De nakomelingen van Abraham Klaasz. de Haan

Met dank aan de heren B. Prins te Alphen a/d Rijn en mr. J. van den Brande te Rotterdam, die mij voorzagen van aanvullende gegevens.

I. Claes (Niclaes)Jansz. de Haen (van Tilburch), schrijnwerker te Dordrecht,begraven Dordrecht mei 1596, trouwde naar schatting ca. 1575Lijntgen Pauwelsdr., geboren naar schatting ca. 1550, mogelijk te Breda, dochter van Pouwels Josephsz. de Wilde en NN

– 6 okt. 1586: compareren voor schepenen van Dordrecht Willem Anthonisz. Kick (*), als man en voogd van Lijsken Pauwelsdr., wonende te Delft, Niclaes Jansz. de Haen, als man en voogd van Lijntgen Pauwelsdr., burger van Dordrecht en voornoemde Willem en Niclaes samen vervangende Adriaen Merten Spierincxsz., als man en voogd van Adriaenken Pauwelsdr., “van de welcken zij specialijcken totten ontfanghe geconstitueert zijn volgende de procuratiën daer van zijnde in date den IIen dach der maent decembris [1583] gepasseert voor Henrick Dirven notaris ende zekere getuijgen” en Marijcken Pauwelsdr., laatst weduwe van Jan Willemsz., voor zichzelf en tevens vervangende haar onmondige kinderen, bij haar verwekt door Jan Willemsz., geassisteerd met haar zwager Willem Anthonisz., als haar voogd voor deze gelegenheid. Comparanten verklaren uit handen van Betken Dirck Michielsdochter, weduwe van Cornelis Pauwelsz. schoenmaker (#) ontvangen te hebben een somma van 175 gl. van 40 groten Vlaams het stuk, zijnde de vierde en laatste termijn “vande vuijtcoop van alle ende ijegelijcke der nagelate goederen des voorsz. Cornelis Pauwelsz. der voorsz. comparanten broeder ende schoonbroeder respective was, ende van Anneken zijne dochter, den voorsz. [haar] … vaeder ontrent de drie weecken tijts overleeft hebbende, … int geheel bedraegen hebbende de somme van zeven hondert carolus gulden.” (ORA Dordrecht inv. 739, f. 46v en 47)

* Willem Anthonisz. Kick, van Breda, kramer en zijdelakenkoper te Delft,wordt burger van Delft op 23 mei 1583,trouwde 1e naar schatting ca. 1570 Elijsabeth Pouwels Josephsdr. de Wilde, geboren naar schatting ca. 1545, overledentussen6 okt. 1586en 16 juli 1590, trouwde 2e (ondertrouw Delft 25 aug.) Amsterdam 9 sept. 1590 Anna (Tanneken) de Brey. (Weeskamer Delft XIII, f, 19, geciteerd in Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 1973, p. 44 e.v.)

# NG trouwboek Dordrecht febr. 1576: [ondertrouwd] Cornelis Pauwelsz. van Breda en Lijsbeth Diericxdr. van Dordrecht.

Idem 20 sept. 1587: [ondertrouwd] Niclaes van de Corput Marcelisz. weduwnaar en Betteken Dirrick Michielsdr. weduwe van Cornelis Pauwelsz., beiden van Breda

– 23 mrt. 1577: verklaring door o.a. Cornelis Pauwelsz., 30 jaar oud, lid van het schoenmakersgilde. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 10)

– 3 aug. 1577: Cornelis Pauwelsz., schoenmaker en burger van Dordrecht, stelt zich borg voor Guillem Crispijnsz. (ORA Dordrecht inv. 712, f. 136)

– 7 mrt. 1582: verklaring door Cornelis Pouwelsz. schoenmaker, 35 jaar oud, t.b.v. Jacob Gijsbertsz. kleermaker. (ORA Dordrecht inv. 736, f. 302)

– 16 juli 1590: compareert voor notaris Jacob Burgersz. [te Delft] Willem Anthonysz. Kickkramer, als vader van zijn zeven kinderen, verwekt bij Elijsabeth Pouwelsdr. de Wilde, zijn vrouw zaliger, nl. Pouwels, 20 jaar oud, Heijltgen, 19 jaar oud, Cornelis, 17 jaar oud, Anneken, 15 jaar oud, Willemken, ongeveer 11 jaar oud, Lijsbeth, 5 jaar oud en Anthonis, 3 jaar oud, enerzijds en Claes Jansz. van Tilburch, wonende te Dordrecht, als echtgenoot van Lijncken Pouwelsdr. de Wilde, een zuster van voornoemde Elijsabeth de Wilde en Pieter Anthonisz. Kick, wonende te Breda, als ooms en bloedvoogden van genoemde kinderen, samen met Gerrit Claesz. van Veenhuysen, burger van Delft, hun medevoogd, anderzijds. Comparanten komen overeen aangaande de moederlijke erfenis, dat elk van de kinderen een bedrag van 300 gl. en bij huwelijk nog eens 700 gl. zal ontvangen. (Weeskamer Delft XIII, f, 19, geciteerd in Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 1973, p. 44 e.v.)

– 1594 (verponding Dordrecht): Claes Jansz. de Haen huurt een winkel in het huis van de “erfgenamen in “Pauwesteijn”.

“Pauwesteijn” was een huis in de Oude Houttuin in de Voorstraat. De eigenaren worden vermeld in een akte uit 1587. (ORA Dordrecht inv. 740, f. 22v, akte dd 22 dec. 1587: Gerbrant Jacobsz., voor zichzelf en als voogd van het weeskindvan Marike Jacobsdr., tevens procuratie hebbende van Margareta Jacobsdr., weduwe van Hendrick Schriver, Janneke Jacobsdr. en Lijnke Hendricksdr. Schriver, als eigenaars van het huis “Pauwesteijn”, verkopen aan Rochus Cornelisz. Praem een gang, “als d’eijgenaers vande voorsz. huijse van Pauwesteijn hebben spreecken op ende over de plaetse ende houtuijn vande huijse daer overstaende nu toebehoorende d’voorsz. Rochus Cornelisz. Praem.”)Zij betaalden in de verponding van 1594 22 ponden en 10 s. Belenders: Rochus Praem, die verhuurt aan Jacob vanBlijenborghen Jan Claesz., die huurt van Pauwesteijn. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3965, f. 94v)

– mei 1596: de kerkvoogdij van Dordrecht ontvangt 6 pondenvoor het begraven van Claes de Haen, schrijnwerker, in de Grote Kerk (SA Dordrecht, archief 28, inv. 1689, f. 41)

– 1606 (verponding Dordrecht): de erfgenamen in “Pauwesteijn” betalen in de verponding voor hun huis in de Oude Houttuin (Voorstraat) 22 ponden en 10 s. Belenders: Rocus Praem en Bastiaen Aertsz. koekenbakker. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3 inv. 3966, f. 94 e.v.)

– 1611: Abraham Claesz. woont in “Pauwesteijn” bij zijn moeder. (NG trouwboek Dordrecht 29 mei 1611)

Kinderen:

a. Pauwels Claesz. de Haen, geboren naar schatting ca. 1575, schrijnwerker van Breda (1600, 1602), overleden ca. 1625, trouwde 1e NG Dordrecht 4/20 juni 1600 Gritten Jan Lenaertsdr., van Dordrecht (1600), overleden ca. 1601, dochter van Jan Leendertsz. en Baaltje Roerom Cornelisdr. (Balen, o.c., II, p. 1207), 2e NG Dordrecht 24 mrt./9 april 1602 Jennicken (Anneken) Adriaen Leenartsdr., van Oosterhout

ORA Dordrecht inv. 1589, f. 75 e.v.: op 19 juni 1612 verkopen Jacob van Meuwen houtkoper en mr. Pieter van Meuwen, licentiaat in de rechten, ontvanger van de Grafelijkheidstol van Holland, voor zichzelf en als voogden van Margareta, Maria en Cornelia van Meeuwen, hun onmondige zusters, aan Pouwels Claesz. de Haen, schrijnwerker en burger van Dordrecht, een huis, genaamd “de Schrijvende Handt”, staande aan de Landzijde bij de Nieuwbrug tussen het huis van Jacob Jaspersz. en dat van Balthen Claesz. van Cronenburch alias van Sevender. Waarborg: Gijsbrecht van Schaerlaecken Cornelisz., burger van Dordrecht. De koper is schuldig aan de verkopers een somma van 2850 gl. Borg: Abraham Nicolaesz. de Haen, schrijnwerker en burger van Dordrecht.

– 14 mei 1617: testeren voor notaris G. de Jager Cornelis Anthonisz. van den Berch twijnder en zijn vrouw Aerjaentken Huijgendr., wonende te Dordrecht. Zij benoemen tot voogden over hun minderjarige erfgenamen, naast de langstlevende van hen beiden, zijnerzijds Evert Jacobsz. metselaar en harerzijds Paulus Claesz. de Haen schrijnwerker. (ONA Dordrecht inv. 22, f. 154 e.v.)

– 3 juli 1625: in het weesboek wordt ingeschreven een extract van het testament van Pauwels Claesz. de Haen en zijn vrouw Janneken Adriaensdr., gepasseerd voor notaris H. van Naerden op 14 aug. 1617. Pauwels heeft tot voogd aangesteld zijn broer Abraham Claesz. de Haen en Janneken haar broer Jan Adriaensz. (Weeskamer Dordrecht inv. 17, f. 44v)

Kinderen:

ex 1:

a-1. Nicolas, gedoopt NG Dordrecht mei 1601

ex 2:

a-2. Adriaen Pauwelsz. de Haen, geboren ca. 1607, jongman van Dordrecht, woont bij de Grote Kerk (1635), trouwde NG Dordrecht 22 april/6 mei 1635 Heijltge (Helena)Coopmans Abrahamsdr., gedoopt NG Dordrecht juli 1606,van Dordrecht, woont bij de Pelserbrug (1635), dochter van Abraham Coopman Jansz., burgemeester van ’s herenwege te Dordrecht en bewindhebber van de WIC, en van Ariaentgen Christiaensdr.

Zie Balen, o.c., II, p. 1207. Volgens Balen was Adriaen een zoon uit het eerste huwelijk van Pauwels de Haen, wat onjuist moet zijn, gezien hetgeenin onderstaande akte vermeld staat.Adriaen had een dochter Johanetta, die dannaar zijn moeder Jenneken (of Anneken) Adriaensdr. vernoemd zal zijn.

– 12 mrt. 1627: comp. voor notaris D. Eelbo Anneken Ariensdr., weduwe van Pouwels Claesz. de Haen, schrijnwerker te Dordrecht en haar zoon Arijen Pouwelsz. [de Haen], ongeveer 20 jaar oud. Zij leggen een verklaring af t.b.v. Rogier de Meijer, burger van Zevenbergen. (ONA Dordrecht inv. 56, f. 43v)

– 17 jan. 1652: Pieter Vos, burger van Dordrecht, is schuldig aan Christiaen Coopman, raad in wette van Dordrecht, als oom en voogd van de kinderen van wijlen Adriaen Pauwelsz. de Haen, een bedrag van 800 gl., verbindende zijn huis omtrent de Nieuwbrug, genaamd “de Vijer Winden”,staande tussen het huis van Pieter de Carpentier, oudraad van Dordrecht, en het huis van Dirck Dammert en Cornelia Dammerts. (ORA Dordrecht inv. 778, f. 81 e.v.)

– 6 april 1652: Maria Franssen, weduwe van Jacob Jansz., verkoopt aan Christiaen Coopman, raad in wette, als voogd van de weeskinderen van wijlen Adriaen Pauwelsz. de Haen, een huis omtrent de Visbrug tussen Maerten Abrahams en Jan Boucquoij. (ORA Dordrecht inv. 778, f. 84)

b. Abraham, volgt II

II. Abraham Claesz. de Haen,geborennaar schatting ca. 1585,schrijnwerker van Breda, wonende in “Paeuwesteijn” bij zijn moeder (1611), houtkoper (vermeld 1652), overleden kort vóór 13 mrt. 1663,trouwde 1e NG Dordrecht 29 mei/19 juni 1611 Iken Adriaen Brandewijcxdr., gedoopt NG Dordrecht juni 1586,”van Dordrecht”, wonende bij Francois van den Berge (1611), dochter van Adriaen Aertsz. (van Brantwijck) en Magdaleenken Pieter Jansdr., trouwde 2e NGAmsterdam(ondertrouw) 25 okt. 1640 (Abraham Claesz. de Haen van Breda weduwnaar van IJtge Brantswijck wonende te Dordrecht en Elsgie Jansdr. van Breunisken, 39 jaar oud, geen ouders hebbende, wonende op de Breestraat, de drie geboden zijn te Dordrecht gegaan; NG trouwboek Dordrecht 28 okt. 1640 Abraham Claesz. de Haen, weduwnaar van Breda wonende te Dordrecht, met Elsjen Jansdr. “van Breunisken”, wonende te Amsterdam, per schrijven van daar) Elsjen Jansdr. van Breunisken, geboren ca. 1601, overleden in of na 1674

– 6 dec. 1630: Abraham Claesz. de Haen schrijnwerker wordt opgenomen in het Houtkopersgilde te Dordrecht, heeft vier kinderen, m.n. Madeleena, Jan, Claes en Cateli[n]a de Haen, betaalt 7 gl. 10 st., tweede eed. (Gildenarchieven Dordrecht, inv. 8)

– 1633 (verponding Dordrecht): Abraham Claesz. de Haen schrijnwerker betaalt voor zijn huis in de Oude Houttuin (Voorstraat) 12 gl. 10 st. Belenders: Herman Thielemansz., die huurt van de erfgenamenvan [Claes Jansz. Pauwesteijn] en Walraven Claesz. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3971, f. 107v)

– 6 aug. 1637: compareren Abraham Claesz. de Haen, schrijnwerker, getrouwd met IJken Adriaensdr., dochter van wijlen Adriaen Aertsz. van Brantwijck, enerzijds en Cornelis Adriaensz. Brantwijck, broeder van halven bedde van voornoemde IJken, wonende in de polder van Namen, anderzijds. Zij verklaren een overeenkomst gesloten te hebben aangaande de verkoop van het zevende part van de goederen, die IJken Adriaensdr. aanbestorven zijn door overlijden van haar vader. (ONA Dordrecht inv. 59, f. 517 e.v.) Adriaen Aertsz. trouwde NG Dordrecht 25 nov./16 dec. 1584 Maddalena Pieter Jansdr. (beiden van Dordrecht).

-8 aug. 1637: Catharina Arijensdr., weduwe van Franchoijs van derVelde, voor zichzelf voor de ene helft, tevens als gemachtigde van David Leschevijn, munter te Middelburg en diens vrouw Adriaentken Jansdr., volgens procuratie gepasseerd voor notaris D. van Onderdonck te Middelburg op 27 mrt. 1637, voor 1/4 part en Heijltgen Gerritsdr. [Stouten], weduwe van Claes Jansz. Pauwesteijn [overleden tussen ca. 1630 en 8 aug. 1637], voor het resterende 1/4 part,verkopen aan Abraham Claesz. de Haen, schrijnwerker en burger van Dordrecht, een huis “in den Houttuijn” [ = de Oude Houttuinin de Voorstraat] te Dordrecht, genaamd “Cleijn Pauwesteijn”, staande tussen het huis genaamd “Groot Pauwesteijn” (op diezelfde dag door genoemde verkopers verkocht aan Herman Thielmansz. lakenkoper) en het huis, waar uithangt “de Drije Oraenge Appelen”, op voorwaarde dat de koper op zijn kosten laat maken “de heijnninge tot separatie van den ganck van vijer voeten breete op ’t erff van’t voors. huijs Groot Pauwesteijn, alsmede de poorte achter in de Wijngaertstraete omme tot dienst ende gebruijck van de voors. beijden huijsinge Groot ende Cleijn Pauwesteijn gebruijckt te werden.” Koper is schuldig aan Catharina Arijensdr., met goedkeuring van de overige verkopers, een bedrag van 1100 gl. Borg: Arijen Pauwelsz. de Haen, burger van Dordrecht.(ORA Dordrecht inv. 771, f. 31-32v)

– 16 okt. 1652: Claes Claesz. van Ros, schrijnwerker en burger van Dordrecht, verklaart schuldig te zijn aan Abraham Claesz. de Haen, houtkoper te Dordrecht, 152 gl. en 10 st. wegens leverantie van wagenschot. (ONA Dordrecht inv. 90, f. 785 e.v.)

– 2 sept. 1655: compareert Abraham Claesz. de Haen, meester-schrijnwerker en burger van Dordrecht, getrouwd geweest met Ida Adriaensdr. Brantwijck zaliger, tevens als last hebbende van Pieter Arijensz. Brantwijck, blijkens akte gepasseerd voor notaris Pieter Lesqu in Hulsterambacht op 28 aug. 1655 en verklaart ontvangen te hebben uit handen van de kinderen en erfgenamen van Ocker Baene, in zijn leven magistraat van Dordrecht, een somma van 750 gl. van 20 st. het stuk, zijnde de gerechte helft van een somma van 1500 gl., die de kinderen en erfgenamen van Ocker Baene gehouden waren uit te reiken. (ONA Dordrecht inv. 134)

– 18 jan. 1661: testament, gepasseerd voor notaris A. van Neten, van Abraham Claesz. de Haen, oud-schrijnwerker en burger van Dordrecht, gezond van lichaam gaande en staande. Hij verklaart te bevestigen de huwelijkse voorwaarden, die hij heeft gemaakt met zijn huidige echtgenote Elsken Jans, voor zover niet strijdig met dit testament en aan zijn vrouw te hebben vermaakt, boven hetgeen hij haar in de huwelijkse voorwaarden heeft besproken, een gerecht kindsgedeelte van zijn na te laten goederen. Hij legateert aan zijn nog ongetrouwde dochter Catharijntgen de Haen, ter compensatie van hetgeen hij zijn gehuwde kinderen Magdaleentgen en Johan de Haen bij hun huwelijk en zijn andere zoon Claes de Haen”tot het exspellen van zijnen winckel ende andersints” heeft gegeven, eens de somma van 350 gl.. Hij benoemt de twee kinderen van zijn overleden zoon Johan de Haen tot mede-erfgenamen. Tot voogden stelt hij aan zijn zoon Nicolaas de Haen en zijn schoonzoon Andries van Gewas. (ONA Dordrecht inv. 140, f. 30 e.v.)

– 7 juli 1661: compareert Susanna Floris, weduwe van Dirck Joppen Coopmans, in zijn leven brugwachter van de Nieuwbrug te Dordrecht, ziek te bed liggende. Zij legateert aan Elsken Jans, de vrouw van Abraham Claesz. de Haen,een somma van 50 gl., aan de kinderen van Floris Jansz., de kinderen van Joost Jansz., de kinderen van Willem Jansz. en de kinderen van Michiel Jansz. “over de welcke sij testatrice oude moeije is”, samen en onder hen allen een somma 300 gl. en aan haar zuster Willemijntgen Floris, wonende te Vlaardingen, een somma van 500 gl. (ONA Dordrecht inv. 140, f. 349 e.v.)

– 13 mrt. 1663: extract van het testament van Abraham Claesz. de Haen, op 18 jan. 1661 gepasseerd voor notaris A. van Neten, ingeschreven in het weesboek. (Weeskamer Dordrecht inv. 24, f. 236v)

– 1663: Abraham Claesz. de Haenbegraven in de Nieuwkerk te Dordrecht in graf 28, in 1690 beschreven als: “Tegens de voet van de pelaer naarachteren. Een gemetselt graft van Abram Claesse de Haen.” Het graf in de kerk werd op 25 sept. 1722 gezet op naam van Jan de Haen enAdrianus de Haen. Als mede-gerechtigden worden op die datum vermeld: Hendrik de Haen, Marijke van Gewas, Maddeleentje Turijn en Maddeleentje van Sevenom en Belia van Sevenom. In 1728 en 1733 werd het gezet op naam van Hendrik de Haen en vervolgens om de tien jaar (tot 1763) wederom op naam van Hendrik de Haen. Zerkomschrijving: zerk met nummer 28K. Afmeting 97x147x10cm. [A. Nelemans, Hic conditur. De graven van deNieuwkerk te Dordrecht (Amsterdam 2006), p. 91-92])

– 7 mrt. 1670: Maria Servaesdr., weduwe van Joris Jansz. de Penij, legateert aan Elsken Jans, de weduwe van Abraham Claesz. de Haen, een somma van 150 gl. (ONA Dordrecht inv. 319, f. 39 v)

– 7 jan. 1674: testeert Elsken Jans, weduwe van Abraham de Haen, ziekelijk van lichaam te bed liggende. Zij benoemt tot haar enige, wettige en universele erfgenamen “met vollen rechte” Nicolaes en Catharijntgen de Haen, beiden voorkinderen van haar man zaliger. (ONA Dordrecht inv. 158, f. 22v)

Kinderen (ex 1, allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. NN, mrt. 1614

b. Magdalena Abrahamsdr. de Haen, geboren naar schatting ca. 1615,”van Dordrecht” wonende bij de Boom[brug] (1638), trouwde NG Dordrecht 22 aug./7 sept.1638 Andries Jansz. van Gewas, bakker, jongman van Breda wonende bij de Vuilpoort van Dordrecht (1638)

– 31 jan. 1663: Magdalena de Haan, weduwe van Andries van Gewas, burgeres van Dordrecht, benoemt tot voogden over haar minderjarige kinderen Claes de Haen bakker, Arent van Neten notaris en Willem van der Radt koopman, wonende te Dordrecht, resp. haar broer en haar neven. (ONA Dordrecht inv. 269, f. 8)

– 24 sept. 1669: Nicolaes de Haen aanvaardt de voogdij over de kinderen van zijn zuster Magdalena de Haen, weduwe van Andries van Gewas, (Weeskamer Dordrecht inv. 25, f. 309)

– 23 mrt. 1673: Nicolaes de Haen, bakker en burger van Dordrecht, als voogd over de minderjarige kinderen van zijn overleden zuster, Magdalena de Haen, verwekt door Andries van Gewas, die eveneens is overleden, benoemt tot medevoogd Reijnier van Sevenom, winkelier te Dordrecht. (ONA Dordrecht inv. 234, f. 90 e.v.)

– 13 april 1677: Reijnier van Sevenum, als man van Ida van Gewas, Maria van Gewas, weduwe van Govert Blenck, Catharina van Gewas en Anna van Gewas, beiden meerderjarige ongehuwde personen, samen kinderen en erfgenamen van Andries van Gewas, bakker en burger van Dordrecht, verkopen voor 480 gl. aan Jan Kemp, kuiper en burger van Dordrecht, huis in de Heer Heymansuysstraat, staande tussen het huis van Jan van der Meer bakker en dat van Jan Ariensz. Volmaer. (ORA Dordrecht inv. 1626, f. 11)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

b-1. Joannes van Gewas, 31 mrt. 1640, trouwde Dirckje Willemsdr. Pluijm

ORA Dordrecht inv. 1633, f. 94 e.v.: op 21 mrt. 1692 verklaart Johannes van Gewas, mr. bakker en burger van Dordrecht, schuldig te zijn aan Rosetta Beljaerts, weduwe van Willem Oudeman, een somma van 150 gl., verbindende een huis op de Vest aan de Spuipoort, staande tussen de stadstoren en van achteren de lijnbaan van Staes Hooghstraten.

ORA Dordrecht inv. 1633, f. 93: op 26 mrt. 1692 verkopen Pieter Willemsz. Pluijm mr. huistimmerman, Johannes van Gewas mr. bakker, als man van Dirkje Willemsdr. Pluijm, enSusanna Pietersdr. de Vouw, meerderjarige ongehuwde persoon, dochter van Pieter Abrahamsz.de Vouw en van Jannetta Willemsdr. Pluijm, samen erfgenamen van Willem Jansz. Pluijm, voor 170 gl. aan Johannes Verlaer, mr. schoenmaker en burger van Dordrecht,een huis op deHil, staande tussen het huis van Cornelis Spijkers en dat van Andries van Scheers.

ORA Dordrecht inv. 1654, f. 154v: op 24 jan. 1737 verkopen Willem Clis, als man van Lijsbet van Gewas, en Floris de Vette, als man van Magdalena van Gewas, enige nagelaten kinderen en erfgenamen van Dirkje Pluijm, weduwe van Johan van Gewas, voor 100 gl. aan Jacob Kuijpers, maselaar en burger van Dordrecht, een huis op de Vest bij de Spuipoort, staande tussen de lijnbaan of loods van Willem van Rije en een stadshuisje.

Kinderen (o.a.):

b-1-1. Andries van Gewas, geboren Dordrecht naar schatting ca. 1680, jongman van Dordrecht wonende aan de Spuipoort (1706), schiptimmerman te Dordrecht, trouwde Gerecht/NG Dordrecht 9/23 mei 1706 (de bruidegom geassisteerd met zijn vader Jan van Gewas, de bruid met haar tante Liefie Cornelis) Neeltje Jacobsdr. van Donck, jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1706)

ORA Dordrecht inv. 1753, f. 27v: op 24 juli 1721 verkoopt Adriaan van der Pot, koopman te Dordrecht, als man van Clara Margrita van Wesel, dochter en mede-erfgename van Govert van Wesel, lid van de Oudraad te Dordrecht, en nog als procuratie van de overige erfgenamen van Govert van Wesel, voor 800 gl. aan Andries van Gewas en Jan van Vugt, schiptimmerlieden buiten Dordrecht, een scheepstimmerwerf met loods, een groot sterk huis, bestaande uit twee aparte woningen, alsmede een sleephelling, staande en gelegen tussen de Sluis- en Spuipoort, belend door de werf van de weduwe Van Drongelen aan de ene zijde en de werf van Pieter Lammertsz. Kuijper aan de andere.

ORA Dordrecht inv. 1651, f. 92: op 13 jan. 1728 verkopen Steeven Cramerheijn, burger van Dordrecht,als procuratie hebbende van Andries van Gewas en Sander van Drongelen, beiden schiptimmerlieden te Dordrecht, voor 892 gl. 10 st.aan Jan Vugt, mr. huistimmerman,een huis met scheepstimmerwerf, staande en gelegen op de Scheepstimmerhellingen [Hellingen] tussen de Sluis- en Spuipoort, staande tussen de scheepstimmerwerf, vanouds genaamd “de Arke Noagh” en de scheepimmerwerf van de weduwe van Pieter Lambertsz. Kuijper. ORA Dordrecht inv. 1754, f. 1:De koper neemt te zijnen laste een schuldbrief van 600 gl., die Steeven Cramerheijn en zijn zuster Maaijke Cramerheijn op het huis en de scheepstimmerwerf sprekende hebben.

Kind:

b-1-1-1. Anna van Gewas, gedoopt NG Dordrecht 8 juli 1712, jonge dochter van Dordrecht wonende buiten de Sluispoort (1738), trouwdeGerecht/NG Dordrecht 28 aug./21 sept. 1738 (de bruidegom met schriftelijk consent van zijn vader Lieven Jansz. van der Stiggel, de bruid geassisteerd met Magdaleentie van Gewas, vrouw van Floris de Vette, haar tante) Arij Lievensz. van der Stiggel, jongman van ‘s-Gravendeel wonende buiten de Sluispoort (1738)

b-1-2. Magdalena van Gewas, gedoopt NG Dordrecht 12 febr. 1683, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Spuipoort (1705), weduwe van Dordrecht wonende buiten de Spuipoort (1717), weduwe van Dordrecht wonende buiten de Spuipoort (1722),trouwde 1e Gerecht/NG Dordrecht 3/24 mei 1707 (de bruidegom met schriftelijk consent van zijn vader, de bruid geassisteerd met haar ouders) Dirck Hendriksz. Ridder, jongman van Bodegraven wonende bij de Spuipoort (1705), 2e Gerecht/NG Dordrecht 7/23 nov. 1717 Frans Orbagh (Horrebagh), weduwnaar van Dordrecht wonende in de Botgensstraat (1717) 3e Gerecht/NG Dordrecht 24juli/11 aug. 1722 Floris de Vette, weduwnaar van Dordrecht wonende buiten de St. Jorispoort (1722)

ORA Dordrecht inv. 1652, f. 153v: op 24 april 1731 verkopen Margarita, Geertruijd en Marija van der Tuijt, meerderjarige ongehuwde personen, wonende te Dordrecht, samen enige nagelaten kinderen en erfgenamen van Celia Schouten, weduwe van Gerrit Gorisz. van der Tuijt, voor 60 gl. aan Floris de Vette, houtwerker te Dordrecht, een huis, staande op de Vest omtrent de Spuipoort tussen het huis van de erfgenamen van Gerrit van der Waaij en van achteren het huis van de weduwe van Frans van der Horst.

ORA Dordrecht inv. 1662, f. 211v e.v.: op 18 dec. 1759 verkoopt Magdalena van Gewas, weduwe van Floris de Vette, voor 100 gl. aan Lijsbet van Gewas, weduwe van Willem Klis, wonende te Dordrecht, een huis achter het Vrouwenhuis, aan weerszijden belend door de huizen van Aalbert Nieuwenhuijsen.

b-1-3. Elisabeth van Gewas, gedoopt NG Dordrecht 20 febr. 1692, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Spuipoort (1716),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 14/28 juni 1716 (de bruidegom met schriftelijk consent van zijn vader Corstiaen Klis, de bruid geassisteerd met haar moeder Dirkje Pluijm, weduwe van Johannes van Gewas) Willem Clis (Klis), jongman van Sprang wonende in de Oude Breestraat (1716)

b-2. Yda van Gewas, 1 april 1641,jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Beurs (1664), trouwde NG Dordrecht 9/25 mrt. 1664 Reijnier van Sevenom, gedoopt NG Dordrecht 1 aug. 1641, jongman van Dordrecht wonende bij de Boom (1664), bakker, begraven Dordrecht (graf 28 in de Nieuwkerk) 10 aug. 1689 (Reijnier van Seuvenom, in de Wijnstraat bij de Beurs, één maal luiden) [Nelemans, o.c., p. 91], zoon van Boudewijn Wijnantsz. (Sevenum), houtwerker te Dordrecht en Belijken (Belichje) Barrevoet Reijniersdr.

Weeskamer Dordrecht inv. 28, f. 253: op 10 okt. 1689 extract ingeschreven van het testament van Reijnier van Sevenum, winkelier en burger van Dordrecht, en zijn vrouw Ida Gewas, gepasseerd op 9 mrt. 1677. Zij hebben elkaar benoemd tot voogd over hun minderjarige erfgenamen.

ORA Dordrecht inv. 1638, f. 20 e.v.: op 3 mrt. 1700 verkopen Johannes Stercke en zijn vrouw Maijcken van Asperen, burgers van Dordrecht, voor 1550 gl. aan Ida van Gewas, weduwe van Rijnier van Sevenum, burgeres van Dordrecht, die door Dirck van Beaumond tot koopster is aangewezen, een huis op de Vogelmarkt omtrent de Beurs aan de havenzijde, staande tussen het huis van de vrouw van Gillis van de Bergh en dat van Jan Rudolph Broemken. De koopster is schuldig aanHester Braats, weduwe van Willem Oudeman, een somma van 1000 gl.

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 2v: op 18 jan. 1703 verkoopt Bartholomeus van der Kemp, burger van Dordrecht, voor 700 gl. aan IJda van Gewas, weduwe van Rijnier van Sevenum, een huis aan het einde van de Visstraat voor het Bagijnhof, staande tussen het huis van Wouter de Gelder, secretaris van de krijgsraad, en het huis van Jasper Verhoeven.

Kinderen (o.a.; allen NG gedoopt te Dordrecht):

b-2-1. Boudewijn, 3 jan. 1669

b-2-2. Magdalena van Sevenom, 15 nov. 1671, jonge dochter van Dordrecht (1692), trouwde Gerecht/NG DordrechtDordrecht 21 dec. 1692/7 jan. 1693 (de bruidegom geassisteerd met zijn stiefvader mr. Tomas de Vries, de bruid met haar moeder) Cornelis van Haerlem, gedoopt NG Dordrecht 7 sept. 1667, jongman van Dordrecht (1692)

b-2-3. Belia, 29 juli 1674

b-2-4. Andries, 29 aug. 1677

b-2-5. Cornelia 27 april 1682

b-3. Janneken, 15 febr. 1644

b-4. Maria (Marijken) van Gewas, 11 dec. 1646, begraven Dordrecht (graf 28 in de Nieuwkerk)16 mrt. 1725 (Marijke van Gewas, weduwe van Govert Blenk, laat een dochter na, aan de Spuistraat, met “ordinaire koetsen”) [Nelemans, o.c., p. 91],trouwde Govert Blink (Blenk, Blencken)

ORA Dordrecht inv. 1630, f. 61 e.v.: op 21 dec. 1685 verkoopt Lidia van Heel, weduwe van Johannes van Stabrouck, koopmansbode van Dordrecht op Zeeland, voor 1600 gl. aan Maria van Gewas, weduwe van Govert Blencke, en Catharina van Gewas, meerderjarige ongehuwde persoon, een huis in de Voorstraat tegenover Mijnsherenherberg, staande tussen het huis van Dionisius Dupon chirurgijn en dat van Matthijs Laban. Koopsters zijn schuldig aan verkoopster een somma van 1200 gl.

ORA Dordrecht inv. 1636, f. 132v: op 13 mei 1698 verkoopt Abraham de Heer, mr. metselaar en burger van Dordrecht, voor 708 gl. aan Maria van Gewas, weduwe van Govert Blencke, en Catrina van Gewas, meerderjarige ongehuwde persoon, een huis in de Sarisgang, staande tussen het huis van verkoper en het huis van Baasjouw schoenmaker.

ORA Dordrecht inv. 1641, f. 57: op 14 juli 1705 verkoopt mr. Jan de Gelder, als daartoe gemachtigd door het Gerecht van Dordrecht, voor 430 gl. aan Maria van Gewas, weduwe van Govert Blenke, en Catarina van Gewas, meerderjarige ongehuwde persoon, een huis in de Torenstraat, dat toebehoord heeft aan Sara van Bergen. Belenders niet vermeld.

ORA Dordrecht inv. 1642, f. 89: op 17 april 1708 verkoopt Catarina van den Camp, meerderjarige ongehuwde persoon, als procuratie hebbende van Elisabet Bosselaer, meerderjarige ongehuwde persoon, wonende te Dordrecht, voor 1600 gl. aan Marijke van Gewas, weduwe van Govert Blenke, een huis, bestaande uit twee gevels, staande op het Spui, genaamd “den Burgt”, welk huis Elisabet Bosselaer is aangekomen bij overlijden van haar zuster Margrita Bosselaer, weduwe van Jacobus van Steenkiste, staande tussen het huis van Jacob Florijn en dat van Jacob van Bueren.

ORA Dordrecht inv. 1642, f. 90: op 17 april 1708 verkopen Marijke van Gewas, weduwe van Govert Blenke, en Catarina van Gewas, meerderjarige persoon, zusters en burgeressen van Dordrecht, voor 520 gl. aan Arij van Driel een huis in de Sarisgang, staande tussen de huizen van de weduwe van Baesjouw en die van [naam niet vermeld].

Kinderen (o.a.):

b-4-1. Magdalena Blencke, gedoopt NG Dordrecht 26 aug. 1671, OSP, begraven Dordrecht (graf 28 in de Nieuwkerk) 12 mrt. 1756 (Magdalena Blanke, weduwe van JohannisTurijn, ophet Vrouwenhuis, met “ordinaire koetsen”, laat geen kinderen na) [Nelemans, o.c., p. 92],trouwde Johannes Turijn, begraven Dordrecht (graf 28 in de Nieuwkerk) 18 april 1725 (Johannes Turin, woont bij Grote Spuistraat, laat geen kinderen na, met “ordinaire” koetsen) [Nelemans, o.c., p. 91]

b-5. Caterina, 4 sept. 1649

b-6. Joannes, 20 april 1652

b-7. Anna, 11 mei 1654

c. Nicolaes, jan. 1618

d. Johannes de Haen, nov. 1618, volgt III

e. Nicolaes de Haen, juli 1622, bakker te Dordrecht (vermeld 1673)

– 21 mrt. 1673: compareren voor notaris G. de With Nicolaes de Haen bakker en Catharina de Haen, jongman en jonge dochter, broeder en zuster, burgers van Dordrecht, hij ziek in bed liggende. Zij benoemen de langstlevende van hen beiden tot universeel erfgenaam. Akte door comparanten ondertekend. (ONA Dordrecht inv. 234, f. 88 e.v.)

f.Catelijne (Catharina) de Haen, mrt. 1627

[NB: in sommige stamreeksen en kwartierstaten wordt ten onrechte gesteld dat Mattheus de Haen, meester-bakker te Dordrecht, die naar schatting ca. 1645 geboren is en op 21 okt. 1671 in Zwijndrecht (NG) trouwde met Jenneke Francot (gedoopt NG Dordrecht sept. 1647, dochter van Abraham Francot en Lijsbeth Karis)een zoon was van Abraham de Haen en Elsjen Jansdr. In Abraham de Haens testament worden zijn kinderen vermeld, maar daarbij is geen sprake van een zoon genaamd Mattheus.Uit het feit, dat zijn tweede vrouw,Elsjen Jans,de kinderen van Abraham uit zijn eerste huwelijk tot haar erfgenamen benoemt, valt af te leiden, dat hij bij Elsjen geen kinderen had.

GenoemdeMattheus de Haen (niet te verwarren met de gelijknamige, eveneens in Dordrecht geboren gouverneur-generaal van Nederlands-Indië),was mogelijk een zoon van Cornelis Gerritsz. de Haen, sergeant in dienst van de W.I.C, overleden in Brazilië op 1 mei 1648, en van Maijken Jansdr. de Ridder, die trouwden op 21aug./4 sept. 1639 (NGDordrecht).]

III. Johannes (Jan, Johan) Abrahamsz.de Haen, gedoopt NG Dordrecht nov. 1618, jongman van Dordrecht wonende bij de Boom (1643),overleden vóór 20 april 1661, trouwde NG Dordrecht 4/20 okt. 1643 Anna (Anneken) van Halteren, gedoopt NG Dordrecht aug. 1621, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Boom (1643)

– 16 okt. 1648: compareren Grietgen Claesdr., weduwe van Cornelis Cornelisz. Schot en Sijken Pietersdr., weduwe van Abraham Fransz. de Boij, beiden wonende te Dordrecht. Zij getuigen op verzoek van Jan van Halteren, lakenbereider en burger van Dordrecht, dat zij attestanten in dec. 1646 door de huisvrouw van de rekwirant zijn verzocht om van iemand op redelijke interest te lichten ten behoeve van haar “swager” Jan Abrahamsz. de Haeneen somma van 1000 gl., strekkende tot betaling van een door Jan de Haen gekochte visstal. Zij hebben dat aangenomen en hebben op naam van de rekwirant een obligatie doen schrijven onder borgtocht van Abraham Claesz. de Haen, zijn vader en Adriaen van der Reijdt. Die obligatie hebben zij vervolgens gebracht ten huize van Van der Reijdt om te laten ondertekenen door Van der Reijdt en Abraham de Haen. (ONA Dordrecht inv. 62, f. 587 e.v.)

– 20 april 1661: Anneken van Halteren, weduwe van Jan de Haen, koopvrouw te Dordrecht, is schuldig aan Johannis Teelinck een somma van 200 gl. Zij tekent met “Anneken de Haen”. (ONA Dordrecht inv. 227, f. 87)

– 12 april 1662: Anneken van Halteren, weduwe van Jan de Haen, is schuldig aan Saertgen Claesdr. een bedrag van 400 gl. (ONA Dordrecht inv. 180, f. 42 e.v.)

– 17 dec. 1667: Jan van Halteren, burger van Dordrecht, voor zichzelf en vervangende Adriaen van de Reijt, als man van Lijsbeth van Halteren, erfgenamen van Jan van Halteren de Oude, verkopen voor 1200 gl. aan Anneken Jansdr. van Halteren, weduwe van Jan Abrahamsz. de Haen, aan wie het resterende deel van het na te noemen huis toekomt, 2/3 parten in een huis staande omtrent de Boom, genaamd “den Blauwen Voet”, staande tussen het huis van Arijen de Bruijn en dat van Hendrick de Ruijter. Koopster is schuldig aan Jacobmina en Anna Willemsdr. een somma van 900 gl. (ORA Dordrecht inv. 785, 169v)

– 17 juni 1668: compareren ten overstaan van notaris G. Waltherij Anneken van Halteren, weduwe van Jan Abrahamsz.de Haenen haar zoons Adriaen en Johannes de Haen, allen wonende te Dordrecht. Zij verklaren van de erfgenamen van Nicolaes van Helmont een somma van 400 gl. geleend te hebben. Akte door comparanten ondetekend. (ONA Dordrecht inv. 299, f. 146)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Abraham, 1 juni 1644, vermoedelijk jong overleden

b. Adriaen de Haen, 1 mei 1647, trouwde NG Dordrecht 29 juli 1668Margarita Hendriksdr. Mes

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

b-1. Johannes, 15 mrt. 1669

b-2. Hendrijck, 27 juni 1670

b-3. Abraham, 2 nov. 1671

b-4. Sander, 1 mei 1673

b-5. Adriaen, 10 okt. 1674

b-6. Adriaen, 21 juli 1677

b-7. Elsken, 2 okt. 1679

b-8. Adriaen, 8 nov. 1683

b-9. Adriaen, 20 okt. 1684

b-10. Hendrijck de Haen Adriaensz., 3 dec. 1684

c. Joannes de Haen, 2 juli 1650, volgt IV

d. Ida, 3 juli 1652

IV. Johannes de Haen, gedoopt NG Dordrecht 2 juli 1650, jongman van Dordrecht wonende in de Vriesestraat (1670), twijnder (1670), vendumeester (tenminste vanaf 1697),gezworen “makelaar ter beurse”, overleden in een huis aan de Wijnstraat te Dordrecht op 5 juli 1730,begraven Dordrecht (Grote Kerk) 10 juli 1730 (Jan de Haan, op de hoek van Wijnsteiger, laat kinderen na, met twee koetsen boven het “ordinaris” getal), trouwde NG Dordrecht 23 mrt./7 april 1670 Jannichie (Johanna, Janneken) van Sevenom (van Sevenen), gedoopt NG Dordrecht juli 1644, jonge dochter van Dordrecht wonende in de Pelserstraat (1670), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 15 nov. 1715 (Johanna van Sevenum, vrouw van de vendumeester Jan de Haan, bij de Munt [Voorstraat], twee koetsen boven het getal), dochter van Boudewijn Wijnantsz. (Sevenum), houtwerker te Dordrecht en Belijken (Belichje) Barrevoet Reijniersdr.

– 30 april 1670: Johannes de Haen, twijnder en burger van Dordrecht, als man van Janneken van Sevenum, is schuldig aan Cornelis Jansz. Lieffkint, burger van Dordrecht, een bedrag van 500 gl., verbindende een huisje aan de Vest tussen de Kleine Spuistraat en de Botgensstraat, staande tussen het huis van Cornelis de Vries Aernoutsz. en dat van de weduwe …. [sic], welk huisje De Haen is aangekomen door overlijden van de moeder van zijn vrouw, genaamd Beliken Reijniers. Compareren mede Reijnier van Sevenum, Johannes Marchael, getrouwd met Hilleken van Sevenum, voor zichzelf en vervangende Wijnant van Sevenum, allen kinderen van Beliken Reijniers, die verklaren, dat het huisje aan Johannes de Haen alleen toebehoort, en dat zij daarop niets te pretenderen hebben. (ORA Dordrecht inv. 787, f. 13v e.v.)

– 12 febr. 1697: Johannes de Haen, vendumeester te Dordrecht (ONA Dordrecht inv. 597)

– 19 jan. 1699: Corstiaen Backus, koopman te Dordrecht, verhuurt aan Jan de Haen, makelaar te Dordrecht, een huis in de Voorstraat, staande omtrent de Munt tussen het huis van de weduwe van Pieter van Regenmorter en dat van de weduwe van Jacobus van de Brandelaar, genaamd “het Garepack”, voor 180 gl. per jaar. (ONA Dordrecht inv. 662, akte 6)

– 18 sept. 1714: compareren Jan de Haen, vendumeester en gezworen “makelaar ter beurze” binnen Dordrecht en zijn vrouw Jannetje van Sevenum. Zij herroepen eerdere testamenten e.d. Tot erfgenaam benoemen zij de langstlevende van hen beiden, die niet gehouden zal zijn hun kinderen iets voor hun vaderlijk of moederlijk bewijs uit te keren, “gesien ijder van haer testateuren getroude kinderen over huwelijcx goed als anders reets meer genoten … hebben als deselve voor haer vaders ofte moeders bewijs naer proportie van der testateuren boedel soude konnen ofte vermogen te pretenderen, ghelijck der testateuren ongetroude dogter Anna de Haen tot egalisatie ende vergelijcking van het genen … haer testateuren voorsz. getrouwde kindren in voegen als vooren hebben genoten en ontfangen, mede van haer testateuren soo veel heeft genoten en ontfangen, dat deselve daer mede egael ende gelijck is gestelt.” Zij benoemen hun zoon Boudewijn de Haen, koopman te Dordrecht en Fredrik Grond, eveneens koopman te Dordrecht tot executeurs-testamentair. Aan hun zoon Boudewijn prelegateren zij testateurs boeken en boekenkasten, ter compensatie waarvan de drie overige kinderen elk een bedrag van 100 gl. zullen ontvangen. (ONA Dordrecht inv. 610, f. 368 e.v.)

– 6 dec. 1721: Jan de Haen, gezworen makelaar “ter beurse” te Dordrecht verkoopt voor 1040 gl. aan Arijen Geervliet een huis, schuur en erf buiten de Vriesepoort omtrent [de herberg] “IJerland” bij “het Viercant”. Hethuis wordt gehuurd en bewoond door Jacob van den Broek en de schuur wordt gehuurd door de weduwe van Lieve [Bax], korenmolenaar buiten de Vriesepoort. (ONA Dordrecht inv. 617, f. 213 e.v.)

– 4 juli 1725: voorwaarden waarop Magtelt, Willemijna en Johanna Walen, gezusters wonende te Dordrecht, tezamen en elk afzonderlijk bij besluit van het Gerecht te Dordrecht dd 16 mei 1724 geautoriseerd zijnde tot het beheer en de administratie van de goederen van hun moeder Johanna Neering, weduwe van Geerard Walen, willen laten verkopen door B. van der Star, notaris in Dordrecht, een “hegt, sterk en extraordinaer welgelegen huijs”, staande in de Wijnstraat “om de hoek van” de Wijnsteiger tussen die steiger aan de ene zijde en het huis van de heer Hopman, commies ter recherche, aan de andere, welk huis wordt bewoond door de eigenaresse, voornoemde Johanna Nering. Op 7 juli 1725 wordt het huis “uijtter handt” verkocht aan de inzetter, Jan de Haan, voor 1300 gl. Koper tekent met “Jan de Haan makelaar voor sijn meester”. (ONA Dordrecht inv. 853, akte 44)

– 16 nov. 1727: compareert Jan de Haen, “maeckelaer ter beurse” te Dordrecht. Hij herroept alle eerdere testamenten e.d. en legateert

aan zijn dochter Anna de Haen, vrouw van Jan van Hafte, een somma van 2000 gl., zijn tuin,gelegen buiten de Vriesepoort en vier diamanten ringetjes “aen een gesegelt”

aan de twee kinderen van zijn overleden dochter Elisabeth de Haen, bij haar verwekt door notaris Aeldert Blanckert, genaamd Segert en Jan Blanckert, een somma van 2000 gl. en al zijn kleren

aan de drie kinderen van zijn zoon Boudewijn de Haen, door hem verwekt bij Agatha Gardenier, een somma van 2700 gl.

Hij benoemt zijn dochter Belia de Haen, echtgenote van Fredrick Grond, tot erfgenaam van al zijn overige na te laten goederen, inclusief zijn huis in de Wijnstraat, staande naast de Wijnsteiger, met alle inboedel en huisraad, daarenboven zijn twijnmolens en twijndersgereedschap, zoals schalen, balanzen engewichten, voorts alle andere goederen, die na zijn overlijden is zijn huis aanwezig zullen zijn, in het bijzonder “alle de rouwe, soo ongewerckte als bewerckte ende oock de witte garens” en tenslotte alle uitstaande boek- en andere schulden en het contante geld.

Tot voogden benoemt hij zijn schoonzoons Fredrik Grond en Jan van Haften. (ONA Dordrecht inv. 620, f. 326 e.v.)

– 23 juli 1729: compareert Johan de Haen, gezworen “makelaar ter beurse” te Dordrecht. Hij herroept alle eerdere testamenten e.d. Hij legateert

aan zijn dochter Anna de Haen, echgenote van Jan van Hafte, zijn tuin gelegen buiten de Vriesepoort met al hetgeen daar in is, zoals meubels, huisraad en gereedschappen, welke goederen testateur acht minstens waard te zijn een bedrag van 300 gl. en daerenboven nog drie diamanten ringetjes “aen malcander gesegelt”.

aan de drie kinderen van zijn overleden zoon Boudewijn de Haen samen een bedrag van 300 gl. en een kabinetje staande op een voet met het Japans porselein, dat daarop staat, twee koperen kanonnetjes met affuiten, zijn ijzeren geldkist op een voet meteen stel porselein, bestaande uit drie potten en twee bekers, staande voor de schoorsteen in de beste kamer, een Japans scheerbekken

aan Johanna de Haen Boudewijnsdr. een klein zwart kabinetje met zilveren poppengoed

aan Jan de Haen Boudewijnsz. zijn gouden signetring en de grote “huisbijbel van Keur” [Keur:drukkers van Statenbijbels sinds 1666]en een schilderij,voorstellende het portret van de testateur

aan Boudewijn de Haen Boudewijnsz. een zeer mooi rottinkje met zilveren knop

aan de twee kinderen van zijn overleden dochter Elijsabeth de Haen, verwekt door wijlen Aeldert Blanckert, genaamd Segert en Jan Blanckert, samen een bedrag van 300 gl., al zijn kleren en al zijn na te laten gedrukte boeken, “die nu nog wijnig in getal sijn, vermits de testateur de meeste en beste vandien op den 6 septemb. 1728 bij mons. van Braem heeft doen verkoopen”

aan Jan Blanckert zijn zilveren zakhorloge en een rotting met zilveren knop

[In eerder, vrijwel identiektestament, gepasseerd op 12 juli 1729, had testateur nog een bedrag van 1000 gl. gemaakt aan Fredrik Grond, weduwnaar van zijn overleden dochter Belia de Haen. (ONA Dordrecht inv. 621, f. 154 e.v.)Dat legaat is in het onderhavige testament weggelaten.]

aan Agatha Gardenier, dochter van Samuel Gardenier, verwektbij Willemijna Grond, een bedrag van 300 gl.

Tot erfgenamen van al zijn overige na te laten goederen benoemt hij zijn dochter Anna de Haen voor 1/3 part, de drie kinderen van Boudewijn de Haen voor 1/3 part en de twee kinderen van Elisabeth de Haen en Aeldert Blanckert voor 1/3 part. Om onenigheid tussen zijn erfgenamen te voorkomen wil de testateur, dat zes weken na zijn overlijden al zijn goederen publiekelijk worden verkocht en de opbrengsten daarvan onder zijn erfgenamen worden verdeeld. Tot voogden benoemt hij zijn neef Hendrick de Haen en Huijbert Kuijper, koopman in wijnen, wonende op de Kalkhavente Dordrecht.

Hij tekent met zijn naam. (ONA Dordrecht inv. 621, f. 166 e.v.)

– 12 juli 1730 (en volgende dagen): boedelinventaris van Jan de Haen, gezworen makelaar “ter beurse”, te Dordrecht overleden op 5 juli 1730, gemaakt door de Dordtse notaris A. van Nievelt op verzoek van Johan van Haften, echtgenoot van Anna de Haen en Hendrick de Haen Adriaensz., als testamentaire voogden over de minderjarige erfgenamen van de overledene. Tot de nalatenschap behoren:

een huis in de Wijnstraat bij de Wijnsteiger, staande tussen die steiger en het huis van de commies Hopman, in welk huis Jan de Haen heeft gewoond en waarin hij is overleden,

een tuin buiten de Vriesepoort in of naast het Kasperspad, liggende naast de tuin van de weduwe van Hendrick van Heck, zijnde stadsgrond,

kleren,meubelen, huisraad eninboedel, waaronder enkele tientallen schilderijen, m.n. “een aparte schilderij verbeeldende een meijt staende op de vloer” eneen portret van Jan de Haen zelf entamelijk veel porselein. (ONA Dordrecht inv. 621, f. 245 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Belia de Haen, 8 juli 1672,jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Munt [Voorstraat] (1706),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 28 nov. 1706 (ondertrouw) Fredrik Grond, jongman uit Bergsland wonende te Dordrecht (1693),weduwnaar van Bergsland wonende bij de Nieuwkerkstraat (1706), trouwde 1e Gerecht/NG Dordrecht 20 dec. 1693/6 jan. 1694 (de bruidegom geassisteerd met zijn oom Johannis Gront, de bruid met Cornelis Oubooter) Maria Pijl, jonge dochter van de Plaat wonende te Dordrecht (1693)

ORA Dordrecht inv. 1634, f. 138 e.v.: op 17 aug. 1694 verkoopt Johannes Pietersz. Gront, koopman en burger van Dordrecht, voor 7090 gl. aan Fredrick Gront, bakker en burger van Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin, staande tussen het huis van Huibert Joosten van Cappel en het huis en zeepziederij van Abram Targier. De koper is schuldig aan verkoper een somma van 7090 gl.

ORA Dordrecht inv. 1640, f. 120: op 29 juli 1704 verkopen Salomon Bosgasij grutter, Angenita Rijmen, weduwe van Bartholomeus Targier, en Sara Targier, laatst weduwe van Tielman van Terneij, voor 100 gl. aan Fredrick Gront, mr. bakker en burger van Dordrecht, een erf naast de “timmeragie” op de plaats van het huis, genaamd “de Seperij van den Hamer”, liggende omtrent de Nieuwkerkstraat en komende achter het erf van het huis van de koper.

ORA Dordrecht inv. 1752, f. 15: op 15 aug. 1710 verkoopt Eeuwout Goutswaert, wonende op Piershil, voor 1800 gl. aan Fredrik Gront en Boudewijn de Haen, kooplieden te Dordrecht, een paardenoliemolen met bijbehorende gereedschappen, alsmede een woonhuis, tuin en verdere toebehoren, staande in de Gebrande Buurt tussen de tuin van Jan van Wetten en die van Kuntsius.

ORA Dordrecht inv. 1753, f. 30v: op 18 sept. 1721 verkoopt Jan de Haan, makelaar ter beurze, als procuratie hebbende van Fredrik Gront, zijn schoonzoon, en Boudewijn de Haan, koopman te Dordrecht, voor 900 gl. aan Anthonij Replaar Hugensz., schepen in wette van Dordrecht, een huis met erf en tuin, waarop een paardenoliemolen staat of gestaan heeft, staande en gelegen buiten de Sluispoort aan het einde van de Gebrande Buurt of de Bakstraat tussen de tuin van Jan van Westen en de tuin van [naam niet vermeld].

ORA Dordrecht inv. 1650, f. 136v: op 4 jan. 1725 verkoopt Fredrik Gront, koopman te Dordrecht, voor 3500 gl. aan Jacobus de Vos Anthonisz., mr. zilversmid te Dordrecht, een huis in de Oude Houttuin tegenover de Nieuwkerksteiger, staande tussen het huis van Aart Hopman en het huis van de weduwe van Huijbert Joosten van Cappel, komende met een gang uit in de Wijngaardstraat.

b. Anna de Haen, 23 jan. 1675,jonge dochter wonende op de Tolbrug (1715), trouwde Gerecht/NG Dordrecht 14/28 juli 1715 (de bruidegom geassisteerd met mr. Rochus Johan van Son, zijn zwager, als last enprocuratie hebbende van Ewout van Haeften, zijn vader, om in deze huwelijksproclamaties te consenteren, de bruid volgens “toelatinge” van haar vader Johan de Haen; de geboden gaan te Rotterdam)Jan van Hafte (van Haeften), jongman van Gorinchem wonende te Rotterdam (1715)

Geen kinderen.

– 19 sept. 1730: Anna de Haan, echtgenote van Jan van Haeften, wonende te Dordrecht, testeert voor de de Dordtse notaris B. van Gelsdorp.De testatricestaat niet vermeld in de 200e penning. Zij legateert

aan de twee zoons van haar zuster Elisabeth de Haan, genaamd Segert en Jan Blanckert, een bedrag van 4000gl., vier zilveren kandelaars, twee dito schenkborden, een diamanten ring met negen fijne stenen in het goud, een dito in het zilver, twaalf zilveren lepels, twaalf dito vorken, vier zilveren theebussen,

aan de kinderen van haar broer Boudewijn de Haan, genaamd Jan, Boudewijn en Johanna de Haan, eveneens 4000 gl., op voorwaarde dat hun moeder Agatha Gardenier daarvan tijdens de minderjarigheid van haar kinderen de interest zal genieten na aftrek van de 100e en 200e penning en andere belastingen,

aan haar voornoemde neef Jan de Haan een lijfrentebrief, staande op naam van Van de Grient [sic],

aan haar voornoemde nicht Johanna de Haan al haar zijden tabbaarden en rokken, al haar sitsen japonnen en rokken, kanten neusdoeken, kuiven en neteldoeken, al haar hemden, haar kanten “neersticken”, een “colan” en “oirlietten” met fijne stenen en een Testament met gouden sloten,

aan haar schoonzuster Agatha Gardenier een obligatie van 1000 gl., die zij, testatrice, op haar sprekende heeft,

aan haar neef Hendrick de Haan, koopman te Dordrecht een somma van 2000 gl., twee zilveren kandelaars, een dito schenkkan en haar beste diamanten ring met negen stenen in het zilver en

aan de moeder van haar man haar zwarte zijden gebloemde tabbaard en rok, al haar onderrokken en manteltjes en al haar haar beddengoed, zowel van linnen als van wol.

Tot erfgenaam van haar resterende goederen benoemt zij haar man Jan van Haeften, die zij tevens, samen met Hendrick de Haen, haar neef, tot voogd over haar minderjarige erfgenamen aanstelt. Zij tekent met haar naam. (ONA Dordrecht inv. 692, akte 90)

23 april 1763: Segert Blankert, koopman te Dordrecht, Jan Blankert, raad en burgemeester van Brielle, gecommitteerde van Brielle in de Rekenkamer van Hollandte Den Haag, Jacob Vermande, wonende te Rotterdam, als echtgenoot van Johanna de Haan en Johanna de Haan zelf, samen enige erfgenamen van hun tante, wijlenAnna de Haan,weduwe en universele erfgenamevan Johan van Haafte, beiden overleden te Dordrecht, verkopen aan Segert Blankert, een obligatie van 1000 gl. ten laste van de provincie Holland. (ONA Dordrecht inv. 1042, akte 53)

c. Johannes, 1 aug. 1677

d. Elisabeth de Haen, 3 nov. 1679, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Tolbrug (1706),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 24 jan./7 febr. 1706 Aeldert Blanckert,gedoopt NG Dordrecht 25 mei 1678, jongman van Dordrecht wonende omtrent de Wijnbrug (1706), notaris te Dordrecht, zoon van Segert Aeldertsz. Blanckert en Cornelia de Hertogh

– 17 aug. 1723 (rekest): Elisabeth de Haan, vrouw van Aeldert Blanckert, notaris te Dordrecht en haar vader Johan de Haan, makelaar te Dordrecht, geven te kennen, dat zij, “vermits de slegte conduiten van … Aeldert Blanckert (alomme bekent) tot derselver hertelijk leetwesen genootsaeckt sijn gewerden denselve Blanckert, met kennisse en permissie van [de regeerders van Dordrecht] een en andermael te doen confineren binnen de stad Delft, alwaar denselven jegenwoordig nog is.”Aangezien “het niet apparent is, dat denselven ligt weder van daer sal werden ontslagen en inmiddels de saeke ende affaires van sijn voorsz. notarisschap ’t eenemaal sijn verloopen”, zouden zij, supplianten,Blanckerts notarisambt aan een ander willen overdoen,waarmee Blanckert zelf instemt, zoals blijkt uit een brief, die hij op 14 aug. 1723 aan zijn vrouw en schoonvader heeft geschreven. Supplianten verzoeken derhalve aan de presiderende burgemeester en de Kamer Judicieel van Dordrecht om toe te staan, dat Blanckert afstand doet van zijn ambt en dit overdraagt aan een door de bestuurders van Dordrecht aan te wijzen persoon. De Kamer Judicieel beschikt hierop positief en geeft aan Pieter van Well, kamerbewaarder van Dordrecht, toestemming om het door Blanckert afgestane notarisschap te vervullen en verleent hem op zijn verzoek “favorable brieven van voorschrijvens” aan de Staten van Holland om als notaris “geadmitteerd” te worden. (ORA Dordrecht inv.106, geen folionrs.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

d-1. Segert Blankert, koopman te Dordrecht, 8 juni 1707

d-2. Cornelia, 8 aug. 1710, jong overleden

d-3. Cornelia, 26 sept. 1711, jong overleden

d-4. Cornelia, 17 aug. 1712

d-5. dr. Jan Blankert, 27 jan. 1714, jongman van Dordrecht (1750), raad en burgemeester van Brielle, gecommitteerde van Brielle in de Rekenkamer van Holland te Den Haag, trouwde Cool 6 juli 1750 (gaarder, impost 30 gl.) Elizabeth Gleinsen (Geleinsen), weduwe van Jacob Schuur, van Vlissingen, wonende buiten Rotterdam onder Cool (1750)

– 13 nov. 1751: testament van Elisabeth Geleinsen, echtgenote van Jan Blankert, raad in de vroedschap van Brielle. Zij bevestigt de huwelijkse voorwaarde en benoemt haar man tot universeel erfgenaam. Hij is gehouden uit te keren o.a. aan Johanna de Haan, vrouw van Kornelis [sic]Vermande, een somma van 1000 gl. (SA Voorne-Putten, archief 110, inv. 1107, akte 59)

-28 aug. 1760: testament van Jan Blankert, raad in de vroedschapen oud-burgemeester van Brielle. Universeel erfgenaam is zijn vrouw Elisabeth Geleins. De testateur is beneden de 20.000 gl. gegoed.(SA Voorne-Putten, archief 110, inv. 1116, akte 62)

e. Baudewijn de Haan, 11 mei 1682, volgt V.

V. Boudewijn de Haen, gedoopt NG Dordrecht 11 mei 1682, jongman van Dordrechtwonende omtrent het Steegoversloot (1711), koopman te Dordrecht (vermeld 1711), koopman in wijnen te Dordrecht (vermeld 1723), begraven Dordrecht(Grote Kerk) 14 nov. 1727 (Boudewijn de Haen, woont op de Kalkhaven, laat kinderen na, met tweekoetsen boven het getal),trouwde Gerecht/NG Dordrecht 1/15 febr. 1711 (beiden geassisteerd met hun vader) Agatha Gardenier, gedoopt NG Dordrecht 28 jan. 1686, jonge dochter van Dordrecht wonende bij de Nieuwbrug (1711), koopvrouw in wijnen te Dordrecht (vermeld 1729), begraven Dordrecht (Grote Kerk) 26 april 1769 (Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, te Rotterdam overleden, alhier ‘s-morgens om 10 uur bijgezet, met volk daar achter, laat kinderen na), dochter van Jan Gardenier (tingieter te Rotterdam en later te Dordrecht, koopman te Dordrecht)en Aegje (Agatha) van Hoven

– 24 dec. 1675: ontvangen als burger en inheems poorter van Dordrecht Jan Gardenier tingieter, jongman geboortig van Rotterdam, mits betalende 10 gl. (Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 1974 [burgerboek], f. 118v)

– 4 mrt. 1676: ondertrouwen (NG Leiden) Johannes Gardenier, tingieter wonende te Rotterdam en Aechge van Hoven, wonende aan de Hooglandse Kerkgracht (op 28 mrt. 1676 consent verleend om te Voorschoten te trouwen)

– 27 mrt. 1685: kapitein Dirck van Nooij, koopman te Dordrecht, verkoopt voor 3700 gl. aan Johannes Gardenier, tingieter en burger van Dordrecht, een huis omtrent de Mennebrug [in de Vriesestraat], staande tussen het huis van Arent van Neten en dat van Pieter Vervel. De koper is schuldig aan de verkoper een bedrag van 1700 gl. (ORA Dordrecht inv. 794, f. 11 e.v.)

– 27 sept. 1690: Cornelis Knolaert, burger en kapitein te Breda, als procuratie hebbende van Perina van Neten, weduwe van Anthonij Knolaert, schepen te Breda, en Andries van Neten, ingezetene van Breda, zuster, broers en erfgenamen van Arent van Neten, notaris te Dordrecht, volgens procuratie gepasseerd voor notaris P. van Heusden te Breda op 12 aug. 1690, verkoopt voor 2500 gl. aan Johannes Gardenier, mr. tingieter en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat, staande tussen het huis van Gosewinus de Bruijn en dat van de koper. (ORA Dordrecht inv. 1632, f. 118 e.v.)

– 27 okt. 1692: huwelijkse voorwaarden van Jan Gardenier, weduwnaar, koopman te Dordrecht en Geertruijt Verhagen, jonge dochter wonende te Dordrecht. Er zal geen gemeenschap van goederen zijn. Als hij vooroverlijdt, zal zij uit zijn na te laten goederen een bedrag van 3000 gl. ontvangen. Als zij de eerststervende is, zal hij uit haar nalatenschap een somma van 1000 gl. krijgen. (ONA Dordrecht inv. 489)

– 28 okt. 1692: Jan Gardenier gaat binnenkort hertrouwen en in verband daarmee wil hij het moederlijk erfdeel van zijn vier kinderen, verwekt bij zijn eerste vrouw Aegje van Hove, vergroten met een bedrag van 1000 gl. voor ieder kind.Dat alles echterop voorwaarde, datzij zich “gehoorsamich comen te dragen” en alleen, wanneer zij met toestemming van hun vader een huwelijk aangaan. (ONA Dordrecht inv. 489)

– 27 febr. 1697: Johannes Gardenier, mr. tingieter en burger van Dordrecht, als man van Geertruij Verhagen, die erfgename was van Johannes Verhagen, blauwverver en burger van Dordrecht, verkoopt voor 900 gl.,waarvan 600 gl.contant en de rest met het verlijden van een schuldbrief, aan Adriaan van Rijendam, kaaskoper en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat in de Kannekopersbuurt, staande op de hoek van de Distelsteiger tussen die steiger en het huis van kapitein Hendricus van Besoijen. (ORA Dordrecht inv. 800, f. 6v e.v.)

– 16 mei 1701: Jan Gardenier, koopman te Dordrecht, verleent procuratie aan Catharina Straetmans, “bejaerde dochter”, om voor hem te verkopen twee “maesponten”, met ankers, touwen, zeilen en andere toebehoren, nu liggende te Nijmegen en eertijds door hem gekocht van Jan Oomelingh. (ONA Dordrecht inv. 437, f. 35)

– 26 jan. 1706: Jan Gardenier, mr. tingieter te Dordrecht, verklaart, dat hijhet testament, dat hij op 23 dec. 1697 heeft gepasseerd ten overstaan van notaris B. van Gelsdorp, bevestigd, maar daaraan de volgende bepaling toevoegt. Hij legateert aan zijn zoon Bastiaan Gardenier de gereedschappen, die tot zijn winkel behoren, nl. de “koute winckel”, toon- en voetenbank, twee balansen met schalen en gewichten, twee draaibanken, al het giet- en soldeergereedschap, de “breijbanck” en het “slaghtgereetschap”. Hij geeft ook aan zijn zoon Bastiaan de keuze om het huis, waarin zijn vader woont, op zijn erfportie te aanvaarden, mits daarvoor inbrengende een bedrag van2800 gl. Tenslotte wenst hij dat alle vormen, die tot de tingieterij behoren, eigendom worden van zijn kinderen, die een tingieterswinkel hebben en dat zij die samen gebruiken, op voorwaarde, dat zij een bedrag van 3000 gl. in de gemeenschappelijke boedel inbrengen. Als één van de kinderen die vormenonbruikbaar maakt, moet hij of zij die op eigen kosten laten repareren. (ONA Dordrecht inv. 669, f. 23 e.v.)

– 19 juni 1710: Apalonia [sic] van Drongelen, laatst weduwe van Johan Boon, verkoopt voor 7600 gl. contant aan Fredrik Grond en Boudewijn de Haen, kooplieden te Dordrecht, een windoliemolen, “sijnde mede bequaem om tras te malen”, met alle losse ornamenten en gereedschappen, alsmede het ernaast staande huis, genaamd “Dordwijk”, een tuin en een boomgaard, tot zover de boomgaard is afgestoken, waar op kosten van verkoopster of haar zoon Pieter Bos voor de ene helft en kopers voor de andere helft een houten heining zal worden geplaatst, voorts alle olie, droes en koeken en al hetgeen in de molen, huis en tuin bevonden zal worden. De verkochte objecten staan en liggen op een eiland, op de grond van de Krabbe en onder jurisdictie van De Mijl. omtrent of tegenover de zoutketen van de heren Cloens en Cramerheijn. De molen is belast met een windgeld van 6 gl. jaarlijks ten behoeve van de vrouwe van De Mijl. Voorwaarde is dat kopers geen tras op de molen zullen malen zolang genoemde Pieter Bos in leven is of tot het moment, waarop hij zijn trasmolen, die op hetzelfde eiland staat, gaat verhuren of verkopen.(ORA De Mijl, Crabbe en Nadort [archief 405], inv. 2, f. 109v)

– 15 dec. 1718: Boudewijn de Haen gekozen tot diaken van de NG gemeente te Dordrecht (Archief van de NG Kerkenraad van Dordrecht, acta, inv. 12, f. 69)

– 1 juli 1721: voorwaarden, waarop Fredrick Grond en Boudewijn de Haen, inwoners van Dordrecht, willen verkopen een wind- en paardenoliemolen. De windoliemolen heeft drie blokken [deel van de installatie, waarin de olie uitgeperst wordt (vriendelijke mededeling van de heer B. den Hartog)], waarvan het kleine blok ongeveer 8 jaar tevoren daarbij gemaakt is en een grote nieuwe legger en isvoorzien van drie oliebakken, een loden waterbak en een grote nieuwe droesbak. De molen staat buiten de stad Dordrecht op de hoek van het Mallegat op het eiland aldaar, onder de jurisdictie van Wieldrecht, naast de trasmolen van Jan Bosman en recht tegenover de oliemolen van Cornelis Terwe, kooplieden te Dordrecht. Ertoe behoort ook een grote boomgaard en vruchtbomentuin, beplant met mooie, jonge vruchtdragende bomen. Verder bieden verkopers aan een paardenoliemolen met huis, tuin, hooiberg en gereedschappen, staande en gelegen in de Gebrande Buurt buiten de Sluispoort, even buiten Dordrecht. Daarbij behoren vier sterke werkpaarden, alle ruinen, die in de molen gelopen hebben. (ONA Dordrecht inv. 617, 98 e.v.) De windmolen heette “het Spinhuis”. (Zie drs. C.J.P. Grol en J. Zondervan-van Heck, Draaiende wieken, stappende paarden. Molens op het Eiland van Dordrecht [Jaarboek van de Historische Vereniging Oud-Dordrecht 2008], p. 189-190.)

– 8 aug. 1721: Fredrick Grond en Boudewijn de Haen verkopen aan Jan Dorethon, meester-huistimmerman te Dordrecht, een huis, tuin, tuinhuis en het erf, waarop de paardenoliemolen staat, staande en gelegen in de Gerbrande Buurt buiten de Sluispoort, op voorwaarde, dat verkopers daaruit mogen laten halen de paardenmolen met de molenstenen en al hetgeen daartoe verder behoort. Getuigen: Jan de Haen, makelaar “ter beurse” en Jacob van der Burgh. (ONA Dordrecht inv. 617, f. 127 e.v.)

– 9 aug. 1721: Fredrick Grond verkoopt voor 4000 gl. aan Jan Gardenier, koopman te Dordrecht, de helft van de in de bovenstaande akte dd 1 juli1721 vermelde windoliemolen etc., waarvan de wederhelft toebehoort aan Boudewijn de Haen. (ONA Dordrecht inv. 617, f. 129 e.v.)

– 20 sept. 1721: Johan de Haen, makelaar “ter beurse” te Dordrecht, als procuratie hebbende van zijn schoonzoon Fredrik Grond, burger van Dordrecht, transporteert aan Jan Gerdenier [sic], koopman te Dordrecht de helft van een windoliemolen, het huis “Dortwijck” eneen tuin en boomgaard op het Crabbe-eiland. Gardenier heeft daarvoor 4000 gl. betaald. (ONA De Mijl, Crabbe en Nadort [archief 405], inv. 2, f. 130v)

– 22 nov. 1721: Jan Gardenier, koopman te Dordrecht, is onlangs voor de helft eigenaar geworden van een windoliemolen op het eiland Mallegat, in plaats van Fredrick Grond, waarvan de andere helft toebehoort aan zijn schoonzoon Boudewijn de Haen, koopman te Dordrecht. Hij heeft daarbij ervaren, dat de eigenaars van de oliemolens in de omgeving van Dordrecht, of althans de meesten van hen, een contract hebben gesloten, gepasseerd voor de Dordtse notaris Jan de Bedts op 8 dec. 1717, “aengaende het regulere vande schade die bij het affbrande van een vande voorsz. molens … onder henlieden gesamentlijck soude werde gedragen en betaelt”. Hij verklaart graag aan die overeenkomst te willen deelnemen. Compareren mede Philips van Haerlem, Willem Gijsewiet, Anthonij van Asperen, Pieter van der Beeck, Pieter van der Werff, de weduwe van Lodewijck Terwe, Boudewijn de Haen, Martinus Brouwer, Francois Braets, de erfgenamen van de weduwe van Hendrick van den Banck, Willem Beijer, Dirck Kumtius en Willem Michault, allen eigenaars van oliemolens in de omgeving van Dordrecht en verklaren ermee in te stemmen, dat Jan Gardenier aan genoemde overeenkomst deelneemt. (ONA Dordrecht inv. 617, f. 192 e.v.)

– 23 juli 1723:compareren Boudewijn de Haen, koopman te Dordrecht, ten eerste, Willemijna Gront, weduwe van Samuel Gardenier, geassisteerd met haar vader Fredrik Gront, ten tweede, Fredrik Gront, voor zichzelf, ten derde en Johan en Bastiaan Gardenier, kooplieden te Dordrecht, ten vierde. Zij geven te kennen, dat zij “distincte affaires en saecken metten andren respectivelijk hebben gehad, en gedreven, te weten in olijmolens met hetgeene daer toe behoort, als in- en uijtkoop van zaet, olijkoeken, en soo voorts, gelijck den eerste comparant eerst metten derden, en naderhand met sijn schoonvader, den vierden comparant heeft gehad, item in wijnen, brandewijnen, gedistilleerde wateren …. soo als den eersten comparant en de overlede man van de tweede comparante hebben in compagnie gedaen, dat de comparente[n] om aff te snijden alle verwijderinge ter saeke voorsz., onverwagt op te komen, metten andren door intercessie van … Daniël Eelbo, presiderende borgemeester deser voorsz. Stad, verclaeren dat alle de voorsz. affaires … sijn affgelopen, ende ten eijnde geraeckt”, dat alle rekeningen zijn vereffend en dat zij comparanten uit het slot daarvan zijn betaald en voldaan. Voorts verklaren de twee eerste comparanten, dat het compagnonschap, dat Boudewijn de Haen met zijn zwager Samuel Gardenier op 30 sept. 1713 is aangegaan, bij deze is “gemortificeert, doot, ende te niet gedaen”, maar dat, gezien de vrijwillige afstand, die Willemijna Gront, weduwe van Samuel Gardenier, van het compagnonschap heeft gedaan, de eerste comparant aanneemt om gedurende het leven van zijn schoonvader, Johan Gardenier, aan tweede comparante jaarlijks een bedrag van 300 gl. te betalen tot alimentatie van haar kinderen, welke uitkeringevenwel zal ophouden, wanneer de weduwe gaat hertrouwen. De vierde comparanten beloven er voor te zullen zorgen, dat uit de nalatenschap van Johan Gardenier na diens overlijden jaarlijks voor het onderhoud van haar kindereneen bedrag van 300 gl. aan Willemijna Gront zal worden uitgekeerd, welke verplichting zal vervallen op het moment, dat zij opnieuw gaat trouwen, of wanneerhaar kinderen meerderjarig worden of gaan trouwen. Comparanten tekenen met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 618, f. 301 e.v.)

– 10 aug. 1723: comp. Jan Gardenier, koopman te Dordrecht. Hij herroept eerdere testamenten e.d. en maakt een nieuwe wilsbeschikking. Hij legateert aan zijn zoonBastiaen Gardenier zijn beste kast, een rustbank met matras, staande in de achterkamer, een porseleinen stel, staande op de kast in de binnenkeuken, twee bedden en al zijn wollen en linnen kleren. Aan zijn dochter Agatha Gardenier, vrouw van Boudewijn de Haen, koopman in wijnen te Dordrecht, legateert hij zijn kast, staande in de binnenkeuken, een porseleinen stel, staande op de beste kast in de achterkamer en het kabinetje in de achterkamer. Aan de kinderen van zijn overleden dochter Maria Gardenier, bij haar verwekt door Hendrik Jongeling, wonende te Rotterdam, legateert hij een somma van 10.000 gl. in plaats van de legitieme portie en aan het kind, verwekt bij WilleminaGronddoor zijn overleden zoon Samuel Gardenier en het kind of de kinderen, waarvan Willemina Grond zwanger is, een bedrag van 6000 gl. Tot erfgenamen van al zijn overige na te laten goederen benoemt hij zijn zoon Bastiaen Gardenier en zijn dochter Agatha Gardenier. Hij wenst, dat zijn zoon Bastiaen in diens erfportie zal worden aanbedeeld het huis, waarin hij testateur tegenwoordig woont, genaamd “het Ovale Lampet”, met alle vormen en gereedschappen tot de tingieterij en winkel behorende, alsmede zijn tuin, gelegen buiten de Sint Jorispoort in het eerste paadje aan de rechterkant naar de Vriesepoort toe, mits hem daarvoor op zijn erfportie zal worden aangerekend een bedrag van 4000 gl., zoals hem ook zal worden aanbedeeld de helft in een windoliemolen, staande op het Eiland tegenover de molen van de heer Terwen of naast de trasmolen van Jan Bosman, van welke oliemolen de testateur en zijn schoonzoon Boudewijn de Haen ieder de helft in eigendom hebben, waarvoor hem insgelijks zal worden aangerekendeen bedrag van 3500 gl. Testateur wil voorts, dat aan zijn dochter Agatha Gardenier zal worden toebedeeld het huis met pakhuizen en kelders, waarin zij en haar man Boudewijn de Haen wonen, voor een bedrag van 1600 gl. Tot voogden stelt hij aan Bastiaen Gardenier en Boudewijn de Haen. (ONA Dordrecht inv. 618, f. 321 e.v.)

[NB: de helft van de windoliemolen vererft na hetoverlijden van Jan Gardenier in 1732op diens zoon Bastiaen Gardenier. Na diens overlijden in 1739 gaat de eigendom overopzijn zuster Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, die sedertdien de hele molen in bezit heeft. Zij verkoopt de molen en het daarbij horende huis, tuin en boomgaardin 1748 aan Wouter Michault. (Zie hieronder.)]

– 27 okt. 1724: comp. voor notaris B. van der Star te Dordrecht Boudewijn de Haan, koopman aldaar. Hij verleent procuratie aan Simon Knapper, procureur te Schiedam, om van Jacob Vermaas,wonendete Schiedam, te vorderen een bedrag 81 gl. 7 st. 8 penn., die Vermaas aan hem schuldig is wegens de leverantie van drie aam raapolie op 5 jan. 1723. (ONA Dordrecht inv. 852, akte 56)

– 2 nov. 1725: Willemijna Gront, weduwe en erfgename van Samuel Gardenier, koopman in wijnen en gedistilleerde wateren te Dordrecht, verklaart, dat haar man “de voorsz. negotie alsmede van een olijmolen in compagnie heeft gedaan met haeren swaeger Boudewijn de Haen, mede coopman in wijnen alhier”. Na het overlijden van Samuel Gardenier is het compagnonschap opgeheven. Comparante geeftDe Haentoestemming om voor zijn rekening de nog uitstaande boekschulden in te vorderen. (ONA Dordrecht inv. 619, f. 200 e.v.)

– 24 nov. 1727: extract in het weesboek ingeschreven van het testament van Boudewijn de Haen, koopman te Dordrecht en zijn vrouw Agatha Gardenier, gepasseerd op 26 nov. 1711 voor de Dordtse notaris A. van Nievelt (Weeskamer Dordrecht inv. 33, f. 135 e.v.)

– 28 nov. 1727: Jan Gardenier, tingieter, koopman en burger van Dordrecht, testeert ten overstaan van notaris P. de Ruijter te Dordrecht. Hij herroept al zijn eerdere testamenten, codicillen e.d. Hij legateert aan het kind van zijn overleden zoon Samuel Gardenier, verwekt bij Willemina Gront, een bedrag van 2400 gl., te voldoen met obligaties of rentebrieven ten laste van de provincie Holland en aan de kinderen van zijn dochter Maria Gardenier, verwekt bij Hendrik Jongeling, een bedrag van 7000 gl., eveneenste voldoen met obligaties of rentebrieven ten laste van de provincie Holland. Tot erfgenamen van al zijn overige goederen benoemt hij zijn zoon Bastiaan Gardenier en zijn dochter Agata Gardenier of bij vooroverlijden hun wettige nakomelingen.Hij wil, dat zijn zoon op diens erfportie zal aannemeneen huis in de Voorstraat omtrent de Nieuwbrug, waar uithangt “het Ovaal Lampet”, staande tussen het huis van de weduwe van Pieter Vervel en het huis van detestateur zelf, benevens alle gereedschappen, die tot de tingieterswinkel behoren en een tuin, gelegen buiten de St. Jorispoort in het Kasperspad, voor een somma van 3000 gl. Zijn dochter Agata Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, zal gehouden zijn op haar erfportie aan te nemeneen huis op de Kalkhaven, waar uithangt “de Stad Amsterdam”, staande tussen het huis van Jan Bosman en het pakhuis van mr. Gerard Franken, voor een somma van 2400 gl. Zijn zoon Bastiaan zal ingevolge de onderhandse overeenkomst, die op 1 jan. 1717 tussen hen is gesloten, een jaarlijkse uitkering van 200 gl. ontvangen, ingaande op genoemde datum en lopende tot aan het overlijden van de testateur. Tot voogd over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij zijn zoon Bastiaan Gardenier. Akte door testateur ondertekend.(ONA Dordrecht inv. 1000, akte 62)

– 4 dec. 1727: testament van Bastiaan Gardenier, tingieter, koopman en burger van Dordrecht. Hij benoemt tot universeel erfgenaam zijn vader Jan Gardenier, tingieter en koopman te Dordrecht en bij vooroverlijden van zijn vader zijn zuster Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen of bij vooroverlijden van zijn zuster haar kinderen. In dat laatste geval zullen zijn zuster resp. haar kinderengehouden zijn aan de kinderen van zijn overleden zuster Maria Gardenier, in haar leven echtgenote van Hendrik Jongeling, m.n. Jan, Hendrik, Anna, Bastiaan en Agatha Jongeling,elk een bedrag van 600 gl. uit te keren. Tot voogd over zijn minderjarige erfgenamen benoemt hij Jan Drappentier, stempelsnijder in de Munt van Holland. (ONA Dordrecht inv. 1000, akte 64)

– 7 sept. 1729: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, koopvrouw in wijnen te Dordrecht, verleent procuratie aan Joan Wijck, wonende te Gorinchem, procureur bij het Gerecht van Leerdam, om voor haar te vorderen van Hendrick Geloofsz. Hartogh, bode en herbergier wonende te Schoonderwoerd, een somma van 161 gl. wegens leverantie van wijnen in de jaren 1724 en 1725. (ONA Dordrecht inv. 621, f. 218)

– 9 febr. 1732: begraven kapitein Joan Gardenier, in de Voorstraat bij de Nieuwbrug, twee koetsen extra, laat kinderen na. (Begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 27 mrt. 1732: Bastiaan Gardenier koopman en Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haan, kinderen en erfgenamen van Jan Gardenier, verlenen procuratie aan Abraham Kimeijser, gezworen klerk ter secretarie, om voor schepenen van Dordrecht te transporteren aan Cornelis van der Klock een visstal op de Grote Vismarkt, welke aan Van der Klock is verkocht voor een bedrag van 600 gl. Comparanten tekenen met hun naam. (ONA Dordrecht inv. 660, akte 8, f. 423 e.v.)

– 27 mrt. 1732: Abraham Kimijser, klerk ter secretarie van Dordrecht, als procuratie hebbende van Catharina Straatman, weduwe van Theodorus Berdenis, wonende te Dordrecht, verkoopt voor 1400 gl. aan Bastiaan Gardenier en Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haan, kooplieden te Dordrecht, een huis op de Varkenmarkt, strekkende achter tot op de Nieuwe Haven en staane tussen het huis van Jacob Jacobsz. en Co. en dat van Gerrit Pelt. (ORA Dordrecht inv. 1653, f. 18v e.v.)

– 1 april 1732: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haan, koopman te Dordrecht, geeft te kennen, dat haar drie kinderen, resp. 18, 17 en 12 jaar oud, bij haar verwekt door genoemde Boudewijn de Haan, voor een derde part erfgenamen zijn van hun grootvader, Jan deHaan, in zijn leven makelaar te Dordrecht endat de goederen, die zij van hem geërfd hebbennog berusten onder beheer van hun voogden, Jan van Haften en Hendrik de Haan, beiden wonende te Dordrecht. “[E]nde gemerkt de suppliante tot alimentatie en onderhoud van hare voorn. kinderen nodig heeft de intressen van hare voornoemde kinderen goederen [en]dat ook na regten notoir is dat ouders, hare kinderen goedren hebbende, niet gehouden of verpligt zijn deselve te alimenteren”, verzoekt zij de bestuurders van Dordrecht om de voogden van haar kinderen toe te staan of, indien dat nodig zou blijken, te bevelen de jaarlijkse interesten van genoemd erfdeel sedert het jaar 1730 en vervolgens van ieder komend jaar aan haar uit te keren. De Kamer Judicieel besluit op 25 april 1732, dat de voogden de helft van genoemde interesten aan de suppliante moeten uitkeren tot aan het moment, waarop de kinderen mondig zijn geworden. (ORA Dordrecht inv. 110, f. 142v e.v.)

– 13nov. 1736: Bastiaan Gardenier tingieter en Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, koopvrouw te Dordrecht, erfgenamen van wijlen Jan Gardenier tingieter volgens diens testament op 28 nov. 1727 gepasseerd voor de Dordtse notaris P. de Ruijter, verkopen aan de vaders en regenten van het Gasthuis te Dordrecht twee obligaties ten laste van de provincie Holland,een van1250 ponden van 40 groten het pond, staande op naam van Hans Verhagen en gedateerd 5 sept. 1637 en een van 800 ponden van 40 groten het pond, op naam van toonder en gedateerd 14 juni 1708. (ONA Dordrecht inv. 1009, akte 133)

– 26 nov. 1736: Bastiaan en Agatha Gardenier, als erfgenamen van Jan Gardenier, verkopen aan Diderik van den Santheuvel, inwoner van Dordrecht, een obligatie van 1100 ponden van 40 groten het pondten laste van de provincie Holland, staande op naam van Jan Levinus en gedateerd 7 dec.1640. (ONA Dordrecht inv. 1009, akte 143)

– 10 april 1739: begraven Bastiaen Gardenier, op de Kalkhaven, ongehuwd, met twee koetsen extra. (Begraafboek Grote Kerk Dordrecht)

– 21 mei 1739: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, verkoopt voor 320 gl. aan Joost Hendrik Scheffer suikerraffinadeur een tuin en tuinhuis, gelegen en staande op stadsgrond buiten de St. Jorispoort in het “Mantenaarspaadje” [Matena’s pad] tussen de tuin van de heer Van Wessem en de tuin van de weduwe Van der Lisse. (ONA Dordrecht inv. 1012, akte 69)

– 8 juni 1739: ingeschreven in het Weesboek een extract van het testament van Bastiaan Gardenier, gepasseerd voor notaris P. de Ruijter te Dordrecht op 4 dec. 1727. Er waren geen minderjarige erfgenamen volgens verklaring van dezelfde notaris. (Weeskamer Dordrecht inv. 35, f. 17)

– 30 dec. 1740: voorwaarden, waarop Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, vijf huizen in Dordrecht wil verkopen:

1. een huis in de Voorstraat aan de waterzijde, zijnde het derde huis van de Nieuwbrug, staande tussen het hierna genoemde huis en het huis van Anthonij Vervel apotheker, verhuurd aan Hendrik Jongeling voor 136 gl. per jaar. Het huis wordt op de veiling in het afslaan opgehouden op 2200 gl.

2. een huis in de Voorstraat aan de waterzijde bij de Nieuwbrug, staande tussen het huis van Huijbert Figters en het hiervoren genoemde huis, verhuurd aan Metje en Elisabet van Dorpen voor 136 gl. per jaar. Op de veiling in het afslaan opgehouden op 2500 gl.

3. een huis op de Varkenmarkt, staande tussen het huis van Matthijs Watrin en dat van Jacob Jacobsz., verhuurd aan de weduwe van Rochus van der Crab. Verkocht aan Gerrit van der Crab voor 1120 gl.

4. een huis in de Tolbrugstraat Waterzijde, staande tussen het huis van Jan Bonte en dat van Willem Rijke, verhuurd aan Leendert Reus voor 52 gl. per jaar. Voor 700 gl. verkocht aan Willem van Leijen

5. een huis in de Kolfstraat, staande tussen het huis van Nicolaes Slijp en dat van Boudewijn Beenhakker. Verkocht aan de weduwe van Jan van den Heuvel voor 250 gl.

(ONA Dordrecht inv. 1013, akte 218)

– 31 dec. 1740: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, verhuurt aan Adriaen Mels, koopman te Dordrecht, een oliemolen en molenaarswoning, staande in het Mallegat bij Dordrecht, voor een periode van zes jaar voor 650 gl. per jaar. De huurder is niet verplicht bij “sterffval inde twee famieliën den moolen in den rouw te setten”. Als er een sterfgeval in zijn eigen familie is, mag de huurder de molen niet acht dagen stil laten staan. De verhuurster mag ieder jaar 40 “mengelen” olie van de molen laten halen zonder daarvoor een vergoeding te hoeven betalen. (ONA Dordrecht inv. 1013, akte 219)

– 1 mrt. 1741: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, koopvrouw te Dordrecht, verleent procuratie aan Adriaan van Dam, vendumeester te Dordrecht, om te compareren voor het gerecht van De Mijl en daar te verklaren, dat zij aan Hendrik Pus, heer van Opper en Neder Andel en diens vrouw Emmerentia de Carpentier schuldig is een somma van 5000 gl. wegens geleende penningen, daarvoor verbindende een windoliemolen met het huis “Dortwijk”, een tuin enboomgaard op het Crabbe-eiland. Johan de Haen Boudewijnsz., wonende te Dordrecht en Jacob Vermanden, koopman te Dordrecht, getrouwd met Johanna de Haen, stellen zich borg voor hun moeder resp. schoonmoeder, Agatha Gardenier. (ORA De Mijl, Crabbe en Nadort [archief 405], inv. 3, f. 59)

– 16 juli 1745: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, wonende te Dordrecht, verkoopt twee naast elkaar staande huizen in de Voorstraat omtrent de Nieuwbrug. Het ene, staande tussen het huis van Anthony Vervel en het hierna genoemde huis, is tot 1 mei 1749 verhuurd aan Hendrik Jongeling en wordt voor 1710 gl. gekocht door Jan van der Linde Govertsz. huistimmerman. Het andere huis, staande tussen het voorgaande huis en dat van de weduwe Vermeer, is tot 1 aug. 1745 verhuurd aan Philip Mom en wordt voor 950 gl. verkocht aan Adriaan ’t Hooft. (ONA Dordrecht inv. 969, akte 102)

– 9 sept. 1745: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haan, wonende te Dordrecht, verkoopt voor 1710 gl. aan Hendrik Jongeling [sic], mr. tingieter en burger van Dordrecht, een huis in de Voorstraat omtrent de Nieuwbrug, staande tussen het huis van Anthonij Vervel en het huis, dat op diezelfde dag is overgedragen aan Adriaan ’t Hooft, alsmede voor 950 gl. aan Adriaan’t Hooft, koopman te Dordrecht,een huis in de Voorstraat omtrent de Nieuwbrug, staande tussen het hiervoor genoemde huis en dat van de weduwe van Jan Vermeer. (ORA Dordrecht inv. 1657, f. 93 e.v.)

– 5 april 1748: Agatha Gardenier, weduwe van Boudewijn de Haen, wonende te Dordrecht, verkoopt voor 7000 gl. contant aan Wouter Mikhout [Michault], koopman te Dordrecht, een windoliemolen, het huis “Dordtwijk”, een tuin en boomgaard op het Crabbe-eiland, staande en gelegen omtrent of tegenover de zoutketen van Mattheus Rees. (ORA De Mijl, Crabbe en Nadort [archief 405], inv. 3, f. 82 e.v.)

Kinderen (allen NG gedoopt te Dordrecht):

a. Jan, 26 nov. 1712, jong overleden

b. Jan de Haen Boudewijnsz., 27 dec. 1713, wordt op 17 dec. 1740 knaap van de Munt van Holland te Dordrecht

ORA Dordrecht inv. 1657, f. 121v e.v.: op 8 mrt. 1746 verkoopt Marijke Denijsdr. van Roon, weduwe van Obbe Obbesz. de Heer, voor 821 gl. aan Jan de Haan Boudewijnsz., knaap in de Munt van Holland, een huis in de Wijnstraat omtrent het Groothoofd, staande tussen het huis van Jan van Sprang en dat van Hendrik van Bentink. De koper is schuldig aan Aart van Cappel, knaap in de Munt van Holland en burger van Dordrecht, een somma van 800 gl.

c. Johanna de Haen, 12 febr. 1715, jonge dochter van Dordrecht wonende op de Kalkhaven (1733),begraven Dordrecht (Grote Kerk) 9 mei 1793 (Johanna de Haen, vrouw van Jacob Louies Vermande van Rotterdam, ‘s-morgens om 11 uur alhier bijgezet, laat kinderen, stil begraven),trouwde Gerecht/NGDordrecht 29 jan./15 febr. 1733 (de bruidegom met schriftelijk consent van Louis Jacobsz. Vermande volgens akte gepasseerd voor notarisJohnannes Tempelaer te Boxtel op 10 febr. 1733, de bruid geassisteerd met haar moeder Agata Gardenier weduwe van Boudewijn de Haen, op 15 febr. 1733 te Dordrecht getrouwd door ds. Snetlage, geboden te Rotterdam op 1 febr. 1733) Jacob Louis Vermande, geboren Rotterdam 6 jan. 1706, gedoopt Waals Rotterdam 8 jan. 1706 (getuigen: Jacob Vermande en Elisabeth de la Bussiere),jongman geboren en wonende te Rotterdam (1733), woondein de Lombertstraat te Rotterdam (1733), koopman te Dordrecht,zoon van Louis Vermande en Cornelia Sgrafweght, begraven Dordrecht (Grote Kerk) 29 jan. 1794 (Jacob Lowies Vermande van Rotterdam, ‘s-morgens na 9 uur stil bijgezet, laat kinderen na)

Bundel met “Feestzangen”,uitgegeventer gelegenheid van het 50-jarig huwelijk van Jacob Louis Vermande en Johnna de Haen (foto: J. van den Brande)

– 5 april 1736: Cornelis Verleng, koopman te Dordrecht, verkoopt voor 4100 gl. aan Jacob Vermande, koopman te Dordrecht, een nieuw gebouwd woonhuis met wijnkelder eronder, staande op de Kalkhaven tussen het pakhuis van de erfgenamen van Franchois Krillaerts en het pakhuis van David Crena. (ORA Dordrecht inv. 1654, f. 85v e.v.)

– 8 aug. 1738: Bastiaan Gardenier, koopman te Dordrecht, verleent procuratie ad recipienda debita aan Jacob Vermande, koopman te Dordrecht, om van Jacobus van Flierenburg, wonende te Goes, een somma van 56 gl. en 8 penn. te vorderen. (ONA Dordrecht inv. 1017, akte 36)

– 20 juli 1743: comp. voor notaris G. Verveer te Dordrecht Louis Jacobsz. Vermande, wonende te Boxtel, als enige erfgenaam ab intestato van zijn overleden zoon Louis Vermande jr., in zijn leven notaris te Utrecht. Hij verleent procuratie aan zijn zoons Jacob, Nicolaes, Cornelis en Adriaan Vermande om “waar te nemen, te verrigten, en te dirigeren alle soodanige saken en affaires als er jegenwoordigalreede eenigsints in den boedel van sijn comparants voorsz. overleden zoon … uijtstaanden en te verrigten zijn” en later nog te verrichten zullen zijn.(ONA Dordrecht inv. 924, akte 58)

– 12 mrt. 1750: Jacob Vermande, knaap in de Munt en burger van Dordrecht, verkoopt voor 2450 gl. aanJacob van der Elst, suikerraffinadeur te Dordrecht, ene huis op de Kalkhaven, staande tussen het pakhuis van David Crena en de loods van Johannes Theordorus Troost en Abraham van den Bergh.

Kinderen:

c-1. Boudewijn, gedoopt NG Rotterdam9 nov. 1734 (getuigen: Agatha de Haan, Jan Bogaart)

c-2. Lodewijk, gedoopt NG Dordrecht 27 nov. 1735

c-3. Agatha, gedoopt NG Dordrecht 21 april 1737

c-4. Cornelia, gedoopt NG Dordrecht 19 april 1739

c-5. Jan Vermande, gedoopt NG Dordrecht 25 juni 1741, jongman van Dordrecht wonende in de Wijnstraat bij het Groothoofd (1771), trouwde Gerecht/Dordrecht 4/19 mei 1771 (de bruidegom met schriftelijk consent van zijn vader Jacob Vermande, de bruid geassisteerd met haar vader Johannes van der Hoeven) Geertruij van der Hoeven jonge dochter van Dordrecht wonende in de Wijnstraat bij het Groothoofd (1771)

ORA Dordrecht inv. 1666, f. 214v: op 16 april 1771 verkoopt Jacob Elias Verburgh, koopman wonende te Dordrecht, voor 1800 gl. aan Jan Vermande, burger van Dordrecht, een huis op de Voorstraat aan de havenzijde tussen Leuve- en Pelserbrug, staande tussen het huis van Huibert Struijk en dat van Pieter Schat.

c-6. Anna Vermander [sic], geboren Dordrecht 21 mei 1743, gedoopt NG Dordrecht 23 mei 1743, overleden Rotterdam 21 mrt. 1814, trouwde Rotterdam 27 okt./10 nov. 1776 Joannis Spieringshoek, geboren Rotterdam 27 dec. 1744, gedoopt NG Rotterdam 29 dec. 1744, overleden Den Haag 15 febr. 1833, zoon van Sijmon Spieringshoek en Marija Christijna Brand

c-7. Adriana, gedoopt NG Dordrecht 2 sept. 1744

c-8. Cornelis, gedoopt NG Dordrecht 14 juni 1747

c-9. Jacoba, gedoopt NG Dordrecht 14 dec. 1749

c-10. Elisabeth, gedoopt NG Dordrecht 26 sept. 1751

c-11. Catharina Maria, gedoopt NG Dordrecht 9 jan. 1754

d. Agatha, 14 sept. 1717, jong overleden

e. Boudewijn de Haen, 7 mei 1719

f. Bastiaan Samuel, 19 okt. 1721, jong overleden