naam Dirk zijn geweest, die door Jaekel abusievelijk zijn samengenomen.(25)

Afb. 2. Cod.bibl.fol.23_031r.

Over de eerste graaf Dirk vertelt Einhard dat hij ‘propinquus regis’, een verwant van de koning (Karel de Grote) was. In 782 vocht hij tegen de Saksen, in 791 verdedigde hij de oostgrens van Karel’s rijk tegen de Avaren, en in 793 werd hij in Frisia door de Saksen verslagen.(26)Aangenomen wordt dat hij toen sneuvelde, want nadien lezen we zijn naam niet meer in de kronieken. Wellicht is hij dezelfde als de Theotheri wiens dood in het jaar 793 in Fulda werd geregistreerd.(27)Deze veldheer Dirk werd al in 782 aangeduid als ‘comes’, dus hij moet toen al ergens een graafschap hebben gehad. Waarschijnlijk lag dat niet in Frisia, want zijn eerste avonturen beleefde hij ver daar vandaan. Henstra suggereerde dat de optekening van Lex Frisionum, de Friese wet, rond het jaar 790, onder regie van deze Dirk is geschied.(28)Als dat zo is, dan zou Dirk gedurende zijn laatste jaren in Frisia (vooral Midden-Frisia) het bewind hebben gevoerd, en kunnen we hem in die periode wel als Friese graaf beschouwen. Er is in elk geval geen reden om aan te nemen dat hij een zoon van Abba was.
De tweede graaf Dirk verscheen rond het jaar 820 met een schenking van Friese landerijen aan de abdij van Fulda, waarschijnlijk bij zijn intrede aldaar. Hij werd toen aangeduid als ‘Deodredus gratia Dei comes’. Kort daarop stierf hij.(29)Gezien de naam, de chronologie en de regio is het mogelijk dat deze tweede Dirk een zoon of kleinzoon was van de eerste. Hiermee zou dan ook verklaard zijn hoe hij aan zijn erfgoed is gekomen.
Nordalah was ‘comes et advocatus fresonum’, een leek die in Frisia de belangen van de abdij Fulda vertegenwoordigde.(30)Hij kan een tijdgenoot van Dirk ‘gratia Dei’ zijn geweest, maar vermoedelijk had hij hier geen verwanten, want zijn excentrieke naam is verder in de Lage Landen nooit aangetroffen.(31)
Alhoewel Jaekel hiervoor geen argumenten geeft, is het wel denkbaar dat Gerulf I de zoon was van Dirk ‘gratia Dei’. Ze waren beiden graaf in het noorden van Frisia, en onder de nakomelingen van Gerulf duikt de naam Dirk weer op. Het is minder waarschijnlijk dat veldheer Dirk de vader was van Gerulf: dan zou Gerulf minstens 46 jaar zijn graafschap hebben bestuurd, en Dirk ‘gratia Dei’ past dan niet in het plaatje. Wellicht is Gerulf I dezelfde als de graaf Gerulf die in 812 optrad als getuige bij een oorkonde van Karel de Grote.(32)Weliswaar was Dirk ‘gratia Dei’ toen ook nog graaf (hij ging pas rond 820 het klooster in), maar het gebeurde wel vaker dat vader en zoon tegelijk de graventitel voerden.(33)Volgens Jaekel viel Gerulf in het jaar 834 uit de gratie, maar 837 is ook mogelijk.(34)
De veronderstelling dat Gerulf I met een dochter van Wala van Corbie trouwde is uitsluitend gebaseerd op de naam van zijn (achter)kleinzoon Waldger. Volgens de door Jaekel zelf geconstrueerde stamboom waren Gerulf I en zijn echtgenote allebei achterkleinkinderen van Karel Martel. Zo’n huwelijk was onder de middeleeuwse regels niet waarschijnlijk.
Het overlijdensjaar van Gerulf I is niet met zekerheid bekend. Wanneer hij dezelfde is als de ‘Gerolf’ in 839 in het Dodenboek van Fulda, dan is hij heel snel na zijn eerherstel overleden.(35)Volgens de 14de-eeuwse kroniekenschrijver Beke sneuvelde een ridder Gerold (of Gerolf) in 856 bij een Viking-aanval op Voorburg, maar dat bericht is, zoals wel vaker met Beke, niet erg geloofwaardig.(36)
De lijn van koning Radbod naar bisschop Radbod van Utrecht is dubieus, omdat wordt aangenomen dat de koning geen volwassen zoons had die hem hadden kunnen opvolgen.(37)Hij had wel een zoon Radbod jr. die kort nadat hij gedoopt was stierf.(38)Verder was er een dochter Theutsinda die in 711 trouwde met Grimoald, de zoon van Pepijn van Herstal, maar hij werd drie jaar later vermoord.(39)Uit dit korte huwelijk zijn geen kinderen bekend,(40)en de naam Radbod is vervolgens gedurende meer dan een eeuw in onze streken niet meer aangetroffen.(41)

Afb. 3. Cod.bibl.fol.23_057v.

Het lijkt er dus op dat het geslacht van Radbod al snel is uitgestorven. Of moet op grond van de Vita Radbodi toch worden aangenomen dat er meer nakomelingen zijn geweest? Enerzijds moeten we bedenken dat de auteurs van heiligenlevens hun hoofdpersoon zo interessant mogelijk wilden afschilderen, en daarin paste wel een kleurrijke voorouder. Als die niet echt bestond, dan werd er een verzonnen. Zo voerde Jocundus, de biograaf van de Maastrichtse Sint Servaes, zelfs een afstamming op die naar een tante van Jezus leidde. Het bewijs hiervoor luidde dat een zeer vroom en rechtvaardig man had gezegd dat het echt zo was.(42)Uit de latere Middeleeuwen komen fraaie voorbeelden van stambomen van allerlei adellijke geslachten.(43)Bisschop Radbod’s afstamming van koning Radbod zou een soortgelijk verdichtsel kunnen zijn. Anderzijds moeten we de mogelijkheid open houden dat de biograaf van de bisschop toch de feiten weergaf. Dat er uit de tussenliggende periode geen registraties van personen met de naam Radbod voorhanden zijn wil niet zeggen dat die personen niet hebben bestaan. Misschien zijn er via dochter Theutsinda of anderszins toch nakomelingen van koning Radbod geweest, waar uiteindelijk bisschop Radbod uit is voortgekomen. Echter, zelfs als we een link van koning naar bisschop Radbod aannemen, dan zijn er nog geen overtuigende argumenten voor een doorlopende afstammingsreeks van de Friese koning naar de graven van Holland.
Graaf Gerhard van Westergo kan de zoon en opvolger van Gerulf I zijn geweest, maar het is ook mogelijk dat ze generatiegenoten waren.(44)Wellicht is de ‘Gerhart’ wiens overlijden in 859 in Fulda werd opgetekend dezelfde persoon.(45)Jaekel’s aanname dat Gerhard al in 834 graaf werd, direct nadat keizer Lodewijk Gerulf als graaf had afgezet, is niet logisch. De keizer zal toch niet, bij het falen van een getrouwe, diens zoon als opvolger hebben benoemd. Als Gerhard inderdaad Gerulf opvolgde, dan is het aannemelijker dat dit pas na diens eerherstel en dood gebeurde.
De aanname dat Gerulf II een nazaat van Gerulf I was is plausibel. Jaekel baseerde dit alleen op de gelijke namen, maar als aanvullende argumenten kunnen genoemd worden dat beiden gegoed waren in Westergo, en dat de naam Gerulf in Frisia in de 9de eeuw verder niet voorkomt.(46)Jaekel zegt dat ze vader en zoon waren, maar grootvader en kleinzoon is waarschijnlijker. Aangezien Gerulf II in het jaar 885 deelnam aan een moordcomplot en omdat zijn zoons Waldger en Dirk I rond 880 werden geboren,(47)zal hijzelf tussen 850 en 860 zijn geboren. Wanneer Gerulf I inderdaad in 839 is overleden, dan moet er nog een generatie tussen hebben gezeten.(48)De bovengenoemde Gerhard zou tussen Gerulf I en Gerulf II geplaatst kunnen worden, maar dan is het wel merkwaardig dat zijn naam onder de verdere nazaten helemaal niet meer voorkomt.
Jaekel geeft geen bronvermelding voor de stelling dat Gerulf II twee zoons had. Die bronnen zijn er wel: Waldger wordt genoemd als ‘Waltgario Fresone, filio Gerulfi’ en Dirk als ‘Theodericus, frater Walgeri’.(49)

We kunnen concluderen dat Jaekel een indrukwekkend netwerk van familierelaties tussen machthebbers in Frisia construeerde. Hij deed dit op grond van contemporaine bronnen en toepassing van naamgevingsregels, maar ook met ongefundeerde aannames en twijfelachtige redeneringen. Een groot deel van zijn beweringen blijkt bij nadere beschouwing niet te kloppen. De verbanden die Jaekel in de 8ste eeuw zag moeten stuk voor stuk worden afgewezen: ze zijn niet bewezen of zelfs onwaarschijnlijk. De relaties die Jaekel in de 9de eeuw suggereerde zijn vaak wel plausibel.

Dijkstra’s stamboom in been

In 1991 publiceerde Dijkstra een intrigerend onderzoek over begraafplaatsen in Egmond, Rijnsburg en Middelburg.(50)Daar waren skeletresten gevonden die werden toeschreven aan leden van het Hollandse gravengeslacht. De twee oudste Rijnsburgse skeletten werden geïdentificeerd als de graven Gerulf II en Dirk I. Opmerkelijk was dat aan de hand van de botten werd vastgesteld dat Gerulf II een bochel had, en daarom kinderloos was gebleven. Dit impliceerde dat graven Dirk I en Waldger geen zoons van hem kunnen zijn geweest. De contemporaine bronnen zeggen dat ze dat wel waren, maar de auteur wist dit te verklaren door het Latijnse ‘filius’ te vertalen met ‘pleegzoon’. De jongens waren eigenlijk de kinderen van een prins Radbod en werden na diens vroegtijdige dood in 874 geadopteerd door hun oom Gerulf.
Dijkstra beperkte zich niet tot de historische personen waarvan de beenderen waren gevonden, hij probeerde ook de familiebanden in vroegere generaties te achterhalen. Daarbij baseerde hij zich vooral op secundaire bronnen, waaronder 16de- tot 18de-eeuws werk. Hij ging uit van strakke vernoemingsregels en hanteerde de zogenaamde ‘vuistregel’ van 4 generaties in een eeuw en een gemiddelde huwelijksleeftijd van 24 jaar voor mannen en 20 jaar voor vrouwen. Zo werd een complete parenteelstaat van koning Radbod tot de Hollandse graven opgesteld, inclusief geboorte- en trouwjaren. De afstammingslijn liep langs de volgende vaders en zoons: Aldgisl I (vermeld in 678), koning Radbod († 719), Aldgisl II, Radbod II († na 754), Aldgisl III, Radbod III († 809). Deze laatste had geen zoons maar wel een dochter, die trouwde met Waldger I (= Wala van Corbie, † 837). Daarop volgden: Radbod IV, Waldger II, Radbod V (gesneuveld 874) en Dirk I. Deze laatste werd, met zijn broer Waldger III, geadopteerd door Gerulf II († 895/896). Diens voorvaderen waren Dirk (circa 800), Gerulf I († 853) en Dirk (gesneuveld 880). Deze stamboom, weliswaar door Dijkstra gepresenteerd als ‘tentatief’, verschijnt tegenwoordig op allerlei websites als de enige en onwrikbare waarheid. Het is daarom nuttig om de reeks en de onderbouwing ervan, net als bij Jaekel, eens kritisch te bekijken.

De lijn begint met koning Aldgisl I. Rond 678 was er inderdaad een koning Aldgisl in Frisia, maar voor een de vader-zoon relatie met koning Radbod wordt geen enkel bewijs gegeven.
Evenals als in Jaekel’ studie wordt hertog Bubo als een zoon van Radbod gezien, maar deze zou geen nageslacht hebben gehad. Na Bubo’s dood kwam diens jongere broer: Aldgisl II aan het bewind, en vervolgens Radbod II, Aldgisl III en Radbod III. Bij drie van deze vier personen wordt geen enkele bron vermeld waaruit hun bestaan kan worden afgeleid. De auteur heeft ze verzonnen aan de hand van veronderstelde vernoemingen en rekenregels. Alleen voor Radbod II wordt een aanwijzing gegeven dat hij echt heeft bestaan: hij kan in 743, samen met de Saksische hertog Dirk, hebben gestreden tegen Karloman. Echter, het oorspronkelijke bericht over die strijd vermeldt wel Dirk van Saksen maar geen betrokkenheid van Friezen of van een Radbod.(51)
Om het verschijnen van de naam Waldger in de Friese gravenfamilie te verklaren wordt, net als bij Jaekel, Wala van Corbie opgevoerd. Die zou het graafschap Frisia hebben verkregen door zijn huwelijk met een dochter van Radbod III die volgens een oud verhaal (welk verhaal dit precies is maakt Dijkstra niet duidelijk) geen zoons zou hebben gehad. Echter, een Radbod III heeft helemaal niet bestaan, en bovendien huwde Wala van Corbie met een dochter van graaf Willem van Toulouse.(52)Wala werd na de dood van zijn vrouw abt in Corbie en in Corvey, een abdij met bezittingen in Midden-Frisia. Daarom is een relatie van Wala met de Friese graven wel denkbaar, maar niet op de wijze die Dijkstra voorstelt.(53)
De volgende schakel, Radbod IV, is weer een personage dat in geen enkele bron terug te vinden is. Hij vervult in Dijkstra’s stamboom dezelfde rol als Gerulf I bij Jaekel, namelijk de vader van het gezin waartoe ook aartsbisschop Gunther en de moeder van bisschop Radbod behoorden. De oudste zoon van dat gezin was Waldger II, vernoemd naar zijn veronderstelde grootvader Wala, maar weer iemand die in de contemporaine bronnen niet voorkomt.
Voor de volgende telg, Radbod V, bestaat wel enige historische onderbouwing: in de Normandische kroniek vertelt Dudo van St-Quentin hoe de roemruchte Vikingleider Rollo in het jaar 874 een inval deed in Walcheren en daar een Friese prins genaamd Radbod tegenover zich vond.(54)Dijkstra gaat ervan uit dat dit de oudste zoon van Walger II was en dat deze daar en toen sneuvelde. Aan de betrouwbaarheid van Dudo’s werk (geschreven rond het jaar 1000) wordt tegenwoordig getwijfeld, en bij het bericht over Walcheren zijn zeker kanttekeningen te maken. De vijandelijkheden vonden volgens Dudo plaats in de tijd van koning Athelstan van East Anglia (871 – 890). Die Athelstan heette oorspronkelijk Guthrum. Hij veranderde pas in 878, toen hij zich liet dopen, zijn naam. Het zij Dudo vergeven dat hij hem al in 874 aanduidt als Athelstan. Ernstiger is dat Raginer Langhals, hertog van Lotharingen en Hasbaye, door Dudo wordt opgevoerd als strijdmakker van Radbod. De eigentijdse bronnen vermelden pas vanaf circa 894 een graaf Raginer. De bijnaam ‘longi colli’ hoort bij diens kleinzoon Raginer III († na 957). Rollo zelf is in de eigentijdse bronnen pas vanaf ongeveer 911 terug te vinden.(55)In deze mengelmoes van niet-tijdgenoten laat Dudo dus ook een prins Radbod figureren. Een Friese edele met die naam is op het eind van de 9de eeuw verder nergens vermeld. Naar mijn idee is er rond 874 op Walcheren misschien wel gestreden, maar heeft Dudo de deelnemers aan die strijd verzonnen. Hij zal verondersteld hebben dat er ook wel een plaatselijke leider van de partij moet zijn geweest, en gaf hem een naam die hij kende uit de oude geschiedschrijving over de Friezen. En zelfs als Dudo wel de feiten weergaf, en deze prins Radbod echt heeft bestaan, dan is er geen enkel bewijs dat hij een zoon was van een Waldger.

Afb. 4. Een 17e-eeuwse afbeelding van koning Radbod. P. Winsemius, Chronique ofte Historische geschiedenisse van Frieslandt (Franeker, 1662). Afb. 5. Graaf Dirk I, zoals men hem in de 16e eeuw zag. M. Vosmeer, Principes Hollandiae et Zelandiae, Domini Frisiae (Antwerpen, 1578).


Dijkstra stelde dat Radbod V trouwde met een zuster van de West-Friese graaf Gerulf II en berekende dat dit huwelijk een paar jaar voor Radbod’s dood in 874 werd gesloten. De twee zoons Waldger III en Dirk I waren dus nog erg jong toen hun vader stierf, en moesten daarom een pleegvader hebben. Dat werd hun oom Gerulf II, die zelf geen kinderen had. Waldger erfde Teisterbant, het graafschap van zijn biologische vader. De jongere zoon Dirk erfde het graafschap van zijn pleegvader: West-Frisia.
In werkelijkheid kunnen de zaken niet op deze wonderlijke wijze zijn verlopen: het archeologisch bewijs voor Gerulf’s kinderloosheid houdt geen stand. Een nieuw onderzoek van de Rijnsburgse skeletten wees uit dat ze 300 tot 600 jaar ouder waren dan aanvankelijk gedacht. Het gebeente van Gerulf II bleek bij nader inziens van een man te zijn die al rond het jaar 600 was overleden en die bovendien geen bijzondere ziektes had. Daarmee was het fundament onder de pleegzonen-stelling weggeslagen.(56)Dijkstra haalde nog wel de 13e-eeuwse Rijmkroniek van Holland erbij, die zegt dat Gerulf misschien ‘sonder kint’ stierf. Echter, de contemporaine kroniekschrijver Regino van Prüm († 915) zegt expliciet dat Gerulf een zoon Waldger had.(57)De auteur van de Rijmkroniek kende Regino’s werk waarschijnlijk niet.(58)
Het pleegvader-scenario werd bedacht omdat de auteur geen raad wist met het gegeven dat Gerulf’s oudste zoon Waldger heette en dat de jongere zoon het belangrijkste deel van het graafschap, namelijk West-Frisia, erfde. Hij veronderstelde dat Dirk de jongere zoon was, omdat in het Egmondse Gravenregister staat ‘Primus Theodericus frater Waldgeri erat’: de eerste Dirk was een broer van Waldger.(59)Kennelijk was het belangrijkste kenmerk van Dirk dat hij ‘de broer van’ was. Dijkstra staat hierin overigens niet alleen: Waldger wordt algemeen beschouwd als de oudere broer.(60)Echter, de volledige vermelding in het Gravenregister gaat nog verder, en laat zich vertalen als ‘De eerste Dirk, broer van Waldger, was een zeer roemrijk man’. In die formulering heeft de grote broer minder gewicht. Verderop in hetzelfde Gravenregister komen we meer broers uit de gravenfamilie tegen, waarbij soms de een en soms de ander eerst wordt genoemd. Zo staat er ‘Ekbertum fratrem Arnulfi’ en even later ‘Arnulfus frater Ekberti’. Evenzo voor Dirk III en Sigfrid.(61)In drie oorkondes treden een graaf Dirk en een graaf Waldger (vermoedelijk onze Dirk I en Waldger) samen als getuige op; eenmaal is Dirk de eerste ondertekenaar, tweemaal Waldger.(62)De volgorde waarin broers vermeld staan in middeleeuwse stukken kan dus wisselen, en zegt daarom niets over wie de oudste was.
Op grond van de beschikbare gegevens kunnen we Dirk I en Waldger gewoon als biologische en wettige zoons van Gerulf II beschouwen, die beiden een deel van het graafschap van hun vader erfden. Aangezien Dirk I het belangrijkste deel kreeg, zal hij de oudere broer zijn geweest. Met deze simpele verklaring vervalt de noodzaak om vergezochte verwantschappen te construeren.
De vader van Gerulf II werd door Dijkstra aangeduid als Dirk II (9), de tweede Dirk in de 9de eeuw. Deze zou in 880 zijn gesneuveld. Hiervoor wordt geen bron gegeven, maar het klopt wel dat in dat jaar in Saksen een veldslag plaatsvond tussen de Vikingen en een leger van de Duitse koning Lodewijk de Jongere. Aan Duitse zijde vielen maar liefst twee bisschoppen en een dozijn graven, waaronder een Thiotherius en een Thiotricus.(63)De annalen vermelden niet waar de slachtoffers precies vandaan kwamen, maar vanwege het grote aantal moeten het edelen uit de wijde omtrek zijn geweest, waarschijnlijk ook uit Frisia. De suggestie dat een van de twee gesneuvelde Dirken een Friese graaf was is daarom niet ongegrond. Dat deze bovendien de vader van Gerulf II was wordt ondersteund door de gegevens dat Gerulf II in 885 voor het eerst van zich liet horen en dat deze zijn eerste zoon Dirk noemde. Dirk II (9) heeft daarom betere papieren als mogelijke vader van Gerulf II dan de eerder genoemde Gerhard.
De stamboom noemt Gerulf I als de vader van Dirk II (9). Hierboven hebben we al vastgesteld dat Gerulf I inderdaad de grootvader van Gerulf II kan zijn geweest. De aanname dat Gerulf I overleed in 853 heeft Dijkstra van de 17de-eeuwse geschiedschrijver Vossius. In de contemporaine bronnen is dat jaartal echter niet te vinden. Wel zijn er aanwijzingen voor 839 als sterfjaar (zie boven).
Gerulf I zou op zijn beurt een zoon zijn van Dirk I (9), de eerste Dirk in de 9de eeuw. Dit is dezelfde als Dirk ‘gratia Dei’ die rond 820 (volgens Dijkstra in 799) een schenking deed aan Fulda. Net als in Jaekel’s studie wordt hij hier op één hoop geveegd met de veldheer Dirk die in 793 sneuvelde. Los daarvan is het, zoals hierboven al werd opgemerkt, wel mogelijk dat Dirk ‘gratia Dei’ de vader van Gerulf I was.
Verwijzend naar “de oude literatuur” (waarschijnlijk doelend op de 18de-eeuwse penningkundige Gerard van Loon) wordt nog gesteld dat Dirk I (9) gehuwd was met Theodrada, een halfnicht van Karel de Grote, en dat dit de in de bronnen genoemde verwantschap met de keizer (toen nog koning) verklaart. De oorspronkelijke bronnen vermelden echter niet wie de echtgenoot van Theodrada was, alleen dat zij een dochter Imma had en dat zij de zus was van Wala van Corbie.(64)De suggestie dat Gerulf I het gevolg was van een buitenechtelijke escapade van Karel de Grote met zijn halfnichtje, en dat Dirk I (9) maar met haar moest trouwen om de eer te redden, is volslagen speculatief.

De familierelaties en geboorte- en sterfjaren die Dijkstra opstelde zijn gebaseerd op vernoemings- en rekenregels, onjuiste archeologische gegevens, en veel creativiteit. In het onderzoek zijn de oorspronkelijke bronnen nauwelijks geraadpleegd maar is afgegaan op wat latere geschiedschrijvers hebben bedacht. Bij nadere beschouwing blijft er van de geschetste stamboom weinig overeind. Alleen voor wat de afstamming van Gerulf II betreft zou Dijkstra’s voorstelling, op wat details na, juist kunnen zijn.

Overige studies

Naast Jaekel en Dijkstra hebben diverse andere onderzoekers zich, weliswaar minder uitgebreid, uitgelaten over de voorouders van de Hollandse graven en de afstamming van koning Radbod. Hieronder volgt een chronologisch overzicht.

Nog voordat Jaekel zijn onderzoek deed, schreef Verwijs over de eerste Gerulfingen.(65)Hij analyseerde de vroegmiddeleeuwse oorkonden en kronieken, en ook wat latere geschiedschrijvers daarvan gemaakt hadden. In de 9de-eeuwse bronnen komt naast Gerulf ook regelmatig de naam Gerold voor, en sommigen meenden dat die twee namen identiek waren. Er was een Gerold die abt werd in Corvey en daar ook overleed, en dat zou dezelfde kunnen zijn als onze Gerulf I.(66)Dit werd door Verwijs echter resoluut van de hand gewezen, en het idee is in latere studies ook niet meer terug gekomen. In navolging van Verwijs zijn ook in de huidige studie alleen Gerulfen en Gerolfen beschouwd, en geen Gerolden. Toch moet de mogelijkheid worden opengehouden dat er wel eens een Gerulf als Gerold is geregistreerd, en dat er misschien meer over de Gerulfingen in de bronnen staat dan hier is weergegeven.(67)
Verwijs vestigde de aandacht op oorkonden uit de 9de eeuw waaruit blijkt dat zowel Gerulf I als Gerulf II gegoed waren in Westergo, en dat Gerulf II tevens graaf was in het zuidwesten van Frisia.(68)De machtsuitbreiding naar het zuidwesten zou misschien al onder Gerulf I zijn ingezet.(69)Verwijs beschouwde de twee als vader en zoon, maar we stelden al vast dat grootvader en kleinzoon aannemelijker is.

Van Winter deed onderzoek naar de herkomst van de naam Dirk in het Hollandse Huis.(70)Die naam zou afkomstig zijn uit het Saksische geslacht der Immedingen: een van hun een dochters zou getrouwd zijn met Gerulf II.(71)Uitgangspunt was, dat Dirk I de jongere zoon van Gerulf II was, en dus vernoemd moest zijn naar zijn grootvader van moederskant. Onder de Immedingen was Dirk de ‘Leitname’. Echter, hierboven zagen we al dat Dirk waarschijnlijk de oudste zoon van Gerulf was, en dat er dus geen noodzaak is om zijn naam vanuit moederskant te zoeken. Uit de bronnen is niets bekend over de echtgenote van Gerulf II of over zijn schoonvader. De naam Dirk kwam onder de Immedingen wel regelmatig voor, maar dat gold voor meer families uit die tijd. In de Immedinger generaties van voor Dirk I is overigens maar één Dirk aangetroffen, dus de kwalificatie ‘Leitname’ is in die tijd niet terecht.(72)
De moordaanslag door Waldger, zoon van Gerulf II, op Everhard Saxo werd nog opgevoerd als extra argument voor een relatie tussen de Gerulfingen en de Immedingen. Die daad duidde op loyaliteit, en daarom op een familieband. Everhard Saxo had namelijk Godfried de Deen omgebracht, volgens Van Winter de schoonvader van een neef van Waldger’s moeder. Dit is wel wat vergezocht: als het om eerwraak ging was er toch wel ergens een nauwere verwant te vinden om de klus te klaren. Bovendien is het de vraag of Gerulf II wel aan de kant van Godfried stond, of juist de hand heeft gehad in diens dood. Al met al is Van Winter’s hypothese erg speculatief.(73)

In 1987 construeerde Cordfunke op grond van contemporaine bronnen een genealogie van de Hollandse graven vanaf Gerulf II. Over eerdere generaties was weinig te melden wegens gebrek aan bronnenmateriaal. Toch werd gesteld dat Gerulf II ‘met grote mate van waarschijnlijkheid uit een geslacht kwam, waarvan de afstamming teruggaat tot de legendarische Friese koning Radbod’. Als tussenstappen tussen Radbod en Gerulf werden een Diederik (vermeld 782 – 820) en Gerulf I (vermeld 834 – 839) gesuggereerd. Dit lijkt te zijn ingegeven door Jaekel’s werk.(74)

Hugenholtz meende Gerulf’s afstamming van Radbod te lezen tussen de regels van de Rijmkroniek van Holland. De auteur zou wel geweten hebben dat zijn opdrachtgever Floris V rechtstreeks van koning Radbod afstamde, maar verzweeg dit omdat de Friezen de aartsvijanden van Holland waren.(75)Een soortgelijk idee was een eeuw eerder al gepostuleerd door Verwijs.(76)Het is echter niet plausibel: als men had geweten van die afstamming dan zou dat juist wel expliciet zijn vermeld, omdat daarmee de aanspraken van de Hollandse graven op Friesland zouden zijn gelegitimeerd.(77)Waarschijnlijker is, dat de auteur van de Rijmkroniek niet op de hoogte was van de bronnen betreffende Gerulf’s zoons.(78)

Afb. 6. Cod.bibl.fol.23_124v.

Conclusies

Een kritische beschouwing van de studies van Jaekel en Dijkstra wijst uit dat veel van de veronderstelde relaties niet te bewijzen of zelfs onwaarschijnlijk zijn. Na dit afbreekwerk willen we bezien welke familiebanden dan wel aannemelijk zijn om ons zo een beeld te vormen van wie de voorouders van de Hollandse graven dan wel geweest kunnen zijn. Daarbij zullen sommige suggesties van Jaekel en Dijkstra toch van nut blijken.
Uit de analyses komen maar enkele gegevens naar voren die als goed onderbouwd feit beschouwd kunnen worden. Graaf Dirk I van Holland was een zoon (waarschijnlijk de oudste zoon) van Gerulf II, graaf in West-Frisia. Het is niet zeker, maar wel zeer waarschijnlijk dat Gerulf II een kleinzoon was van Gerulf I. Beide Gerulfen bezaten ook goederen in Westergo. Wanneer precies de familie de grafelijke rechten in westelijk en zuidelijk Frisia verwierf is onbekend.
In de geschreven bronnen over Frisia in de 8ste en 9de eeuw komt de naam Dirk meermalen voor. Een van de twee graven Dirk die in 880 sneuvelden was mogelijk een Fries. Er is een Dirk ‘gratia Dei’ geweest die bezittingen had in noordelijk Frisia en die in 822 stierf, en tenslotte een veldheer Dirk die in 793 in Oost-Friesland zijn laatste gevecht leverde.. Over familiebanden tussen de genoemde Dirken en Gerulfen kan alleen maar gespeculeerd worden. Misschien was een van de twee Dirken die in 880 sneuvelden de ‘missing link’ tussen Gerulf I en II. Verder terug in de tijd is het denkbaar dat Gerulf I een zoon was van Dirk ‘gratia Dei’ († 822). Tenslotte is het mogelijk dat Dirk ‘gratia Dei’ een zoon was van veldheer Dirk († 793). Qua namen vormt het in elk geval een fraaie reeks: veldheer Dirk († 793), Dirk ‘gratia Dei’, Gerulf I, Dirk († 880), Gerulf II en Dirk I van Holland.
Met veldheer Dirk loopt het spoor dood. Hij is – in deze hypothetische reeks – de oudst bekende voorouder van de Hollandse graven. Hij was een verwant van Karel de Grote, maar we weten niet op welke wijze die verwantschap precies liep. Waar hij vandaan kwam weten we ook niet, maar aangezien hij zijn militaire carrière begon in Saksen, in het noordoosten van het Duitse Rijk, is het aannemelijk dat daar zijn geboortegrond lag.
De naam Dirk kan dus langs de mannelijke lijn het Hollandse gravengeslacht zijn binnengekomen. Van Winter suggereerde een herkomst via moederskant, maar met de hier voorgestelde stamboom hebben we steviger grond onder de voeten, want dit betreft personen waarvan het bestaan door historische bronnen wordt bevestigd.
Omdat de gegevens uit het eind van het eerste millennium zo summier zijn, is het niet mogelijk om absolute uitspraken te doen aangaande familierelaties. De bovenstaande lijn is daarom niet meer dan een hypothese, net als de stambomen die Jaekel en Dijkstra construeerden. Wel is hier getracht om geen conclusies te baseren op gedeeltelijk op elkaar gelijkende persoonsnamen, op fictieve personen of op informatie die niet op contemporaine bronnen is terug te voeren. Op die wijze is aannemelijk gemaakt dat de Hollandse graven niet afstammen van de Friese koning Radbod maar mogelijk wel in een rechte mannelijke lijn van een gravengeslacht waarin de naam Dirk voorkwam, en dat al een eeuw voordat Gerulf II zijn bezit in West-Frisia verwierf, het bewind voerde in het noorden van Frisia.


Afb. 7. De lijn van Radbod naar Dirk I volgens Jaekel.


Afb. 8. De lijn van Radbod naar Dirk I volgens Dijkstra.


Afb. 9. De voorouders van graaf Dirk I anno 2009 opnieuw bezien. De stippellijnen geven veronderstelde familiebanden weer.

Noten

1 – Met dank aan Henk ’t Jong voor het kritisch doorlezen van het manuscript.(terug)
2 – H. Jaekel, Die Grafen von Mittelfriesland aus dem Geschlechte Konig Ratbods (Gotha, 1895).(terug)
3 – S.J. Fockema Andreae, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1896, 145; L. Vanderkindere, La formation territoriale des principautés Belges au Moyen Age, Tome II (Brussel, 1902), 286 – 288; H. Halbertsma, Frieslands oudheid (Utrecht, 2000), 186 en 251 – 252; K. Kuiken, Gerulfingen – Radbodingen?, De Nederlandsche Leeuw 119(2002) 139 – 144.(terug)
4 – J.M. van Winter, en H.P.H. Jansen, Adel, ministerialiteit en ridderschap 11de-14de eeuw, in: D.P. Blok e.a. (red.), Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 2: Middeleeuwen (Haarlem, 1982) 123 – 147; Halbertsma, Oudheid, 314; L. van der Tuuk en J.M. van Winter, Rondom Egmond, in: Holland, 39(2007) 276 – 298, aldaar p. 293.(terug)
5 – A. Janse, Een in zichzelf verdeeld rijk, in: T. de Nijs en E. Beukers (red.), Geschiedenis van Holland tot 1572 (Hilversum, 2002) 69 – 102, 71.(terug)
6 – B.K.S. Dijkstra, Een stamboom in been (Amsterdam, 1991).(terug)
7 – Bijvoorbeeld:www.genealogieonline.nl(zoek op ‘Radbod’ of ‘Gerulf’).(terug)
8 – De naam Radbod wordt in de middeleeuwse bronnen en in de moderne literatuur ook geschreven als Ratbod, Redbad of Radboud; Dirk ook als Diederik, Dietrich of Theoderic. In dit artikel is voor elke persoonsnaam één schrijfwijze gekozen en worden alternatieven alleen genoemd als dit voor het betoog van belang is.(terug)
9 – E.F.J. Dronke (red.), Traditiones et Antiquitates Fuldenses (Fulda, 1844).(terug)
10 – Vita Bonifatii auctore Willibaldo, MGH SRG LVII, 57.(terug)
11 – Einhardi Annales, MGH SS I (hierna: Einhard), 179.(terug)
12 – Dronke, Traditiones, 44.(terug)
13 – Annales Necrologici Fuldenses, MGH SS XIII, 161 – 218 (hierna: ANF), 170.(terug)
14 – Vita Radbodi episcopi Traiectensis, MGH SS XV-1, 568 – 571, 569.(terug)
15 – Dronke, Traditiones.(terug)
16 – A.F.C. Koch (red.), Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, I: eind van de 7e eeuw tot 1222 (’s-Gravenhage, 1970) (hierna: OHZ), 13.(terug)
17 – Zie ook Kuiken, Gerulfingen.(terug)
18 – K. Nieuwenhuijsen, Namen in de lage landen voor 1150,www.keesn.nl/names(2006). Zie ook Halbertsma, Oudheid, 84.(terug)
19 – Fredegarii Chronica, Monumenta MGH SRM II, 1 – 193, 176; Annales Mettenses, MGH SRG X (hierna: AM), 28.(terug)
20 – De Utrechtse bisschop Folcmar, 976 – 990, werd ook Poppo genoemd (Vita Bernwardi, MGH SS IV, 758; Vita Joh. Gorzendis, MGH SS IV, 358) evenals abt Wolcmar van Fulda, † 1018 (Thietmari Chronicon, R. Holtzmann (red.), Die Chronik des Bischofs Thietmar von Merseburg, MGH SRG N.S. 9 (München, 1935; herdruk 1980), 384 en 502).(terug)
21 – S. Muller en A.C. Bouman (red.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, I: tot 1197, (Utrecht 1920), nrs. 106, 118, 135 en 149. Nummer 149 (AD 999) vermeldt Poppo; volgens OHZ nr. 64 dateert het oudste afschrift van die oorkonde uit het eind van de 12e eeuw.(terug)
22 – W.A. van Es, Dorestad centred, in: J.C. Besteman, J.M. Bos en H.A. Heidinga (red.), Medieval Archaeology in the Netherlands. Studies presented to H.H. van Regteren Altena (Assen/Maastricht, 1990) 151 – 182, 167; J. Bazelmans, M. Dijkstra en J. de Koning, Voorspel. Holland in het eerste millenium, in: T. de Nijs en E. Beukers (red.), Geschiedenis van Holland tot 1572 (Hilversum, 2002) 21 – 68, 30. Alleen de legende van Willibrord op Fositeland suggereert dat Radbod´s invloed tot de Deense grens reikte (Halbertsma, Oudheid, 229). Echter, het is twijfelachtig of Radbod daadwerkelijk hierbij betrokken is geweest (W. Krogmann, Die friesische Sage von der Findung des Rechts, ZRG GA 84(1967) 72 – 127, 119).(terug)
23 – J.F. Niermeyer, Het midden-nederlands rivierengebied in de Frankische tijd, Tijdschrift voor Geschiedenis 66(1953) 145 – 169.(terug)
24 – OBZH I, p. 15.(terug)
25 – Halbertsma, Oudheid, 187.(terug)
26 – Einhard, 163, 177 en 179.(terug)
27 – ANF, 168.(terug)
28 – D.J. Henstra, The Evolution of the Money Standard in Medieval Frisia (Groningen, 1999) 296 – 297.(terug)
29 – ANF, 171 vermeldt in het jaar 822 de dood van een Theotheri.(terug)
30 – Jaekel, Grafen; OHZ p. 13 – 15.(terug)
31 – Nieuwenhuijsen, Namen.(terug)
32 – Die Urkunden der Karolinger, 1. Band, MGH DD Kar. I, 216.(terug)
33 – Dirk II en zijn zoon Arnulf ondertekenden in 988 beiden als ‘comitis’ (OHZ nr. 59).(terug)
34 – Halbertsma, Oudheid, 185.(terug)
35 – ANF, 174. Het dodenboek geeft geen titel van deze Gerolf.(terug)
36 – H. Bruch (red.), Chronographia Johannis de Beke, ´s-Gravenhage (1973), 53; L. van der Tuuk, Gingen de Utrechtse bisschoppen Hunger, Odilbald en Radbod vanwege de Noormannen in ballingschap?, in: Jaarboek Oud-Utrecht 2003, 33 – 66, aldaar 36 – 37.(terug)
37 – Halbertsma, Oudheid, 85 en 303; E.H.P. Cordfunke, Gravinnen van Holland (Zutphen, 1987), 21.(terug)
38 – Vita Vulframni, MGH SRM V, 657 – 673, 664.(terug)
39 – Liber Historiae Francorum, MGH SRM II, 215 – 328 (hierna: LHF), aldaar 324 – 325.(terug)
40 – Grimoald had al voor zijn huwelijk bij een concubine een zoon Theodald (LHF, 324; AM, 19 – 20). Deze is abusievelijk ook aangeduid als zoon van Theutsinda (Monumenta Epternacensia, MGH SS XXIII, 11 – 72, 59).(terug)
41 – Nieuwenhuijsen, Namen. In de Duitse bronnen komt in 858 voor het eerst weer een Ratbodus voor (Karoli II. Capitularia, MGH LL I, 458).(terug)
42 – R. de la Haye, Sint Servaas volgens Jocundus (Maastricht, 2006), 71.(terug)
43 – F.W.N. Hugenholtz, Melis Stoke en de afkomst der Hollandse graven, in: E. Hattinga van ’t Sant (red.), Convivium (Hilversum, 1988), 11 – 20.(terug)
44 – Koch dateert de vermelding van Gerhard in de Codex Eberhardi op 822 tot 856; OBHZ I, p. 16.(terug)
45 – ANF, 178.(terug)
46 – R. Wilmans, Die Kaiserurkunden der Provinz Westfalen 777 – 1313, I. Band 777 – 900 (Münster, 1867), nr. 20; P. Wigand, Traditiones Corbeienses (Leipzig, 1843), 453; Verwijs, De abdij van Corvei en de kerk van Leeuwarden (Leeuwarden, 1864), 32; Nieuwenhuijsen, Namen.(terug)
47 – J.M. van Winter, Dirk I bis, een nieuwe Hollandse graaf, Holland 15(1983) 185 – 198, 190.(terug)
48 – Halbertsma, Oudheid, 186, houdt het ook op grootvader en kleinzoon.(terug)
49 – Reginonis Chronicon, MGH SS I, 537 – 612 (hierna: Regino), 608; Chronicon Egmundanum, M. Gumbert-Hepp, J.P. Gumbert en J.W.J. Burgers (red.), Annalen van Egmond (Hilversum, 2007), 94; Liber Sancti Adalberti, O. Oppermann (red.), Fontes Egmundenses (Utrecht, 1933), 66 – 94 (ook bekend als Gravenregister), 68.(terug)
50 – Dijkstra, Stamboom.(terug)
51 – Dijkstra, Stamboom, 117; Regino, 555.(terug)
52 – C. Cawley, Medieval Lands, A prosopography of medieval European noble and royal families,fmg.ac/Projects/MedLands, 2000 – 2008 (geraadpleegd: mei 2008).(terug)
53 – Verwijs, Corvei.(terug)
54 – E.M.C. van Houts, The Gesta Normannorum Ducum of William of Jumièges, Orderic Vitalis, and Robert of Torigny, Vol. I, (Oxford, 1992), 48 – 49. Dudo zegt overigens slechts dat Radbod op de vlucht sloeg.(terug)
55 – Over de betrouwbaarheid van Dudo en het bestaan van Rollo: R. Helmerichs, Rollo as Historical Figure,home.mm.com/user/rob/Rollo, 2002 (geraadpleegd mei 2008). Over Athelstan en Raginer: Van Houts, Gesta, 32 – 34.(terug)
56 – E.H.P. Cordfunke, K. Borg en G.J.R. Maat, De skeletten uit het grafmonument Rijnsburg: een hernieuwd onderzoek, in: Bulletin KNOB 97 (1998) 1 – 14.(terug)
57 – Regino, 608.(terug)
58 – J.W.J. Burgers, De Rijmkroniek van Holland en zijn auteurs (Hilversum 1999); J.W.J. Burgers (red.), Rijmkroniek van Holland (366-1305) (Den Haag, 2004).(terug)
59 – Dijkstra, Stamboom, 48.(terug)
60 – J.M. van Winter, Ansfried en Dirk, twee namen uit de Nederlandse geschiedenis van de 10e en 11e eeuw, Naamkunde 13 (1981) 39 – 74; Van Winter, Dirk I bis; Cordfunke, Gravinnen; Halbertsma, Oudheid; Kuiken, Gerulfingen; van der Tuuk en van Winter, Egmond.(terug)
61 – Liber Sancti Adalberti, 68 – 71.(terug)
62 – OBHZ I, nrs. 26, 27 en 29.(terug)
63 – Annales Fuldenses, MGH SRG VII, 94; Thietmar, 66.(terug)
64 – Zie Cawley, Medieval Lands.(terug)
65 – Verwijs, Corvei.(terug)
66 – Kluit en Falke, aangehaald in Verwijs, Corvei, 26.(terug)
67 – Verwijs (p. 64) merkt zelf op dat ook de naam Arnulf ook als Arnold of Arnoud wordt geschreven.(terug)
68 – Zie noot 45; OHZ, nr. 21.(terug)
69 – Verwijs, Corvei, 34; zie ook Van der Tuuk en van Winter, Egmond, 292.(terug)
70 – Van Winter, Ansfried en Dirk; Van Winter, Dirk I bis.(terug)
71 – Van Winter duidt Gerulf II aan als ‘Gerulf de Oude’ of ‘Gerulf sr.’. Haar onderzoek laat de nog oudere Gerulf I buiten beschouwing maar behandelt wel de Gerulf ‘iuvenis’ uit 928.(terug)
72 – Cawley, Medieval Lands.(terug)
73 – Van der Tuuk en van Winter, Egmond.(terug)
74 – Cordfunke, Gravinnen.(terug)
75 – Hugenholtz, Melis Stoke.(terug)
76 – Verwijs, Corvey, 34 – 36.(terug)
77 – Burgers, Rijmkroniek auteurs, 252.(terug)
78 – Zie noot 48 en 57.(terug)