Valentijn

Geraadpleegde literatuur:

“Werd de moeder van Francois Valentijn krankzinnig van verdriet?” in Achter de Blauwpoort nr. 7 (juli 2005), p. 9 e.v.

C. Esseboom en N.L. Dodde, Minerva Dordracena, 750 jaar klassiek onderwijs in Dordrecht (1253-2003) (Dordrecht 2003)

I. Valentijn Andriessen, geboren naar schatting ca. 1600, jong gezel van Gorinchem, soldaat onder de compagnie van kapitein Calslager, garnizoen houdende te Woudrichem (1627), koolweger te Dordrecht, havenmeester van de Nieuwe Haven te Dordrecht, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 3 aug. 1669 (een baar op de Varkenmarkt voor Valentijn Andriessen havenmeestervan de Nieuwe Haven), trouwdeNG Gorinchem 8 april 1627 (NG trouwboek Zwijndrecht: na drie huwelijkse proclamaties op verzoek van Zwijndrecht in Gorinchem in de huwelijkse staat bevestigd op 8 april 1627)Anneken Jan Pietersdr. de Bruijn, geboren naar schatting ca. 1605, dochter van Jan Pietersz. de Bruijn (en Stijnke N.N. ?)

– 6 sept. 1646: Willem Jansz. van Ratingen, burger van Dordrecht, verkoopt aan Valentijn Andriessen, koolweger en burger van Dordrecht, een huis met toebehoren op de Varkenmarkt, genaamd “de Oliemolen”, staande tussen het huis van Cornelis van Someren, schepen in wette van Dordrecht en het huis van de weduwe van Hendrick Jansz. van Naerden. Koper kent schuldig een bedrag van 1000 gl. (ORA Dordrecht inv. 775, f. 135)

– 16 nov. 1649: Valentijn Andriessen vermeld als belender van een huis op Sint Joost te Dordrecht. (ORA Dordrecht inv. 777, f. 67v)

– 2 dec. 1651: Valentijn Andriessen, koolweger te Dordrecht, verkoopt aan Lambert Lambertsz. La Been [Labeen], kuiper te Dordrecht, een huis op de Varkenmarkt, genaamd “de Oliemolen”, staande tussen het huis van de weduwe en erfgenamen van Cornelis van Someren en dat van Jan Barentsz. Eemont. Waarborg: Jan Joosten de Vries, timmerman te Dordrecht, “voor de tijdt dat de vercooper tselve heeft beseten”. (ORA Dordrecht inv. 778, f. 71v)

– 6 juni 1654: wordt aan Hendrick Claesz. brugophaler van de grote houten brug [over de Nieuwe Haven] toegestaan, dat na zijn overlijden Valentijn Andriessen hem in die functie zal opvolgen, op voorwaarde, dat Valentijn gedurende het leven van Hendrick Claesz. de functie zal waarnemen, zonder daarvoor enige betaling te ontvangen. In margine: “den 13 april 1656 is dese acte wederom ingetrocken ende gedoot vermits Valentijn in gebreke bleve de brugge bij t leven van Hendrick Claesz. over te nemen. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3 inv. 946 [resolutieboek])

– 9 jan. 1661: Falentijn Andriesse, havenmeester te Dordrecht, getuige bij het passeren van een notariële akte. Hij tekent met een merkje.(ONA Dordrecht inv. 293, f. 184)

– 8 mei 1678: Annichjen Jansdr. de Bruijn, weduwe van Valentijn Andriessen, e.a. leggen op verzoek van Cornelis Pompe van Meerdervoort, schout van Dordrecht en vaandrig Gerard van Sasburch een verklaring af. Zij tekent met een kruisje.(ONA Dordrecht inv. 218, f. 116 e.v.)

Uit dit huwelijk:

a. Andreas Valentijn van der Wald, geboren naar schattingca. 1627. Volgens zijn neef Francois Valentijn (zie III) “een zeer groot wiskundige en werktuigkundige”. Hij vervaardigde omstreeks 1650 een perpetuum mobile in het klein. “Een grooter instrument slaagde minder, ook omdat V[alentijn] naar het hof van Albertus te Brussel vertrok, later naar dat van den vorst-aartsbisschop van Salzburg. Op verzoek van dezen legde hij zich als diens kamerheer en artilleriemeester-generaal toe op andere instrumenten om die uit naam van den vorst o.a. in 1668 aan keizer Leopold te gaan aanbieden.” (NNBW, p. 1268-1269)

b. Catarina, gedoopt NG Dordrecht juni 1630

c. Johannes Valentijn, geboren naar schatting ca. 1635, jongman van Dordrecht wonende op de Varkenmarkt (1659), lakenwerker, trouwde NG Dordrecht 16 febr. 1659 (proclamatie te Middelburg) Maeijken Jansdr. jonge dochter van Middelburgwonende in de Kromme Elleboog (1659)

Uit dit huwelijk:

c-1. Willemina van der Walt (van der Wolt), gedoopt NG Dordrecht 23 febr. 1660, trouwde Gerecht/NG/Dordrecht 16/30 mei 1700 Dirk van Driel, jongman van Dordrecht (1700)

-4 febr. 1721: Willemina van der Walt, weduwe van Dirk van Driel, wonende te Dordrecht, testeert ten overstaan van notaris G. de Haen. Zij legateert aan haar tante Maria Valentijn, wonende te ‘s-Hertogenbosch, een somma van 200 gl., aan haar tante Magdalena Valentijn, wonende in ‘s-Hertogenbosch, 200 gl., aan haar neef Isack Quinting, wonende in Klundert, 250 gl., aan haar tanteAnna Valentijn, weduwe van Pieter Quinting, wonende te Dordrecht, 200 gl., aan haar tante Christina Valentijn, weduwe van Arent van Seventer, wonende te Dordrecht, 6 gl., aan haar neef Francois Valentijn, wonende te Dordrecht, 6 gl., aan Willem van Driel, broer van haar overleden man, wonende te Dordrecht, 50 gl., aan de twee kinderen van haar voornoemde tante Maria Valentijn, Geertruijd en Christina Marcusse, ieder een strengetje van haar gouden halsketting, “de welke vier [strengen] dik is”, aan Willemijntje Quinting, dochtertje van Jacob Quinting, meester-goud- en zilversmid te Dordrecht, de twee overige strengetjes van haar halsketting met het gouden slotje, daaraan vast zijnde, aan Johannes Marcus, zoon van haar tante Maria Valentijn, een zilveren tabaksdoos, aan Anna en Margarita Sixtij, dochters van Margarita Quinting, bij haar verwekt door Johannes Sixtij, ieder 6 gl. en bij vooroverlijden van één van voormelde legatarissen zal diens legaat komen aan Jacob Quinting of bij vooroverlijden diens kinderen. Tot universeel erfgenaam van al haar overige na te laten goederen benoemt zij Jacob Quinting, die zij tevens aanstelt tot voogd en executeur-testamentair. Akte door testatrice ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 833, akte 7, f. 15 e.v.)

– 14 aug. 1721: Johan van Eijsde, koopman te Dordrecht, als testamentaire voogd van Dionisius van Eijsde, zoon en erfgenaam van wijlen Appolonia van den Steen, weduwe van Gerrard van Eijsde, onlangs te Dordrecht overleden, verklaart uit handen van Jacob Quinting meester-zilversmid en Willemijntje van der Wald, weduwe van Dirk van Driel, beiden wonende te Dordrecht, ontvangen te hebben een somma van 300 gl., t.w. van elk van hen 150 gl., ter voldoening van de borgtocht, die Jacob Quinting en Dirk van Driel voor Ysaack Quinting, resp. hun broer en neef, ten behoeve van Appolonia van den Steen hebben gepasseerd wegens hun aandeel in een somma van 1000 gl., die Isaack Quintingh volgens obligatie dd 10 aug. 1718 van Appolonia van Steen heeft geleend. (ONA Dordrecht inv. 617, f. 136 e.v.)

25 febr. 1721: Jacob Quintingh, mr. goud- en zilversmid te Dordrecht, als enige erfgenaam vam Willemijntje van der Welt, weduwe van Dirk van Driel, gewoond hebbende en overleden te Dordrecht, verkoopt voor 360 gl. aan Abigaël Maronier, weduwe van Ernst van de Graaff, burgeres van Dordrecht, een huis in de Doelstraat omtrent het Steegoversloot, staande tussen het huis van Govert Nieraad en dat van Geertruijd Peijl. De koopster is schuldig aan Andries Cant, notaris te Dordrecht, een bedrag van 150 gl. (ORA Dordrecht inv. 1650, f. 12 e.v.)

d. Abraham Valentijn, gedoopt NG Dordrecht nov. 1640, volgt II

e. Anna Valentijn, geboren naar schatting ca. 1640, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Varkenmarkt (1663), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 18 jan. 1727 (Anna Valentijn, weduwe van Pieter Quinting, bij de Beurs op de hoek van de Kolfstraat, laat kinderen na), trouwde NG Dordrecht/Kijfhoek17 juni/1 juli1663 Pieter Pietersz. Quinting, gedoopt NG Dordrecht aug. 1633, jongman van Dordrecht wonende in de Schuitenmakersstraat (1663),kleermaker (1663), meester-kleermaker (1690)te Dordrecht, zoon van Pieter Quinting en Grietgen Perkis

– 8 juli 1660: Anna Valentijn, “wollenaeijster”, heeft zitten naaien ten huize van Coenraet van Ceulen, wijnkoper, wonende in de Wijnstraat tegenover de Schrijverstraat. (ONA Dordrecht inv. 226, f. 455)

– 23 juni 1690: verklaring door o.a. Pieter Quintingh, 57 jaar oud, gewezen deken van het Kleermakersgilde en mr. kleermaker te Dordrecht. Hij tekent met zijn naam.(ONA Dordrecht, inv. 551)

– 14 sept. 1692: een baar voor de zoon van Pieter Quintin kleermaker tegenover de Augustijnenkerk. (begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 5 febr. 1712: comp. voor notaris Albertus van Nievelt Pieter Quintingh, mr. kleermaker en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Anna Valentijn, die verklaren voor 1400 gl. aan Franchois de Clercq, blikslager en burger van Dordrecht, verkocht te hebben een huis in de Voorstraat tegenover de Augustijnenkerk, in welk huis de verkopers tegenwoordig wonen, staande tussen het huis van Gillis van den Bergh en het huis, dat wordt bewoond door Marija Duijm. Akte door verkopers en koper ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 608, akte 17)

– 16 jan. 1727: is overleden Anna Valentijn, weduwe van Pieter Quinting, bij de Beurs, zonder wezen [minderjarige erfgenamen] volgens verklaring van Jacob Quintingh. (Weeskamer Dordrecht inv. 114, f. 20v)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

e-1. Margarieta, 31 mrt. 1664

e-2. Pieter, 17 juni 1665

e-3. Andries, 10 okt. 1666

e-4. Johannes, 2 april 1668

e-5. Abraham, 16 sept. 1669

e-5. Anna, 19 aug. 1671

e-6. Anna, 6 nov. 1672

e-7. Maria, 3 sept. 1674

e-8. Margriet (Margrita) Quinting, 25 mei 1676, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Augustijnenkerk (1700), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 19 sept./4 okt. 1700 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Sixtij Petri, de bruid met haar moederAnna Quintin, attestatie te vertonen) Johannes Sixtij, jongman van Rotterdam wonende in de Nieuwstraat te Dordrecht (1700)

e-9. Isaack Quinting, 28 mei 1679, jongman van Dordrecht wonende bij de Augustijnenkerk (1709),woonde in 1721 in Klundert, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 15 de. 1709/12 jan.1710 (de bruidegom met mondeling consent van zijn ouders) Margarieta van Eijsde, jonge dochter van Dordrecht wonende op het Maartensgat (1709)

e-10. Jacob Quinting, 9 nov. 1681, meester goud- en zilversmid te Dordrecht, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 27 juli 1704 Johanna Margareta Dermoeij

-25 jan. 1725: Gillis van den Beeck, pondgaarder te Dordrecht, en Maria van den Beeck, alserfgenamen van Maria de Graaff, weduwe van Gillis van Helmond, verkopen voor 2000 gl. aan Jacob Quintingh mr. zilversmid een huis in de Voorstraat op de hoek van de Kolfstraat, staandenaast het huis van burgemeester Johan van den Brandeler. De koper is schuldig aan Evert Hartman, koopman te Dordrecht, een somma van 2000 gl. (ORA Dordrecht inv. 814, f. 143v e.v.)

– 29 febr. 1736: Jacob Quintingh mr. zilversmid stelt zich borg voor Willem de Groot, notaris te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 920)

– 9 jan. 1741: Jacob Quintingh mr. zilversmid verkoopt voor 2500 gl. aan Adriaan van den Bergh, koopman te Dordrecht, een huis in de Voorstraat bij de Beurs, staande tussen de Kolfstraat en het huis, dat wordt bewoond door Philippina van Meeuwen. (ONA Dordrecht inv. 909, akte 3)

f. Cristijn (Christina) Valentijn, gedoopt NG Dordrecht 26 jan. 1644, jonge dochter van Dordrecht wonende in het Steegoversloot (1684), trouwde NG Dordrecht 8 okt. 1684 (ondertrouw) Arent van Sevender, jongman van Arnhem wonende bij de Augustijnenkerk [Voorstraat] (1684)

g. Marij Valentijn, gedoopt NG Dordrecht 8 jan. 1646, woonde in 1721 in ‘s-Hertogenbosch

h. Madaleentjen Valentijn, gedoopt NG Dordrecht 31 mrt. 1649, woonde in 1721 in ‘s-Hertogenbosch

II. Abraham Valentijn, gedoopt NG Dordrecht nov. 1640, jongman geboren te Dordrecht wonende in de Hofstraat (1665), preceptor in de Latijnse school te Dordrecht (vermeld 1665),hij leefde nog in 1697, toen de Curatoren van de Latijnse School de Oudraad verzochten hem “te disponeren” om in het Oudemannenhuis verzorgd te worden (Van der Aa, Biographisch Woordenboek [internet]), trouwde NG Dordrecht 17 mei 1665 (ondertrouw, proclamatie te Rotterdam) Maria Rijsbergen, gedoopt NG Oud-Alblas 29 jan. 1645, jonge dochter van Alblas wonende op de Boom te Dordrecht (1665), dochter van Franciscus Rijsbergius, predikant en Anna Verduijn, werd omstreeks 1690 krankzinnig en werd op verzoek van haar man opgenomen in een niet nader aangeduide instelling voor geesteszieken. (Achter de Blauwpoort, nr. 7 [internet], p. 9 e.v.)

“Abraham was geïnteresseerd in klassieke talen. Al voor zijn huwelijk werkte hij als derde preceptor (leraar klassieke talen aan de derde klas, waarbij de eerste klas het hoogste is) aan de Latijnse school in Dordrecht. In 1675 maakte hij promotie en werd hij conrector aan dezelfde school. Vijf jaar later solliciteerde hij tevergeefs naar de functie van rector, tot zijn pensioen in 1686 bleef hij conrector. … In 1680 regelde Abraham dat indien hij zou sterven, [zijn zoon] Francois de voorkeur zou krijgen bij een aanstelling als leraar klassieke talen. Voorwaarde was wel dat hij daar geschikt voor was. … In 1681 kreeg Abraham Valentijn de eervolle functie van bibliothecaris van de Dordtse stadsbibliotheek.”

Publicaties:

– 1662: Vertaling van De Schimpdichten van Juvenalis en Persius (Leiden 1662, herdrukt in 1682 en 1703

– 1678: Al de werken van Pub. Ovidius Naso (Amsterdam 1678, herdrukt in 1696, gewijzigde herdruk in 1700 met annotaties van L. Smits)

26 mrt. 1670: compareert Abraham Valentijn, preceptor in de Latijnse school te Dordrecht, als echtgenoot van Maria Rijsbergen, voor zichzelf en als voogd van de minderjarige kinderen van wijlen Adriana Rijsbergen, weduwe van Gillis van den Bosch. Hij verklaart uit handen van Gerard van Duijnen, uit de Achten van Dordrecht, weduwnaar van Adriana Rijsbergen, de tante van zijn vrouw, ontvangen te hebben een somma van 2400 gl., aan zijn vrouw en haar zuster Adriana Rijsbergen gelegateerd, overeenkomstig het testament van hun tante, gepasseerd op 23 okt. 1666 voor de Dordtse notaris A. de Haen. (ONA Dordrecht inv. 301, f. 112)

6 juni 1679: Abraham Valentijn, conrector van de Latijnse school te Dordrecht, verkoopt voor 325 gl. aan Geerardt Vos, zijdenlakenkoper te Dordrecht, een erf achter het huis van de koper, staande [in de Voorstraat] omtrent de Beurs, ter breedte van het huis van de koper, strekkendevan achteren van de muur af van zijn kookkeuken tot aan het secreet van de verkoper. (ORA Dordrecht inv. 791, f. 44)

21 sept. 1686: Abraham Valentijn en zijn vrouw Maria Rijsbergen, burgers van Dordrecht, verkopen voor 1430 gl. aan Hendrick Weijers een huis en tuin, staande en gelegen op de Varkenmarkt achter het huis van Abraham Cuijper, nomine uxoris, en belend door de huizen van de weduwe van burgemeester Cornelis de Vries en dat van ds. Henricus Francken. (ORA Dordrecht inv. 794, f. 111v e.v.)

– 1685: conrector Abraham Valentijn vraagt ontslag, “maar wijst daarbij op de noodzaak van een pensioen. De Oudraad verleent hem een levenslang pensioen van [400 gl.] in verband van desselfs langen dienst als ten opsichten van sijne nootdruftige familie.” (Esseboom/Dodde, o.c., p. 148)

– 1697: “Het zoeken naar gelden [om de salarissen van de leraren van de Latijnse School te bekostigen]leidt tot de oplossing het pensioen van de gewezen conrector Abraham Valentijn stil te zetten en hem toe te staan zijn leven lang op kosten van de stad het Oudemannenhuis in te gaan. Zijn vrijkomende pensioen wordt dan aangewend voor [preceptor] Huygens”, die 400 gl. gaat verdienen plus 50 gl. voor het beheer van de bibliotheek. (Esseboom/Dodde, o.c., p. 149)

Kinderen uit dit huwelijk (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Franciscus Valentijn, 22 april 1666, volgt III

b. Anna Maria, 25 jan. 1668, overleden in 1722

c. Johannes, 31 mrt. 1670, overleden in 1689

d. Adriana, 1 febr, 1672, overleden in of na 1696

e. Adrianus,16 april 1674

f. Johannes, 12 febr. 1676, overleden in 1679

g. Livina, 22 juli 1678, overleden in of na 1700

III. Francois (Franciscus) Valentijn, gedoopt NG Dordrecht 22 april 1666, predikant in Oost-Indië en Dordrecht, overleden Den Haag 1727

Hij woonde te Dordrecht in een huis aan de Wolwevershaven (thans nr. 14). (A. Balm en J.W. Boezeman, Waar woonde Francois Valentijn? in: Oud-Dordrecht 2010,nr. 3, p.7 e.v.)

Publicatie:

– 1724-1726: Oud en Nieuw Oost-Indiën (5 delen)

Francois Valentijn.

ORA Dordrecht inv. 1636, f. 173: op 31 okt. 1698 verkoopt mr. Matthijs Snouck, lid van de Oudraad te Dordrecht, als vader en voogd van Adriaan Snouck en tevens vervangende mr. Gijsbert Henrick Casembroot, als man van Elisabeth Erkenraat Snouck, voor 7000 g. aan ds. Francoijs Valentijn een huis op het Bagijnhof, staande tussen het huis van de verkoper en de gang genaamd [naam niet vermeld]